Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IV.4.4
IV.4.4 Normadressaten en horizontale werking
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS599796:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 25 maart 1983, nr. 8660/79, NJ 1986, 698, par. 37, m.nt. Alkema (Minelli/Zwitserland), herhaald in o.a. EHRM 6 december 1988, nr. 10590/83, par. 91(Barberà, Messegué en Jabardo/Spanje).
Zie als eerste EHRM 10 februari 1995, nr. 15175/89, NJ 1997, 523, par. 37, m.nt. Dommering (Allenet de Ribemont/Frankrijk), in navolging van o.a. General Comment 1984/13, par. 7 respectievelijk ECieRM 3 oktober 1978, nr. 7986/77, dec. (Krause/Zwitserland); ECieRM 17 december 1981, nr. 8361/78, dec. (X./Nederland).
Zie hiervoor § IV.3.2.3.
Zie over die ontwikkeling in breder perspectief Nehmelman & Noorlander 2013; Gerards 2013, i.h.b. p. 6-9 met vele verwijzingen. Op deze horizontalisering van grondrechten bestaat evenwel ook kritiek. Zie o.a. Besselink 2003; De Vos 2010 en specifiek over verplichtingen tot strafbaarstelling van grondrechteninbreuken door burgers Van Kempen 2008.
Gerards (2011, p. 263-290) onderscheidt vier manieren: 1) Het Hof rekent staten aan onvoldoende te hebben gedaan om de ene particulier tegen grondrechteninbreuk door de andere particulier te beschermen; 2) het Hof stelt vast dat de nationale rechter (in een civielrechtelijk geschil) het EVRM niet goed toepast of interpreteert; 3) het EVRM is in het geding in een ‘privaatrechtelijk’ geschil waarbij de overheid partij is, bijvoorbeeld als werkgever; en 4) het ene grondrecht wordt beperkt in het belang van het andere. Vgl. ook Nehmelman & Noorlander 2013, p. 51-68.
De bewijsdimensie is naar haar aard niet van betekenis tussen burgers onderling.
Henrion 2006, p. 923-924.
BVerfG 5 juni 1973, 1 BvR 536/72; BVerfG 19 december 2007, 1 BvR 620/07; BVerfG 27 november 2008, 1 BvQ 46/08. Zie over die rechtspraak en voor een betoog voor meer erkenning van de horizontale werking van de onschuldpresumptie in Duitsland Saliger 2013.
Anders: Duff 2013a. Hij ziet niet één onschuldpresumptie, maar vele onschuldpresumpties die eenieder tegen elkaar in acht te nemen heeft, afhankelijk van de normatieve rollen die men vervult. De presumptie van onschuld is in zijn betoog een verbijzondering van een beginsel van civic trust, een zeker basisvertrouwen tussen burgers onderling. Zie daarover hiervoor reeds (afwijzend) § III.1.
Zie reeds Schmidt 1968, p. 55; Schubarth 1978, p. 11 e.v. Zie verder o.a. Stuckenberg 1998, p. 560; Trechel 2005, p. 177; Stevens 2010a; Van Lent 2013; Glasl & Müller 2013, p. 89; Ölçer 2014. Zie ter illustratie tevens de uitvoerig beschreven zaken bij Saliger 2013.
Vgl. Henrion 2006, p. 925, die de beperkte aanvaarding van horizontale werking in het Duitse strafrecht wijt aan de jurisprudentiële keuze voor het rechtsstaatprincipe als grondslag voor het vermoeden van onschuld.
Vgl. in die richting Stuckenberg 1998, p. 560-562.
Zie Glasl & Müller 2013, p. 88.
Besselink 2003, p. 16-17. Vgl. ook Nehmelman & Noorlander 2013, p. 93-99, zij zien als cruciaal voor de aanvaarding van horizontale werking van grondrechten de aanvaarding van daaraan ten grondslag liggende noties als brede, binnen de samenleving heersende rechtsovertuigingen.
In Nederland bestaat bijvoorbeeld arbeidsrechtelijke jurisprudentie over de vraag of een strafrechtelijk onderzoek en/of veroordeling een grond vormen voor ontslag (al dan niet op staande voet) of ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zie daarover Koevoets 2006, i.h.b. p. 146-152; Houweling 2011; Van Drongelen & Dekkers 2017. Dit doet recht aan de achterliggende waarde van de onschuldpresumptie. Een algemeen te allen tijde geldend verbod voor de werkgever om een verdachte als schuldige te bejegenen, doet naar mijn mening evenwel tekort aan allerlei wezenlijke aspecten van de verhouding tussen werkgever en werknemer en het andere karakter van het arbeidsrecht.
