. De feiten, die goeddeels zijn ontleend aan het arrest van het Hof Amsterdam van 19 februari 2013 onder 2.2, worden slechts vermeld, voor zover zij in verband met de in cassatie aan de orde gestelde vragen nog van belang zijn.
HR, 23-05-2014, nr. 13/02518
ECLI:NL:HR:2014:1199, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23-05-2014
- Zaaknummer
13/02518
- Roepnaam
ABN AMRO/UBO 35
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:1199, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 23‑05‑2014; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:420, Gevolgd
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ5605, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
ECLI:NL:PHR:2014:420, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 21‑03‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1199, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 16‑05‑2013
- Wetingang
art. 239 Burgerlijk Wetboek Boek 3
- Vindplaatsen
JOR 2014/252 met annotatie van Mr. B.A. Schuijling
JOR 2014/252 met annotatie van Mr. B.A. Schuijling
Uitspraak 23‑05‑2014
Inhoudsindicatie
Faillissement. Pand. Stil pandrecht op vorderingen uit overeenkomst tot bouw binnenvaarttanker. Beperking overeenkomst tot bouw casco. Nieuwe vordering? Zodanige wijziging rechtsverhouding dat sprake is van een ‘andere rechtsverhouding’? Art. 3:239 lid 1 BW.
Partij(en)
23 mei 2014
Eerste Kamer
nr. 13/02518
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
ABN AMRO BANK N.V.,gevestigd te Amsterdam,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. F.E. Vermeulen,
t e g e n
UBO 35 B.V.,gevestigd te Rotterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als ABN AMRO en UBO.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 468440/HA ZA 10-2762 van de rechtbank Amsterdam van 27 oktober 2010 en 2 maart 2011;
b. het arrest in de zaak 200.089.182/01 van het gerechtshof Amsterdam van 19 februari 2013.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft ABN AMRO beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen UBO is verstek verleend.
De zaak is voor ABN AMRO toegelicht door haar advocaat alsmede door mr. B.F.L.M. Schim, advocaat te Amsterdam.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.
3. Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Op 18 december 2007 is tussen de besloten vennootschap IHDA All Ships B.V. (hierna: IHDA) en de vennootschap onder firma Amulet (hierna: Amulet) een overeenkomst gesloten, getiteld “Bouwcontract No. 601”. Volgens deze overeenkomst neemt IHDA op zich om een tanker voor de binnenvaart te laten bouwen en aan Amulet te leveren. Ook bepaalt de overeenkomst dat het casco van de tanker in China zal worden gebouwd en dat de afbouw daarvan in Nederland onder verantwoordelijkheid van IHDA zal plaatsvinden. De contractprijs, die € 8.650.000,-- bedraagt, dient in termijnen te worden voldaan.
(ii) ABN AMRO heeft aan IHDA kredieten verstrekt.In verband daarmee hebben IHDA en ABN AMRO op 16 september 2009 een akte getekend, getiteld “Verpanding bepaalde vordering(en)”. De akte is op 19 september 2009 geregistreerd. Bij de akte heeft IHDA onder meer de volgende vordering aan ABN AMRO verpand:
“de vordering(en) en rechten welke de Pandgever nu of te eniger tijd heeft of zal verkrijgen uit hoofde van het bouwcontract voor de bouw van een Eco-binnenvaarttanker van 135 x 14.15 x 6.17, d.d. 18-12-2007, zoals aangevuld of gewijzigd van tijd tot tijd, gesloten met V.O.F. Amulet ten bedrage van EUR 8.650.000,=”.
(iii) Op 20 november 2009 hebben Amulet en IHDA een document ondertekend, genaamd “Addendum 2 aan het Contract 601 getekend op 17 december 2007”. Op blz. 1 van dit document wordt onder meer vermeld:
“De reden waarom dit Addendum no. 2 is opgesteld, is gelegen in het feit dat IHDA niet in staat/van zins is het contract 601 d.d. 18 december 2007 onverkort na te komen. Feitelijk komt het erop neer dat de levering van een afgebouwde ecotanker wordt omgezet in de levering van een casco.
Hierdoor is V.o.F. Amulet genoodzaakt de afbouw zelf in regie te nemen. Partijen komen in het addendum over de afbouw het nodige overeen ten aanzien van “gereserveerde equipment” en overname van rechten en verplichtingen door IHDA All Ships B.V./IHDA Marine Service B.V. aangegaan ten aanzien van leveranciers.
(…)
Indien en voor zover middels Addendum no. 2 artikelen in Overeenkomst 601 d.d. 18 december 2007 niet zijn aangepast of gewijzigd, dan houdt dit niet in dat deze artikelen onverkort van kracht zijn. Partijen hebben met dit addendum de uitdrukkelijke bedoeling om contractuele bepalingen uit contract nummer 601 buiten werking te stellen indien en voor zover die betrekking hebben op levering van een afgebouwde ecotanker en allerlei kwesties die met de levering van een “eenvoudig” casco niet van (de Hoge Raad leest:) doen hebben.
(…)
Aanpassing artikel 1.1:
Het CASCO wordt door de Verkoper geleverd aan de Koper inclusief koppelen, restpunten vlg. Annex 4 en restschilderwerk, koproerkleppen, leidingwerk laad-lossysteem excl. Afsluiters, zoals tijdens de afname in China gepresenteerd, voor Euro 3.266.000,-. (...)
(…)
Opsomming slottermijn:
Aanschaf casco € 3.236.000,-
Overdracht equipment € 1.041.500,-
Eenmalige korting casco -/- € 500.000,-
Eenmalige korting equipment -/- € 291.500,-
Eerste termijn -/- € 500.000,-
-------------------
Slottermijn € 2.986.000,-”
(iv) Voorts hebben Amulet en IHDA een document ondertekend, gedateerd op 2 november 2009 en genaamd “Annex 7 behorende bij het Contract No. 601”, en bestaande uit een lijst van inkoopverplichtingen die Amulet van IHDA overneemt voor een totaalbedrag van € 75.000,--. In mei en juni 2010 zijn Amulet en IHDA driepartijenovereenkomsten aangegaan met diverse leveranciers met wie IHDA reeds overeenkomsten in verband met de afbouw van de tanker had gesloten.
(v) In juni 2008 heeft UBO van IHDA een door IHDA te bouwen en te leveren casco van een binnenvaartschip gekocht. In verband daarmee heeft UBO zowel op 9 oktober 2008 als op 3 november 2008 een aanbetaling aan IHDA gedaan, in totaal voor een bedrag van € 357.000,--.
(vi) Bij brief van 4 mei 2010 heeft UBO de hiervoor onder (v) genoemde overeenkomst ontbonden en IHDA verzocht om de aanbetaalde bedragen, vermeerderd met rente en kosten, aan haar terug te betalen. Hieraan heeft IHDA geen gevolg gegeven.
(vii) UBO heeft op 11 juni 2010 voor haar vordering op IHDA conservatoir derdenbeslag onder Amulet doen leggen op de door Amulet aan IHDA te betalen koopsom.
(viii) Op 27 juli 2010 heeft de rechtbank Den Haag op verzoek van UBO IHDA in staat van faillissement verklaard.
3.2
Het geschil in cassatie spitst zich toe op de vraag of UBO het hiervoor in 3.1 onder (ii) vermelde pandrecht van ABN AMRO tegen zich moet laten gelden.
3.3
De rechtbank heeft geoordeeld dat ABN AMRO haar pandrecht tegen UBO kan inroepen en dat UBO het door haar gelegde conservatoir beslag niet aan ABN AMRO kan tegenwerpen.
