HR, 15-11-2024, nr. 24/02022
ECLI:NL:HR:2024:1659
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15-11-2024
- Zaaknummer
24/02022
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑11‑2024
ECLI:NL:HR:2024:1659, Uitspraak, Hoge Raad, 15‑11‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2024:1210
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2024/1886
NTFR 2024/1877 met annotatie van mr. I. van Wijk
V-N 2024/51.17 met annotatie van Redactie
Sdu Nieuws Belastingzaken 2024/1344
NLF 2024/2541 met annotatie van Michiel Hennevelt
Viditax (FutD) 2024111511
FutD 2024-2402
Belastingblad 2025/14 met annotatie van J.M.J.F. JANSEN
JB 2025/4
Beroepschrift 15‑11‑2024
BEROEPSCHRIFT IN CASSATIE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
24/02022
[X] B.V. gevestigd [Z]
Belanghebbende tegen
Dagelijks Bestuur
Belastingsamenwerking Oost-Brabant
(BSOB)
gevestigd te Oss
Dagelijks bestuur
Middel I: Schending van het recht en/of verzuim van vormen
Ten aanzien van de dwangsom
Inleiding
1.
Dit Middel heeft betrekking op het in de bestreden uitspraak (p.3. onder ii) geformuleerde geschil (Is de heffingsambtenaar een dwangsom verschuldigd wegens het niet-tijdig doen van een uitspraak op bezwaar?) en daarmee op het door het hof ter zake overwogene in punt 4.3. t/m 4.7. van de bestreden uitspraak.
2.
Ter zake van de feiten relevant voor Middel I verwijst Belanghebbende naar de feiten in punt 2.4. t/m 2.15. van de bestreden uitspraak.
Toelichting Middel I
3.
Belanghebbende stelt in hoger beroep (punt 4.3.) in het kader van het onder punt1 hiervóór genoemde geschil dat het hoger beroep ex. art. 4:19 lid 1 Awb mede betrekking heeft op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom. Belanghebbende duidt als beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom aan het besluit van 16 november 2022 danwel het besluit van 25 februari 2021
4.
Het besluit van 25 februari 2021 ziet op het besluit van de Heffingsambtenaar geen dwangsom te zijn verschuldigd (2.12. bestreden uitspraak). Voornoemde beschikking (door hof aangeduid als dwangsombeschikking-2.12. bestreden uitspraak) is een antwoord op de ingebrekestelling van 14 februari 2021 (2.10. bestreden uitspraak). De Heffingsambtenaar stelt geen dwangsom te zijn verschuldigd , omdat de met voornoemde ingebrekestelling verlangde uitspraak op bezwaar tegen de aanslag Watersysteemheffing Gebouwd is genomen op 23 februari 2021 en daarmee binnen 2 weken na de ingebrekestelling (2.15. bestreden uitspraak).
5.
Het besluit van 16 november 2022 is een reactie op de brief van Belanghebbende van 1 november 2022 (2.14. bestreden uitsp raak). In deze brief verzoekt Belanghebbende de Heffingsambtenaar een dwangsom vast te stellen wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift tegen de aanslag voor de periode vanaf de ingebrekestelling van 24 september 2020 (door het hof aangemerkt als ingebrekestelling: 4.7. bestreden uitspraak en p.3. proces-verbaal zitting hof waar het hof spreekt van 2 ingebrekestellingen) tot 23 februari 2021, zijnde datum van de uitspraak op het bezwaarschrift. De Heffingsambtenaar verwijst in de brief van 16 november 2022 naar de reeds op 25 februari 2021 genomen dwangsombeschikking.
6.
In de bestreden uitspraak (4.4.) overweegt het hof ten aanzien van het hoger beroep dat volgens Belanghebbende ex art. 4:19 lid 1 Awb mede betrekking heeft op, primair, het besluit van 16 november 2022 :
‘Wat betreft het rechtstreekse hoger beroep van belanghebbende tegen de brief van 16 november 2022 geldt reeds dat deze brief naar het oordeel van het hof geen voor bezwaar vatbare beschikking van de heffingsambtenaar betreft. Aangezien hiertegen geen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend , dient het hoger beroep in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard .’
