Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/6.3.1.2
6.3.1.2 Doorbreking van de voorrangspositie door de fiscus
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS91004:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Tekstra 2009, p. 574.
HR 9 november 2012, NJ 2013/510 (ABN AMRO Lease/Ontvanger), r.o. 3.3: “Het bodemrecht van art. 22 lid 3Iw strekt ertoe te waarborgen dat de Ontvanger zich in weerwil van eventuele rechten van een derde, op de inbeslaggenomen zaak overeenkomstig zijn rang kan verhalen.” Zie ook HR 13 januari 1989, NJ 1990/211; Wattel, WFR 1989/565; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 932; Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/494, 567.
HR 9 november 2012, NJ 2013/510 (ABN AMRO Lease/Ontvanger), r.o. 3.4.3.
Jansen-Van Kesteren, TvI 2014/3, p. 106; Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/496.
Vermaire, TvI 2013/19.
Zie voor de overige uitzonderingen art. 22bis.2. sub c en d Leidraad Invordering 2008.
HR 26 juni 1998, NJ 1998/745 (Aerts q.q./ABN Amro); art. 22.4, 22.5 en 14.1.14 Leidraad Invordering 2008. Vgl. art. 3:234 BW.
De voorrangspositie van de leverancier moet wijken voor het verhaalsrecht van de fiscus, zonder dat de fiscus daarvoor een beroep hoeft te doen op derdenbescherming. De fiscus kan namelijk beslag leggen voor een naheffingsaanslag van een belasting als opgesomd in art. 22 lid 3Iw sub a t/m h op de zaken die ‘dienen tot stoffering van huis en landhoef’ en zich op de bodem van de koper bevinden (bodemzaken). De fiscus hoeft zich bij het leggen van een dergelijk beslag niet te bekommeren over de vraag aan wie de zaken toebehoren.1 Art. 22 lid 3 Iw bepaalt namelijk dat derden geen verzet in de zin van art. 456 Rv kunnen doen. Deze bepaling is vormgegeven als een procesrechtelijke maatregel, maar heeft tot gevolg dat de fiscus in afwijking van art. 3:276 BW verhaal kan nemen op zaken van derden zoals van de leverancier met een eigendomsvoorbehoud.2 Dit wordt het bodemrecht genoemd.
De fiscus verhaalt zich echter slechts op zekerheidseigendom en ontziet reële eigendom, zo volgt uit art. 22.8.10 Leidraad Invordering 2008. Dit baat de leverancier die de zaken wil revindiceren op grond van het eigendomsvoorbehoud niet. Uit de Leidraad volgt namelijk dat een onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaak een schoolvoorbeeld is van zekerheidseigendom, en dus niet als reële eigendom wordt gezien.
Zelfs als de leverancier de koopovereenkomst heeft ontbonden en de zaken heeft opgeëist, is volgens de Hoge Raad nog steeds sprake van zekerheidseigendom. De Hoge Raad overweegt in het arrest ABN AMRO Lease/Ontvangerdat het beëindigen van de overeenkomst en opeisen van de machines kwalificeert als ‘(het begin van) het gebruikmaken van het zekerheidskarakter van haar eigendom’. Zolang de zaken nog niet zijn opgehaald door de leverancier, is er geen wijziging in de ‘aard van het eigendomsrecht’ en is nog steeds sprake van zekerheidseigendom.3
Praktisch wordt de positie van de fiscus in dit verband verstevigd door art. 22bis Iw. Wil de leverancier zijn zaken van de bodem halen, dan dient hij mededeling te doen van dit voornemen aan de fiscus en een wachttermijn van vier weken in acht te nemen voordat hij de zaken daadwerkelijk kan ophalen op grond van deze bepaling. In deze periode kan de fiscus zich verhalen op de zaken.