3.4
Het hof heeft onder meer voor recht verklaard dat UBO voor haar vordering op IHDA rechtsgeldig en doeltreffend conservatoir derdenbeslag onder Amulet kon leggen, en dat het pandrecht van ABN AMRO niet op deze vordering rust. Daartoe heeft het hof in rov. 2.6 als volgt overwogen:
“Bij afweging van deze gezichtspunten komt het hof tot het oordeel dat hetgeen in november 2009 nader is overeengekomen een zodanige wijziging heeft gebracht in het karakter van de rechtsverhouding tussen Amulet en IHDA, dat vanaf november 2009 sprake is van een andere rechtsverhouding in de zin van art. 3:239 lid 1 BW dan voordien. De aanspraken van Amulet jegens IHDA op grond van de wijzigingen in november 2009 – levering van een casco en contractsoverneming – zijn naar hun aard, in hun onderlinge samenhang beschouwd, te zeer verwijderd van de oorspronkelijke bedoeling van partijen zoals vastgelegd in de overeenkomst van december 2007 – levering van een volledig afgebouwde tanker – om nog van dezelfde rechtsverhouding te kunnen spreken. De betaling waartoe de regeling van november 2009 Amulet verplichtte, kan daarom ook niet worden aangemerkt als een (overgebleven) deel van de betaling waartoe de regeling van december 2007 haar verplichtte. In november 2009 is voor Amulet een nieuwe betalingsverplichting ontstaan uit een nieuwe rechtsverhouding met (de Hoge Raad leest:) IHDA.De vordering waarop UBO beslag heeft gelegd, bestond daarom op het tijdstip van de vestiging van het pandrecht nog niet en zij is evenmin rechtstreeks verkregen uit een toen reeds bestaande rechtsverhouding. Het pandrecht rust dan ook niet op die vordering.”
3.5.1
Onderdeel 2 klaagt onder meer dat het oordeel van het hof dat vanaf 20 november 2009 sprake was van een nieuwe (en dus voorheen niet bestaande) vordering van IHDA op Amulet, onbegrijpelijk is. Volgens de klacht laten de door het hof geconstateerde wijzigingen in Bouwcontract No. 601 die gevolgtrekking niet toe. Evenmin heeft het hof vastgesteld dat tussen IHDA en Amulet sprake was van wilsovereenstemming over afstand van recht of beëindiging van Bouwcontract No. 601, op grond waarvan de vordering die IHDA op 18 december 2007 jegens Amulet verkreeg en in september 2009 aan ABN AMRO heeft verpand, zou zijn tenietgegaan.
3.5.2
Deze klacht is gegrond.
Blijkens het hiervoor in 3.1 onder (iii) genoemde Addendum 2 (van 20 november 2009) zijn IHDA en Amulet overeengekomen om het (op 18 december 2007 gesloten) Bouwcontract No. 601 in aangepaste vorm voort te zetten, en wel aldus dat de oorspronkelijk beoogde “levering van een afgebouwde ecotanker” werd “omgezet” in de “levering van een casco”. Met het oog daarop kwamen partijen overeen om de contractuele bepalingen uit Bouwcontract No. 601 buiten werking te stellen “indien en voor zover die betrekking hebben op levering van een afgebouwde ecotanker en allerlei kwesties die met de levering van een ‘eenvoudig’ casco niet van doen hebben”. Voorts werd in het Addendum vastgelegd dat IHDA louter een casco aan Amulet zou leveren, waarbij de oorspronkelijke contractprijs van € 8.650.000,-- (corresponderend met de bouw van een casco in China en de afbouw daarvan in Nederland onder verantwoordelijkheid van IHDA) werd teruggebracht tot € 3.266.000,-- (corresponderend met de levering van een casco).
Tegen deze achtergrond is het oordeel van het hof dat op 20 november 2009 voor Amulet een nieuwe betalingsverplichting is ontstaan uit een nieuwe rechtsverhouding met IHDA, onbegrijpelijk. Het oordeel van het hof vindt geen steun in Addendum 2, nu daaruit juist blijkt dat IHDA en Amulet zijn overeengekomen om hun in Bouwcontract No. 601 vervatte rechtsverhouding in aangepaste vorm voort te zetten, waarbij de verplichting van IHDA werd teruggebracht tot de levering van een casco, en het beloop van de op Amulet rustende betalingsverplichting dienovereenkomstig werd verminderd. Voorts heeft het hof geen feiten of omstandigheden vermeld waaruit kan worden afgeleid dat – anders dan Addendum 2 suggereert – IHDA en Amulet hebben beoogd om op 20 november 2009 een nieuwe rechtsverhouding met elkaar aan te gaan, en dat daaruit voor Amulet een nieuwe betalingsverplichting is ontstaan.
3.6
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 19 februari 2013;
verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt UBO in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ABN AMRO begroot op € 921,-- aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. de Groot, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 23 mei 2014.
Conclusie 21‑03‑2014
Inhoudsindicatie
Faillissement. Pand. Stil pandrecht op vorderingen uit overeenkomst tot bouw binnenvaarttanker. Beperking overeenkomst tot bouw casco. Nieuwe vordering? Zodanige wijziging rechtsverhouding dat sprake is van een ‘andere rechtsverhouding’? Art. 3:239 lid 1 BW.
Zaaknummer: 13/02518
mr. Wuisman
Roldatum: 21 maart 2014
CONCLUSIE inzake:
ABN AMRO Bank N.V.,
eiseres tot cassatie,
advocaat: mr. F.E. Vermeulen,
tegen
UBO 35 B.V.,
verweerster in cassatie,
niet verschenen.
1. Feiten en procesverloop(1.)
1.1 Tussen de besloten vennootschap IHDA All Ships B.V. (hierna: IHDA) en de vennootschap onder firma Amulet (hierna: Amulet) is op 18 december 2007 een contract, getiteld “Bouwcontract No. 601”(2.), gesloten, waarin IHDA de opdracht op zich neemt om een tanker voor de binnenvaart te laten bouwen voor een contractprijs van € 8.650.000,-, die in termijnen zal worden voldaan. Het casco, zo vermeldt het contract, zal in China worden gebouwd, terwijl de afbouw in Nederland onder verantwoordelijkheid van IHDA zal plaatsvinden.
1.2 In juni 2008 heeft verweerster in cassatie (hierna: UBO) van IHDA een door IHDA te bouwen en te leveren casco van een binnenvaartschip gekocht. Op 9 oktober 2008 en op 3 november 2008 heeft UBO in verband daarmee telkens aanbetalingen aan IHDA gedaan, in totaal voor een bedrag van € 357.000,-.
1.3 Eiseres tot cassatie (hierna: de Bank) heeft aan IHDA kredieten verstrekt. In verband daarmee hebben IHDA en de Bank op 16 september 2009 een akte, getiteld “Verpanding bepaalde vordering(en)”, getekend.(3.) De akte is op 19 september 2009 geregistreerd. Tot de door IHDA aan de Bank in stil pand gegeven vorderingen horen “de vordering(en) en rechten welke de Pandgever nu of te eniger tijd heeft of zal verkrijgen uit hoofde van het bouwcontract voor de bouw van een Eco-binnenvaarttanker van 135 x 14.15 x 6.17, d. d. 18-12-2007, zoals aangevuld of gewijzigd van tijd tot tijd, gesloten met V.O.F. Amulet ten bedrage van EUR 8.650.000,“.
1.4 Op 20 november 2009 hebben Amulet en IHDA een akte ondertekend, genaamd Addendum 2 aan het Contract 601 getekend op 17 december 2007.(4.) Op blz. 1 van de akte staat onder meer opgetekend:
De reden waarom dit Addendum no. 2 is opgesteld, is gelegen in het feit dat IHDA niet in staat/van zins is het contract 601 d.d. 18 december 2007 onverkort na te komen.
Feitelijk komt het erop neer dat de levering van een afgebouwde ecotanker wordt omgezet in de levering van een casco.
Hierdoor is V.o.F. Amulet genoodzaakt de afbouw zelf in regie te nemen. Partijen komen in het addendum over de afbouw het nodige overeen ten aanzien van “gereserveerde equipment” en overname van rechten en verplichtingen door IHDA All Ships B.V./IHDA Marine Service B.V. aangegaan ten aanzien van leveranciers. (...)
