Rechtsgevolgen van stille cessie
Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/9.4.3:9.4.3 Uitoefening van andermans vordering
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/9.4.3
9.4.3 Uitoefening van andermans vordering
Documentgegevens:
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS583661:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
535. Uit het voorgaande volgt dat de stille cessie geen noemenswaardige veranderingen brengt in ten aanzien van opschorting door de stille cedent in zijn hoedanigheid als oude schuldeiser. Het is de vraag of de toekenning van de inningsbevoegdheid hierin verandering brengt. Het antwoord luidt ontkennend.
Een inningsbevoegde derde is alleen bevoegd tot opschorting als hij ook bevoegd is ten aanzien van de schuld of verplichting waarvan de nakoming wordt opgeschort. Daarvan is sprake als hij bevoegd tot nakoming of betaling van de verplichting of schuld. De curator, de vereffenaar en de executeur zijn bevoegd ten aanzien van het gehele vermogen (het faillissementsvermogen respectievelijk de nalatenschap) en zijn uit dien hoofde ook bevoegd tot opschorting. Daamaast dient aan de vereisten voor opschorting te zijn voldaan, zoals het vereiste van voldoende samenhang (art. 6:52 BW). Omdat voor opschorting niet het vereiste van wederkerig schuldeiserschap geldt, is niet uitgesloten dat de inningsbevoegde derde de nakoming van een eigen verplichting opschort, totdat de schuldenaar de vordering ten aanzien waarvan de derde inningsbevoegd is, voldoet.1 Is de inningsbevoegde derde niet tevens tot betaling van de schuld van de schuldeiser bevoegd, dan mist hij de opschortingsbevoegdheid. De opschortingsbevoegdheid volgt niet uit de eventuele beheersbevoegdheid van de derde. In de rechtsverhouding tussen de rechthebbende en de inningsbevoegde derde kan de laatste op grond van de redelijkheid en billijkheid gehouden zijn om zich op de opschorting te beroepen, bijvoorbeeld bij een beperkt recht.
Het voorgaande sluit aan bij hetgeen uit de vorige paragraaf volgt, namelijk dat de stille cedent ook na de stille cessie nog bevoegd kan zijn om de nakoming van een eigen verplichting jegens de schuldenaar van de stil gecedeerde vordering op te schorten, als de schuldenaar zijn verplichting ten aanzien van de stil gecedeerde vordering niet nakomt. Aan de stille cedent komen daarmee meer bevoegdheden toe dan aan de inningsbevoegde derde uit hoofde van diens inningsbevoegdheid.2