RvS, 12-02-2026, nr. BRS.25.000423
ECLI:NL:RVS:2026:329
- Instantie
Raad van State
- Datum
12-02-2026
- Magistraten
Mrs. J.C.A. de Poorter, N. Verheij, A.J.C. de Moor-van Vugt
- Zaaknummer
BRS.25.000423
- Roepnaam
appellant/minister
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RVS:2026:329, Uitspraak, Raad van State, 12‑02‑2026
Uitspraak 12‑02‑2026
Mrs. J.C.A. de Poorter, N. Verheij, A.J.C. de Moor-van Vugt
Partij(en)
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 11 april 2025 in zaak nr. NL25.13967 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 25 maart 2025 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 11 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. J.P. van Mulken, advocaat in Nuth, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Op verzoek van de Afdeling hebben de minister en betrokkene nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1.
Deze uitspraak gaat over de gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025, Adrar, ECLI:EU:C:2025:647, voor de nationale rechter (de bewaringsrechter) die de rechtmatigheid van de bewaring van een vreemdeling met het oog op diens uitzetting moet toetsen. De Afdeling gaat in deze uitspraak in op de gevolgen van het arrest, voor zover het Hof daarin heeft bepaald dat de bewaringsrechter op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn — zo nodig ambtshalve — verplicht is om na te gaan of het beginsel van non-refoulement zich tegen die uitzetting verzet. De Afdeling zal in deze uitspraak niet ingaan op het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in artikel 5, aanhef en onder a en b, van de Terugkeerrichtlijn.
Uitspraak van de rechtbank
2.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister op de zitting in beroep heeft erkend dat betrokkene op een onjuiste grondslag is opgehouden. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat het belang van de minister bij de bewaring zwaarder weegt, zodat het gebrek de maatregel van bewaring niet van aanvang af onrechtmatig maakt. De rechtbank heeft alleen al daarom de minister in de proceskosten veroordeeld.
2.1.
De rechtbank heeft verder overwogen dat de minister de eerste asielaanvraag van betrokkene op 19 november 2021 buiten behandeling heeft gesteld. Dat besluit geldt ook als terugkeerbesluit. De minister heeft een opvolgende asielaanvraag van betrokkene op 1 mei 2024 ook buiten behandeling gesteld. De aanvragen zijn buiten behandeling gesteld, omdat zij niet inhoudelijk konden worden beoordeeld aangezien betrokkene was verdwenen of zonder toestemming was vertrokken. In het laatste besluit is opnieuw vastgesteld dat het terugkeerbesluit uit 2021 nog geldt. Betrokkene heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen deze besluiten, zodat deze besluiten in rechte vaststaan.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit beide besluiten dat de minister niet inhoudelijk heeft beoordeeld of het beginsel van
non-refoulement zich verzet tegen de uitzetting van betrokkene naar zijn land van herkomst. De rechtsgeldige terugkeerbesluiten, die wel terecht zijn genomen omdat betrokkene illegaal op het grondgebied van de EU verblijft, kunnen daarom niet dienen als grondslag voor de maatregel van bewaring.
2.2.
De rechtbank is als volgt tot haar oordeel gekomen.
2.2.1.
Het Hof heeft in het arrest van 17 oktober 2024, Ararat, ECLI:EU:C:2024:892, overwogen dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn een algemene regel vormt die de lidstaten in acht moeten nemen bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn en die de bevoegde nationale autoriteit verplicht om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. Het Hof heeft ook gepreciseerd dat het aan de bevoegde nationale rechterlijke instanties is om, in voorkomend geval ambtshalve, erop toe te zien dat dit beginsel in acht wordt genomen wanneer gegevens uit het dossier die hun ter kennis zijn gebracht doen vermoeden dat afbreuk aan dat beginsel zou kunnen worden gedaan. Het Hof heeft verder overwogen dat de uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn voortvloeiende verplichting om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen niet beperkt is tot procedures waarin de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit door de rechter wordt gecontroleerd.
2.2.2.
Het in bewaring stellen van een illegaal verblijvende derdelander heeft tot doel om een terugkeerbesluit uit te voeren en tot uitzetting over te gaan en is daarmee een fase in de terugkeerprocedure. Op deze wijze wordt de Terugkeerrichtlijn ten uitvoer gelegd.
Omdat de verplichting om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen ook op ‘de rechter’ rust, dus niet alleen de rechter die belast is met de toetsing van de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit, is de rechtbank verplicht om in deze bewaringsprocedure ambtshalve vast te stellen of de minister heeft beoordeeld of de uitzetting mogelijk in strijd is met het beginsel van non-refoulement.
Omdat de minister voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring niet heeft beoordeeld of de uitzetting van betrokkene naar zijn land van herkomst in strijd is met het beginsel van non-refoulement, kunnen de eerdere rechtsgeldige terugkeerbesluiten daarom niet dienen als grondslag voor de maatregel van bewaring, zodat deze onrechtmatig is.
Grief van de minister
3.
In haar enige grief klaagt de minister over dit oordeel van de rechtbank. Het is niet aan de bewaringsrechter om in het kader van de toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring na te gaan of bij het nemen van het terugkeerbesluit het beginsel van non-refoulement in acht is genomen dan wel na te gaan of daarna een geactualiseerde beoordeling is verricht van dat beginsel. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1970, onder 5.3 en verder, voert de minister aan dat op meerdere manieren in rechtsbescherming kan worden voorzien om het beginsel van
non-refoulement te waarborgen. Het oordeel van de rechtbank doet volgens de minister ook afbreuk aan het nuttig effect van de Terugkeerrichtlijn. Zou de rechtbank immers worden gevolgd, dan zou een vreemdeling op eenvoudige wijze blijvend bewaring en uitzetting kunnen frustreren door een nader onderzoek naar een risico op refoulement te ontwijken.
De beoordeling van het hoger beroep
Een leeswijzer bij het hoger beroep
4.
De voor deze uitspraak belangrijkste overwegingen uit het arrest Adrar en het wettelijk kader zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak. De Afdeling zal in de beoordeling van het hoger beroep nationaalrechtelijke terminologie gebruiken en verwijzen naar de overwegingen van het Hof waar zij zich op baseert.
5.
De Afdeling zal onder 6 tot en met 6.2 eerst kort weergeven wat het Hof heeft overwogen in het arrest Adrar.
5.1.
