Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/3.5.11.3
3.5.11.3 Uitoefening van andermans vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS590632:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.a. Veegens 1972, p. 42; Vander Ploeg 1945, nr. 146 (bewindvoerder); Winters 1997, p. 78; vgl. F.H. J. Mijnssen in zijn noot (sub 4) onder HR 19 oktober 1979, NJ 1980, 299; Hugenholtz/Heemskerk 2009, nr. 26.
Zie o.a. Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 65 (p. 77); Losbladige Burgerlijke Rechtsvordering 2003 (E.J. Numann), art. 236, aant. 13. Zie om trent de procederende deelgenoot, HR 24 april1992, NJ 1992, 461 (Carreau Gaschereau/Sunresorts); en vgl. T.M., Parl Gesch. Boek 3, p. 590; M.v.A. II, Pari. Gesch. Boek 3, p. 590-591; Parl. Gesch. (lnv. Boek 3, 5 en 6), p. 1283; en HR 21 november 2003, NJ 2004, 130 (Hermans/Fortis). Omdat met 'partij' in art. 236 Rv de materiële procespartij wordt bedoeld, kan de formele procespartij die in hoedanigheid aansprakelijk wordt gesteld, zoals een ouder, een curator of een vennoot, in een andere procedure alsnog pro se aansprakelijk worden gesteld.
Vgl. Losbladige Burgerlijke Rechtsvordering 2003 (E.J. Numann), art. 236, aant. 13, waar de wettelijke vertegenwoordiger en de minderjarige, en de procederende deelgenoot en de gezamenlijke deelgenoten als voorbeelden worden genoemd; en voorts Winters 1997, p. 78.
Het is het 'logische' gevolg van het gegeven dat de inningsbevoegde derde de formele procespartij is, en de schuldeiser de materiële procespartij. Vgl. Veegens 1972, p. 42-44. Zie voor de pandhouder, Verdaas 2008a, nr. 431 en 434. Asser, die (m.i. ten onrechte) aanneemt dat de procederende lasthebber in eigen naam niet alleen de formele, maar ook de materiële procespartij is, maar tegelijkertijd betoogt dat de rechtspositie van de lastgever voor de aan de uitspraak verbonden rechtsgevolgen op een lijn kan worden gesteld met een materiële procespartij. Zie Asser 1999, nr. 5.7; en A-G Asser in zijn conclusie (2.15) voor HR 20 oktober 1995, NJ 1996, 218 (FNV/Weltec). Reehuis is over de positie van de pandgever onduidelijk: enerzijds stelt hij (onterecht) dat de pandgever in het geding moet worden geroepen, opdat in de procedure tussen de pandhouder en de schuldenaar ook rechtsverhouding tussen de schuldenaar en de pandgever vast komt te staan (vgl. art. 477b lid 3 Rv); anderzijds merkt hij (terecht) op dat de pandgever door de procedure tussen de pandhouder en de schuldenaar in een ongunstige positie kan komen te verkeren, hetgeen alleen kan als de pandgever ook zonder in de procedure formeel betrokken te zijn geweest, aan de uitkomst daarvan gebonden is. Zie Reehuis 1987, p. 238-239.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 531-532. Zie voor pandrecht Verdaas 2008a, nr. 401-402; en zie voor derdenbeslag Mijnssen & Van Mierlo 2009, par. 3.1, sub c (p. 82).
Zie Winters 1997, p. 78. Zie over de proceskostenveroordeling hierna nr. 366 e.v. en hierna nr. 645 en 651.
Een vonnis dat is verkregen door een procesonbevoegde formele procespartij bindt de materiële procespartij niet, behoudens bepalingen van derdenbescherming (zie o.a. art. 3:36 BW, art. 3:61 lid 2 (jo 3:78 BW), art. 1:439 BW en art. 1:347 lid 2 BW). Vergelijk art. 25 lid 2 Fw.
