Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/6.3.1.1
6.3.1.1 Het eigendomsvoorbehoud en het voorbehouden pandrecht
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90835:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
HR 3 juni 2016, NJ 2016/290 (Rabobank/Reuser).
Hoofdstuk 7, paragraaf 7.3.1.
Zie hierover V.J.M. van Hoof, ‘De bescherming van een vuistpandhouder en retentor tegen een eerder gevestigd stil pandrecht’, NTBR 2013/29.
Hof ’s-Gravenhage 16 februari 1989, S&S 1990, 19.
HR 29 juni 1979, NJ 1980/133.
MvA I Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1332-1333. HR 8 juni 1973, NJ 1974/436 (Nationaal Grondbezit/Kamphuis); HR 29 juni 1979, NJ 1980, 133 (Hoogovens/Matex). Vgl. art. 7:42 BW; HR 6 januari 1961, NJ 1962/19 (Seneca/Forumbank) en HR 12 juni 1970, NJ 1971/203 (Philippens/Omsa).
Rb. ’s-Gravenhage 4 augustus 1992, S&S 1993, 108; Rb. Rotterdam, 7 mei 1993, S&S 1994/42; Rb. Rotterdam, 25 maart 1994, S&S 1994/97; Hof Amsterdam 2 april 2013, JOR 2013/351; Hof ’s-Hertogenbosch 11 augustus 2015, JOR 2016/18. Zie tevens de conclusie van A-G Wuisman bij het arrest HR 22 februari 2008, JOR 2008/118 (Meibergen/Bouma q.q. en ABN Amro).
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/153-154, 771; Reehuis 2013, nr. 98; Snijders & Rank-Berenschot 2017/497. Vgl. over het pandrecht: Steneker 2012, nr. 38. Zie over de invulling van het te goeder trouw-vereiste ook hoofdstuk 6, paragraaf 6.2.1.1.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 331. Zie ook TM, Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 321.
Nieskens-Isphording & Van der Putt-Lauwers, WPNR 1981/5563, p. 285-289; Salomons, AA 1991/10, p. 830-839; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/150; Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/376-377; Verheul 2014, p. 418-419; Snijders & Rank-Berenschot 2017/366, 497.
A.I.M. Van Mierlo, ‘Potharst/Serrée’, AA 1999/4, p. 288-296.
De leverancier behoudt zich de eigendom van de geleverde zaken voor. Dit heeft tot gevolg dat de koper niet kan beschikken over (de onvoorwaardelijke eigendom van) de zaken. Hij kan bijvoorbeeld geen pandrecht vestigen op de zaken ten gunste van een andere schuldeiser. Wel kan de koper op zijn eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde een pandrecht vestigen.1 Zodra de opschortende voorwaarde waaronder de zaak is overgedragen wordt vervuld, groeit dit pandrecht van rechtswege uit tot een pandrecht op de onvoorwaardelijke eigendom. Tot dat moment is de leverancier eigenaar van de zaken, althans eigenaar onder ontbindende voorwaarde.
Verpanding van voorwaardelijke eigendom doet geen afbreuk aan de voorrangspositie van de leverancier. Hij heeft de mogelijkheid om de koopovereenkomst te ontbinden en de geleverde zaken als eigenaar te revindiceren indien de koper in verzuim is met de voldoening van de koopprijs. Dit leidt tot het tenietgaan van de eigendom onder opschortende voorwaarde van de koper en het pandrecht dat hierop rust.2 Er staat de pandhouder geen regel van derdenbescherming ten dienste waarop hij een beroep kan doen om zijn pandrecht alsnog te behouden.3
Dit is anders als de beschikkingsonbevoegde koper (de onvoorwaardelijke eigendom van) de onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaak in vuistpandrecht geeft aan een te goeder trouw zijnde zekerheidsnemer. De pandhouder wordt beschermd tegen de beschikkingsonbevoegdheid door art. 3:238 lid 1 BW, indien hij te goeder trouw is op het moment van vestiging van het vuistpandrecht of, indien een vuistloos pandrecht is gevestigd, op het moment dat het pandrecht wordt omgezet in een vuistpandrecht.