Daarna legt zij onder 7 tot en met 7.7 van deze uitspraak uit welke gevolgen het arrest Adrar heeft voor de beoordeling van het vereiste van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn door de minister en de motivering daarvan in de maatregel van bewaring met het oog op uitzetting op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
5.2.
Vervolgens legt zij onder 8 tot en met 10 uit dat het oordeel van het Hof gevolgen heeft voor de toetsing door de nationale rechter van de in artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn bedoelde bewaring, naar nationaal recht omgezet in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. De bewaringsrechter moet binnen het kader van zicht op uitzetting ook ambtshalve toetsen of het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting van een vreemdeling verzet op grond van artikel 5, in samenhang gelezen met artikel 15, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn.
Onder 11 tot en met 13.1 legt de Afdeling uit hoe de bewaringsrechter om moet gaan met een terugkeerbesluit dat een vereiste is voor het opleggen van een maatregel van bewaring met het oog op uitzetting.
5.3.
Tot slot zal de Afdeling onder 14 tot en met 14.2 uiteenzetten welke gevolgen het arrest Adrar heeft voor de beoordeling en de werkwijze in hoger beroep.
5.4.
Hierna, onder 15 tot en met 15.3, volgt een individuele beoordeling van het hoger beroep in deze zaak.
Het arrest Adrar
6.
Het Hof heeft in de punten 53 tot en met 76 van het arrest Adrar onder meer het volgende overwogen. Op grond van artikel 15, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn kan een derdelander tegen wie een terugkeerprocedure loopt, in bewaring gehouden worden om zijn terugkeer voor te bereiden en/of om de uitzettingsprocedure uit te voeren. Overeenkomstig artikel 15, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn moet de rechter erop toezien dat op het tijdstip waarop de rechtmatigheid van de bewaring door hem wordt beoordeeld een werkelijk vooruitzicht bestaat dat de uitzetting kan slagen en ‘juridische overwegingen’ zich daar niet tegen verzetten. Een van die ‘juridische overwegingen’ die het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn kunnen belemmeren, is artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, dat de bevoegde nationale autoriteit met name verplicht om in alle stadia van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen, dat als grondrecht is gewaarborgd in artikel 18 van het EU Handvest, gelezen in samenhang met artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag, en daarnaast in artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest. Uit artikel 19, tweede lid, in samenhang gelezen met artikel 4 van het EU Handvest volgt in absolute bewoordingen dat een lidstaat een vreemdeling niet mag verwijderen, uitzetten of uitleveren wanneer er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat hij in het land van bestemming een reëel risico zal lopen op behandelingen die door deze artikelen verboden zijn.
6.1.
De nationale rechter die de rechtmatigheid moet beoordelen van een bewaringsmaatregel met het oog op de uitzetting van een vreemdeling, moet daarom beoordelen of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de betrokken vreemdeling in het land van bestemming een reëel risico zal lopen op de door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest verboden behandelingen.
6.2.
Indien de bewaringsrechter op basis van zijn beoordeling tot de conclusie komt dat het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de uitzetting, ontbreekt het vereiste zicht op uitzetting en is hij overeenkomstig artikel 15, tweede lid, vierde alinea, en vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn verplicht de betrokken vreemdeling onmiddellijk in vrijheid te stellen.
De rol van de minister en de motivering in de maatregel van bewaring
7.
Het Hof heeft in de punten 65 en 66 van het arrest Adrar overwogen dat de bevoegde nationale autoriteit, voordat zij een betrokken derdelander in bewaring stelt of voordat zij besluit de duur van de bewaring te verlengen, moet nagaan of het beginsel van non-refoulement zich niet tegen zijn uitzetting verzet. Daarvoor moet deze derdelander de mogelijkheid worden geboden om zich op dat beginsel te beroepen. Naar het Hof in de punten 74 en 75 heeft overwogen, mag niet worden verlangd dat hij of zij een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indient om de volledige eerbiediging van het beginsel van non-refoulement tot gelding te laten komen op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, in samenhang gelezen met artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest.
7.1.
Naar nationaal recht wordt een vreemdeling gehoord voordat hij of zij in bewaring wordt gesteld (artikel 5.2, eerste lid, van het Vb 2000). Het recht om te worden gehoord maakt volgens het arrest van het Hof van 18 december 2008, Sopropé, ECLI:EU:C:2008:746, punten 36 en 37, integraal deel uit van het beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging. Het Hof heeft verder in het arrest van 5 november 2014, Mukarubega, ECLI:EU:C:2014:2336, punten 47 en 48, overwogen dat het horen tot doel heeft de bevoegde autoriteit in staat te stellen naar behoren rekening te houden met alle relevante elementen en met de nodige aandacht kennis te nemen van de opmerkingen van de betrokkene door alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken.
7.2.
Met het horen van een vreemdeling kan de minister onderzoeken of zij een besluit tot het opleggen van bewaring kan nemen en kan zij dat besluit zorgvuldig voorbereiden. Om te voldoen aan wat het Hof in het arrest Adrar in de punten 65 en 66 heeft overwogen, moet de minister een vreemdeling daarom in het gehoor voorafgaand aan de bewaring actief concrete vragen stellen om binnen het kader van het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn te onderzoeken en te kunnen beoordelen of het beginsel van non-refoulement zich tegen zijn of haar uitzetting verzet.
7.3.
Het resultaat van dit onderzoek en van de zorgvuldige voorbereiding moet blijken uit de motivering van het besluit tot bewaring, gelet op het vereiste dat de inbewaringstelling schriftelijk wordt gelast met opgave van de feitelijke en juridische gronden op grond van artikel 15, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Alleen dan eerbiedigt de minister kenbaar het beginsel van non-refoulement bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn en kan de rechter die motivering in zijn beoordeling betrekken wanneer hij binnen het kader van zicht op uitzetting ambtshalve toetst of het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting van de betrokken vreemdeling verzet.
7.4.
Als naar aanleiding van de door de minister gestelde vragen in het gehoor voorafgaand aan de bewaring, de verklaringen van een vreemdeling geen grond bieden voor het oordeel dat hij of zij zich beroept op het beginsel van non-refoulement, kan de minister hem of haar in bewaring stellen op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. De minister mag in dat geval in de maatregel in het kader van het zicht op uitzetting volstaan met de motivering dat niet is gebleken dat het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting verzet.