Indien en voor zover middels Addendum no. 2 artikelen in Overeenkomst 601 d.d. 18 december 2007 niet zijn aangepast of gewijzigd, dan houdt dit niet in dat deze artikelen onverkort van kracht zijn. Partijen hebben met dit addendum de uitdrukkelijke bedoeling om contractuele bepalingen uit contractnummer 601 buiten werking te stellen indien en voor zover die betrekking hebben op levering van een afgebouwde ecotanker en allerlei kwesties die met de levering van een “eenvoudig” casco niet van dien hebben.”
terwijl op blz. 2 wordt vermeld dat Verkoper (IHDA) en koper (Amulet) overeenkomen:
- De ECO-Tanker zal door de Verkoper niet worden afgebouwd. Verkoper zal alleen het casco van de ECO-Tanker (…) leveren aan de Koper
- Overdracht van levering van de door de Verkoper reeds ingekochte en gereserveerde Equipment.
waarna aanpassingen van artikelen uit het Bouwcontract 601 volgen, waaronder:
Aanpassing artikel 1.1:
Het CASCO wordt door de Verkoper geleverd aan de Koper inclusief koppelen, restpunten vlg. Annex 4 en restschilderwerk, koproerkleppen, leidingwerk laad-lossysteem excl. Afsluiters, zoals tijdens de afname in China gepresenteerd, voor Euro 3.266.000,-.
(...)
en omtrent hetgeen Amulet nog aan IHDA verschuldigd zal zijn wordt bepaald:
Aanschaf casco € 3.236.000,-
Overdracht equipment € 1.041.500,-
Eenmalige korting casco -/- € 500.000,-
Eenmalige korting equipment -/- € 291.500,-
Eerste termijn -/- € 500.000,-
-------------------
Slottermijn € 2.986.000,-
De slottermijn groot Euro 2.986.000,- wordt betaald bij juridische levering en aanvaarding van het CASCO in de haven van Rotterdam. De overige termijnen genoemd in Artikel 7.02 vervallen.
1.5 Amulet en IHDA hebben verder een akte ondertekend, gedateerd op 2 november 2009 en genaamd Annex 7 behorende bij het Contract No. 601, waarin de inkoopverplichtingen worden opgesomd die Amulet van IHDA overneemt voor een totaalbedrag van € 75.000,-. In mei en juni 2010 zijn Amulet en IHDA drie partijenovereenkomsten aangegaan met diverse leveranciers met wie IHDA reeds overeenkomsten in verband met de afbouw van de tanker had gesloten.
1.6 Bij brief van 4 mei 2010 heeft UBO de hiervoor onder 1.2 genoemde met IHDA gesloten overeenkomst ontbonden en IHDA verzocht om de aanbetaalde bedragen, vermeerderd met rente en kosten, aan haar terug te betalen. Hieraan heeft IHDA geen gevolg gegeven.
1.7 UBO heeft op 11 juni 2010 voor haar vordering op IHDA conservatoir derdenbeslag onder Amulet doen leggen op de door Amulet aan IHDA te betalen koopsom. Op die dag heeft zij aan de rechtbank Den Haag, waar zij op 14 mei 2010 het faillissement van IHDA had aangevraagd, bericht dat zij het verzoek tot faillietverklaring van IHDA introk. Op 14 juni 2010 herroept zij de intrekking en vraagt om aanhouding van het verzoek tot faillietverklaring van IHDA.
1.8 UBO geraakt in een discussie met de Bank over het onder IDHA gelegde derdenbeslag. Stellende dat zij een pandrecht heeft op de vordering van IHDA op Amulet, sommeert de Bank UBO om het beslag op te heffen. UBO laat weten aan deze sommatie geen gehoor te zullen geven. De (advocaat van de) Bank stuurt op 14 juni 2010 aan (de advocaat van) UBO een conceptbankgarantie, waarin de Bank zich onherroepelijk garant stelt jegens UBO voor hetgeen deze van IHDA heeft te vorderen. Er wordt nader overleg over deze bankgarantie gevoerd. Na ontvangst van een gewijzigd concept van de bankgarantie, heeft UBO aan de advocaat van de Bank doen berichten dat het derdenbeslag is opgeheven. Vervolgens is er een geschil ontstaan over de vraag of de bankgarantie inhoudt dat de Bank jegens UBO tot betaling onder de garantie slechts is gehouden, indien komt vast te staan dat het pandrecht niet rustte op de vordering waarop door UBO het derdenbeslag had gelegd. In na te noemen procedure wordt onherroepelijk beslist dat de bankgarantie die voorwaarde inhoudt.
1.9 Op 27 juli 2010 heeft de rechtbank Den Haag op verzoek van UBO IHDA in staat van faillissement verklaard.
1.10 Bij inleidende dagvaarding van 12 augustus 2010 heeft de Bank UBO gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam. Eén van de vorderingen houdt in om voor recht te verklaren dat UBO niet rechtsgeldig althans niet doeltreffend conservatoir derdenbeslag kon leggen onder Amulet voor verhaal van de vordering van UBO op IDHA omdat UBO het pandrecht tegen zich moet laten gelden. Deze vordering is door UBO bestreden.
1.11 Ter zake van de zojuist genoemde vordering overweegt de rechtbank in de rov. 4.8 en 4.9 van haar vonnis van 2 maart 2011 :
“4.8 Naar het oordeel van de rechtbank valt de door Amulet aan IDHA te betalen koopprijs onder het pandrecht van ABN AMRO. Daarbij is het volgend van belang. Partijen zijn het erover eens dat IHDA haar vordering(en) op Amulet uit hoofde van het bouwcontract 601 (…) bij akte van 16 september 2009 (…) aan ABN AMRO heeft verpand. Gebleken is dat IHDA en Amulet de op grond van voornoemd bouwcontract bestaande verplichting tot het leveren van en afgebouwde eco-binnenvaarttanker bij Addendum 2 van 20 november 2009 hebben omgezet in een verplichting tot het leveren van en casco eco-binnenvaarttanker. De rechtsverhouding tussen IHDA en Amulet wordt hierdoor niet zo ingrijpend gewijzigd dat sprake is van een nieuwe verbintenis. IHDA en Amulet hebben er ook voor gekozen om bouwcontract 601 niet te ontbinden, maar daar een addendum bij (te) voegen. Dat Amulet als gevolg van voornoemde omzetting een veel lager bedrag aan IHDA aan IHDA behoefde te voldoen, leidt niet tot een ander oordeel. De vordering van IHDA op Amulet ter zake van de te betalen koopprijs vloeit derhalve nog altijd voort uit bouwcontract 601, met als gevolg dat het pandrecht van ABN Amro daarop rust. Het andersluidende standpunt van Ubo 35 wordt daarbij verworpen.”
4.9 Gelet op het vorenstaande, kan ABN Amro haar pandrecht tegen Ubo 35 inroepen, terwijl Ubo het door haar gelegde conservatoir beslag niet aan ABN Amro kan tegenwerpen. (…).”
1.12 In het door haar bij het hof te Amsterdam ingestelde (principaal) appel bestrijdt UBO de hiervoor geciteerde rov. 4.8 en 4.9 met de door haar aangevoerde grieven II t/m VI. In zijn arrest d.d. 19 februari 2013 oordeelt het hof dat deze grieven doel treffen (rov. 2.4 t/m 2.8). Anders dan de rechtbank, komt het hof tot het oordeel, “dat hetgeen in november 2009 nader is overeengekomen een zodanige wijziging heeft teweeggebracht in het karakter van de rechtsverhouding tussen Amulet en IHDA, dat vanaf november 2009 sprake is van een andere rechtsverhouding in de zin van art. 3:239 lid 1 BW dan voordien.” In het dictum vernietigt het hof het vonnis van de rechtbank en geeft een verklaring voor recht die erop neerkomt dat het pandrecht van ABN Amro niet rust op de vordering van IDHA op Amulet, waarop UBO rechtsgeldig en doeltreffend conservatoir derdenbeslag heeft gelegd.
1.13 De Bank is van dit arrest van het hof tijdig in cassatie gekomen. Tegen de niet verschenen UBO is verstek verleend. De Bank heeft haar standpunt in cassatie schriftelijk doen toelichten.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het in cassatie voorgedragen cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen. De klachten in deze onderdelen raken alle artikel 3:239 lid 1 BW waarin, voor zover hier van belang, is bepaald: “Een pandrecht op een tegen een of meer bepaalde personen uit te oefenen recht dat niet aan toonder of order luidt, (…) kan ook worden gevestigd bij authentieke of geregistreerde onderhandse akte, zonder mededeling daarvan aan die personen, mits dit recht op het tijdstip van vestiging van het pandrecht reeds bestaat of rechtstreeks zal worden verkregen uit een dan reeds bestaande rechtsverhouding.” Hierna volgen eerst enige opmerkingen van meer algemene aard in verband met deze bepaling.