7.
Het hof gaat daarbij uit van een onjuiste rechtsopvatting. Daartoe het volgende.
8.
In de brief van 16 november 2022 wordt door de Heffingsambtenaar verwezen naar de ingebrekestelling van 24 november 2020. Ook de Heffingsambtenaar is dit schrijven (uiteindelijk) gaan aanmerken als een ingebrekestelling (vgl. p.3. proces-verbaal zitting hof). Ook het hof merkt het schrijven van 24 november 2020 aan als een ingebrekestelling (vgl. p.3. van het procesverbaal waar het hof spreekt van: 2 ingebrekestellingen; en 4.17 bestreden uitspraak).
Anders dan het hof overweegt vormt de reactie van de Heffingsambtenaar opgenomen in de brief van 16 november 2022 wel een voor bezwaar vatbare beschikking. Voornoemde brief is door de verwijzing naar de ingebrekestelling van 24 november 2020 immers aan te merken als een beslissing op voornoemde ingebrekestelling. Daarmee is de brief van 16 november 2020 te beschouwen als een voor bezwaar vatbare beschikking (Raad van State 17 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:409). Dat wordt niet anders door de omstandigheid dat bij beschikking van 25 februari 2021 een dwangsombeschikking is genomen. Deze verwijst immers enkel naar de ingebrekestelling van 14 februari 2021.
Het hof heeft voorgaande miskend en aldus het hoger beroep in zoverre ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard .
9.
Daaraan doet niet af dat het hof in de bestreden uitspraak (4.7.) overweegt dat ook bij ontvankelijkheid van het hoger beroep uiteindelijk geen dwangsom zou zijn verschuldigd. Daarbij gaat het hof er van uit dat enkel de ingebrekestelling van 14 februari 2021 kan worden aangemerkt als een ingebrekestelling in de zin van art. 4:17 Awb. Nu tussen deze ingebrekestelling en de verlangde uitspraak op bezwaar minder dan 14 dagen verstreken is volgens het hof geen dwangsom verschuldigd.
Het hof merkt de ingebrekestelling van 24 september 2020 vervolgens aan als premature ingebrekestelling. Het hof gaat er (klaarblijkelijkelijk) vervolgens van uit dat een dergelijke kwalificatie (ook) niet kan leiden tot de door Belanghebbende verlangde dwangsom.
10.
Het hof leidt de omstandigheid dat de ingebrekestelling van 24 september 2020 prematuur zou zijn af uit de omstandigheid dat, kortgezegd, op dat tijdstip niet kon worden gesteld dat de Heffingsambtenaar de uitspraak op het bezwaar niet tijdig heeft voldaan. Het hof verwijst ter zake naar de omstandigheid dat op het tijdstip van de ingebrekestelling (24 september 2020-punt 2.6. bestreden uitspraak) het bezwaarschrift van Belanghebbende (10 augustus 2020-punt 2.5. bestreden uitspraak) nog niets was voorzien van gronden en evenmin was de vereiste machtiging overgelegd.
11.
Het hof gaat daarbij uit van een onjuiste rechtsopvatting , althans is de bestreden uitspraak onvoldoende gemotiveerd althans onbegrijpelijk. Daartoe het volgende.
12.
Met verwijzing naar de feiten (2.4 t/m 2.15 bestreden uitspraak) stelt Belanghebbende vast dat:
- —
een pro forma bezwaarschrift is ingediend op 10 augustus 2020 waarin Belanghebbende aangeeft het bezwaarschrift te motiveren binnen een door de Heffingsambtenaar te stellen termijn (2.5. bestreden uitspraak);
- —
Belanghebbende na het verstrijken van de beslistermijn op het bezwaarschrift (i.c. 12 weken na datum aanslag 30 juni 2020) een ingebrekestelling heeft gezonden op 24 september 2020 (2.6. bestreden uitspraak); en
- —
De Heffingsambtenaar eerst op 6 november 2020 en daarmee na het verstrijken van de beslistermijn heeft verzocht om motivering van het bezwaarschrift en toezending van de machtiging (2.7. bestreden uitspraak).