7.5.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4533, onder 2.1, volgt dat, wanneer een vreemdeling verklaart dat hij of zij bij terugkeer gevaar loopt, dit niet anders kan worden opgevat dan als een verzoek om internationale bescherming als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn.
Over deze situatie heeft de minister zich in haar nadere schriftelijke inlichtingen op het standpunt gesteld dat een vreemdeling allereerst een termijn gegund zal worden om te bezien of hij of zij dit verzoek via een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wil toelichten. Gedurende deze termijn zal nog niet aan terugkeer gewerkt worden en de maatregel zal gelet op de beschermingswens dan ook in eerste instantie op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 opgelegd worden, aldus de minister. Zolang een vreemdeling als verzoeker wordt beschouwd, heeft hij of zij namelijk rechtmatig verblijf. De minister zal de bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 moeten opheffen als een vreemdeling heeft besloten om geen aanvraag in te dienen om hem of haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
7.6.
Als een vreemdeling eerder een asielprocedure heeft doorlopen en de minister besluit om deze vreemdeling op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring te stellen, zal zij in de maatregel van bewaring vooral moeten motiveren dat en waarom zij van oordeel is dat wat een vreemdeling tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft aangevoerd geen gewijzigde omstandigheden of nieuwe elementen zijn, zodat er geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat een vreemdeling in zijn of haar land van bestemming een reëel risico zal lopen op een behandeling verboden door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest.
7.6.1.
In het geval dat een vreemdeling eerder een asielprocedure heeft doorlopen, is de minister als bestuursorgaan op grond van artikel 8:42 van de Awb bovendien verplicht om in het dossier over de bewaring de op de zaak betrekking hebbende stukken over de eerdere asielprocedure van deze vreemdeling te voegen. Dat stelt de bewaringsrechter in staat om binnen het kader van zicht op uitzetting, zo nodig ambtshalve, te toetsen of het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting van de betrokken vreemdeling verzet.
7.7.
Als een vreemdeling niet eerder een asielprocedure heeft doorlopen, en de minister na het in artikel 5.2 van het Vb 2000 bedoelde gehoor waarin een vreemdeling zijn of haar vrees heeft geuit voor terugkeer naar het land van bestemming, besluit om gelijktijdig een separaat terugkeerbesluit te nemen en deze vreemdeling op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring te stellen, dan zal zij zowel in het terugkeerbesluit als in de maatregel van bewaring moeten motiveren waarom zij van oordeel is dat wat een vreemdeling heeft aangevoerd geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat een vreemdeling in zijn of haar land van bestemming een reëel risico zal lopen op een behandeling verboden door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest.
De rol van de rechtbank bij de beoordeling van een maatregel van bewaring met het oog op uitzetting
8.
Uit het arrest Adrar zoals weergegeven onder 6 tot en met 6.2 van deze uitspraak, in samenhang gelezen met de in deze overweging aangehaalde rechtspraak van de Afdeling, vloeit voort dat de bewaringsrechter naar nationaal recht binnen het kader van het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ambtshalve moet toetsen of het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting verzet. Uit de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829, onder 4 tot en met 7.2, volgt namelijk dat de rechtbank verplicht is om de vereisten voor een rechtmatige bewaring ambtshalve te toetsen. Zicht op uitzetting is een dergelijk vereiste dat direct leidt tot onrechtmatigheid van de bewaring als er niet aan wordt voldaan. Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3265, onder 2.1.
8.1.
Uit punt 72 van het arrest Adrar volgt dat de ernst van de inmenging in het recht op vrijheid door een bewaringsmaatregel en het recht op effectieve rechtsbescherming de rechter tot een actieve houding verplichten. De rechter die langs deze weg een dergelijk vereiste als zicht op uitzetting ambtshalve aan de orde stelt, zal elk van de partijen moeten uitnodigen om hun mening over dit vereiste kenbaar te maken overeenkomstig het beginsel van hoor en wederhoor.
8.2.
Als een vreemdeling eerder een asielprocedure heeft doorlopen, moet de bewaringsrechter nagaan of er sprake is van gewijzigde omstandigheden of nieuwe elementen in wat een vreemdeling in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft aangevoerd. De ambtshalve toets leidt er ook toe dat een vreemdeling in beroep alsnog nieuwe feiten en omstandigheden kan aanvoeren of nieuwe stukken kan overleggen, ook al heeft hij of zij deze feiten en omstandigheden en deze stukken niet in het gehoor voorafgaand aan de bewaring aangevoerd of overgelegd. Zie punt 71 van het arrest Adrar. Natuurlijk moet de minister dan wel in staat worden gesteld om te reageren op de door een vreemdeling in beroep aangevoerde feiten en omstandigheden en overgelegde stukken.
8.3.
De Afdeling benadrukt dat het voldoen aan het vereiste voor een rechtmatige bewaring dat er zicht op uitzetting bestaat, naar nationaal recht een kwestie van openbare orde is. Om die reden rust op de bewaringsrechter de verplichting om ambtshalve aan dat vereiste te toetsen. Dat is anders wanneer de rechter in een procedure over een terugkeerbesluit moet beoordelen of het beginsel van non-refoulement is geëerbiedigd. Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4178, onder 13.6, naar aanleiding van het arrest Ararat. Dit verschil in toetsing vloeit voort uit het feit dat een maatregel van bewaring, anders dan een terugkeerbesluit, een ernstige inmenging is in het recht op vrijheid van een vreemdeling en dus een vergaande dwangmaatregel in de terugkeerprocedure is. Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829, onder 5.2. Om die reden moet de bewaringsrechter, indien hij tot de conclusie komt dat het beginsel van
non-refoulement zich verzet tegen de uitzetting en daarmee het vereiste zicht op uitzetting ontbreekt, de betrokken vreemdeling onmiddellijk in vrijheid stellen overeenkomstig artikel 15, tweede lid, vierde alinea, en vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Zie het arrest Adrar, punt 74.
8.4.
De bewaringsrechter zal in zijn uitspraak vervolgens ook moeten opnemen welke al dan niet voorlopige gevolgen hij aan de belemmering van het zicht op uitzetting verbindt overeenkomstig artikel 9 van de Terugkeerrichtlijn.
Dit betekent naar nationaal recht dat hij op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb kan bepalen dat de minister de betrokken vreemdeling uitstel van verwijdering zal moeten verlenen en dat hij bepaalt wanneer en onder welke voorwaarden of omstandigheden de belemmering ophoudt te bestaan.
