Zie art. 62h Participatiewet (voorheen: Wet werk en bijstand). Tot 9 januari 2015 was door de rechter nog geen bijdrage aan de vader opgelegd (rov. 2.5 Rb).
HR, 22-04-2016, nr. 16/00035
ECLI:NL:HR:2016:732
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
22-04-2016
- Zaaknummer
16/00035
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2016:732, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 22‑04‑2016; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:60, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2016:60, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 12‑02‑2016
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:732, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 22‑04‑2016
Inhoudsindicatie
Cassatieprocesrecht. Art. 426a lid 1 Rv. Niet-ontvankelijkheid. Verzoekschrift niet ondertekend door advocaat bij de Hoge Raad.
Partij(en)
22 april 2016
Eerste Kamer
16/00035
LZ/RB
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de vader],wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
t e g e n
de GEMEENTE ROTTERDAM,zetelende te Rotterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vader en de Gemeente.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak C/10/441035/FA RK 13-10975 van de rechtbank Rotterdam van 9 januari 2015;
b. de beschikking in de zaak 200.165.945/01 van het gerechtshof Den Haag van 25 november 2015.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de vader in zijn cassatieverzoek.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Het op 5 januari 2016 ingekomen verzoekschrift voldoet niet aan de eisen van art. 426a lid 1 Rv, omdat het niet is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit verzuim kan worden hersteld door hetzelfde verzoekschrift binnen twee weken na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad opnieuw in te dienen, maar nu ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. Dit brengt mee dat de vader in zijn beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 22 april 2016.
Conclusie 12‑02‑2016
Inhoudsindicatie
Cassatieprocesrecht. Art. 426a lid 1 Rv. Niet-ontvankelijkheid. Verzoekschrift niet ondertekend door advocaat bij de Hoge Raad.
16/00035
Mr. F.F. Langemeijer
12 februari 2016
Conclusie inzake:
[de vader]
tegen
Gemeente Rotterdam
1. De Gemeente Rotterdam heeft gezinsbijstand verleend aan [de vrouw] (hierna: de vrouw), mede ten behoeve van haar minderjarige dochter. Het college van burgemeester en wethouders heeft besloten tot verhaal op de vader, [de vader], van gemaakte en nog te maken kosten van bijstand ten behoeve van deze minderjarige. Bij beschikking van 9 januari 2015 heeft de rechtbank Rotterdam op verzoek van de Gemeente1.het door de vader aan de Gemeente te betalen bedrag vastgesteld op € 137,- per maand met ingang van 1 maart 2012, zolang de bijstandverlening aan de vrouw voortduurt.
2. Op het hoger beroep van de vader heeft het gerechtshof Den Haag bij beschikking van 25 november 2015 de te verhalen bijdrage eveneens bepaald op € 137,- per maand met ingang van 1 maart 2012, doch (met vernietiging in zoverre van de beschikking in eerste aanleg) tot 15 januari 2015.
3. Bij verzoekschrift van 30 december 2015 heeft een gemachtigde namens de vader te kennen gegeven beroep in cassatie te willen instellen. Het verzoekschrift is in strijd met art. 426a Rv niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Van de hem geboden gelegenheid tot herstel van dit gebrek heeft de vader geen gebruik gemaakt.
4. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de vader in zijn cassatieverzoek.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden.
a. – g.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑02‑2016