2.1.1
De slotpassage (“mits dit recht op het tijdstip van vestiging van het pandrecht reeds bestaat of rechtstreeks zal worden verkregen uit een dan bestaande rechtsverhouding”) is in artikel 3:239 lid 1 BW alsnog opgenomen om het stelsel dat onder het ‘oude BW’ voor de cessie tot zekerheid gold in ere te herstellen ter tegemoetkoming aan de door het Genootschap van Bedrijfsjuristen geuite wens om geen verschuivingen in het bestaande financieringspatroon in de hand te werken.(5.) Elders wordt als ratio achter de passage ook nog vermeld “de behoefte om tegen zekerheid van toekomstige goederen over een langere periode krediet te kunnen verkrijgen zonder dat dit de bedrijfsvoering van de schuldenaar te veel aan banden legt. De bedoeling is de kredietgever een verhaalsmogelijkheid te geven op wat te zijner tijd – op het moment dat verhaal nodig blijkt – aan goederen voorhanden is. (…) Het verhaal kan immers plaatsvinden op de inmiddels gevormde nieuwe voorraad, de nieuwe machines, de nieuwe vorderingen.”(6.)
2.1.2
De slotpassage in lid 1 van artikel 3:239 BW impliceert dat aan de vraag of een (vorderings)recht op naam rechtstreeks uit een ten tijde van het vestigen van het pandrecht bestaande rechtsverhouding wordt verkregen pas relevant is, wanneer het betrokken (vorderings)recht nog niet op genoemd tijdstip bestaat, dus als toekomstig in de zin van nog te ontstaan is te beschouwen.(7.) Of het betrokken (vorderings)recht op naam al bestaat of nog moet ontstaan zal in belangrijke mate hiervan afhangen of er tussen de betrokken partijen al een verbintenis bestaat waaraan de ene partij jegens de andere partij aanstonds een recht op een presteren (geven, doen of laten) van die andere partij ontleend. Aan het aannemen van een dergelijke verbintenis staat niet reeds in de weg dat aan de verbintenis een opschortende voorwaarde of termijn is verbonden. Er is ook dan al sprake van een verbintenis waaruit een (vorderings)recht tegenover een ander voortvloeit, maar de werking van de verbintenis is in die zin opgeschort dat het recht nog niet is uit te oefenen (artikelen 6:21 en 22 BW). Het (vorderings)recht bestaat wel maar is dan nog niet opeisbaar.(8.) Het kan echter ook zo zijn dat tussen partijen wel al een rechtsverhouding bestaat maar dat toch nog meer gebeurtenissen dienen plaats te vinden, voordat een gebondenheid jegens elkaar kan worden aangenomen in een mate dat gezegd kan worden dat de ene partij tegenover de ander een (al dan niet aanstonds uit te oefenen) (vorderings)recht heeft. Voordat die gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, is er nog slechts sprake van een toekomstig (vorderings)recht. Hier valt onder meer te denken aan de gevallen waarin een partij nog nader blijk dient te geven van zijn wil om tot iets gerechtigd te geraken of om zich jegens de ander te binden.(9.) Als toekomstig (vorderings)recht is ook aangemerkt het recht op huurtermijnen met betrekking tot in het kader van en bestaande huur/verhuurrelatie nog te verschaffen huurgenot.(10.)
2.1.3
Is een (vorderings)recht op naam als toekomstig aan te merken dan hangt de mogelijkheid van het vestigen van een stil pandrecht op dat (vorderings)recht hiervan af of dat recht ten tijde van het vestigen van het pandrecht rechtstreeks voortvloeit uit een bestaande rechtsverhouding. De wetgever heeft niet echt duidelijk aangegeven wat onder een rechtstreekse verkrijging uit een bestaande rechtsverhouding is te verstaan. Gewezen wordt in dat verband op de huurovereenkomst: het recht op huurtermijnen voor nog te ontvangen huurgenot en te voldoen nadat de huur daadwerkelijk is genoten vormt een toekomstig recht. In het licht van dit voorbeeld zal ‘onder rechtstreekse verkrijging uit een bestaande rechtsverhouding’ zijn te verstaan dat de factoren, die het toekomstige recht alsnog doen ontstaan, een grondslag of verankering hebben in een rechtsverhouding die al ten tijde van de verpanding bestaat. Een toekomstige huurtermijn is stil te verpanden omdat het verschaffen van het aan die termijn gerelateerde huurgenot resulteert uit het naleven van een verplichting daartoe, die zijn grond vindt in een ten tijde van het vestigen van het pandrecht al bestaande contractuele rechtsverhouding van huur en verhuur.(11.)
Onderdelen 1 t/m 4
2.2
De aangevoerde klachten laten zich herleiden tot deze kernklacht dat het hof met zijn oordeel, dat – gelet op wat in november 2009 tussen IHDA en Amulet nader is overeengekomen – de vordering, waarop UBO beslag heeft gelegd, op het tijdstip van de vestiging ten behoeve van de Bank van het pandrecht nog niet bestond en evenmin rechtstreeks is verkregen uit een op dat tijdstip bestaande rechtsverhouding, een oordeel geeft dat stoelt op een onjuiste rechtsopvatting en/of onvoldoende gemotiveerd is.
2.3
Gesteld is en uit met name het Addendum 2 van 20 november 2009 blijkt ook, dat IHDA en Amulet met hun in november 2009 gemaakte afspraken niet beoogd hebben het Bouwcontract 601 uit 2007 geheel te doen vervallen en daarvoor een nieuw bouwcontract in de plaats te stellen. De in november 2009 gemaakte afspraken strekten ertoe, kort weergegeven, om de in het Bouwcontract 601 opgenomen opdracht af te slanken. Gehandhaafd bleef het laten bouwen te China en overbrengen naar Nederland van het casco van de ECO-tanker; de afbouw van de ECO-tanker in Nederland verviel daarentegen. De oorspronkelijke opdracht/koopsom, waarin reeds een vergoeding zat voor het bouwen van het casco in China en het daarna afleveren van het casco in Nederland, diende vanwege de onmiskenbaar aanmerkelijke vermindering van de aanvankelijke omvang van de opdracht/koop te worden aangepast. Die aanpassing werd in het Addendum 2 doorgevoerd door de vergoeding voor het in China laten bouwen en vervolgens het afleveren van het casco in Nederland nu apart te bepalen. Die prijsaanpassing taste evenwel niet aan de verplichting van IDHA uit het Bouwcontract 601 om een casco in China te laten bouwen en dat casco naar Nederland over te brengen en ook niet de verplichting van Amulet uit het Bouwcontract 601 om een vergoeding daarvoor aan IHDA te betalen. Dit vindt bevestiging in de passage op blz. 1 van het Addendum 2: “Partijen hebben met dit addendum de uitdrukkelijke bedoeling om contractuele bepalingen uit contractnummer 601 buiten werking te stellen indien en voor zover die betrekking hebben op levering van een afgebouwde ecotanker en allerlei kwesties die met de levering van een “eenvoudig” casco niet van doen hebben” (onderstreping toegevoegd – AG). In hetgeen het hof op blz. 5 onderaan en blz. 6 bovenaan van zijn arrest overweegt, is een bevestiging en zeker niet een verwerping van het vorenstaande te vinden.