Bij een gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig ingesteld beroep tegen een separaat terugkeerbesluit, kan de bewaringsrechter deze bevoegdheden alleen aanwenden als de rechtbank in dat beroep het separate terugkeerbesluit niet vernietigt, of wel vernietigt maar de rechtsgevolgen in stand laat.
De verhouding tussen het recht om gehoord te worden door de rechtbank, het absolute verbod op refoulement en de verplichting om de bewaring zo kort mogelijk te laten duren
9.
Over de rol van de rechter in een bewaringsprocedure overweegt de Afdeling verder dat het in de praktijk regelmatig voorkomt dat de minister het voornemen heeft een vreemdeling tijdens het beroep tegen de maatregel van bewaring of tijdens het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank over deze maatregel uit te zetten.
Omdat tijdens dat beroep of hoger beroep op grond van het arrest Adrar nu ook moet worden getoetst of het beginsel van non-refoulement zich ertegen verzet dat de minister gebruikmaakt van haar bevoegdheid om een vreemdeling uit te zetten, heeft dat arrest ook gevolgen voor de voorheen vaste rechtspraak over het recht van een vreemdeling om te worden gehoord op een door hem of haar ingesteld beroep tegen een maatregel van bewaring.
9.1.
Dat recht kan onder omstandigheden worden beperkt, bijvoorbeeld in het geval dat de uitzetting van deze vreemdeling voor of op de dag van de hoorzitting bij de rechtbank is gepland. Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:86, en van 25 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3939. In deze uitspraken heeft de Afdeling voor de afweging of het recht om te worden gehoord kan worden beperkt, gewezen op twee arresten van het Hof, die over verschillende algemene regels gaan. Op grond van het arrest van 22 juni 2021, Ordre des barreaux francophones et germanophone e.a., ECLI:EU:C:2021:505, punten 66 tot en met 71, is de minister verplicht om de duur van de bewaring zo kort mogelijk houden en op grond van het arrest van 8 november 2022, C, B en X, ECLI:EU:C:2022:858, punten 72 en 88, vormt elke bewaring een ernstige inmenging in het recht op vrijheid, waardoor de rechtsbescherming van een vreemdeling van hoog niveau moet zijn. Het belang van deze laatste algemene regel wordt door het Hof in het arrest Adrar in wezen benadrukt door voor recht te verklaren dat de artikelen 5 en 15 van de Terugkeerrichtlijn, gelezen in samenhang met de artikelen 6, 19, tweede lid, en 47 van het EU Handvest, zo moeten worden uitgelegd dat een nationale rechter die de rechtmatigheid moet beoordelen van een inbewaringstelling van een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land met het oog op diens uitzetting binnen het kader van zicht op uitzetting, zo nodig ambtshalve, moet nagaan of het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting verzet.
Gelet op de verplichting om een vreemdeling in bewaring in een daartegen ingesteld beroep te horen en de termijn waarbinnen dat horen moet plaatsvinden, mag een vreemdeling ook nog voor het eerst op de zitting bij de rechtbank concrete beroepsgronden tegen de bewaring aanvoeren en toelichten. Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:206, onder 3.2.2. De rechtbank moet immers de rechtmatigheid van het besluit tot opleggen van de bewaring toetsen naar de feiten zoals die zich voordoen en het recht dat geldt ten tijde van de toetsing. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2006 in zaak nr. 200600509/1, onder 2.2.
9.2.
Op grond van het vorenstaande komt de Afdeling tot het oordeel dat, als een vreemdeling heeft aangevoerd dat het beginsel van
non-refoulement zich tegen zijn of haar uitzetting verzet, de minister deze vreemdeling pas na de uitspraak van de rechtbank op het beroep tegen de maatregel van bewaring mag uitzetten, als de rechter tot de conclusie is gekomen dat er geen risico op refoulement dreigt. In deze situatie heeft het recht om te worden gehoord voorrang op de regel de duur van de bewaring zo kort mogelijk te houden, gegeven dat het beginsel van non-refoulement een absoluut karakter heeft. Zie de arresten Adrar, punt 61, en Ararat, punten 36 en 49.
De wijze waarop de bewaringsrechter de maatregel van bewaring beoordeelt op de eerbiediging van het beginsel van non-refoulement
10.
Als de minister zijn standpunt in de maatregel van bewaring dat het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting van een vreemdeling verzet, niet of niet deugdelijk heeft gemotiveerd, moet de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring gegrond verklaren en de bewaring opheffen. Omdat zicht op uitzetting een onder punt 77 van het arrest van het Hof van 8 november 2022, C, B en X, ECLI:EU:C:2022:858, bedoelde algemene en abstracte regel is, vereist voor de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring, moet een vreemdeling volgens punt 79 van dat arrest onmiddellijk worden vrijgelaten. Zie hierover de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829, onder 5.2 en 6.
De wijze waarop de bewaringsrechter om moet gaan met een terugkeerbesluit
11.
Het Hof overweegt in punt 42 van het arrest Adrar dat het arrest geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit, maar alleen op de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring met het oog op uitzetting. Dat neemt niet weg dat een terugkeerbesluit en de maatregel van bewaring nauw samenhangen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen mag een maatregel van bewaring met het oog op uitzetting van een vreemdeling uitsluitend worden opgelegd indien de minister voorafgaand aan of gelijktijdig met die maatregel een terugkeerbesluit heeft genomen. Zie de uitspraak van 21 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP9280, onder 2.1.4. Het terugkeerbesluit is dus een vereiste voor het opleggen van een maatregel van bewaring met het oog op uitzetting.
11.1.
De bewaringsrechter moet daarom controleren of voorafgaand aan dan wel gelijktijdig met de maatregel van bewaring een terugkeerbesluit is genomen. Er moet een besluit zijn dat als terugkeerbesluit is aan te merken en waarop de bewaring kan worden gebaseerd. Zoals de Afdeling, onder verwijzing naar haar uitspraak van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1155, heeft overwogen in de uitspraak van 21 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3187, komt deze toets erop neer dat de rechter controleert of het besluit voldoet aan de specifieke vereisten die aan een terugkeerbesluit worden gesteld, maar ook aan de algemene vereisten die aan elk besluit worden gesteld.
