Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/3.5.11.2
3.5.11.2 Overgang van de vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS588294:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Losbladige Burgerlijke Rechtsvordering 2003 (E.J. Numann), art. 236, aant. 13; Parl. Gesch. Nieuw bewijsrecht, p. 412.
Dat de nieuwe schuldeiser aan het vonnis gebonden is, volgt onder meer uit HR 5 juni 1992, NJ 1993,204 (Bayfine/Van Leeuwen), m.nt. HJS; en vgl. HR 11 september 1996, NJ 1997, 177, m.nt. Ma. Vgl. voorts Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 67. Hugenholtz/Heemskerk 2009, nr. 24. Zie ten aanzien van de formele rechtskracht van belastingaanslagen bij cessie, HR 27 mei 1994, NJ 1997, 158 (Sprangers/Staat), m.nt. M. Scheltema; en vgl. HR 12 november 1999, NJ 2000, 222 (Heijmans/Staat), m.nt. ARB; Langereis 1986, p. 172. De cessionaris is gebonden aan de formele rechtskracht van de beschikking van de overheid. Vgl. voorts HR 28 november 2008, NJ 2008, 624.
Zie Losbladige Burgerlijke Rechtsvordering 2003 (E.J. Numann), art. 236, aant. 13.
Art. 236lid2 Rv leent zich voor overeenkomstige toepassing op een arbitraal vonnis. Vgl. Losbladige Burgerlijke Rechtsvordering 2006 (H.J. Snijders), art. 1059, aant. 1. De rechtsopvolger is aan het arbitragebeding gebonden; het dient geen redelijk doel om hem wederom een arbitrageprocedure te laten starten, omdat hij niet van het arbitraal vonnis dat door zijn rechtsvoorganger is verkregen, zou kunnen profiteren. Hetzelfde geldt omgekeerd voor de wederpartij.
Zie Losbladige Verbintenissenrecht2004 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:142, aant. 12 met verdere verwijzingen. Vgl. voor het oude recht, Rb. 's-Hertogenbosch 20 juli 1993, NJ 1994, 311. De oude schuldeiser is op grond van art. 6:143 lid 2 BW verplicht om de executoriale titels aan de nieuwe schuldeiser af te geven, of indien hijzelf belang bij deze titels behoudt, de nieuwe schuldeiser tot tenuitvoerlegging daarvan in de gelegenheid te stellen. Zie hierna nr. 670.
Zie hierna nr. 406.
Zie Wiarda 1937, p. 326, met verdere literatuurverwijzingen. Dat lijfsdwang als een nevenrecht wordt beschouwd, volgt ook uit Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 274.
Zie Van Mierlo 2003; Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 456; vgl. voorts Hugenholtz/Heemskerk 2009, nr. 239. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 274 gaan nog uit van het oude recht.
Zie Wiarda 1937, p. 326, met verdere literatuurverwijzingen; en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 274.
Vgl. Wiarda 1937, p. 326-327, die zich ook baseert op de ongerechtvaardigde verrijking van de nieuwe schuldeiser.
181. Art. 236 lid 2 Rv bepaalt dat onder partijen in art. 236 lid 1 Rv mede zijn begrepen de rechtsverkrijgenden onder algemene of bijzondere titel, tenzij uit de wet anders voortvloeit. Een uitspraak in een procedure tussen de oude schuldeiser en de schuldenaar die is vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis heeft dezelfde kracht tussen de nieuwe schuldeiser en de schuldenaar. Uit de ratio van art. 236 lid 2 Rv vloeit naar mijn mening ook voort dat de nieuwe schuldeiser gebonden is aan een uitspraak waartegen nog wei een rechtsmiddel openstaat. Hetzelfde geldt voor de stille cessionaris. Wordt de vordering stil gecedeerd ná het wijzen van het vonnis, dan volgt uit art. 236 lid 2 Rv dat hij gebonden is aan de beslissing die de rechtsbetrekkingen in geschil tussen de stille cedent en de schuldenaar betreft.