2.4
Tegen deze achtergrond valt niet in te zien dat en waarom er, voor wat betreft de bouw te China van een casco en het overbrengen van dat casco naar Nederland, vanaf november 2009 een andere rechtsverhouding tussen IDHA en Amulet is ontstaan. Mede hierdoor valt evenmin in te zien dat en waarom de vordering, die IDHA op 11 juni 2010 – de dag waarop UBO onder Amulet derdenbeslag legde – op Amulet had ter zake van de vergoeding voor de bouw en levering van het casco, rechtens niet kan worden beschouwd als de vordering, die IHDA op Amulet ter zake van de vergoeding voor de bouw en levering van het casco had op 19 september 2009 – de dag waarop de door de Bank en IHDA op 16 september 2009 ondertekende akte “Verpanding bepaalde vorderingen’’ werd geregistreerd. Het feit dat de vergoeding voor het casco na 16 september 2009 in verband met gewijzigde omstandigheden nader is bepaald – gelet op de overeengekomen kortingen zelfs neerkomend op, zo lijkt het, een lagere vergoeding –, levert geen voldoende grond op om uit te gaan van een geheel nieuwe, te weten uit een andere rechtsverhouding voortvloeiende, vordering van IHDA op Amulet op 11 juni 2010. Afgezien van de hoogte van de vergoeding, hield die de vordering immers op 11 juni 2010 nog steeds direct verband met dezelfde verplichting van IDHA (het bouwen van een casco te China en het afleveren van dat casco in Nederland) uit hetzelfde contract (Bouwcontract 601).
2.5
Het voorgaande komt hierop neer dat het niet kunnen tegenwerpen door de Bank aan UBO van het pandrecht niet, zoals het hof oordeelt, hierop kan worden gebaseerd dat de vordering, waarop UBO op 11 juni 2010 derdenbeslag heeft gelegd, een vordering is uit een rechtsverhouding tussen IDHA en Amulet, die een andere rechtsverhouding in de zin van artikel 3:239 lid 1 BW is dan de rechtsverhouding tussen deze partijen, waaruit de vordering voortsproot waarop op 19 september 2009 ten behoeve van de Bank een pandrecht is gevestigd. De vordering, waarop UBO derdenbeslag heeft gelegd, is in een direct verband blijven staan met dat gedeelte van het Bouwcontract 601, dat betrekking heeft op het laten bouwen van het casco voor een ECO-tanker te China en het overbrengen van het casco naar Nederland. Voor wat die prestaties betreft, hebben IHDA en Amulet immers het Bouwcontract in november 2009 niet willen doen vervallen. Het uit dat contract voor IDHA voortvloeiende recht op een vergoeding voor die door haar te verrichten prestaties bleef als zodanig ook bestaan; alleen de hoogte van de vergoeding diende nader te worden vastgesteld. Binnen het verband van artikel 3:239 lid 1 BW noopt het feit dat een ander, in werkomvang en in financieel opzicht groter gedeelte van het Bouwcontract 601 in november 2009 verviel, niet tot een andere conclusie. Hierbij is nog het volgende in aanmerking te nemen. Tussen partijen is niet in geschil dat de Bank uit hoofde van de in september 2009 tot stand gebrachte stille verpanding een pandrecht had verkregen op het vorderingsrecht van IHDA ter zake van de vergoeding voor de werkzaamheden, die zij onder het toen nog niet aangepaste Bouwcontract 601 zou verrichten. Niet valt in te zien waarom het pandrecht in november 2009 in zijn geheel zou zijn komen te vervallen, terwijl het recht op een vergoeding uit hoofde van het Bouwcontract 601 niet verviel voor zover IHDA onder dat contract gehouden bleef de niet vervallen verklaarde prestaties uit te voeren. Voor dat gedeelte van de vergoeding bleef het pandrecht onverminderd zijn betekenis als zekerheid voor al eerder verstrekt krediet behouden.
2.5
Gelet op het bovenstaande, vormt het bestreden oordeel van het hof ofwel een oordeel waaruit van een onjuiste rechtsopvatting omtrent artikel 3:239 lid 1 BW blijkt ofwel een oordeel dat niet met voldoende redenen omkleed is.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
(A-G)
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 21‑03‑2014
. In het geding gebracht als productie 7 bij de conclusie van antwoord in eerste aanleg.
. In het geding gebracht als productie 1 bij de Akte houdende producties d.d. 1 september 2010.
. In het geding gebracht als productie 8 bij de conclusie van antwoord in eerste aanleg.
. Zie Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), blz. 1337 jo. blz. 1197.
. Zie Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), blz. 157.
. Zie voor recente meer algemene beschouwingen over het thema van bestaande/toekomstige vorderingen mede in het verband van verpanding van dergelijke vorderingen: Asser/Bartels-Van Mierlo-Ploeger, IV* Algemeen Goederenrecht, 2013, nr. 267; Asser/Van Mierlo-Van Velten, Deel 3-VI, 2010, nr. 81; M.E.H. Rongen, Cessie, diss. Radboud Universiteit, 2012, Hfdst. IX.3: Het onderscheid tussen bestaande en toekomstige vorderingen, blz. 1108 e.v; A.J. Verdaas, Stil pandrecht op vordering op naam, diss. Radboud Universiteit, 2008, blz. 156 e.v. Zie verder nog conclusie voor HR. 3 december 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BN9463.
. Zie HR 26 maart 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4349, NJ 1982, 615, m.nt. WMK. In rov. 1 merkt de Hoge Raad op dat een toekomstige vordering moet worden onderscheiden van een terstond krachtens overeenkomst ontstane vordering onder een opschortende tijdsbepaling of voorwaarde of tot periodieke betalingen.
. Zie HR 25 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0247, NJ 1989, 200 m.nt. WMK. De Hoge Raad oordeelt in rov. 3.2 onder meer: “Een vordering als de onderhavige, die afhankelijk is van de wilsverklaringen van de debiteur, ontstaat eerst door aflegging van deze wilsverklaringen. Van een voorwaardelijke vordering is dan geen sprake.”
. Zie HR 30 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5528, NJ 1897, 530, m.nt. W.C.L. van der Grinten. In rov. 3.2 overweegt de Hoge Raad onder meer: “Ook in het geval het gaat om een huurovereenkomst voor bepaalde tijd (…) kunnen de vorderingen ter zake van de huurtermijnen niet gelijk worden gesteld met terstond bij het sluiten van een overeenkomst reeds hun bestaan aanvangende vorderingen onder opschortende voorwaarde of tijdsbepaling of tot terstond vaststaande periodieke betalingen. Een en ander vloeit uit de aard van de huurovereenkomst (…). Zie de beschouwingen van Rongen naar aanleiding van dit arrest in zijn dissertatie, blz. 1118 e.v. en blz. 1156 e.v. Hij deelt de opvatting van de Hoge Raad inzake toekomstige huurtermijnen niet, althans zet daarbij vraagtekens, en is verder van mening dat uit die opvatting niet dient te worden afgeleid dat in het algemeen geldt dat het recht op een prestatie, die dient te worden verricht als tegenprestatie voor een voorafgaande prestatie – bijvoorbeeld recht op koopprijs na levering van het gekochte –, een toekomstig recht vormt. Dat conclusie wordt, zo schijnt het toe, ook niet algemeen getrokken.
. Zie over het vereiste van rechtstreekse verkrijging uit een bestaande rechtsverhouding meer M.H.E. Rongen, diss., blz. 1209 e.v. en A.J Verdaas, diss., blz. 156 e.v. Laatstgenoemde is van mening dat het vereiste bij verpanding minder strikt is toe te passen dan bij derdenbeslag; zie diss., blz. 160–162.
Beroepschrift 16‑05‑2013
Griffierecht ten laste van rekening-courant NautaDutilh N.V.
BAR nummer mr. F.E. Vermeulen A15754
Vandaag, de zestiende mei tweeduizend dertien,
[heb ik, Pauline Antoinet Aalsma, als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam op het kantoor van mr. Frederik Joseph Bronwasser, gerechtsdeurwaarder met plaats van vestiging Rotterdam, kantoorhoudende aldaar aan de Teilingerstraat 170;]
op verzoek van de naamloze vennootschap ABN AMRO BANK N.V. (hierna: de ‘Bank’), gevestigd te Amsterdam, dit exploot van dagvaarding uitgebracht.
De Bank kiest woonplaats te (1077 XV) Amsterdam aan de Strawinskylaan 1999 ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad mr. F.E. Vermeulen (NautaDutilh N.V.), die door de Bank tot haar advocaat bij de Hoge Raad wordt gesteld.
