Einde inhoudsopgave
Accountantsaansprakelijkheid (R&P nr. CA20) 2019/4.2
4.2 zorgplicht volgens Boertien
mr. J.E. Brink-van der Meer, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. J.E. Brink-van der Meer
- JCDI
JCDI:ADS301777:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Juridische beroepen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Boertien (1962), § 2 De contractuele aansprakelijkheid, p. 129.
Boertien (1962), § 2 De contractuele aansprakelijkheid, p. 129.
Boertien (1962), § 2 De contractuele aansprakelijkheid, p. 129/130.
Kroeze (2012), p. 113/114 en HR 6 december 2013, NJ 2014/167 met annotatie P. van Schilfgaarde en Gerechtshof Amsterdam 5 april 2012, JOR 2013/41 met annotatie C.D.J. Bulten.
Boertien (1962), § 2 De contractuele aansprakelijkheid, p. 130/131.
Boertien (1962), § 2 De contractuele aansprakelijkheid, p. 131.
HR 13 oktober 2006, JOR 2006/296.
Alvorens in te gaan op de zorgplicht van de accountant anno 2018, maak ik een uitstapje naar 1962 en de visie van Boertien op zorgplicht. Op de vraag of een accountant het gevaar loopt voor iedere fout die hij maakt in zijn functie aansprakelijk te worden gesteld, antwoordde Boertien voor wat betreft de contractuele aansprakelijkheid1: ‘Als het een duidelijke beroepsfout is, waarvan deskundigen, ook indien zij zich zoveel als mogelijk is verplaatsen in de situatie van de betrokkenen op het moment van het plaatsvinden van de fout, na zorgvuldige en objectieve overweging concluderen dat het een handelen of nalaten is, dat voor een normaal zorgvuldige en vakbekwame accountant in die omstandigheden vaktechnisch ontoelaatbaar is, is er sprake van een beroepsfout die, indien ook de andere voorwaarden voor aansprakelijkheid zijn vervuld, tot aansprakelijkheid zal leiden’.
Volgens Boertien liggen de volgende beperkingen2 in voorgaand ant`woord besloten:
Het moet gaan om een ontoelaatbaar handelen of nalaten.
Er moet een daad zijn verricht waarvan zonder twijfel vaststaat, dat zij ontoelaatbaar was. Er mag over de daad in vakkringen geen meningsverschil bestaan. Er is sprake van een meningsverschil als bepaalde beroepsopvattingen nog volop in ontwikkeling zijn, en nog een vaktechnische discussie plaatsvindt over het al of niet gewenst zijn van bepaalde controlehandelingen. De rechter dient als norm te hanteren datgene wat reeds uit de sfeer van de discussie is geraakt en een algemeen aanvaarde beroepsopvatting is geworden.3
De deskundige die een oordeel moet uitspreken over de vraag of van een beroepsfout sprake is, mag dit slechts doen door zich zoveel mogelijk te verplaatsen in de situatie waarin de accountant zich bevond op het moment van de beweerde tekortkoming.
Men moet zich hoeden voor de ‘hindsight bias’ (wijsheid achteraf). Het is overigens de vraag in hoeverre het mogelijk is om achteraf een oordeel te geven dat niet door hindsight bias is beïnvloed.4 Van een getuige-deskundige wordt grote objectiviteit en nuchterheid gevraagd, om tot een redelijk en voor de betrokken accountant rechtvaardig oordeel te komen. Steeds zal men het werk van de betrokken accountant moeten beoordelen aan de hand van objectieve vaktechnische normen.5
Er dient sprake te zijn van een ‘normaal zorgvuldige en vakbekwame accountant.
Het gemiddelde van hetgeen accountants aan vakbekwaamheid en zorgvuldigheid bij hun arbeid betrachten dient de norm te zijn.6 Deze beperking hangt nauw samen met de eerste beperking in die zin, dat men van de accountant mag verwachten dat hij op de hoogte is van de algemene beroepsopvattingen.
Boertien vs heden
Boertien ging dus ook al uit van een zorgplicht van de accountant in de relatie tot de opdrachtgever. Inmiddels staat vast dat deze zorgplicht tevens relevant is in de relatie tot derden,7 zoals besproken in paragraaf 3.3.1. Op het eerste gezicht lijkt de destijds geldende norm veel op de huidige norm van ‘redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in vergelijkbare omstandigheden’.