Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.2
2 Het verschil in omvang tussen de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen en de algehele wettelijke gemeenschap van goederen, alsmede het geldende overgangsrecht
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948128:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Stb. 2017, 178.
Zie Stb. 2017, 177.
Zie Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 113-114.
Deze opsomming is ontleend aan Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 114.
Zie over artikel 1:96 lid 3 BW paragraaf 3.3.2.5 van hoofdstuk 4.
Zie Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 114.
Zie over de regels van zaaksvervanging bij de wettelijke gemeenschap van goederen hoofdstuk 7.
282. Op 1 januari 2018 is de Wet beperking gemeenschap van goederen in werking getreden.1 Vanaf dat moment is artikel 1:94 BW gewijzigd en is de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen aanzienlijk beperkt. Op grond van het overgangsrecht is artikel 1:94 oud BW evenwel onverkort blijven gelden voor huwelijksgemeenschappen die vóór 1 januari 2018 zijn ontstaan. Artikel IV (overgangsbepaling) bepaalt daartoe:2
“1. Op een gemeenschap van goederen, ontstaan vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft artikel 94 van Boek 1 van het Burgerlijk wetboek van toepassing, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet.
2. Op een gemeenschap van goederen, ontstaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, is artikel 96, derde lid, niet van toepassing.
3. Artikel 61 van de Faillissementswet is slechts van toepassing op een faillissement dat is uitgesproken na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Op een faillissement dat is uitgesproken voor dat tijdstip, blijft het recht van toepassing zoals dat gold op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet.”
In de inleiding van dit hoofdstuk werd er al op gewezen dat dit overgangsrecht ervoor zorgt dat er thans twee ‘soorten’ wettelijke gemeenschappen van goederen naast elkaar bestaan; de ‘oude’ algehele wettelijke gemeenschap van goederen en de ‘nieuwe’ beperkte wettelijke gemeenschap van goederen. Voor beide gemeenschappen regelt artikel 1:94 BW de omvang van de huwelijksgemeenschap. Voor de algehele wettelijke gemeenschap van goederen geldt de omvang zoals die uit de oude tekst van artikel 1:94 BW volgt, terwijl voor de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen de omvang geldt zoals die uit de huidige tekst van artikel 1:94 BW volgt. Artikel 1:94 BW bepaalt dus in beide gevallen wat wel en wat niet onder de werking van boedelmenging valt. Om de verschillen tussen de omvang van beide wettelijke gemeenschappen duidelijk te maken, zal hieronder eerst de tekst van artikel 1:94 oud BW volledig worden weergegeven, en daarna de huidige tekst van artikel 1:94 BW. Artikel 1:94 oud BW luidde:
“1. Van het ogenblik der voltrekking van het huwelijk bestaat tussen de echtgenoten van rechtswege een gemeenschap van goederen.
2. De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, alle goederen der echtgenoten, bij aanvang van de gemeenschap aanwezig of nadien, zolang de gemeenschap niet is ontbonden, verkregen, met uitzondering van:
a. goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij de gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen;
b. pensioenrechten waarop de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing is alsmede met die pensioenrechten verband houdende rechten op nabestaandenpensioen;
c. rechten op het vestigen van vruchtgebruik als bedoeld in de artikelen 29 en 30 van Boek 4, vruchtgebruik dat op grond van die bepalingen is gevestigd, alsmede hetgeen wordt verkregen ingevolge artikel 34 van Boek 4.
3. Goederen en schulden die aan een der echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, vallen slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet.
4. Vruchten van goederen die niet in de gemeenschap vallen, vallen evenmin in de gemeenschap. Buiten de gemeenschap valt hetgeen wordt geïnd op een vordering die buiten de gemeenschap valt, alsmede een vordering tot vergoeding die in de plaats van een eigen goed van een echtgenoot treedt, waaronder begrepen een vordering ter zake van waardevermindering van zulk een goed.
5. De gemeenschap omvat, wat haar lasten betreft, alle schulden van ieder der echtgenoten, met uitzondering van schulden:
a. betreffende van de gemeenschap uitgezonderde goederen;
b. uit door een der echtgenoten gedane giften, gemaakte bedingen en aangegane omzettingen als bedoeld in artikel 126, eerste lid, en tweede lid, onder a en c, van Boek 4.
6. Bestaat tussen echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden een goed toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt dat goed als gemeenschapsgoed aangemerkt. Het vermoeden werkt niet ten nadele van de schuldeisers der echtgenoten.”
De huidige tekst van artikel 1:94 BW luidt:
“1. Van het ogenblik van de voltrekking van het huwelijk bestaat tussen de echtgenoten van rechtswege een gemeenschap van goederen.