Dit exploot is bestemd voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid UBO 35 B.V. (hierna: ‘UBO’), gevestigd te Rotterdam. UBO heeft in de vorige instantie woonplaats gekozen te (3011 BK) Rotterdam aan het adres Vasteland 4 ten kantore van de advocaat mr. R. Sinke (Klaassen Advocaten). Ik heb aan laatstgenoemd kantooradres op de voet van art. 63 Rv mijn exploot gedaan en aldus aldaar afschrift hiervan gelaten aan:
[Voormeld adres in gesloten envelop met daarop vermeldingen als wettelijk voorgeschreven, omdat ik daar niemand aantrof aan wie rechtsgeldig afschrift kon worden gelaten.]
UBO wordt hierbij opgeroepen om op vrijdag eenendertig (31) mei tweeduizend dertien om 10.00 uur, niet in persoon maar vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad, te verschijnen op de zitting van de Hoge Raad der Nederlanden in diens gebouw aan de Kazernestraat 52 te 's‑Gravenhage, om alsdan tegen voormeld arrest te horen aanvoeren het hierna geformuleerde cassatiemiddel.
AANZEGGINGEN
- a.
De Bank stelt hierbij beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam, afdeling civiel en belastingrecht, team I, meervoudige kamer, onder zaaknummer 200.089.182/01 tussen de Bank als geïntimeerde in principaal appel en appellante in incidenteel appel en UBO als appellante in principaal appel en geïntimeerde in incidenteel appel, gewezen en op 19 februari 2013 uitgesproken.
- b.
Indien UBO advocaat bij de Hoge Raad stelt, maar het hierna bedoelde griffierecht niet tijdig voldoet, vervalt haar recht om verweer in cassatie te voeren en om van haar zijde in cassatie te komen.
- c.
Bij verschijning in het geding wordt van UBO een griffierecht geheven, te betalen binnen vier weken, te rekenen vanaf het tijdstip van verschijning.
- d.
De hoogte van de griffierechten is vermeld in de meest recente bijlage behorend bij de Wet griffierechten burgerlijke zaken, die onder meer is te vinden op de volgende websites: www.kbvg.nl/griffierechtentabel en http://www.rechtspraak.nl/Procedures/Tarieven-griffierecht/Pages/Griffierecht-Civiele-zaken-bij-de-Hoge-Raad.aspx.
- e.
Van een persoon die onvermogend is, wordt een bij of krachtens de wet vastgesteld griffierecht voor onvermogenden geheven, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:
- 1.
een afschrift van het besluit tot toevoeging, bedoeld in artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand, dan wel
- 2.
een verklaring van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel e, van de Wet op de rechtsbijstand waaruit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan de inkomens bedoeld in de algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 35, tweede lid, van die wet.
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt, doordat het hof ten onrechte heeft geoordeeld en beslist zoals vermeld in zijn hiervoor vermelde tussen de Bank en UBO gewezen arrest van 19 februari 2013, zulks om één of meer van de volgende, waar nodig in onderling verband en samenhang te beschouwen, redenen.
Inleiding
I
Voor zover thans in cassatie relevant, betreft deze zaak de vraag of de Bank al dan niet een pandrecht heeft op een vordering van IHDA All Ships B.V. (‘IHDA’) op de v.o.f. Amulet (‘Amulet’), welk pandrecht de Bank aan UBO kan tegenwerpen. Deze vraag is gerezen tegen de achtergrond van het volgende.
II.
Tussen IHDA en Amulet is op 18 december 2007 een overeenkomst gesloten getiteld ‘Bouwcontract no. 601’.1. Kort samengevat, verbond IHDA zich in Bouwcontract no. 601 tot levering aan Amulet van een afgebouwde zogenoemde ecotanker en verbond Amulet zich tot betaling van de prijs van EUR 8.650.000. De prijs zou worden betaald in termijnen.2.
III.
De Bank heeft financiering verstrekt aan IHDA. Op 16 september 2009 hebben de Bank en IHDA een akte getekend, getiteld ‘verpanding bepaalde vordering(en)’, welke akte op 19 september 2009 is geregistreerd. Bij deze akte heeft IHDA onder meer aan de Bank verpand:3.
‘de vordering(en) en rechten welke de Pandgever nu of te eniger tijd heeft of zal verkrijgen uit hoofde van het bouwcontract voor de bouw van een Eco-tanker van 135 × 14.15 × 6.17, d.d. 18-12-2007, zoals aangevuld of gewijzigd van tijd tot tijd, gesloten met V.O.F. Amulet’
IV.
Op 20 november 2009 hebben IHDA en Amulet een geschrift ondertekend getiteld ‘Addendum 2 aan het Contract 601 getekend op 18 december 2006’. Kort samengevat, strekt dit Addendum 2 ertoe Bouwcontract no. 601 te wijzigen in die zin dat IHDA niet langer gehouden is tot levering van een afgebouwd schip maar tot levering van een casco.4. Verder hebben IHDA en Amulet op diezelfde datum een geschrift ondertekend getiteld ‘Annex 7 behorende bij het Contract 601’. Kort samengevat strekt deze Annex 7 ertoe dat Amulet verschillende inkoopverplichtingen overneemt van IHDA voor een prijs van EUR 750.000.5.
V.
De notariële levering van het casco door IHDA aan Amulet en de betaling van de koopsom waren voorzien voor 14 juni 2010.6.
VI.
In juni 2008 heeft UBO van IHDA een door laatstgenoemde te bouwen en te leveren casco binnenvaartschip gekocht. In verband daarmee heeft UBO verschillende aanbetalingen gedaan.7.
VII.
Bij brief van 4 mei 2010 heeft UBO de zojuist bedoelde overeenkomst ontbonden en IHDA verzocht de aanbetaalde bedragen, vermeerderd met rente en kosten, terug te betalen.8.
VIII.
Voor haar vordering op IHDA heeft UBO op 11 juni 2010 conservatoir beslag doen leggen onder Amulet op de vordering van IHDA tot betaling van de koopsom voor het op 14 juni 2010 te leveren casco (zie onder V).9.
IX.
Bij e-mailbericht van 14 juni 2010 heeft de advocaat van de Bank de advocaat van UBO laten weten dat de vordering van IHDA jegens Amulet tot betaling van de koopsom is verpand aan de Bank en dat het beslag niet kleeft.10. Daarbij heeft de advocaat van de Bank UBO gesommeerd het beslag op te heffen. Nadat UBO heeft laten weten daartoe niet over te gaan, heeft de Bank — na uitwisseling van concepten en telefonisch overleg tussen de advocaten van partijen — een bankgarantie gesteld ten gunste van UBO. Daarna heeft UBO het door haar gelegde beslag doen opheffen.
X.
In de zojuist bedoelde bankgarantie stelt de Bank zich garant voor de onder VII bedoelde schuld van IHDA jegens UBO.11. De garantie bevat de, ook in geval van een faillissement van IHDA geldende,12. eis dat UBO bij haar verzoek om betaling overlegt:13.
een afschrift van een beslissing van een Nederlandse rechter, gewezen in een procedure tussen [UBO] en de Bank […] welke beslissing tot oordeel heeft dat [UBO] zich met het Beslag voor de Vordering ten opzichte van de Bank bij voorrang en derhalve bóven het Pandrecht op [de vordering van IHDA op Amulet] kan/kon verhalen.
XI.
IHDA is op 27 juli 2010 in staat van faillissement verklaard.14.
XII.
Op 12 augustus 2010 heeft de Bank UBO in rechte betrokken en, voor zover thans in cassatie nog relevant, gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat, kort samengevat, UBO niet rechtsgeldig althans doeltreffend conservatoir derdenbeslag kon leggen onder Amulet op de aan IHDA verschuldigde koopsom omdat UBO het pandrecht van de Bank tegen zich moet laten gelden.