11.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829, onder 5, volgt echter ook dat ambtshalve toetsing of beoordeling er niet toe mag leiden dat de rechter buiten de grenzen van het geding treedt. Zo'n situatie doet zich voor als de rechter de rechtmatigheid van een ander besluit toetst of beoordeelt dan van het besluit waartegen beroep is ingesteld. Dat betekent ook na het arrest Adrar nog altijd dat de bewaringsrechter niet mag oordelen over de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit. Ook niet door te beoordelen of bij de vaststelling van het terugkeerbesluit voldoende rekening is gehouden met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn. Artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn gaat niet over de specifieke vereisten om een besluit aan te kunnen merken als een terugkeerbesluit. Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4578, onder 3.1.
De beoordeling door de rechtbank indien de beroepen tegen de maatregel van bewaring en het onderliggende separate terugkeerbesluit gelijktijdig door de rechtbank worden behandeld
12.
In de uitspraak van 17 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ8388, heeft de Afdeling — in de situatie van een aan de betrokken vreemdeling opgelegde maatregel van bewaring en het over hem genomen separate terugkeerbesluit — onderzocht of de noodzaak om aparte procedures te voeren in strijd is met het in artikel 6 van het EU Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte tegen vrijheidsontnemende maatregelen. Zij is in die uitspraak tot de conclusie gekomen dat artikel 6 van het EU Handvest vergt dat de rechtbank gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig ingestelde beroepen tegen een separaat terugkeerbesluit en een maatregel van bewaring gelijktijdig behandelt, ook indien de desbetreffende vreemdeling daar niet uitdrukkelijk om heeft verzocht.
12.1.
De Afdeling benadrukt dat het belang van deze vaste rechtspraak onverminderd blijft bestaan, ook omdat met deze werkwijze wordt voorkomen dat de rechtbank in de beroepen tegen het separate terugkeerbesluit en de maatregel van bewaring verschillend oordeelt over wat een vreemdeling heeft aangevoerd om te betogen dat het beginsel van non-refoulement zich tegen zijn of haar uitzetting verzet.
12.2.
Indien de minister voor het beginsel van non-refoulement het separate terugkeerbesluit niet of niet deugdelijk heeft gemotiveerd, moet de rechtbank in de regel een tegen dit besluit ingesteld beroep gegrond verklaren als de betrokken vreemdeling daarover feiten en gronden heeft aangevoerd. Dit is ook het geval bij gelijktijdig behandelde beroepen als de minister in de maatregel van bewaring deugdelijk heeft gemotiveerd dat het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting van de betrokken vreemdeling verzet. In dat geval is echter niet aannemelijk dat een vreemdeling door het motiveringsgebrek in het terugkeerbesluit is benadeeld en kan het terugkeerbesluit worden vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6114, onder 5 tot en met 6.2.
12.3.
Doet deze uitzondering zich niet voor, dan moet de rechtbank het terugkeerbesluit vernietigen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dan dat de rechtbank moet onderzoeken of vanuit een oogpunt van proceseconomie aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde terugkeerbesluit in stand te laten als het bestuursorgaan vasthoudt aan zijn besluit en alsnog het besluit deugdelijk motiveert en de andere partijen zich daarover in voldoende mate hebben kunnen uitlaten. Daarbij is beslissend of de inhoud van het vernietigde besluit na de kenbaar gemaakte motivering de rechterlijke toets kan doorstaan en het genomen besluit kan dragen. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 30 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2325, onder 6.2.
De beoordeling door de rechtbank in het geval van een terugkeerbesluit dat deel uitmaakt van een meeromvattende beschikking
13.
De Afdeling heeft eerder onder 2.6 van de uitspraak van 27 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1190, overwogen dat en waarom de rechtbank een beroep tegen een maatregel van bewaring niet gelijktijdig met een beroep tegen een meeromvattende beschikking kan beoordelen. Zij ziet in het arrest Adrar geen aanleiding om deze vaste rechtspraak te wijzigen.
13.1.
Ook indien de bewaringsrechter vanwege de verschillende termijnen eerder toekomt aan een beoordeling van het beginsel van non-refoulement dan de rechter in een procedure over een meeromvattende beschikking, mag dit hem niet beletten het risico op refoulement te beoordelen.
Hij kan echter ook met het oog op de procedure over een meeromvattende beschikking op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb bepalen dat de minister de betrokken vreemdeling uitstel van verwijdering zal moeten verlenen en bepalen wanneer en onder welke voorwaarden of omstandigheden de belemmering voor de uitzetting ophoudt te bestaan.
De rol van de Afdeling als bewaringsrechter in hoger beroep
14.
Voor de rechter in hoger beroep geldt dat hij binnen het kader van zicht op uitzetting op dezelfde wijze als de rechter in eerste aanleg ambtshalve erop moet toezien dat het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting verzet. De Afdeling verwijst daarvoor naar het kader zoals uiteengezet onder 8 tot en met 8.4 van deze uitspraak. Daarnaast verwijst zij naar de uitspraak van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829, onder 7 tot en met 8.2, waarin de Afdeling de motivering van de ambtshalve toets en haar verplichting tot ambtshalve toetsing uiteen heeft gezet. Die overwegingen zijn ook na het arrest Adrar onverkort van toepassing. Daaraan moet worden toegevoegd dat een vreemdeling in hoger beroep voor het antwoord op de vraag of het beginsel van non-refoulement zich tegen zijn of haar uitzetting verzet, nieuwe feiten en omstandigheden kan aanvoeren of nieuwe stukken kan overleggen.
Als een vreemdeling in hoger beroep nieuwe feiten en omstandigheden aanvoert of nieuwe stukken overlegt, zal de Afdeling in voorkomend geval in het procesverloop vermelden wanneer het onderzoek in hoger beroep is gesloten om een overlap tussen de toetsing in hoger beroep en een vervolgberoep (artikel 96 van de Vw 2000) te voorkomen.
14.1.
Het instellen van hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank op een beroep tegen een maatregel van bewaring leidt echter niet tot het oordeel dat de minister pas na een uitspraak op het hoger beroep de betrokken vreemdeling mag uitzetten, zoals uiteengezet onder 9 tot en met 9.2 van deze uitspraak, omdat de Terugkeerrichtlijn de nationale wetgever niet verplicht het instellen van hoger beroep mogelijk te maken. Vergelijk het arrest van het Hof van 26 september 2018, X&Y, ECLI:EU:C:2018:775, punten 23 tot en met 26.
14.2.
