Met dien verstande dat de Hoge Raad niet toelaat dat een anonymus zonder bekendmaking van zijn ware persoonsgegevens rechtsmiddelen aanwendt. Zie voetnoot 13 hieronder.
HR, 04-02-2025, nr. 23/00900
ECLI:NL:HR:2025:135
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-02-2025
- Zaaknummer
23/00900
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:135, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑02‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:925
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2023:1050
ECLI:NL:PHR:2024:925, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 10‑09‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:135
Beroepschrift, Hoge Raad, 29‑09‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0042
NJ 2025/91 met annotatie van A.J. Machielse
Uitspraak 04‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Vervoeren van 16 kilo cocaïne (art. 2.B Opiumwet) en 2,8 kilo henneptoppen (art. 3.B Opiumwet), aanwezig hebben van 18 kilo hennep (art. 3.C Opiumwet), voorhanden hebben van wapens en munitie (art. 26.1 WWM), voorhanden hebben van valse identiteitsbewijzen en rijbewijzen (art. 231.2 Sr) en opzetheling van 55 beamers (art. 416.1.a Sr). Tenaamstelling vonnis Rb. Kon hof de verdachte op naam van A, zich eerder in procedure uitgevende als B, veroordelen, nu hij in eerste aanleg ten onrechte op naam van B is berecht en veroordeeld? In een geval als dit, waarin in hoger beroep is komen vast te staan dat in eerste aanleg a.g.v. persoonsverwisseling het vonnis is gesteld op naam van andere persoon dan persoon op wie vervolging daadwerkelijk betrekking heeft, moet hof dat vonnis (in ieder geval wat betreft tenaamstelling van vonnis) vernietigen. Als in zo’n geval komt vast te staan wat werkelijke naam is van persoon op wie vervolging betrekking heeft, staat geen rechtsregel eraan in de weg dat hof zijn arrest op die naam stelt. Nu hof heeft vastgesteld dat in h.b. verschenen persoon met naam A, persoon is op wie vervolging daadwerkelijk betrekking heeft omdat het deze persoon is die in deze zaak als verdachte is aangehouden en op wie strafzaak betrekking heeft, getuigt ‘s hofs oordeel dat (onder vernietiging van vonnis in e.a.) arrest op naam kan worden gesteld van “A, zich eerder in procedure uitgevende als B”, niet van onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel niet onbegrijpelijk. HR merkt op dat, als vonnis in eerste aanleg a.g.v. persoonsverwisseling is gesteld op naam van andere persoon dan persoon op wie vervolging daadwerkelijk betrekking heeft, het in de rede ligt dat rechter het nodige in het werk stelt om te voorkomen dat, na hiervoor bedoelde aanpassing van tenaamstelling van uitspraak, onjuiste gegevens in overheidsregistraties blijven staan. Dat kan bijvoorbeeld door OM op te dragen om, als het o.g.v. art. 6:1:1.2 Sv uitspraak van rechter aan minister verstrekt, aandacht van minister te vestigen op noodzaak dat registratie van veroordeling door Rb in betreffende zaak ten name van die andere persoon wordt verwijderd. HR zal in deze zaak het OM opdragen dit te doen. Volgt verwerping met opdracht aan OM om aandacht van minister te vestigen op noodzaak dat registratie van veroordeling door Rb ten name van B wordt verwijderd.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00900
Datum 4 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 maart 2023, nummer 23-002521-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
zich eerder in de procedure uitgevende als:
[B] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Y. Moszkowicz, advocaat in Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof de verdachte niet had mogen veroordelen nu hij in eerste aanleg ten onrechte op naam van [B] is berecht en veroordeeld.
2.2.1
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 februari 2023 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig zijn schriftelijke pleitnotities die aan het hof zijn overgelegd. Deze pleitnotities houden onder meer in:
“Primair: Verkeerde persoon gedagvaard(...)18. In het arrest van de Hoge Raad van 4 september 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BX4153) is overwogen:“(...) 2.7. Opmerking verdient dat ingeval bij het onderzoek ter terechtzitting twijfel rijst over de vraag of de als verdachte ter terechtzitting verschenen persoon de in de dagvaarding bedoelde verdachte is, de rechter kan overgaan tot het (doen) verrichten van een nader onderzoek naar diens identiteit zoals omschreven in art. 273 in verbinding met art. 27a Sv alsmede art. 29a Sv. Ingeval de rechter van oordeel is dat degene die ter terechtzitting is verschenen, niet de verdachte is, kan hij overgaan tot het verlenen van verstek tegen de alsdan afwezige verdachte, dan wel de aanwezige raadsman indien deze op de voet van art. 279 Sv uitdrukkelijk is gemachtigd de verdediging te voeren, in de gelegenheid stellen het woord te voeren namens de niet-verschenen verdachte. Wat betreft de procedure in hoger beroep kan daaraan nog worden toegevoegd dat de appelrechter degene die als verdachte is gedagvaard dient vrij te spreken indien komt vast te staan dat het vonnis in eerste aanleg te zijnen laste is gewezen doch dat het daarin als bewezen aangenomene door een ander is begaan.”
19. In HR 21 juni 1994, DD 94.398 is overwogen dat wat betreft de procedure in hoger beroep, de appelrechter degene die als verdachte is gedagvaard dient vrij te spreken indien komt vast te staan dat het vonnis in eerste aanleg te zijnen laste is gewezen doch dat het daarin als bewezen aangenomene door een ander is begaan.