Toen het EHRM in 1983 de behandelingsdimensie voor het eerst in diens rechtspraak tot uitdrukking bracht, was de reikwijdte daarvan beperkt tot judicial decisions die een schuldoordeel weerspiegelen.1 In navolging van het VN Mensenrechtencomité en de toenmalige ECieRM mogen sinds midden jaren ’90 statements made by public officials evenmin een schuldoordeel uitdrukken.2 In het licht van de historische achtergrond en grondslagen van de behandelingsdimensie is die uitbreiding van de groep geadresseerden gerechtvaardigd. Niet alleen rechterlijke beslissingen kunnen onschuldigen ernstig en onherstelbaar benadelen. De invloed van andere overheidsorganen is evengoed groot. Historisch was het naast de rechterlijke ook de uitvoerende macht die mogelijk onschuldigen ernstig benadeelde en waartegen de onschuldpresumptie de nodige bescherming beoogde te bieden. Vanuit constitutioneel perspectief is het juist problematisch wanneer niet de rechterlijke macht zelf, maar een ander staatsorgaan het gezag van de procedure en de uitkomst daarvan tracht te ondermijnen.3 Tevens telt dat andere organen als politici, politieambtenaren en officieren van justitie door hun positie de indruk wekken gezaghebbend te zijn op die punten waarover zij zich uitlaten. De potentie tot aantasting van het gezag van de strafprocedure is daardoor groot. Ook de openheid van de procedure kan door anderen dan de rechter aanzienlijk worden aangetast. Het ideaal van de door de politiek onbewogen rechter wordt niet overal even dicht benaderd en in geen enkel rechtssysteem lijkt de rechter mij voor politieke druk immuun. Het ligt daarom voor de hand andere overheidsorganen niet toe te staan de verdachte voortijdig te behandelen als schuldige, al zal ten aanzien van sommige functionarissen uit de aard van hun functie met dat verbod soms flexibeler moeten worden omgesprongen. Denk daarbij aan de officier van justitie die tijdens het onderzoek ter terechtzitting de schuld van de verdachte met verve moet kunnen bepleiten.
Of ook burgers onderling elkaar niet als schuldige aan strafbare feiten mogen behandelen, is een vraag van geheel andere orde. De grondrechtelijke aard van de onschuldpresumptie leek lange tijd als vanzelfsprekend een negatief antwoord te impliceren. Grondrechten gelden nog altijd primair in de verhouding tussen de overheid en de burger, maar de werking is inmiddels niet meer tot deze ‘verticale’ verhoudingen beperkt. Intussen wordt aangenomen dat ook burgers en bedrijven andermans grondrechten dienen te respecteren.4 Het EHRM kan weliswaar uitsluitend klachten ontvangen die gericht zijn tegen één van de Verdragsluitende staten, maar dat heeft er niet aan in de weg gestaan dat ook het EVRM zich in privaatrechtelijke verhoudingen tussen niet-statelijke actoren manifesteert.5
Of het onschuldvermoeden een dergelijke ‘horizontale’ werking toekomt is – voor zover het de behandelingsdimensie betreft – een reële vraag.6 Henrion stelt op basis van rechtsvergelijking dat de Duitse en Franse rechtspraak in dit opzicht diametraal tegenover elkaar staan.7Artikel 9-1 van de Franse Code civil geeft de onschuldpresumptie een prominente plaats in het Franse burgerlijk recht: eenieder heeft recht op respect voor de presumptie van onschuld; waar iemand in het openbaar wordt neergezet als schuldig aan feiten die onderwerp zijn van een strafvorderlijk onderzoek, kan de rechter alle maatregelen treffen die nodig zijn om deze inbreuk op de presumptie van onschuld te beëindigen, op kosten van de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon. Anders dan Henrion meent, is Drittwirkung van de onschuldpresumptie ook het Duitse recht niet geheel onbekend, maar deze is wel beduidend minder rechtstreeks en prominent. Botsen de vrije meningsuiting van media en privépersonen met het belang van een verdachte bij het behoud van zijn eer en goede naam, dan betrekt het Bundesverfassungsgericht de onschuldpresumptie niet rechtstreeks in diens afweging, maar is deze in de afweging van de vrije meningsuiting en het algemene persoonlijkheidsrecht van artikel 2 van de Duitse Grondwet wel één van de relevante factoren.8
