ABRvS, 25-03-2026, nr. BRS.25.000433
ECLI:NL:RVS:2026:1647
- Instantie
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
- Datum
25-03-2026
- Zaaknummer
BRS.25.000433
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RVS:2026:1647, Uitspraak, Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 25‑03‑2026; (Hoger beroep)
Uitspraak 25‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 29 maart 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene in bewaring gesteld.
BRS.25.000433
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 14 april 2025 in zaak nr. NL25.15025 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 29 maart 2025 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 14 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. D.W.M. van Erp, advocaat in Utrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Op verzoek van de Afdeling hebben de minister en betrokkene nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.
Overwegingen
Het beginsel van non-refoulement
1. Met zijn eerste grief komt de minister op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij het reële risico op een schending van het beginsel van non-refoulement nooit heeft beoordeeld. Daarom kan de minister volgens de rechtbank niet zonder beoordeling van dit risico overgaan tot het opleggen van een maatregel van bewaring met het doel betrokkene uit te zetten.
1.1. De minister heeft in het gehoor voorafgaand aan de bewaring aan betrokkene gevraagd of hij bereid is mee te werken aan zijn terugkeer naar Gambia. Daarop heeft hij met ‘ja’ geantwoord. De minister heeft ook aan betrokkene gevraagd of hij vreest dat hij problemen zal krijgen met de autoriteiten bij terugkeer naar Gambia. Daarop heeft hij met ‘nee’ geantwoord. In de maatregel van bewaring heeft de minister geconcludeerd dat betrokkene in bewaring kan worden gesteld, gelet op de gronden en motivering van de maatregel en de door betrokkene aangevoerde omstandigheden. Hoewel niet uitdrukkelijk in de maatregel is gemotiveerd dat er geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat betrokkene in het land van bestemming een reëel risico loopt op de door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest verboden behandelingen, kan op grond van de bewoordingen van de motivering waarin ook wordt verwezen naar de verklaringen van betrokkene in het gehoor, worden aangenomen dat deze beoordeling hierin besloten ligt en op deze wijze voldoende kenbaar is. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329, onder 15 en 15.1. De minister betoogt terecht dat de rechtbank dat niet heeft onderkend.
1.2. De eerste grief slaagt.
Lichter middel
2. Met zijn tweede grief komt de minister terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij niet met een lichter middel heeft volstaan.
2.1. De minister klaagt ten eerste terecht over het oordeel van de rechtbank dat het verloop van het bewaringsgehoor en de waarnemingen van de tolk en de hulpofficier van justitie die het gehoor afnam, aanleiding hadden moeten zijn om een arts op te roepen en betrokkene te laten schouwen. De enkele opmerking in het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de bewaring dat betrokkene volgens de tolk en de hulpofficier van justitie onsamenhangend verklaarde, gaf daartoe onvoldoende aanleiding. Uit het proces-verbaal van dit gehoor volgt dat betrokkene aanspreekbaar was en antwoord op de vragen van de minister heeft kunnen geven, welke antwoorden ook te relateren waren aan de gestelde vragen. De minister wijst hierbij bovendien terecht op de inhoud van de verklaringen van betrokkene over zijn gezondheidstoestand. Betrokkene heeft daarover verklaard dat zijn gezondheid normaal is, dat hij medicatie gebruikt om energie te hebben en te bewegen en dat hij niet verslaafd is, maar soms sigaretten rookt. Betrokkene heeft verder geen medische stukken overgelegd waaruit zijn gezondheidstoestand blijkt. Dat de rechtbank op de zitting niet in staat is gebleken een simpel gesprek te voeren met betrokkene, is in het licht van het voorgaande onvoldoende om te oordelen dat de minister betrokkene voorafgaand aan de inbewaringstelling door een arts had moeten laten schouwen.
2.2. De minister klaagt ook terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de medische situatie van betrokkene geen reden is om een lichter middel dan bewaring toe te passen. Uit de maatregel van bewaring blijkt dat de minister de medische situatie van betrokkene kenbaar bij de belangenafweging heeft betrokken. De minister heeft daarbij verwezen naar de verklaringen van betrokkene tijdens het gehoor voorafgaand aan de bewaring en heeft het vermoeden geuit dat betrokkene mogelijk psychisch niet in orde is. Verder kan van de medische zorgverlening binnen het detentiecentrum Rotterdam worden gesteld dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Betrokkene heeft geen medische stukken overgelegd of op een andere manier aannemelijk gemaakt dat de in detentie beschikbare medische zorg in zijn geval niet toereikend is, dat hij niet in staat kan worden geacht de bewaring op verantwoorde wijze te ondergaan of dat zijn psychische omstandigheden in detentie door gebrek aan medische zorg zullen verslechteren. Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1162, onder 3.2. Tot slot heeft de minister zowel op de zitting bij de rechtbank als in hoger beroep toegelicht dat uit informatie van de plaatsvervangend vestigingsdirecteur van het detentiecentrum blijkt dat betrokkene tijdens zijn verblijf in het detentiecentrum steeds door artsen, psychologen, sociaalpsychiatrische verpleegkundigen en verpleegkundigen is gezien. Zij hebben de Dienst Justitiële Inlichtingen in het adviesoverleg steeds geadviseerd over wat het beste was voor betrokkene en dat advies is telkens opgevolgd. De medicatie van betrokkene is ook steeds aangepast.
2.3. De tweede grief slaagt.
Conclusie
3. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken en de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten, verklaart zij het beroep alsnog ongegrond. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 14 april 2025 in zaak nr. NL25.15025;
I. verklaart het beroep ongegrond;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. van Trappen, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzitter
w.g. Van Trappen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
985