Rb. Noord-Nederland, 07-05-2026, nr. 18/289114-25
ECLI:NL:RBNNE:2026:1641
- Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
- Datum
07-05-2026
- Zaaknummer
18/289114-25
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNNE:2026:1641, Uitspraak, Rechtbank Noord-Nederland, 07‑05‑2026; (Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak)
Ontnemingsprocedure: ECLI:NL:RBNNE:2026:1642
- Wetingang
art. 57 Wetboek van Strafrecht; art. 63 Wetboek van Strafrecht; art. 420bis Wetboek van Strafrecht; art. 2 Opiumwet; art. 10 Opiumwet
Uitspraak 07‑05‑2026
Inhoudsindicatie
Veroordeling voor cocaïnehandel, het aanwezig hebben van cocaïne en het eenvoudig witwassen van een geldbedrag afkomstig uit drugshandel door verdachte. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 691 dagen, waarvan 600 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uren.
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18/289114-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 7 mei 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 april 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.B. Pieters, advocaat te Hoogeveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G.R. Stoeten.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1. hij in of omstreeks de periode van 10 juni 2025 tot en met 29 oktober 2025 te Emmen, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2. hij op of omstreeks 29 oktober 2025 te Emmen opzettelijk 3500 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten cocaïne aanwezig heeft gehad;
3. hij in of omstreeks de periode van 12 januari 2025 tot en met 29 oktober 2025, te Emmen, in elk geval in Nederland van een voorwerp, te weten een geldbedrag ter hoogte van 98.555,- euro, althans een geldbedrag
4. de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of
5. heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemde geldbedragen was en/of
6. heeft verborgen en/of verhuld wie voornoemde geldbedragen voorhanden heeft gehad
en/of
een voorwerp, te weten een geldbedrag ter hoogte van 98.555,- euro,
- -
heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- -
gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 1, 2 en 3.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat feiten 1 en 2 bewezen kunnen worden. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Het geldbedrag genoemd in het onder 3 ten laste gelegde is onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig en de gedragingen van verdachte waren niet gericht op het verbergen of verhullen van de herkomst daarvan, wat maakt dat het feit niet als witwassen kan worden gekwalificeerd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend,
volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Deze opgave luidt als volgt:
Ten aanzien van feiten 1 en 2
de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 april 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verdenking d.d. 19 juni 2025, opgenomen op pagina 22 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025159751 d.d. 28 januari 2026, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 oktober 2025, opgenomen op pagina 125 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 30 oktober 2025, opgenomen op pagina 152 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] ;
een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.10.30.062 (aanvraag 001) d.d. 30 oktober 2025, opgemaakt door ing. N. van Doorn, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 158 van voornoemd dossier;
een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.10.30.062 (aanvraag 002) d.d. 30 oktober 2025, opgemaakt door ing. N. van Doorn, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 159 van voornoemd dossier;
een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.10.30.062 (aanvraag 003) d.d. 30 oktober 2025, opgemaakt door ing. N. van Doorn, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 160 van voornoemd dossier;
een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.10.30.062 (aanvraag 004) d.d. 30 oktober 2025, opgemaakt door ing. N. van Doorn, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 161 van voornoemd dossier;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 oktober 2025, opgenomen op pagina 162 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 21 november 2025, opgenomen op pagina 172 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] ;
een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.10.30.062 (aanvraag 005) d.d. 5 november 2025, opgemaakt door ing. N. van Doorn, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 176 van voornoemd dossier;
een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.10.30.062 (aanvraag 006) d.d. 5 november 2025, opgemaakt door ing. N. van Doorn, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 177 van voornoemd dossier.
Ten aanzien van feit 3
de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 april 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal witwassen d.d. 22 januari 2026, opgenomen op pagina 322 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] en
[verbalisant] .
De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 12 januari 2025 tot en met 29 oktober 2025 een contant geldbedrag van 98.555,- heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl verdachte wist dat dat geldbedrag onmiddellijk afkomstig was uit eigen misdrijf. Verdachte heeft verklaard dat dit geldbedrag afkomstig is van zijn eigen handel in cocaïne.
Vooropgesteld moet worden dat noch de tekst van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht (Sr), noch de wetsgeschiedenis eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepaling omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens witwassen. Dit betekent niet dat elke gedraging die in artikel 420bis, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de kwalificatie witwassen rechtvaardigt.
Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat in het geval witwassen bestaat uit het verwerven of voorhanden hebben van de onmiddellijke opbrengsten van eigen misdrijf, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht “om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen”. Er moet dus in een dergelijk geval sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben; namelijk dat die gedraging een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Dat betekent dat, indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als witwassen kan worden gekwalificeerd.