Bij de vereffening van een nalatenschap en bij faillissement bestaan ook uitzonderingen ten aanzien van vorderingen die tegen de vereffenaar q.q. of tegen de curator q.q. worden ingesteld. Zie art. 4:223lid 2 tweede zin BW respectievelijk art. 126 jo 197 Fw (vgl. art. 121lid4 en 122a e.v. Fw). Zij hebben geen betrekking op vorderingen in de nalatenschap dan wei faillissementsboedel waarover de vereffenaar respectievelijk de curator procedeert.
Zie voor vruchtgebruik, T.M. Pari. Gesch. Boek 3, p. 671; en voor pand, V.V. II, Pari. Gesch. Boek 3, p. 769-770.
De inning van de bezwaarde vordering is bij vruchtgebruik en pand geregeld in art. 3:210 BW respectievelijk art. 3:246 BW. In deze procedure treden de pandhouder en de vruchtgebruiker als formele procespartij op, en de hoofdgerechtigde en de pandgever als materiële procespartij.
184. Als de stille cedent procedeert als formele procespartij is het de vraag of de stille cessionaris aan het door de stille cedent verkregen vonnis rechten ontleent.
Als een procesbevoegde derde als formele procespartij procedeert, is de schuldeiser als materiële procespartij aan het vonnis gebonden.1 Het begrip 'partij' in art. 236 lid 1 Rv ziet op de materiële procespartij.2 De uitspraak die een procesbevoegde, procederende pandhouder, vruchtgebruiker, lasthebber, gevolmachtigde, bewindvoerder, executeur, vereffenaar, curator, ouder of voogd verkrijgt, is bindend voor de pandgever, de hoofdgerechtigde, de lastgever, de volmachtgever, de rechthebbende wiens vordering onder bewind is gesteld, de (gezamenlijke) erfgena(a)m(en), de gefailleerde, de onder curatele gestelde respectievelijk de minderjarige.3 Hetzelfde geldt voor de lasthebber die in eigen naam procedeert zonder dat hij zijn hoedanigheid kenbaar maakt.4 De procesbevoegde derde is indirect aan het vonnis 'gebonden', omdat hij niet meer rechten kan uitoefenen dan die de schuldeiser (de materiële procespartij) toekomen.5 De procesbevoegde derde ontleent echter niet een eigen recht aan het vonnis met betrekking tot de vordering, en ook is hij door het vonnis niet pro se gebonden.6
185. Op de regel dat het door een procesbevoegde derde (de formele procespartij) verkregen vonnis bindend is voor de rechthebbende van de vordering (de materiële procespartij)7 bestaat bij derdenbeslag een uitzondering.8 De derde-beslagene en de geëxecuteerde worden niet gebonden door hetgeen in een vonnis ex art. 477a Rv omtrent hun onderlinge rechtsverhouding is beslist, tenzij de derde-beslagene de geëxecuteerde tijdig in het geding heeft geroepen (art. 477b lid 3 Rv). Een belangrijk rechtsgevolg van de uitoefening van andermans vordering wordt door art. 477b lid 3 Rv buiten werking gesteld. De bepaling bevestigt evenwel het uitgangspunt, namelijk dat de proceshandelingen van de formele procespartij de materiële procespartij binden.
Uit art. 3:218 BW (vruchtgebruik) en art. 3:245 BW (pand) volgt dat als hij in het geding niet tijdig wordt opgeroepen, de vruchtgebruiker dan wel de pandhouder niet gebonden is aan het door de hoofdgerechtigde respectievelijk de pandgever gevoerde geding, en omgekeerd.9 De oproeping heeft tot doel dat de ander de voile gelegenheid heeft om zijn standpunt uiteen te zetten en dat de gedaagde in de dagvaardingsprocedure, of de verweerder in de verzoekschriftprocedure niet in zijn verdediging wordt geschaad. De bepalingen vertonen qua redactie een sterke verwantschap met art. 477b lid 3 Rv. Zij hebben echter op een ander geval betrekking. Art. 477b lid 3 Rv ziet op de inning van de beslagen vorderingen (art. 477a Rv). Art. 3:218 BW en art. 3:245 BW daarentegen hebben betrekking op een procedure tegen een derde die inbreuk maakt op het bezwaarde goed.10