Omdat de Afdeling, zo nodig ambtshalve, moet toetsen of de minister haar bevoegdheid om een vreemdeling uit te zetten mag gebruiken, kan een vreemdeling een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening indienen tegen een voorgenomen uitzetting op een concreet bekend gemaakte datum gedurende het hoger beroep, gelet op wat hiervoor onder 14.1 is overwogen. Gelet hierop kan de voorzieningenrechter van de Afdeling dat verzoek niet meer afwijzen op de wijze zoals dat gebruikelijk was om te doen. Zie daarvoor bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4055. Het oordeel dat in de bewaringsprocedure alleen wordt getoetst of een vreemdeling zijn of haar vrijheid mocht worden ontnomen en niet of de minister bevoegd was hem of haar uit te zetten, is na het arrest Adrar niet meer houdbaar. Van deze rechtspraak komt de Afdeling dus terug.
Individuele beoordeling
15.
In dit geval heeft de minister bij besluit van 19 november 2021 de asielaanvraag van betrokkene buiten behandeling gesteld. Dat besluit geldt ook als terugkeerbesluit en staat in rechte vast. Voor de bewaringsrechter geldt dan de hoofdregel zoals uiteengezet onder 11 tot en met 11.2 van deze uitspraak. Op grond van wat de Afdeling daarin heeft overwogen, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de rechtsgeldig genomen terugkeerbesluiten niet kunnen dienen als terugkeerbesluiten waarop de bewaring mocht worden gebaseerd, omdat de minister daarin niet heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting van betrokkene verzet. De rechtbank had in dit geval de motivering in de maatregel van bewaring moeten beoordelen.
15.1.
In dit geval heeft de minister in het gehoor voorafgaand aan de bewaring gevraagd aan betrokkene of hij wil en kan terugkeren naar Marokko. Daarop heeft hij geantwoord dat hij niet wil terugkeren, omdat hij daar niets te eten en geen onderdak heeft. In de maatregel van bewaring heeft de minister geconcludeerd dat betrokkene in bewaring kan worden gesteld, gelet op de feiten en omstandigheden, de informatie van de Dienst Terugkeer en Vertrek en het gehoor voorafgaand aan de bewaring.
Hoewel niet uitdrukkelijk in de maatregel is gemotiveerd dat er geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat betrokkene in het land van bestemming een reëel risico zal lopen op de door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest verboden behandelingen, kan op grond van de bewoordingen van de motivering, waarin wordt verwezen naar het gehoor, worden aangenomen dat deze beoordeling hierin besloten ligt en op deze wijze voldoende kenbaar is. De rechtbank heeft dat niet onderkend.
15.2.
Daarnaast had de rechtbank op het tijdstip waarop zij de rechtmatigheid van de bewaring beoordeelde, ambtshalve moeten beoordelen of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestonden om aan te nemen dat betrokkene in het land van bestemming een reëel risico zou lopen op de door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest verboden onmenselijke en vernederende behandelingen.
Deze beoordeling heeft betrekking op de periode tot aan de sluiting van het onderzoek van de rechtbank, omdat de rechtbank de bewaring daarna heeft opgeheven. Het is de Afdeling op basis van het dossier, wat betrokkene heeft aangevoerd en de nadere schriftelijke inlichtingen niet gebleken dat in dit geval tot aan de sluiting van het onderzoek van de rechtbank, het zicht op uitzetting ontbrak omdat het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting verzette.
15.3.
De grief slaagt.
Conclusie van het hoger beroep
16.
Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dat wil zeggen voor zover de rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard en schadevergoeding heeft toegekend. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Beoordeling van het beroep
17.
Betrokkene betwist alle gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, namelijk de zware gronden 3a tot en met 3d, 3h en 3i, en de lichte gronden 4c en 4d. Betrokkene stelt dat deze gronden zich niet voordoen dan wel onvoldoende deugdelijk zijn gemotiveerd en niet aan hem tegengeworpen kunnen worden.
17.1.
De minister heeft terecht de zware grond 3a aan de maatregel ten grondslag gelegd. Betrokkene betwist namelijk niet dat hij in 2021 niet op de voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen. Deze grond heeft de minister feitelijk juist toegelicht. Dat betrokkene recentelijk door Duitsland overgedragen is met een laissez-passer, zoals hij stelt, doet daarom niet af aan deze feitelijk juiste toelichting. Ook heeft de minister terecht de zware grond 3b aan de maatregel ten grondslag gelegd, omdat zij feitelijk juist heeft toegelicht dat betrokkene tweemaal met onbekende bestemming is vertrokken. Dit volgt namelijk uit beide voornemens tot buitenbehandelingstelling van de door betrokkene ingediende asielaanvragen.
Deze twee gronden zijn samen voldoende om de maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 te dragen. Wat betrokkene over de andere gronden heeft aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking.
17.2.
De beroepsgrond faalt.
18.
Betrokkene betoogt verder dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat er adequate zorg is in het detentiecentrum Rotterdam terwijl hij psychisch ziek is, onder specialistische behandeling staat bij een psycholoog, verslavingsproblematiek heeft, aan zelfmutilatie doet en medicatie gebruikt die hij zelf niet bij zich heeft. De minister heeft volgens betrokkene ook niet inzichtelijk gemaakt of hij onder toezicht staat om te voorkomen dat hij zichzelf mutileert.
18.1.
De minister heeft deugdelijk gemotiveerd waarom de medische situatie van betrokkene geen reden is om een lichter middel dan bewaring toe te passen. Uit de maatregel van bewaring blijkt dat de minister de psychische en fysieke problemen van betrokkene kenbaar bij haar belangenafweging heeft betrokken. De minister heeft daarbij verwezen naar de verklaringen van betrokkene tijdens het gehoor voorafgaand aan de bewaring. Verder kan van de medische zorgverlening binnen het detentiecentrum Rotterdam worden gesteld dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Betrokkene heeft geen medische stukken overgelegd of op een andere manier aannemelijk gemaakt dat die in detentie beschikbare medische zorg in zijn geval niet toereikend is, dat hij niet in staat kan worden geacht de bewaring op verantwoorde wijze te ondergaan of dat zijn psychische omstandigheden in detentie door gebrek aan medische zorg zullen verslechteren.
18.2.
De beroepsgrond faalt.
Conclusie beroep
19.
De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het beroep is ongegrond. De Afdeling wijst daarom het verzoek om schadevergoeding af.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
- I.
verklaart het hoger beroep gegrond;
- II.
vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 11 april 2025 in zaak nr. NL25.13967, voor zover zij het beroep gegrond heeft verklaard en schadevergoeding heeft toegekend;
- III.
verklaart het beroep ongegrond;
- IV.