Klachten
Het hof oordeelt in rov. 2.6, derde alinea, dat hetgeen in november 2009 nader is overeengekomen een zodanige wijziging heeft gebracht in het karakter van de rechtsverhouding tussen Amulet en IHDA dat vanaf november 2009 sprake is van een andere rechtsverhouding in de zin van art. 3:239 lid 1 BW dan voordien. De aanspraken van Amulet jegens IHDA op grond van de wijzigingen in november — levering van een casco en contractsoverneming — zijn volgens het hof naar hun aard, in hun onderlinge samenhang beschouwd, te zeer verwijderd van de oorspronkelijke bedoeling van partijen zoals vastgelegd in de overeenkomst van december 2007 — levering van een afgebouwde tanker — om nog van dezelfde rechtsverhouding te kunnen spreken. De betaling waartoe de regeling van november 2009 Amulet verplichtte, kan daarom ook niet worden aangemerkt als een (overgebleven) deel van de betaling waartoe de regeling van december 2007 haar verplichtte. In november 2009 is voor Amulet een nieuwe betalingsverplichting ontstaan uit een nieuwe rechtsverhouding met IHDA.15. De vordering waarop UBO beslag heeft gelegd, bestond daarom op het tijdstip van de vestiging van het pandrecht nog niet en zij is evenmin rechtstreeks verkregen uit een toen reeds bestaande rechtsverhouding. Het pandrecht rust dan ook niet op die vordering, aldus nog steeds het hof.
In rov. 2.7 voegt het hof hier aan toe dat de wetsgeschiedenis van art. 3:239 lid 1 BW niet noopt tot aanvaarding van het standpunt van de Bank dat deze bepaling zo ruim moet worden uitgelegd dat het onderhavige pandrecht zich ook uitstrekt tot de onderhavige vordering.
1.
Het hof heeft in rov. 2.6 en 2.7 ten onrechte van (doorslaggevende) betekenis geacht dat naar zijn oordeel vanaf 20 november 2009 sprake was van een andere rechtsverhouding in de zin van art. 3:239 lid 1 BW. De Bank heeft in eerste aanleg en appel gemotiveerd gesteld16. dat
- (i)
Bouwcontract no. 601 is gesloten op 18 december 2007,
- (ii)
Amulet zich daarin ten opzichte van IHDA verplichtte tot betaling van de koopprijs,
- (iii)
die verplichting van Amulet tot betaling van de koopsom, hoe voorwaardelijk wellicht ook, derhalve reeds bestond ten tijde van de verpanding op 16 september 2009, en
- (iv)
Bouwcontract no. 601 steeds van kracht is gebleven en het feit dat IHDA en Amulet eind 2009 de overeenkomst hebben gewijzigd, daar niet aan af doet, waarin besloten ligt dat volgens de Bank de vordering van IHDA op Amulet en haar pandrecht op die vordering niet teniet zijn gegaan, ook niet na de wijziging van Bouwcontract no. 601.
Uit deze stellingen volgt dat op het moment van de verpanding sprake was van een reeds bestaande vordering. Art. 3:239 lid 1 BW stelt ten aanzien van een ten tijde van de vestiging van het pandrecht reeds bestaande vordering niet de eis dat deze rechtstreeks voortvloeit uit een reeds bestaande rechtsverhouding. Voor zover het hof dit heeft miskend, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en in elk geval heeft het hof in strijd met art. 23 Rv geen beslissing gegeven over dit deel van de vorderingsgrondslag van de Bank. Voor zover het hof aldus geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, is het hof in elk geval ten onrechte ongemotiveerd voorbijgegaan aan voormelde essentiële stellingen van de Bank.
2.
Voor zover het hof in rov. 2.6 en 2.7 heeft geoordeeld dat vanaf 20 november 2009 sprake was een nieuwe (en dus voorheen niet bestaande) vordering van IHDA jegens Amulet, geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting althans is dit oordeel onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd. Het hof kon het bestaan van een dergelijke nieuwe vordering niet baseren op de door hem geconstateerde wijzigingen in Bouwcontract no. 601, omdat die wijzigingen deze gevolgtrekking rechtens niet toelaten. Voor het tenietgaan van de vordering die IHDA op 18 december 2007 verkreeg jegens Amulet en op 16/19 september 2009 aan de Bank heeft verpand, is vereist dat op 20 november 2009 sprake was van wilsovereenstemming tussen IHDA en Amulet over hetzij afstand van recht (art. 6:160 BW) hetzij beëindiging van Bouwcontract no. 601 (art. 6:217 BW).17. Het hof heeft daarover in zijn arrest niets (kenbaar, laat staan toereikend gemotiveerd) vastgesteld. Die vereiste wilsovereenstemming is ook niet gegeven met 's hofs constatering dat (a) bij ondertekening van Bouwcontract no. 601 de mogelijkheid dat Amulet de afbouw van het casco in regie zou nemen, niet was voorzien, (b) de activiteiten die Amulet in het kader van de afbouw zou moeten verrichten andersoortig en verdergaand zijn dan in december 2007 was voorzien, (c) de betaling waartoe de regeling van november 2009 verplichtte, ook niet kan worden aangemerkt als een (overgebleven) deel van de betaling waartoe de regeling van december 2007 haar verplichtte en (d) in november 2009 voor Amulet een nieuwe betalingsverplichting is ontstaan uit een nieuwe rechtsverhouding met IHDA.18. Beide constateringen onder (c) en (d) zijn bovendien uitsluitend gebaseerd op de bedoelde door het hof geconstateerde wijzigingen in Bouwcontract no. 601.
3.
Het hof heeft in rov. 2.6 en 2.7 een onjuiste, want te restrictieve, maatstaf aangelegd bij beantwoording van de vraag of de vordering van IHDA jegens Amulet, zoals deze luidde na 20 november 2009, rechtstreeks voortvloeit uit een ten tijde van de verpanding reeds bestaande rechtsverhouding zoals bedoeld in art. 3:239 lid 1 BW, door op grond van de door hem geconstateerde wijziging van Bouwcontract no. 601 te oordelen dat niet langer sprake is van een reeds bestaande rechtsverhouding in de zin van dit artikel. Het hof heeft miskend dat reeds aan deze eis is voldaan indien sprake is van een voldoende mate van samenhang tussen enerzijds de betreffende vordering dan wel de rechtsverhouding waaruit die vordering voortvloeit en anderzijds een ten tijde van de verpanding reeds bestaande rechtsverhouding en/of de gewijzigde rechtsverhouding niet op zichzelf kan worden geacht te staan. Het hof heeft in elk geval miskend dat reeds aan deze eis is voldaan, indien de betreffende vordering voortvloeit uit een ten tijde van de verpanding reeds bestaande overeenkomst. Immers, in dat geval bestaat de ontstaansbron van de vordering reeds ten tijde van de verpanding. Een latere wijziging van de betreffende overeenkomst kan er dan ook rechtens niet toe leiden dat een vordering niet langer wordt aangemerkt als rechtstreeks voortvloeiend uit een ten tijde van de verpanding bestaande rechtsverhouding. Een andere benadering zou enerzijds ontoelaatbaar afbreuk doen aan de positie van een pandhouder uit hoofde van een stil pandrecht op vorderingen en aan de positie van concurrente crediteuren die conservatoir derdenbeslag leggen op de voet van art. 475 lid 1 Rv en anderzijds later beslag leggende concurrente schuldeisers een niet door de ratio van art. 3:239 lid 1 BW (resp. 475 lid 1 Rv) gelegitimeerd voordeel in de schoot werpen.
