Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/252
252 Codificatie; processueel en/of materieel belang
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS458292:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
In Cleveringa 1964, p. 230 noemt Cleveringa vier mogelijke gronden voor de ‘point d’intérêt, point d’action’-regel: 1. art. 2 Wet RO, 2. art. 1401 BW (de onrechtmatige daad), 3. een ongeschreven rechtsregel, welke deel uitmaakt van het stellige recht krachtens een bindende traditie en 4. een ongeschreven rechtsregel, welke deel uitmaakt van het stellige recht en hierin is opgekomen door de rechtscheppende werking van de rechtspraak. De derde optie is de heersende opvatting (Van der Wiel 2004, nr. 133). Zie onder andere D.J. Veegens in zijn noot onder HR 18 december 1964, ECLI:NL:HR:1964:AB5235, NJ 1965, 159 (Van Gaart-Spaan/Boendermaker); Van Baars 1971, p. 152-156 en 160; Verburgh 1974, p. 87; Van Nispen 1978, nr. 100; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2005/48. Ook Vriesendorp 1972, p. 198-199 kiest voor de derde optie, hoewel hij ook aandacht vraagt voor de vierde optie, omdat toch de rechter in belangrijke mate is betrokken bij de ontwikkeling van de ‘point d’intérêt, point d’action’-regel.
Van Baars, p. 160 en 165. Zie ook: Verburgh 1974, p. 87; Van Nispen 1978, nr. 100. Korthals Altes en Groen gaan uit van een processueel belang, maar merken op: “Dat eiser bij cassatie geen belang heeft omdat gegrondbevinding van enige klacht hem in het voorliggende geval geen baat brengt, verhindert de Hoge Raad overigens niet omtrent het aan de orde gestelde punt in overwegingen ten overvloede een beslissing te geven in verband met het belang van de voorgelegde rechtsvraag. Het kan daarom zinvol zijn een rechtsvraag aan de Hoge Raad voor te leggen, ook al heeft men daarbij in strikt processuele zin geen belang.” Asser Procesrecht/ Korthals Altes & Groen 7 2005/ 48. Anders: Vriesendorp 1972, p. 196-197.
Met het woord ‘vordering’ wordt bedoeld de rechtsvordering als processuele handeling waarbij een vorderingsrecht in rechte wordt ingeroepen. Art. 3:303 BW was daarom – ook voordat het hierboven genoemde arrest Frog/Floriade werd gewezen – van toepassing op de verzoekschriftprocedure. Jongbloed (Vermogensrecht), art. 3:303, aant. 5 en de daar genoemde jurisprudentie.
Van Baars 1971, p. 165; Verburgh 1974, p. 87.
PG Boek 3 (1981), p. 915. Overigens wordt in de toelichting ‘point d’intérêt, point d’action’ gezien als toepassing van artikel 7 van de Inleidende Titel (thans art. 3:12 BW over de redelijkheid en billijkheid). Rodenburg vermoedt dat dit een typefout is en bedoeld is het huidige art. 3:13 BW over misbruik van bevoegdheid. Zie Rodenburg, p. 76. Zie tevens Van der Wiel 2004, nr. 134 die meent dat ook zonder typefout art. 3:303 BW kan worden beschouwd als een bijzondere toepassing van art. 3:13 BW. De Hoge Raad besliste echter anders in het arrest Jeffrey (zie hieronder).
Van Baars 1971, p. 163.
Van Baars 1971, p. 162-164.
PG Boek 3 (1981), p. 915-916.
PG Boek 3 (1981), p. 916.
HR 9 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2735, NJ 1998, 853 (Jeffrey). Zie ook Lindijer 2006, nr. 546. Anders: A.R. Bloembergen in zijn noot in NJ 2000, 63 onder HR 5 november 1999, ECLI:NL: HR:1999:AA3358; Van der Wiel 2004, nr. 134; Van der Wiel 2005, p. 69. Volgens Van der Wiel staat onvoldoende belang niet naast misbruik, maar valt onvoldoende belang binnen misbruik.
Zie ook A-G Langemeijer in zijn conclusie voor HR 9 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2735, NJ 1998, 853 (Jeffrey) en de daar genoemde literatuur; Snijders/Wendels 2009, nr. 81.
Zie ook Van Baars 1971, p. 163-164; Van Nispen 1978, nr. 103.
Van Baars 1971, p. 164.