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2026
Bijlage
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
Artikel 4. Verbod van folteringen en van onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen
Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen
Artikel 19. Bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering
[…]
- 2.
Niemand mag worden verwijderd of uitgezet naar dan wel uitgeleverd aan een staat waarin een ernstig risico bestaat dat hij aan de doodstraf, aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen.
Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven
Artikel 5. Non-refoulement, belang van het kind, familie- en gezinsleven en gezondheidstoestand
Bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn houden de lidstaten rekening met:
- a)
het belang van het kind;
- b)
het familie- en gezinsleven;
- c)
de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land, en eerbiedigen zij het beginsel van non-refoulement.
Artikel 9. Uitstel van verwijdering
- 1.
De lidstaten stellen de verwijdering uit:
- a)
in geval deze in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement, of
[…]
Artikel 15. Bewaring
- 1.
Tenzij in een bepaald geval andere afdoende maar minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, kunnen de lidstaten de onderdaan van een derde land jegens wie een terugkeerprocedure loopt alleen in bewaring houden om zijn terugkeer voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren, met name indien:
- a)
er risico op onderduiken bestaat, of
- b)
de betrokken onderdaan van een derde land de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.
De bewaring is zo kort mogelijk en duurt niet langer dan de voortvarend uitgevoerde voorbereiding van de verwijdering.
- 2.
De inbewaringstelling wordt door een administratieve of rechterlijke autoriteit gelast.
De inbewaringstelling wordt schriftelijk gelast met opgave van de feitelijke en juridische gronden.
[…]
De betrokken onderdaan van een derde land wordt, als zijn bewaring niet rechtmatig is, onmiddellijk vrijgelaten.
[…]
- 4.
Indien blijkt dat er omwille van juridische of andere overwegingen geen redelijk vooruitzicht op verwijdering meer is, of dat de in lid 1 bedoelde omstandigheden zich niet meer voordoen, is de bewaring niet langer gerechtvaardigd en wordt de betrokkene onmiddellijk vrijgelaten.
Vreemdelingenwet 2000
Artikel 59
- 1.
Indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert kan, met het oog op de uitzetting, door Onze Minister in bewaring worden gesteld de vreemdeling die:
- a.
geen rechtmatig verblijf heeft;
[…]
Artikel 59b
- 1.
De vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, g of h, voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, kan door Onze Minister in bewaring worden gesteld, indien:
- a.
bewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling;
- b.
bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, met name indien er sprake is van een risico op onttrekking;
- c.
de vreemdeling:
- 1o.
in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn;
- 2o.
reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad; en
- 3o.
op redelijke gronden aangenomen kan worden dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen; of
- d.
de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde als bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel e, van de Opvangrichtlijn.
[…]
Vreemdelingenbesluit 2000
Artikel 5.2
- 1.
Voordat de vreemdeling op grond van artikel 59, 59a of 59b van de Wet in bewaring wordt gesteld, wordt hij gehoord.
- 2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien het voorafgaande gehoor van de vreemdeling niet kan worden afgewacht. In dat geval wordt de vreemdeling zo spoedig mogelijk na de tenuitvoerlegging van de bewaring gehoord.
- 3.
Van het gehoor wordt proces-verbaal opgemaakt.
- 4.
Aan de vreemdeling wordt tijdig mededeling gedaan van de hem toekomende bevoegdheid zich bij het gehoor te doen bijstaan door zijn raadsman.
Arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025, Adrar, ECLI:EU:C:2025:647.
- 42.
In casu blijkt evenwel uit de toelichting die door de verwijzende rechter is gegeven dat het hoofdgeding geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit of een ander besluit in het kader van terugkeer in de zin van artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 2008/115, maar op de rechtmatigheid van de inbewaringstelling van een illegaal verblijvende derdelander met het oog op diens verwijdering ter uitvoering van een definitief geworden terugkeerbesluit.
- 53.
Artikel 15, lid 1, van die richtlijn bepaalt dat, tenzij in een bepaald geval andere afdoende maar minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, de lidstaten de onderdaan van een derde land jegens wie een terugkeerprocedure loopt alleen in bewaring houden om zijn terugkeer voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren, met name indien er risico op onderduiken bestaat of indien deze derdelander de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. De bewaring is zo kort mogelijk en duurt niet langer dan de voortvarend uitgevoerde voorbereiding van de verwijdering.
- 56.
Het oordeel dat er een ‘redelijk vooruitzicht op verwijdering’ in de zin van artikel 15, lid 4, van richtlijn 2008/115 blijft bestaan, vereist dat op het tijdstip dat de rechtmatigheid van de bewaring door de nationale rechter wordt getoetst er, rekening houdend met de termijnen van artikel 15, leden 5 en 6, van die richtlijn, een werkelijk vooruitzicht bestaat dat de verwijdering kan slagen (zie in die zin arresten van 30 november 2009, Kadzoev, C-357/09 PPU, EU:C:2009:741, punt 65, en 5 juni 2014, Mahdi, C-146/14 PPU, EU:C:2014:1320, punt 60) en zonder dat ‘juridische overwegingen’ in de zin van die bepaling zich daartegen verzetten.
- 57.
Bijgevolg moet de bevoegde nationale autoriteit, in het kader van de in artikel 15 van richtlijn 2008/115 vastgestelde voorwaarden voor de rechtmatigheid van de bewaring, met name nagaan of er een redelijk vooruitzicht is op verwijdering van de illegaal verblijvende onderdaan van een derde land dan wel of dergelijke juridische overwegingen zich tegen zijn verwijdering verzetten.
- 58.
In dit verband wordt het begrip ‘juridische overwegingen’ niet gedefinieerd in richtlijn 2008/115. Gelet op de gebruikelijke betekenis ervan, moet worden geoordeeld dat het begrip betrekking heeft op elke rechtsregel die de lidstaten bij de verwijdering van een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land in acht moeten nemen.
- 59.
Dit geldt voor artikel 5 van richtlijn 2008/115, dat een algemene regel vormt die de lidstaten in acht moeten nemen bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn. Alle partijen en belanghebbenden die in de onderhavige zaak opmerkingen hebben ingediend, zijn het daar overigens mee eens.
- 60.