2. De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, alle goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle overige goederen van de echtgenoten, door ieder van hen afzonderlijk of door hen tezamen vanaf de aanvang van de gemeenschap tot haar ontbinding verkregen, met uitzondering van:
a. krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift verkregen goederen;
b. pensioenrechten waarop de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing is, alsmede met die pensioenrechten verband houdende rechten op nabestaandenpensioen;
c. rechten op het vestigen van vruchtgebruik als bedoeld in de artikelen 29 en 30 van Boek 4, vruchtgebruik dat op grond van die bepalingen is gevestigd, alsmede hetgeen wordt verkregen ingevolge de artikelen 34, 35, 36, 38, 63 tot en met 92 en 126, eerste lid en tweede lid, onderdelen a en c, van Boek 4.
3. Het tweede lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op:
a. giften van tot de gemeenschap behorende goederen aan de andere echtgenoot;
b. goederen, alsmede de vruchten van die goederen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift is bepaald dat zij in de gemeenschap vallen.
4. Goederen, alsmede de vruchten van die goederen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen, blijven buiten de gemeenschap, ook al zijn echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift verkregen goederen dan wel de vruchten daarvan in de gemeenschap vallen;
5. Goederen en schulden die aan een van de echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, vallen slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet.
6. Vruchten van goederen die niet in de gemeenschap vallen, vallen evenmin in de gemeenschap. Buiten de gemeenschap valt hetgeen wordt geïnd op een vordering die buiten de gemeenschap valt, alsmede een vordering tot vergoeding die in de plaats van een eigen goed van een echtgenoot treedt, waaronder begrepen een vordering ter zake van waardevermindering van zulk een goed.
7. De gemeenschap omvat, wat haar lasten betreft, alle vóór het bestaan van de gemeenschap ontstane gemeenschappelijke schulden, alle schulden betreffende goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle tijdens het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden van ieder van de echtgenoten, met uitzondering van schulden:
a. betreffende van de gemeenschap uitgezonderde goederen;
b. die behoren tot een nalatenschap waartoe een echtgenoot is gerechtigd;
c. uit door een van de echtgenoten gedane giften, gemaakte bedingen en aangegane omzettingen als bedoeld in artikel 126, eerste lid en tweede lid, onderdelen a en c, van Boek 4.
8. Bestaat tussen echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden een goed toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt dit goed als gemeenschapsgoed aangemerkt. Het vermoeden werkt niet ten nadele van de schuldeisers van de echtgenoten.”
De belangrijkste verschillen tussen de omvang van beide gemeenschappen laten zich aldus samenvatten dat een algehele wettelijke gemeenschap van goederen op grond van artikel 1:94 lid 2 en 5 oud BW óók omvat: a) alle bij aanvang van de gemeenschap aanwezige goederen, maar niet de dan aanwezige gemeenschappelijke goederen; b) de krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift verkregen goederen, behoudens wanneer daar een uitsluitingsclausule aan is verbonden; c) hetgeen wordt verkregen ingevolge artikel 4:35, 4:36, 4:38, 4:63-4:92 en 4:126 lid 1 en 2 letter a en c BW; en d) alle bij de aanvang van de gemeenschap aanwezige schulden, maar niet de dan bestaande gemeenschappelijke schulden.3 Een ander verschil tussen beide gemeenschappen is dat algehele wettelijke gemeenschap van goederen de insluitingsclausule van artikel 1:94 lid 3 sub a BW niet kent.4 De algehele wettelijke gemeenschap van goederen heeft die clausule ook niet nodig, omdat erfrechtelijke verkrijgingen en verkrijgingen krachtens schenking naar de hoofdregel van boedelmenging al tot de huwelijksgemeenschap gaan behoren. In artikel 1:94 lid 4 BW is voor de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen dan weer wel expliciet de mogelijkheid opgenomen dat een erflater of schenker een uitsluitingsclausule aan de verkrijging krachtens erfrecht of gift verbindt. Andere verschillen tussen beide wettelijke gemeenschappen, die niet direct de omvang daarvan betreffen, zijn dat op een algehele wettelijke gemeenschap van goederen artikel 1:96 lid 3 BW niet van toepassing is (zie artikel IV lid 2 overgangsbepaling), zodat het verhaal op de goederen van de gemeenschap voor een niet tot de gemeenschap behorende schuld van een echtgenoot niet is beperkt tot de helft van de opbrengst van het uitgewonnen goed.5 Bovendien is op de algehele wettelijke gemeenschap van goederen artikel 61 oud Faillissementswet van toepassing, zoals dat gold op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet beperking wettelijke gemeenschap van goederen (zie artikel IV lid 3 overgangsbepaling).6 Wat betreft de regeling van verknochtheid en zaaksvervanging bestaat er géén verschil tussen de beperkte en de algehele wettelijke gemeenschap van goederen. De regeling van verknochtheid van artikel 1:94 lid 3 oud BW is ongewijzigd overgenomen in artikel 1:94 lid 5 BW, terwijl ook de regeling van artikel 1:95 lid 1 BW geheel ongewijzigd is gebleven. Datzelfde geldt voor de aanvullende regels van zaaksvervanging van artikel 1:94 lid 4 oud BW. Deze zijn voor de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen ongewijzigd verplaatst naar artikel 1:94 lid 6 BW.7