Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/2.2.3.5
2.2.3.5 Onderlinge rechtsverhouding
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS591840:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
In beginsel, omdat een overdracht onder opschortende of ontbindende voorwaarde mogelijk is. Aan een overdracht onder opschortende voorwaarde komt pas rechtsgevolg toe op het moment dat de opschortende voorwaarde is vervuld (vgl. art. 6:22 BW), waardoor de rechtsopvolger het goed pas verkrijgt op het moment dat de opschortende voorwaarde is vervuld. Aan een overdracht onder ontbindende voorwaarde komt direct rechtsgevolg toe; de rechtsverkrijger wordt door de overdracht direct de rechthebbende van het goed dat onder ontbindende voorwaarde aan hem wordt overgedragen. Hij wordt echter een rechthebbende onder dezelfde ontbindende voorwaarde waaronder het goed is overgedragen (art. 3:84 lid 4 BW). Dat betekent dat bij de vervulling van de ontbindende voorwaarde van rechtswege de retro-overgang van het goed plaatsvindt. In deze studie wordt het normale geval van overdracht tot uitgangspunt genomen en blijft de overdracht onder voorwaarde buiten beschouwing.
Bij de overgang van de vordering kan tussen de oude en de nieuwe schuldeiser een rechtsverhouding blijven bestaan, als de oude schuldeiser is gehouden om ten behoeve van de nieuwe schuldeiser bevoegdheden uit te oefenen, zoals een bevoegdheid tot opschorting.
20. De rechtsverhouding tussen de stille cedent en de stille cessionaris als oude respectievelijk nieuwe schuldeiser wordt bepaald door art. 6:143 BW en eventueel door de bepalingen van koop (art. 7:1 e.v. jo 7:47 BW). Zowel art. 6:143 BW als art. 7:1 jo 7:47 BW gaan uit van een openbare overgang of overdracht van de vordering.
Een kenmerk van de overgang van goederen is dat de overgang definitief is en voor onbepaalde tijd.1 De overgang is in beginsel ook onvoorwaardelijk.2 Na de overgang van het goed houdt de rechtsverhouding tussen de rechtsvoorganger en de rechtsverkrijger om die reden in beginsel op te bestaan.3 De regelingen in art. 6:143 BW en in art. 7:1 jo 7:47 BW (en vgl. voor verdeling art. 3:187 BW) nemen het definitieve en onvoorwaardelijke karakter van de overgang als uitgangspunt, door de oude rechthebbende te verplichten om de nieuwe rechthebbende in staat te stellen het door hem verworven recht jegens de schuldenaar en derden uit te kunnen oefenen en in te kunnen roepen.