Het vereiste van voldoende belang was tot 1992 een ongeschreven regel.1 Van Baars komt tot de conclusie dat in deze ongeschreven regel met de term ‘belang’ werd bedoeld: het processuele belang bij het geding. Het vereiste van voldoende belang hield daarmee in: “geen processueel belang, geen rechtsingang”.2 Dit processuele belang (het belang bij de vordering of het verzoek)3 moet worden onderscheiden van het materiële belang: het recht dat door de vordering of het verzoek wordt gediend.4
Met de vastlegging van het adagium ‘point d’intérêt, point d’action’ in art. 3:303 BW beoogden de ontwerpers van het Nieuw Burgerlijk Wetboek niet meer dan aan te sluiten bij dat geldende (ongeschreven) recht, zo blijkt expliciet uit de parlementaire geschiedenis: “Ook deze regel is niet met zoveel woorden in de huidige wetgeving opgenomen en ook hier heeft de rechtspraak niettemin zich steeds naar deze regel gedragen. Point d’intérêt, point d’action. (…) Het is gewenst, dat in het ontwerp deze regel (…) thans wordt opgenomen.”5
Helaas volgt na deze duidelijke bedoeling van de wetgever een verdere, zeer verwarrende toelichting op art. 3:303 BW, die kan verleiden tot de opvatting dat het artikel ook ziet op een materieel belang.6 Meijers lijkt in zijn toelichting twee regels door elkaar te halen: de regel dat zonder processueel belang geen rechtsingang bestaat (‘point d’intérêt, point d’action’) en de regel dat de rechter niet met kleinigheden moet worden lastiggevallen (‘de minimis non curat praetor’).7 Dit ontlokte de vraag of het belang in art. 3:303 BW opgevat moet worden als processueel belang of materieel belang: “Het was enige leden opgevallen, dat in dit artikel wordt gesproken van “Zonder voldoende belang”, niet van: “Bij gebreke van enig belang”, of iets dergelijks. Het adagium luidt: “geen belang, geen actie”. Hoewel uit de toelichting (blz. 301(a)) niet blijkt van de opzet om ten opzichte van voornoemd adagium wijziging te brengen, vroegen deze leden zich toch af, of hier wellicht aan de rechter een grotere vrijheid wordt gegeven dan in de woorden “geen belang, geen actie” ligt opgesloten. Is ook hier wellicht een evenredigheidscriterium geïntroduceerd, gelijk in de laatstelijk aan artikel 8, lid 2, der inleidende titel gegeven formulering.”8
Wat volgt is een raadselachtig antwoord: “Het belang van de eiser moet voldoende zijn om de rechtsvordering die hij wenst in te stellen te rechtvaardigen. Het komt ondergetekende voor dat dit criterium [een onevenredigheidscriterium, EG] hier terecht wordt voorgeschreven. Hij vestigt er de aandacht op dat het met dat van artikel 8 lid 2 van de Inleidende Titel niet samenvalt, reeds omdat het hier niet alleen gaat om de afweging van de belangen van de betrokken partijen tegen elkaar, maar ook om de eisen van een behoorlijke procesvoering en het belang van de rechtspleging in het algemeen, waarop de rechter zelfs ambtshalve heeft te letten; men zie HR 30 maart 1951, NJ 1952 no. 29.”9
Volgens deze toelichting zou zowel bij misbruik als bij onvoldoende belang een belangenafweging op grond van het evenredigheidscriterium plaatsvinden. Verschil tussen misbruik en onvoldoende belang zou zijn dat bij misbruik alleen de belangen van partijen tegen elkaar worden afgewogen, terwijl bij onvoldoende belang ook de eisen van een behoorlijke procesvoering en het belang van de rechtspleging meewegen. ‘Onvoldoende belang’ zou neerkomen op een wat meer aangeklede variant van ‘misbruik’. De in het cassatiemiddel in de zaak Jeffrey10verdedigde opvatting dat onvoldoende belang een toepassing van misbruik is, leek dan ook niet op voorhand onjuist. De Hoge Raad besliste echter: “Tekst noch strekking van voormelde bepalingen biedt steun voor deze opvatting. Die steun is ook niet te vinden in de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepalingen (zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 916).” Een verzoeker tot het doen houden van een voorlopig getuigenverhoor kan naar mijn mening onvoldoende belang hebben bij zijn verzoek zonder dat sprake hoeft te zijn van misbruik.11 In dat geval wordt aan een beoordeling van misbruik niet toegekomen, omdat de rechter het verzoek reeds op grond van onvoldoende belang dient af te wijzen.
Naar mijn mening moet de toelichting, voor zover die ziet op een materieel belang, worden beschouwd als een vergissing.12 Het meest overtuigende argument hiervoor is dat Meijers in zijn toelichting voorop gesteld heeft dat met art. 3:303 BW slechts de vastlegging van het op een processueel belang ziende ‘point d’intérêt, point d’action’ is beoogd. De oorzaak van de vergissing zal, zo meen ik met Van Baars, zijn gelegen in de paradoxaal lijkende situatie dat het belang bij de vordering alleen gevonden kan worden door een beoordeling van het gevorderde: “Voor het beoordelen of het belang bij het rechtsmiddel aanwezig is, zagen we zojuist, moet de rechter kijken naar de situatie die voor de eiser ontstaat bij (gedeeltelijke) toewijzing van het gevorderde. Een zodanige beoordeling kan hij alleen maar maken door zich globaal op de hoogte te stellen van de gehele ten principale gestelde kwestie. Alléén op basis daarvan is het vereiste belang te controleren.”13