De rechtbank heeft weliswaar kunnen vaststellen dat verdachte het geldbedrag, afkomstig uit de strafbare verkoop van cocaïne, heeft verworven en voorhanden heeft gehad, maar niet dat verdachte één of meer handelingen heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geldbedrag. Dit betekent dat het bewezen verklaarde niet gekwalificeerd kan worden als witwassen in de zin van artikel 420bis Sr.
De strafbaarstelling van eenvoudig witwassen in artikel 420bis.1 Sr, zoals impliciet subsidiair is ten laste gelegd, richt zich specifiek op de situatie van het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door verdachte zelf begaan misdrijf. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank sprake. De rechtbank komt derhalve tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde eenvoudig witwassen. Nu in de wet het van eenvoudig witwassen een gewoonte maken niet strafbaar is gesteld, zal de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. hij in de periode van 10 juni 2025 tot en met 29 oktober 2025 te Emmen opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2. hij op 29 oktober 2025 te Emmen opzettelijk 3500 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, aanwezig heeft gehad;
3. hij in de periode van 12 januari 2025 tot en met 29 oktober 2025 te Emmen een voorwerp, te weten een geldbedrag ter hoogte van 98.555,- euro, heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 3 jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gepleit voor oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur en een taakstraf van 240 uren.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de omtrent verdachte opgemaakte reclasseringsadviezen, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 april 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een drietal strafbare feiten, te weten handelen in cocaïne voor de duur van ruim vier maanden, het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid cocaïne en het eenvoudig witwassen van een geldbedrag afkomstig uit drugshandel door verdachte. De rechtbank acht dit ernstige strafbare feiten. Het gebruik van harddrugs, waaronder cocaïne, is zeer schadelijk voor de gezondheid van personen. Verdachte was zich daar blijkens zijn eigen verklaring ook terdege van bewust. Naast de benadeling van de gezondheid van de afnemers, heeft verdachte met zijn handelen een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit en alle daarmee gepaard gaande gevaren voor de openbare orde en de maatschappelijke veiligheid. Met het bezit van crimineel geld werkt verdachte er daarnaast aan mee dat criminele activiteiten en inkomsten daaruit worden verhuld. Immers wordt over deze inkomsten geen belasting betaald en daarmee wordt de staat en dus ook de samenleving benadeeld. Verdachte heeft zich kennelijk enkel laten leiden door geldelijk gewin en heeft zich geen rekenschap gegeven van de gevolgen van zijn handelen.
Persoon van de verdachte
Uit het reclasseringsadvies van 2 april 2026 volgt dat de leefgebieden van verdachte op dit moment veelal op orde zijn. Verdachte woont weer bij zijn ouders thuis en is gemotiveerd om te werken en te beginnen aan een studie. Verdachte liep de afgelopen periode in een schorsingstoezicht. Verdachte heeft goed meegewerkt aan dat schorsingstoezicht, heeft zelf hard gewerkt om zijn zaken op orde te krijgen en is voornemens dit voort te zetten. De reclassering schat het recidiverisico in als laag en acht hulp of interventies niet noodzakelijk. De reclassering ziet in overleg met de Raad voor de Kinderbescherming geen aanleiding tot toepassing van het adolescentenstrafrecht.
Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, hetgeen aldus geen aanleiding geeft tot strafvermeerdering. Deze vaststelling leidt echter ook niet tot strafvermindering.
Op te leggen straf
De door verdachte begane strafbare feiten rechtvaardigt in beginsel, overeenkomstig de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (het LOVS), oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. De rechtbank zal echter toch afwijken van de eis van de officier van justitie en de verdachte niet terugsturen naar de gevangenis. De
rechtbank ziet daartoe aanleiding in de persoonlijke omstandigheden en de proceshouding van verdachte. Een nu nog ten uitvoer te leggen gevangenisstraf zou de situatie van verdachte ernstig verstoren en eerder de recidivekans verhogen dan verlagen. De rechtbank heeft hierbij in het bijzonder mede gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte en op de omstandigheid dat hij first offender is. In plaats van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals gevorderd, wordt een taakstaf in de vorm van een werkstraf opgelegd in combinatie met voorwaardelijke gevangenisstraf.
De voorwaardelijke gevangenisstraf dient de ernst van het feitencomplex tot uitdrukking te laten komen en verdachte ervan te weerhouden om zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan enig strafbaar feit.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de ernst van het bewezen verklaarde en de persoon van verdachte is de rechtbank van oordeel dat oplegging aan verdachte van een gevangenisstraf voor de duur van 691 dagen, waarvan 600 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 3 jaren passend en geboden is. De rechtbank legt aan verdachte daarnaast een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis op.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63 en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder feiten 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 691 dagen.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 600 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
een taakstraf voor de duur van 240 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Faber, voorzitter, mr. R. Depping en
mr. A. van den Oever, rechters, bijgestaan door mr. T.M. Nijmeijer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 mei 2026.