Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/9.4.1
9.4.1 Bevoegdheid
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS583662:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
In een aantal gevallen bestaat de bevoegdheid tot opschorting niet (art. 6:54-6:55 BW, vgl. art. 6:46 lid 2 BW). De bevoegdheid tot opschorting blijft ook na de verjaring van de rechtsvordering op de wederpartij in stand (art. 6:56 BW).
Verzuim is evenmin vereist. Zie M.v.A. II Inv., Parl. Gesch. Boek 6 (lnv. 3, 5 en 6), p. 1249; en A-G Huydecoper in zijn conclusie (sub 30) voor HR 19 oktober 2001, NJ 2001, 653.
Zie hiema nr. 553.
Zie daarover hiervóór nr. 271 e.v. Zie voor andere opschortingsgronden (o.a. art. 6:37, 6:48 lid 3 BW), hiema nr. 573 e.v. en 630 e.v.
530. Een schuldenaar die een opeisbare vordering heeft op zijn schuldeiser, is bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten tot voldoening van zijn vordering plaatsvindt, indien tussen vordering en verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen (art. 6:52 lid 1 BW).1 Een zodanige samenhang kan onder meer worden aangenomen ingeval de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding of uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan (art. 6:52 lid 2 BW). Voor opschorting is niet-nakoming door de schuldenaar voldoende. Een tekortkoming zoals vereist is voor ontbinding, is niet vereist.2 De opschorting, een rechtshandeling, vindt plaats door een verklaring aan de schuldeiser (art. 3:37 BW). Door uitoefening van de bevoegdheid tot opschorting ontstaat het opschortingsrecht.3 De vordering van de wederpartij wordt door de opschorting niet-opeisbaar; de opschorting heeft derhalve gevolgen voor de schuld (de verplichting), niet voor de vordering die niet wordt nagekomen, ook al kan het voor de nakoming daarvan als pressiemiddel dienen. Opschorting heeft geen terugwerkende kracht.
Als een der partijen bij een wederkerige overeenkomst haar verbintenis niet nakomt, is de wederpartij bevoegd de nakoming van haar daartegenover staande verplichtingen op te schorten (art. 6:262 lid 1 BW; de exceptio non adimpleti contractus). De partij die verplicht is het eerst te presteren, is niettemin bevoegd de nakoming van haar verbintenis op te schorten, indien na het sluiten van de overeenkomst te harer kennis gekomen omstandigheden haar goede grond geven te vrezen dat de wederpartij haar daartegenover staande verplichtingen niet zal nakomen (art. 6:263 lid 1 BW).4 In geval van opschorting ex art. 6:262-6:263 BW zijn art. 6:54 sub b en c BW en art. 6:55 BW niet van toepassing (art. 6:264 BW).
Een bijzonder opschortingsrecht is het retentierecht, waarbij de nakoming van de verplichting tot teruggave van een zaak is opgeschort.5 De bepalingen uit afd. 6.1.7 BW (opschorting) zijn hierop van toepassing, voor zover daar in afd. 3.10.4 BW (retentierecht) niet van is afgeweken (art. 6:57 BW).