Artikel 5 van richtlijn 2008/115 verplicht de bevoegde nationale autoriteit met name om in alle stadia van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen, dat als grondrecht is gewaarborgd in artikel 18 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 33 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, zoals gewijzigd bij het Protocol betreffende de status van vluchtelingen, alsmede in artikel 19, lid 2, van het Handvest [arresten van 22 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Verwijdering — Medicinale cannabis), C-69/21, EU:C:2022:913, punt 55, en 17 oktober 2024, Ararat, C-156/23, EU:C:2024:892, punt 35].
- 61.
Volgens vaste rechtspraak verbiedt artikel 19, lid 2, van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 4 ervan, in absolute bewoordingen, ongeacht het gedrag van de betrokkene, verwijdering, uitzetting of uitlevering aan een staat waar een ernstig risico bestaat dat deze persoon aan de doodstraf, aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen. De lidstaten mogen een vreemdeling dan ook niet verwijderen, uitzetten of uitleveren wanneer er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat hij in het land van bestemming een reëel risico zal lopen op door deze twee bepalingen van het Handvest verboden behandelingen (arrest van 17 oktober 2024, Ararat, C-156/23, EU:C:2024:892, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
- 64.
De bevoegde nationale autoriteit moet namelijk met het beginsel van non-refoulement rekening houden in alle stadia van de procedure, vanaf het moment waarop een terugkeerbesluit wordt vastgesteld tot het moment waarop de uitvoering van dat besluit door de rechter wordt getoetst (zie in die zin arrest van 17 oktober 2024, Ararat, C-156/23, EU:C:2024:892, punt 46), ongeacht het gedrag van de betrokken derdelander en met name los van de vraag of hij dat besluit heeft betwist, zoals naar voren komt uit punt 61 van het onderhavige arrest.
- 65.
Bovendien moeten de lidstaten een dergelijke derdelander de mogelijkheid bieden om zich te beroepen op elke wijziging van de omstandigheden die zich na de vaststelling van het terugkeerbesluit heeft voorgedaan en die een aanzienlijke invloed kan hebben op de beoordeling van zijn situatie in het licht van met name artikel 5 van richtlijn 2008/115 (zie in die zin arrest van 17 oktober 2024, Ararat, C-156/23, EU:C:2024:892, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
- 66.
Hieruit volgt dat wanneer de bevoegde nationale autoriteit een bewaringsmaatregel met het oog op de verwijdering van een illegaal verblijvende derdelander moet gelasten, herzien of verlengen, zij dient na te gaan of het beginsel van non-refoulement zich niet verzet tegen zijn verwijdering.
- 72.
Gelet op het belang van het recht op vrijheid, de ernst van de inmenging in dat recht die voortvloeit uit de bewaring van personen om andere redenen dan de vervolging of bestraffing van strafbare feiten en de eis — die duidelijk naar voren komt in de door de Uniewetgever neergelegde gemeenschappelijke normen — om te zorgen voor een hoog niveau van rechtsbescherming waardoor wordt voldaan aan het absolute vereiste om de betreffende persoon in vrijheid te stellen wanneer niet of niet langer aan de voorwaarden voor de rechtmatigheid van de bewaring wordt voldaan, moet de bevoegde rechterlijke autoriteit bovendien rekening houden met alle haar ter kennis gebrachte, met name feitelijke, omstandigheden, zoals aangevuld of verduidelijkt in het kader van door haar naar nationaal recht nodig geachte procedurele maatregelen, en moet zij op basis daarvan, in voorkomend geval, de niet-naleving van een uit het Unierecht voortvloeiende rechtmatigheidsvoorwaarde vaststellen, ook al heeft de betrokkene daar niet op gewezen. Deze verplichting doet niet af aan de verplichting voor de rechterlijke autoriteit, die aldus een dergelijke rechtmatigheidsvoorwaarde ambtshalve aan de orde stelt, om elk van de partijen uit te nodigen om hun mening over deze voorwaarde kenbaar te maken overeenkomstig het beginsel van hoor en wederhoor [arrest van 8 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Ambtshalve toetsing van de bewaring), C-704/20 en C-39/21, EU:C:2022:858, punt 88].
- 73.
Om die redenen, en gelet op de in de punten 54 tot en met 66 van het onderhavige arrest genoemde redenen, moet worden geoordeeld dat de rechterlijke autoriteit die bevoegd is om toezicht te houden op de inbewaringstelling of de voortzetting van de bewaring van een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land, zich er zo nodig ambtshalve van moet vergewissen dat het beginsel van non-refoulement zich niet verzet tegen de verwijdering van die derdelander. Ingeval zij tot de slotsom komt dat dit beginsel zich verzet tegen de verwijdering, is zij overeenkomstig artikel 15, lid 2, vierde alinea, en lid 4, van richtlijn 2008/115 verplicht die derdelander onmiddellijk in vrijheid te stellen.
- 74.
Uit het voorgaande volgt ook dat een nationale regel of praktijk op grond waarvan de eerbiediging van het beginsel van non-refoulement slechts volledig kan worden onderzocht in het kader van een procedure inzake internationale bescherming, in strijd is met de artikelen 5 en 15 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 19, lid 2, van het Handvest. Deze richtlijn, met inbegrip van artikel 5 ervan, is immers van toepassing op elke illegaal verblijvende derdelander, ongeacht de redenen die aan die situatie ten grondslag liggen (zie in die zin arresten van 3 juni 2021, Westerwaldkreis, C-546/19, EU:C:2021:432, punt 45, en 17 oktober 2024, Ararat, C-156/23, EU:C:2024:892, punten 32 en 40).
- 75.
Anders dan de Nederlandse regering ter terechtzitting voor het Hof heeft betoogd, kan van GB dus niet worden verlangd dat hij een verzoek om internationale bescherming indient teneinde de volledige eerbiediging van het beginsel van non-refoulement als bedoeld in artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 19, lid 2, van het Handvest, te kunnen doen gelden (zie naar analogie arrest van 17 oktober 2024, Ararat, C-156/23, EU:C:2024:892, punt 41).
- 76.
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat de artikelen 5 en 15 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 6, artikel 19, lid 2, en artikel 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat een nationale rechter die de rechtmatigheid moet toetsen van de inbewaringstelling van een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land met het oog op diens verwijdering ter uitvoering van een definitief terugkeerbesluit, verplicht is om — zo nodig ambtshalve — na te gaan of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen die verwijdering.