In de praktijk wordt doorgaans een stil pandrecht gevestigd. De zaken worden pas in vuistpand genomen als de pandhouder weet of vermoedt dat de pandgever in financiële moeilijkheden verkeert. Voor een geslaagd beroep op derdenbescherming moet de pandhouder op dat moment te goeder trouw zijn.4 Welke mate van onderzoek hiervoor is vereist, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Uit de arresten Boekhout/Vaheco5 en Hoogovens/Matex6 volgt dat het feit dat de pandhouder wetenschap heeft van het eigendomsvoorbehoud en zelfs weet dat de koopprijs nog niet (volledig) is voldaan, niet in de weg behoeft te staan aan het aannemen van goede trouw. Doorslaggevend is dat de pandhouder geen reden moet hebben om te twijfelen aan een normale afwikkeling van de transactie waarin het eigendomsvoorbehoud is overeengekomen.7 In de lagere rechtspraak wordt de lat hoog gelegd.8 De pandhouder die wetenschap heeft of kan hebben van het eigendomsvoorbehoud dient in ieder geval onderzoek te doen naar (de afwikkeling van) de transacties tussen de leverancier en de koper. Hij mag niet zonder meer ervan uitgaan dat de pandgever bevoegd was om het pandrecht te vestigen of dat de transactie met de leverancier normaal wordt afgewikkeld indien hij op de hoogte is van de financiële problemen van de koper.9
Als het beroep op derdenbescherming slaagt, heeft de leverancier een derdenpandrecht op zijn zaak te dulden. De wetgever heeft bij de bepalingen over derdenbescherming een afweging gemaakt tussen het belang van de oorspronkelijke gerechtigde (i.e. de leverancier) en het belang van de verkrijger (i.e. de vuistpandhouder). De belangen van de oorspronkelijke gerechtigde worden opgeofferd ten gunste van de verkrijger te goeder trouw, wegens ‘het algemeen belang dat men in het gewone rechtsverkeer met gerustheid roerende zaken moet kunnen kopen, van grote, zij het niet alleen beslissende invloed zijn’.10 Met andere woorden, het ‘verkeersbelang’ verlangt de bescherming van de te goede trouw zijnde verkrijger voor een vlotte en eenvoudige handel van zaken en rechtszekerheid omtrent de verkrijging van de eigendom.11 In de wetsgeschiedenis bij art. 3:238 BW wordt verwezen naar de parlementaire geschiedenis bij art. 3:86 BW en bovengenoemd citaat.12 Hieruit kan worden afgeleid dat het ‘verkeersbelang’ ook een soepel verloop van het kredietverkeer door bescherming van de pandhouder te goeder trouw inhoudt.
In plaats van het voorbehouden van de eigendom kan de leverancier zich bij de overdracht ook een pandrecht voorbehouden op de zaak.13 Het is eveneens mogelijk dat de leverancier een eigendomsvoorbehoud én een voorbehouden pandrecht bedingt. Ook in dit geval doet een latere beschikkingshandeling door de koper in beginsel geen afbreuk aan het zekerheidsrecht van de leverancier. De koper verkrijgt een met een pandrecht bezwaarde zaak en kan slechts een tweede pandrecht op de zaak vestigen ten gunste van een andere schuldeiser. Dit leidt uitzondering als de tweede pandhouder een geslaagd beroep op derdenbescherming doet ex art. 3:238 lid 2 BW. Evenals bij derdenbescherming tegen volledige beschikkingsonbevoegdheid van de koper op grond van art. 3:238 lid 1 BW, geldt ook in dit geval dat de schuldeiser te goeder trouw in de veronderstelling moest zijn dat hij een eerste pandrecht verkreeg en dat hij de zaken in zijn macht heeft. Een geslaagd beroep op derdenbescherming leidt dan tot een rangwisseling tussen de pandrechten.