Art. 236 lid 2 Rv is van belang in de gevallen waarin de vordering is overgegaan ná het wijzen van het vonnis.1 Gaat de vordering over vóór het wijzen van het vonnis (of voordat een datum voor het wijzen van vonnis is bepaald), dan is de nieuwe schuldeiser de materiële procespartij in de procedure en is hij uit dien hoofde reeds aan het vonnis gebonden.2 Art. 236 lid 2 Rv is hierop niet van toepassing. De nieuwe schuldeiser is partij bij het vonnis in de zin van art. 236 lid 1 Rv. Het begrip partij in art. 236 Rv ziet derhalve op de materiële procespartij.3 Als de nieuwe schuldeiser de procedure overneemt, maar de oude schuldeiser in de procedure betrokken blijft in verband met een eigen belang bij de uitkomst van de procedure (zoals een proceskostenveroordeling), is ook de oude schuldeiser een partij in de zin van art. 236lid 1 Rv.4
Wordt de vordering vóór het wijzen van het vonnis (of voordat een datum voor het wijzen van vonnis is bepaald) stil gecedeerd, dan is de stille cessionaris de materiële procespartij in de procedure en is hij uit dien hoofde aan het vonnis gebonden. Wordt de vordering stil gecedeerde nadat het vonnis is gewezen, dan is de stille cessionaris op grond van art. 236 lid 2 Rv aan het vonnis gebonden, ook al is nog geen mededeling gedaan aan de schuldenaar.
182. De bevoegdheid om de ter zake van de vordering en de nevenrechten bestaande executoriale titels ten uitvoer te leggen, is een nevenrecht dat met de vordering overgaat (art. 6:142 lid 1 BW).5 Voor executoriale titels die voortvloeien uit een vonnis, kan deze uitkomst ook gebaseerd worden op art. 236 lid 2 Rv. Art. 6:142 lid 1 BW geldt ook voor de gevallen waarin een executoriale titel niet vervat is in de grosse van een rechterlijke uitspraak. Indien de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een executoriale titel op een ander overgaat, kan de executie eerst worden aangevangen of voortgezet na betekening van deze overgang aan de geëxecuteerde (art. 431a Rv).
Heeft de rechter de oude schuldeiser gemachtigd om zelf datgene te bewerken waartoe nakoming zou hebben geleid (art. 3:299 lid 1 BW), dan is na de overgang van de vordering de nieuwe schuldeiser hiertoe bevoegd. Na de overgang van de vordering is de nieuwe schuldeiser gemachtigd om datgene te bewerken waartoe nakoming zou hebben geleid. De machtiging is slechts een wijze waarop aan de tenuitvoerlegging van de executoriale titel vorm wordt gegeven.
Het recht op een dwangsom is een nevenrecht (art. 6:142 lid 2 BW).6 Ook een aan de schuldenaar opgelegde lijfsdwang is een nevenrecht. De rechtsopvolger kan op grond van art. 6:142 BW en art. 236 lid 2 Rv de lijfsdwang handhaven.7 Lijfsdwang kon in het oude recht niet worden gevorderd van bloed- en aanverwanten. Deze beperking is per 1 januari 2002 komen te vervallen.8 Onder het oude recht werd aangenomen dat de vordering op de nieuwe schuldeiser kon overgaan, ook als de nieuwe schuldeiser in tegenstelling tot de oude schuldeiser op grond van art. 588 lid 1 Rv niet het middel van lijfsdwang kon aanwenden of het recht op lijfsdwang niet kon uitoefenen.9 Omgekeerd gold niet dat als de oude schuldeiser het middel van lijfsdwang op grond art. 588 lid 1 Rv onthouden werd, de nieuwe schuldeiser dit indirecte executiemiddel wei zou mogen toepassen. Hierdoor zou het voorschrift kunnen worden omzeild.10
183. Op het moment van de stille cessie gaan door de goederenrechtelijke werking daarvan de genoemde nevenrechten met de stil gecedeerde op de stille cessionaris over en komen de bevoegdheden uit hoofde van de vordering en de nevenrechten in beginsel exclusief aan hem toe. De stille cessionaris kan de executie eerst aanvangen of voortzetten na betekening van deze overgang aan de geëxecuteerde (art. 431a Rv). In de uitoefening van de nevenrechten en in de betekening van de overgang van de executoriale titel zal de mededeling van de stille cessie besloten liggen als bedoeld in art. 3:94 lid 3 BW.