13.
Met inachtneming van voorgaande is anders dan het hof overweegt de ingebrekestelling van 24 september 2020 niet prematuur en is een dwangsom verschuldigd. Op het moment van deze ingebrekestelling was de beslistermijn wel verstreken en daarmee de uitspraak op bezwaar niet tijdig gedaan. De omstandigheid dat het bezwaar nog niet van gronden was voorzien en nog geen machtiging was verstrekt doet daar niet aan af. Deze werden immers eerst na het verstrijken van de beslistermijn (i.c. 12 weken na 30 juni 2020) en na de ingebrekestelling (24 september 2020) gevraagd door de Heffingsambtenaar en schorten de beslistermijn niet op.
Het hof heeft dit miskend.
Indien en voor zover uw Raad het voorgaande passeert, het volgende.
14.
In de bestreden uitspraak (4.4.) overweegt het hof ten aanzien van het hoger beroep dat volgens Belanghebbende ex art. 4:19 lid 1 Awb mede betrekking heeft op, subsidiair, de dwangsombeschikking van 25 februari 2021:
‘Toepassing van art. 4:19 Awb vereist dat het dwangsombesluit (expliciet) wordt betwist. Nu belanghebbende pas voor het eerst in hoger beroep de dwangsombeschikking betwist, is belanghebbende naar het oordeel van het hof ook wat betreft het rechtstreekse beroep van belanghebbende tegen het besluit van 25 februari 2021 niet-ontvankelijk.’
15.
In de bestreden uitspraak (4.3.) overweegt het hof ten aanzien van de door daarmee de omstandigheid dat het hoger beroep mede betrekking heeft op, primair, het besluit van 16 november 2022 en, subsidiair, op de dwangsombeschikking van 25 februari 2021:
‘Belanghebbende beroept zich in dit kader op hetgeen is overwogen in de parlementaire behandeling bij de introductie van art. 4: 19 Awb, … … … … … … … … … … …’
16.
In de aldus aangehaalde parlementaire behandeling (Kamerstukken II, 2003/04, 29702, nr. 3, p.65-vgl p.4., noot 2, bestreden uitspraak) wordt ten aanzien van art. 4:19 Awb, voor zover hier relevant, en dan met name ten aanzien van de vereiste betwisting van de bijkomende beschikking (i.c. dwangsombeschikking van 25 februari 2021) opgemerkt:
‘De belanghebbende zal dus aan het bestuursorgaan of de rechter moeten laten blijken, dat hij zich niet in de bijkomende beschikking kan vinden. Hij kan dit doen op dezelfde wijze als waarop hij enig ander standpunt in de procedure inneemt: in een schriftelijk processtuk.’
‘De implicatie van een en ander is, dat de bijkomende beschikking niet rechtens onaantastbaar wordt zolang het bezwaar of beroep tegen de hoofdbeschikking nog aanhangig is.’
17.
Met inachtneming van voorgaande gaat het hof van een onjuiste rechtsopvatting uit door te overwegen dat het beroep op art. 4: 19 Awb evident te laat is nu dit door Belanghebbende eerst in hoger beroep en niet reeds in beroep bij de rechtrbank is gedaan. Een dergelijk vereiste volgt echter niet uit de aangehaalde parlementaire geschiedenis. Met name niet uit de omstandigheid dat de bijkomende beschikking niet rechtens onaantastbaar is zo lang nog rechtsmiddelen (waaronder hoger beroep) nog aanhangig is. Het hof heeft dit miskend.
18.
Daaraan doet niet af dat het hof in de bestreden uitspraak (4.7.) overweegt dat ook bij ontvankelijkheid van het hoger beroep uiteindelijk geen dwangsom zou zijn verschuldigd. Zie daartoe het onder punt 9 t/m 13 hiervóór opgemerkte.
19.
Uw Raad wordt verzocht:
- —
het cassatieberoep gegrond te verklaren;
- —
de bestreden uitspraak te vernietigen.
het Dagelijks Bestuur en/of de Heffingsambtenaar:
- —
te veroordelen in de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand van Belanghebbende voor het geding in cassatie;
- —
aan Belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat Belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald;
- —
te veroordelen in de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand van Belanghebbende voor het geding voor het hof, ter zake van de behandeling van het hoger beroep;
- —
te gelasten dat de dwangsom ter zake van het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar tegen de aanslag is verschuldigd.
