Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/2.2.3.2
2.2.3.2 Overgang van afhankelijke rechten en nevenrechten
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS590629:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Van der Weijden 2007, p. 575; Wibier 2009a, nr. 12. Anders: Steffens 2006, p. 140. Zie hierna o.a. nr. 224 en 241.
Vanwege 'zaaksgevolg' (beperkte rechten); art. 1:439 BW, art. 3.6.1.4c Ontw.BW, art. 4:167 en 4:175 lid 2 BW (bewind; vgl. Schols, Blankman & Vegter 2004, p. 15); of art. 475h Rv (beslag).
Het Burgerlijk Wetboek kent echter verschillende uitzonderingen op deze regel, zoals de overgang van kwalitatieve rechten (art. 6:251 BW), de overgang van kwalitatieve verplichtingen (art. 6:252 BW), de overgang van huur (art. 7:226 BW) en de overgang van verzekering (art. 7:948 BW).
Op grond van de wet gaan kwalitatieve rechten, zoals rechten uit koop of verzekering, op de nieuwe schuldeiser over als aan de voorwaarden van art. 6:251 BW is voldaan.
Zie r.o. 3.4, HR 29 januari 1993, NJ 1994, 171 (Van Schaik q.q./ABN Amro), m.nt. PvS. Het geldt niet voor overeenkomsten die zijn aangegaan ten aanzien van de vordering, zoals koop, verzekering en lastgeving. Zie hierna hoofdstuk 7.
De genoemde nevenrechten zijn voorbeelden. Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 531; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 274. De overgang van nevenrechten zoals bedingen en overeenkomsten die nader de inhoud van de vordering bepalen, is eigen aan het soort goed (vorderingen).
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 531; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 274; Snijders & Rank-Berenschot 2007, nr. 47-49.
Zie o.a. Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 274; en Snijders & Rank-Berenschot 2007, nr. 49.
Zie o.a. N.E.D. Faber in zijn noot (sub 3.2) onder Hof 's-Gravenhage 6 februari 2007, JOR 2007/103. Anders: Rb. 's-Gravenhage 5 juli 2006, JOR 2007/53; en in navolging van deze uitspraak A.J. Verdaas in zijn noot onder dit vonnis; en Verdaas 2008a, nr. 419. Vgl. hierna nr. 309.
17. Op het moment van de stille cessie vindt ook de overgang van de afhankelijke rechten (art. 3:82 BW) en de overgang van de (overige) nevenrechten (art. 6:142 BW) plaats.1
Uit het goederenrechtelijke beginsel dat de rechtsverkrijger hetzelfde recht verkrijgt als zijn rechtsvoorganger is ook afgeleid dat de rechtsopvolger het goed verkrijgt met alle aan het goed verbonden voordelen en nadelen. Onder de aan het goed verbonden voordelen worden onder meer verstaan de bij het goed behorende afhankelijke rechten (art. 3:7 jo 3:82 BW).
Onder de aan het goed verbonden nadelen worden onder meer verstaan de lasten en beperkingen ten aanzien van het goed, zoals beperkte rechten en beslagen die op het goed rusten. Toegepast op de overgang van vorderingen betekent dit het volgende. Zijn aan de vordering afhankelijke rechten verbonden, zoals rechten van pand en hypotheek, dan gaan deze rechten met de vordering over en profiteert de nieuwe schuldeiser hiervan. Als op de vordering een recht van vruchtgebruik of een recht van pand is gevestigd, de vordering onder bewind is gesteld of daarop een beslag rust, is de rechtsverkrijger hieraan gebonden.2 Rechten en verplichtingen uit overeenkomsten ten aanzien van het goed gaan in beginsel niet op de nieuwe rechthebbende over. Overeenkomsten gelden alleen tussen degenen die partij zijn bij de overeenkomst.3 Hetzelfde geldt voor de overgang van vorderingen.4
Met de vordering gaan niet alleen de afhankelijke rechten over, maar ook de (andere) nevenrechten. Voor zover de inhoud van de vordering nader wordt bepaald door bedingen en overeenkomsten, zoals een arbitragebeding, een rechtskeuzebeding, een beding om de vordering vervroegd opeisbaar te maken, een rentebeding, een bewijsovereenkomst en een compromis (een 'arbitrageovereenkomst'), gaan de bedingen en overeenkomsten op grond van art. 6:142 BW als nevenrechten met de vordering over.5 Ook de rechten en bevoegdheden die de schuldeiser ontleent aan een rechterlijke uitspraak na een procedure, zoals de bevoegdheid om een executoriale titel ten uitvoer te leggen en een dwangsomveroordeling, zijn nevenrechten (art. 6:142 lid 1 BW). Hetzelfde geldt voor de aan de vordering verbonden voorrechten en de hiervoor genoemde zekerheidsrechten (art. 6:142 lid 1 BW). De opsomming is niet limitatief.6
Het begrip nevenrechten omvat meer dan het begrip afhankelijke rechten. Het begrip afhankelijk recht beperkt zich tot vermogensrechten (art. 3:6 BW).7 Het begrip nevenrecht bevat ook rechten die geen vermogensrechten zijn, zoals de bevoegdheid om een executoriale titel ten uitvoer te leggen en voorrechten. Het begrip nevenrechten is tegelijkertijd beperkter dan het begrip afhankelijke rechten, omdat nevenrechten alleen aan een vordering verbonden zijn, en afhankelijk rechten aan ieder goed verbonden kunnen zijn, zoals een recht van erfdienstbaarheid verbonden is aan een heersend erf.8 De afhankelijke rechten van een vordering, zoals rechten van pand en hypotheek, zijn steeds óók nevenrechten. Tussen de begrippen afhankelijke recht en nevenrecht bestaat derhalve overlap. Is een vermogensrecht niet een van een vordering afhankelijk recht, dan is het per definitie ook geen nevenrecht.9 In navolging van art. 3:7, 3:231 en 7:851 BW kan een nevenrecht worden gedefinieerd als een recht dat zodanig aan een voldoende bepaalbare bestaande of toekomstige vordering is verbonden, dat het niet zonder die vordering kan bestaan.