Tegen derdenwerking kan men op basis van de grondslagen van de behandelingsdimensie mijns inziens verschillend aankijken. Volledig uitgesloten lijkt zij mij in elk geval op basis van geen van die grondslagen, maar anderzijds rechtvaardigt géén van die grondslagen onverkorte toepassing. Vooropgesteld kan worden dat de behandelingsdimensie in de eerste plaats een recht tegenover de staat is.9 Dat blijkt alleen al uit het weerleggingscriterium: bewijs in de daarvoor bestemde procedure. Tot omzeiling, ondergraving en ritualisering van de strafrechtelijke procedure en tot onterechte bestraffing in materiële zin is de staat bovendien in het bijzonder bij machte. Staatsorganen hebben veel gezag en hebben de capaciteiten een rechter te beïnvloeden en angst te zaaien voor willekeurige bestraffing. Zij hebben daarbij bevoegdheden die tot straffen ‘in materiële zin’ kunnen leiden. Onverkorte horizontale toepassing zou bovendien tot ridicule uitkomsten leiden: een ouder mag zijn kind als schuldige aan koekjesdiefstal aanmerken, eerst nadat die schuld in rechte is vastgesteld. Aan de andere kant telt echter dat private derden de reputatie van het individu wel degelijk kunnen verwoesten. Evenmin is uitgesloten dat zij door een parallel trial by media het gezag van de daadwerkelijke procedure en de uitkomst daarvan aantasten. Media-aandacht kan een procedure zo wezenlijk beïnvloeden dat niet langer kan worden gezegd dat de uitkomst daarvan open is.10
Legt men de nadruk sterk op de bescherming die de behandelingsdimensie verschaft aan de constitutionele verhoudingen en de rol die daarbij aan de strafrechtelijke procedure is toebedeeld, dan lijkt derdenwerking slechts in zeer beperkte mate aangewezen.11 De openheid van de procedure kan door derden echter wél serieus in gevaar worden gebracht. Niet iedere bejegening door een niet-statelijke actor als schuldige aan een strafbaar feit, zal echter een daadwerkelijke bedreiging van die openheid opleveren. In de regel raken uitlatingen van de ene burger over de andere burger de procedure in het geheel niet. Pas waar de procedure onder een dergelijke bejegening te lijden heeft, dwingt de onschuldpresumptie de staat ertoe tegen die bejegening op te treden. Dat zal in uitzonderlijke zaken met massale, buitensporige media aandacht het geval zijn. Een onverkort verbod een andere burger als schuldige te behandelen, kan door het belang van een open procedure evenwel niet worden gedragen.12
Hecht men vooral aan de bescherming van het individu tegen onherstelbare schade die wordt veroorzaakt door aantijgingen van strafbaar gedrag, dan lijkt voor horizontale werking op het eerste gezicht veel te zeggen.13 Burgers kunnen elkaar grove reputatieschade toebrengen. Daar staat nochtans het een en ander tegenover. De behandelingsdimensie beoogt te waarborgen dat de procedure niet wordt omzeild en zo de gevolgen van straf alsnog in materiële zin voor rekening komen van het niet-veroordeelde individu. Dat door een beschuldiging reputatieschade wordt geleden, betekent op zichzelf niet altijd zo’n bestraffing. Voorts maakt onverkorte toepasselijkheid de onschuldpresumptie tot een algemeen recht niet door een ander te worden beschuldigd. Het is maar zeer de vraag of dat een zo universeel aanvaard uitgangspunt is, als de onschuldpresumptie wordt geacht te zijn. Horizontale toepasselijkheid van de behandelingsdimensie behelst immers een omvangrijke beperking op de vrijheid van de derde, in het bijzonder op diens vrijheid van meningsuiting. Waar van ambtenaren uit hoofde van hun functie (naast engagement) een zekere distantie, omzichtigheid en respect voor het niet-veroordeelde individu mag worden verwacht, lijkt een universeel recht niet door een ander voor crimineel te worden versleten, deze vrijheid verregaand te beknotten.
Besselink maakt mijns inziens terecht een onderscheid tussen grondrechten en de normatieve waarde die aan dat grondrecht ten grondslag ligt. In de verhouding tussen burgers onderling streeft men soms naar een juridisch pendant van grondrechten, dat wil zeggen grondbeginselen van publieke moraal die burgers jegens elkaar in acht hebben te nemen. Om die grondbeginselen als onderdeel van het grondrecht op te vatten, is verleidelijk gelet op de retorische kracht van grondrechten, maar heeft ook nadelen. Het grondrecht dekt niet altijd de publieke moraal ten volle. Het grondrecht kan meer verlangen van burgers onderling dan de publieke moraal verteren kan, of kan die moraal juist niet volledig verklaren.14 Het lijkt er mijns inziens niet op dat een recht niet als schuldige te worden behandeld als algemeen geldend rechtsbeginsel ook in private verhoudingen geldt en zeker niet als universele vanzelfsprekendheid. Dat pleit tegen algemene erkenning en onverkorte toepassing van derdenwerking, hetgeen overigens niet wegneemt dat de in die behandelingsdimensie besloten liggende waarde, (‘berokken een ander geen onherstelbare schade die enkel door zijn veronderstelde-maar-niet-bewezen betrokkenheid bij een strafbaar feit wordt gerechtvaardigd’) in allerlei private15 verhoudingen geheel of gedeeltelijk beslag kan krijgen.16