Het hof heeft in elk geval — in het licht van het voorgaande — blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of een onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerde beslissing gegeven door in rov. 2.6 en 2.7 voorbij te gaan aan de volgende stellingen van de Bank. De Bank heeft in het kader van haar betoog dat sprake was van een reeds bestaande rechtsverhouding, gemotiveerd gesteld19. dat
- (1)
de betalingsverplichting van Amulet steeds verbonden is gebleven aan Bouwcontract no. 601 en daaraan niet afdoet dat op enig moment vertraging in de afbouw en feitelijke levering is ontstaan, mede waardoor Amulet uiteindelijk minder behoefde te betalen,
- (2)
het begrip rechtsverhouding (zoals bedoeld in art. 3:239 lid 1 BW) ruimer is dan één specifieke overeenkomst,
- (3)
de op 20 november 2009 ondertekende documenten verwijzen naar Bouwcontract no. 601 en daarop addenda vormen,
- (4)
geen ontbinding of opzegging van Bouwcontract no. 601 heeft plaatsgevonden,
- (5)
bij de verpanding op 16 september 2009 (in algemene zin) rekening is gehouden met de mogelijkheid van wijziging van Bouwcontract no. 601,
- (6)
de partijen bij de overeenkomst op 20 november 2009 niet zijn gewijzigd,
- (7)
Bouwcontract no. 601 reeds de verbintenis tot levering van een casco in zich droeg tegen betaling van EUR 4,8 miljoen en deze overeenkomst dus reeds de in Addendum 2 overeengekomen levering van een casco in zich droeg,
- (8)
terzake van de zojuist bedoelde levering geen sprake is van een wijziging (rechtens dan wel feitelijk),
- (9)
Bouwcontract no. 601 reeds voorzag in twee onderscheiden fasen en dus de tweede fase (afbouw) al omvatte,
- (10)
de rechten en verplichtingen die Amulet met Addendum 2 en Annex 7 overnam, reeds door IHDA waren aangegaan ter uitvoering van de in Bouwcontract no. 601 voorziene tweede fase (afbouw),
- (11)
de driepartijenovereenkomsten met toeleveranciers en onderaannemers tot doel hadden de zojuist bedoelde rechten en verplichtingen over te doen gaan op Amulet (en niet meer dan dat) en
- (12)
de EUR 750.000 die Amulet uit hoofde van Annex 7 diende te betalen aan IHDA een betaling vormde voor hetgeen IHDA reeds aan (toe)leveranciers had betaald.
4.
Het hof oordeelt voorts in rov. 2.6 rechtens onjuist althans onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd dat de aanspraken van Amulet en IHDA op grond van de wijzigingen in november 2009 naar hun aard, in hun onderlinge samenhang beschouwd, te zeer verwijderd zijn van de oorspronkelijke bedoelingen van partijen zoals vastgelegd in de overeenkomst van december 2007, om nog te kunnen spreken van dezelfde rechtsverhouding.
- a.
's Hofs oordeel dat een verbintenis tot levering van een casco naar haar aard verschilt van een verbintenis tot levering van een afgebouwd schip, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In beide gevallen is immers sprake van een uit een koopovereenkomst voortvloeiende verbintenis tot levering, zodat niet, laat staan zonder nadere motivering, die ontbreekt, kan worden gezegd dat de prestatie naar haar aard is gewijzigd (laat staan ingrijpend);
- b.
's Hofs oordeel is voorts onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd om de volgende redenen.
- i.
Partijen hebben niet gekozen voor ontbinding van Bouwcontract no. 601 maar voor een contractwijziging die is gestructureerd als een louter addendum op het bestaande contract met handhaving van de bepalingen daarvan, voor zover deze zien op levering van een ‘eenvoudig’ casco in plaats van een afgebouwde tanker;20.
- ii.
De Bank heeft, samengevat, gemotiveerd gesteld21. dat Bouwcontract no. 601 reeds de later gesplitste eerste fase (bouw casco) en tweede fase (afbouw) in zich droeg en zonder twijfel al mede strekte tot levering van een casco binnenvaartschip, terwijl de later overeengekomen contractsovernemingen (afbouw) en de prijs daarvoor eveneens zijn terug te voeren op het steeds in stand gelaten Bouwcontract no. 601; en
- iii.
Het hof negeert, ook in rov. 2.5. ten onrechte dat IHDA op 16 september 2009 als pandgever de intentie had om vorderingen uit Contract 601 te verpanden ‘zoals aangevuld of gewijzigd van tijd tot tijd’.22. Met deze intentie van IHDA tot verpanding is niet te verenigen dat IHDA op 20 november 2009 een wanprestatie opleverende wilsovereenstemming zou hebben gehad tot afstand van het reeds verpande bestaande vorderingsrecht respectievelijk beëindiging van Bouwcontract no. 601, dan wel tot het wijzigen van de aard en inhoud van haar rechten uit hoofde van Bouwcontract no. 601 zodanig dat geen sprake zou zijn van een reeds bestaande rechtsverhouding.
5.
Bij voormelde klachten dient (ten minste veronderstellenderwijs, zie onderdeel 123.) als feitelijk uitgangspunt dat de vordering van IHDA jegens Amulet reeds op 16/19 september 2009 bestond en de Bank daarop een pandrecht heeft verkregen. Indien tegen de achtergrond van de wijziging van Bouwcontract no. 601 spoedig wordt aangenomen dat een geheel nieuwe vordering is ontstaan, dan wel het vereiste van een reeds bestaande rechtsverhouding in art. 3:239 lid 1 BW restrictief (ten nadele van de stil pandhouder) wordt uitgelegd, wordt daarmee onherroepelijk afbreuk gedaan aan de — rechtmatig — verkregen rechten van de Bank als pandhouder. De Bank mocht in haar positie van pandhouder ervan uitgaan dat háár positie in beginsel beschermd is en dat zij haar rechten als pandhouder zou kunnen uitoefenen tegenover eventuele latere beslag leggende schuldeisers. Een andere benadering zou bezwaarlijk zijn voor de financieringspraktijk, terwijl de ratio van de beperking van de mogelijkheid om toekomstige vorderingen bij voorbaat te verpanden of daarop beslag te leggen niet rechtvaardigt (althans ertoe dwingt) dat de Bank in casu zijn voorrangspositie zou verliezen. Er is immers geen sprake van een situatie dat toekomstige goederen van een schuldenaar in (te) ruime mate niet langer voor die (andere) concurrente schuldeisers beschikbaar zijn, maar om de situatie dat het pandrecht ‘staat’, maar door een latere contractsaanpassing zou komen te vervallen.
Mitsdien
vordert de Bank dat de Hoge Raad het bestreden arrest vernietigt, met veroordeling van UBO in de kosten.
[Eiser(es) kan de omzetbelasting niet verrekenen in de zin van de Wet op omzetbelasting 1968.]
De kosten dezes zijn | ||
exploot | € | 76.71 |
vers. cfm. art. 9 Btag | € | |
subtotaal | € | 76.71 |
verh. cfm.art. 10 Btag | € | 16.11 |
totaal | € | 92,82 |
De hierboven genoemde verschotten zijn voor de goede verrichting van de ambtshandeling noodzakelijk. De gerechtsdeurwaarder heeft geen rechtstreeks of middellijk belang in de onderneming of derde die deze verschotten factureerde.
toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 16‑05‑2013
Rov. 2.2 onder a hof.
Zie art. 7.2, weergegeven in rov. 2.2 onder a.
Rov. 2.2 onder c.
Rov. 2.2 onder d.
Rov. 2.2 onder d, laatste alinea. Per abuis vermeldt het hof een prijs van EUR 75.000.
Rov. 2.2 onder g,
Rov. 2.2 onder b.
Rov. 2.2 onder e.
Rov. 2.2 onder g.
Rov. 2.2 onder h.
Rov. 2.2 onder h.
Rov. 4.3 t/m 4.7 en 2.14 Rb, in appel niet bestreden,
Rov. 2.11 Rb.
Rov. 2.2 onder i.
Het hof verwijst kennelijk per abuis naar UBO.
Aantekeningen ter toelichting nr. 14 en 15 en MvA nr. 40 t/m 53 (m.n. 47: vordering was ‘voorzien in’ Bouwcontract 601). Onbestreden bij MvG, zie wel de contraire stelling in CvA nr. 36.
Een andere grond voor het (kunnen) tenietgaan van die vordering doet zich in casu niet voor,
Het hof verwist kennelijke pre abuis naar UBO.
Aantekeningen ter toelichting nr. 14 en 15, MvA nr. 42 ,44, 45 t/m 47,48,49 t/m 52.
Vgl. Rb-vonnis rov. 4.8, als zodanig onbestreden in de MvG. Zie ook Aantekeningen ter toelichting nr. 15 en MvA nr. 42 en 44.
MvA nr. 45 t/m 53.
MvA nr. 44
Zie ook rov. 4.8 Rb.