Middel II: Schending van het recht en/of verzuim van vormen
Ten aanzien van de proceskosten in hoger beroep
1.
In de bestreden uitspraak (4.15) overweegt het hof ter zake van de proceskosten in hoger beroep:
‘Het hof ziet echter aanleiding tot matiging van de aldus berekende vergoeding. Het geschil dat voorligt omvat zowel de overschrijding van de opbrengstlimiet, toekenning van een dwangsom en vergoeding van wettelijke rente. Belanghebbende wordt echter uitsluitend in het gelijk gesteld op een punt van ondergeschikt belang, namelijk op het punt van de vergoeding van wette/ijke rente. Het hof ziet hierin aanleiding op grond van artikel 2, lid 2, Besluit proceskosten bestuursrecht het bedrag te verminderen tot € 437,50 door toepassing van een factor 0,25, in plaats van 1 voor het gewicht van de zaak. ’
2.
Het hof gaat daarbij uit van een onjuiste rechtsopvatting. Daartoe het volgende.
3.
De uitkomst van de beoordeling van het gewicht van een zaak in overeenstemming moet zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandsverlener. De uitkomst van die beoordeling is in beginsel niet afhankelijk van de mate waarin grieven gegrond worden bevonden. Het Hof stelt de proceskostenvergoeding voor het beroep ten onrechte niet vast met wegingsfactor 1 (Hof Den Bosch 18 maart 2016, ECLI: NL: GHSHE:2016: 1002)
Conclusie
4.
Uw Raad wordt verzocht :
- —
het cassatieberoep gegrond te verklaren;
- —
de bestreden uitspraak te vernietigen.
het Dagelijks Bestuur en/of de Heffingsambtenaar:
- —
te veroordelen in de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand van Belanghebbende voor het geding in cassatie;
- —
aan Belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat Belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald;
- —
te veroordelen in de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand van Belanghebbende voor het geding voor het hof, ter zake van de behandeling van het hoger beroep;
Uitspraak 15‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Artikel 2, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht; proceskosten; punt van ondergeschikt belang.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/02022
Datum 15 november 2024
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING OOST-BRABANT
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 april 2024, nr. 22/023411., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant (nr. SHE 21/895) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2020 opgelegde aanslag watersysteemheffing gebouwd.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.M. Vrolijk, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant (hierna: het Dagelijks Bestuur), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het Dagelijks Bestuur heeft een conclusie van dupliek ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1
De Hoge Raad heeft de klachten van het eerste middel over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.2.1
Met betrekking tot de vergoeding voor kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, heeft het Hof geoordeeld dat die vergoeding in beginsel kan worden bepaald op 2 (punten) x € 875 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.750. Het Hof ziet echter aanleiding tot matiging van de aldus berekende vergoeding. Het geschil dat voorligt omvat zowel de overschrijding van de opbrengstlimiet als toekenning van een dwangsom en vergoeding van wettelijke rente. Belanghebbende wordt echter uitsluitend in het gelijk gesteld op een punt van ondergeschikt belang, namelijk het punt van de vergoeding van wettelijke rente. Het Hof ziet hierin aanleiding op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) het bedrag te verminderen tot € 437,50, door toepassing van een factor 0,25 in plaats van 1 voor het gewicht van de zaak.
2.2.2
Het tegen deze oordelen gerichte tweede middel faalt. Het Hof mocht de proceskostenvergoeding met toepassing van artikel 2, lid 2, van het Bpb matigen vanwege de omstandigheid dat belanghebbende uitsluitend in het gelijk is gesteld op een punt van ondergeschikt belang. Ook voor het overige geven deze oordelen niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Verder kunnen die oordelen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is vastgesteld door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, in de raadkamer van 23 oktober 2024 en op 15 november 2024 in het openbaar uitgesproken.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 15‑11‑2024