Op deze meldingsplicht gelden twee uitzonderingen die in dit kader relevant zijn. Ten eerste hoeft de leverancier zijn voornemen om een zaak met een waarde van maximaal 10.000 euro van de bodem te halen niet te melden aan de fiscus op grond van art. 22bis lid 19 Iw. Ten tweede maakt art. 22bis lid 1 sub b Leidraad Invordering 2008 een uitzondering voor objectfinanciering.4 Behoudt de leverancier zich de eigendom van een zaak voor tot zekerheid van de daar tegenoverstaande koopprijsvordering, dan geldt de meldingsplicht niet. Het moet dan wel gaan om een ‘specifiek eigendomsvoorbehoud’.5 Dit is een eigendomsvoorbehoud dat betrekking heeft op een individuele bodemzaak of verschillende bodemzaken die gezamenlijk en gelijktijdig verworven en geleverd zijn. Daarnaast dient het eigendomsvoorbehoud (nagenoeg) de aankoopsom van de bodemzaak te secureren. Tot slot dienen partijen met betrekking tot de aankoopsom te zijn overeengekomen dat deze in vaste termijnen wordt betaald, en dat de totale termijn (nagenoeg) overeenkomt met de economische levensduur van de bodemzaak. Op deze uitzondering voor objectfinanciering maakt art. 22bis lid 2 Leidraad Invordering 2008 echter weer een aantal uitzonderingen. De meldingsplicht herleeft onder meer als de koper een betalingsachterstand van vier maanden of meer heeft op het moment dat de leverancier de zaken wil terugnemen. Ook moet de leverancier een melding ex art. 22bis Iw doen indien hij ook zekerheidsrechten heeft op bodemzaken van de koper die niet uitsluitend strekken tot zekerheid van aankoopfinanciering van die zaken.6
Tot zover ging het over het verhaalsrecht van de fiscus op zaken van derden, het bodemrecht. De fiscus heeft ook (en gelet op art. 3:276 BW vanzelfsprekend) een verhaalsrecht met betrekking tot de zaken die eigendom zijn van de koper en waarop de leverancier een (voorbehouden) pandrecht heeft. De fiscus heeft in dat geval het algemene voorrecht of, indien het bodemzaken betreft, het bodemvoorrecht.
Betreft het geen bodemzaken, dan kan de leverancier zich uit hoofde van het hem toekomende pandrecht, met voorrang boven de fiscus verhalen. Art. 3:279 BW bepaalt namelijk dat een pandrecht boven een voorrecht gaat. Dit is anders als de fiscus beslag legt op verpande bodemzaken voor een naheffingsaanslag die wordt genoemd in art. 22 lid 3 sub a Iw. De fiscus kan zich op (de opbrengst van) de verpande zaken verhalen met het bodemvoorrecht ex art. 21 lid 2 Iw. Dit voorrecht komt in rang vóór een stil pandrecht op de zaak, in afwijking van art. 3:279 BW.
Een vuistpandrecht komt wél in rang voor het voorrecht van de fiscus. Wil de leverancier de zaken echter in vuistpand nemen, bijvoorbeeld om niet in rang te komen ná het bodemvoorrecht, dan moet hij dit melden aan de fiscus op grond van de meldingsplicht in art. 22bis Iw. Hij moet vervolgens een wachttermijn van vier weken in acht nemen, waarin de fiscus kan overgaan tot het nemen van verhaal. Hierop gelden weer de eerder genoemde uitzonderingen voor objectfinanciering en voor het geval waarin de waarde van de zaak beneden de drempelwaarde blijft.
In alle gevallen waarin de fiscus zich kan verhalen op zaken die eigendom zijn van de leverancier of waarop deze een pandrecht heeft, kan de leverancier van de fiscus eisen dat hij eerst verhaal neemt op de (overige) goederen van de schuldenaar, ook wel vrij boedelactief genoemd.7 Verder dient de leverancier echter te dulden dat de fiscus zich verhaalt op de zaken waarop de leverancier een recht heeft.