20. Gelet hierop is slechts één conclusie mogelijk. Vastgesteld kan worden dat de verdachte niet de heer [B] , maar [verdachte] is. Hij is ten onrechte in het vonnis als [B] veroordeeld. Op basis van de jurisprudentie moet onder die omstandigheden vrijspraak volgen van alle ten laste gelegde feiten.
21. Ik ga uw Hof op grond van het voorgaande dan ook primair verzoeken cliënt van alle feiten vrij te spreken.”
2.2.2
Het hof heeft het aangevoerde als volgt verworpen:
“Identiteit verdachteDe verdachte heeft zich bij zijn aanhouding op 12 december 2018 gelegitimeerd met een identiteitskaart van [betrokkene] . De verdachte is na de voorgeleiding onderworpen aan een zuil voor identiteitsvaststelling (de zogenoemde BVID-zuil). Nadat de vingerafdrukken waren afgenomen bleek uit het systeem dat de vingerafdrukken behoren bij [B] . De eerder opgegeven identiteit bleek vals te zijn. De verdachte heeft de naam [B] opgegeven bij het verhoor vlak na de aanhouding op 12 december 2018. Dit is ook de naam die de verdachte heeft opgegeven op de terechtzitting bij de rechtbank Amsterdam op 12 juni 2019 en de naam die is opgegeven bij het instellen van hoger beroep.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard niet [B] te zijn, maar [verdachte] . Het hof heeft naar aanleiding van die verklaring de advocaat-generaal verzocht uit te zoeken wat de werkelijke identiteit van de verdachte is. Uit het nadere onderzoek is gebleken dat in januari 2020 een blonde Poolse man die opgaf te zijn [B] , geboren op [geboortedatum] 1982, aangifte heeft gedaan van identiteitsfraude. De Poolse autoriteiten hebben een identiteitsbewijs met foto van [B] verstrekt waarop een blonde man stond. Van [verdachte] hebben de Poolse autoriteiten geen identiteitsbewijs verstrekt. De Poolse autoriteiten hebben echter wel onderzoek gedaan bij de vermeende moeder van [verdachte] , die na met een foto van een donkerharige man te zijn geconfronteerd, heeft bevestigd dat dit haar zoon was.
Op de terechtzitting van 16 juni 2021 heeft het hof de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris teneinde de identiteit van de verdachte te vergelijken met de identiteit van [B] .
Vervolgens is een DNA-onderzoek verricht waaruit blijkt dat het DNA-profiel van de verdachte een match heeft met een DNA-profiel waarover eerder gerapporteerd is op 8 februari 2012 en behoort bij [B] .
Het hof heeft gelet op het voorgaande geen enkele twijfel over de identiteit van de verdachte in die zin dat de verdachte [verdachte] is. Vast staat dat hij, verdachte, degene is die op 12 december 2018 is aangehouden. Nader onderzoek naar de identiteit van de verdachte acht het hof gelet op het voorgaande niet noodzakelijk. Het (voorwaardelijke) verzoek van de raadsman wordt afgewezen.”
2.3.1
Op grond van de vaststellingen van het hof kan in cassatie van het volgende worden uitgegaan. De verdachte heeft zich bij eerder DNA-onderzoek en gedurende de strafzaak verschillende keren uitgegeven als [B] . Deze naam heeft de verdachte onder meer opgegeven bij zijn eerste verhoor bij de politie, tijdens de terechtzitting in eerste aanleg en bij het instellen van hoger beroep. De verdachte is in eerste aanleg op naam van [B] gedagvaard en het vonnis van de rechtbank is op die naam gesteld. Op de eerste terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat zijn naam [verdachte] is en niet [B] . Die bewering heeft hij op latere terechtzittingen in hoger beroep herhaald. Er is nader onderzoek verricht naar de werkelijke identiteit van de verdachte in deze zaak, op grond waarvan het hof geen enkele twijfel erover heeft dat de verdachte [verdachte] is en niet de naam [B] draagt. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de verdachte op naam van “ [verdachte] , zich eerder in de procedure uitgevende als [B] ”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftig maanden voor verschillende misdrijven, waaronder het voorhanden hebben van valse identiteitsbewijzen en rijbewijzen.
2.3.2
In een geval als dit, waarin in hoger beroep is komen vast te staan dat in eerste aanleg als gevolg van een persoonsverwisseling het vonnis is gesteld op naam van een andere persoon dan de persoon op wie de vervolging daadwerkelijk betrekking heeft, moet het hof dat vonnis – in ieder geval wat betreft de tenaamstelling van het vonnis – vernietigen. Als in zo’n geval komt vast te staan wat de werkelijke naam is van de persoon op wie de vervolging betrekking heeft, staat geen rechtsregel eraan in de weg dat het hof zijn arrest op die naam stelt.
2.3.3
Nu het hof heeft vastgesteld dat de in hoger beroep verschenen persoon met de naam [verdachte] , de persoon is op wie de vervolging daadwerkelijk betrekking heeft omdat het deze persoon is die op 12 december 2018 in deze zaak als verdachte is aangehouden en op wie de strafzaak betrekking heeft, getuigt het oordeel van het hof dat – onder vernietiging van het vonnis in eerste aanleg – het arrest op naam kan worden gesteld van “ [verdachte] , zich eerder in de procedure uitgevende als [B] ”, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel niet onbegrijpelijk.
2.4
Opmerking verdient het volgende. Als het vonnis in eerste aanleg als gevolg van een persoonsverwisseling is gesteld op de naam van een andere persoon dan de persoon op wie de vervolging daadwerkelijk betrekking heeft, ligt het in de rede dat de rechter het nodige in het werk stelt om te voorkomen dat, na de onder 2.3.2 bedoelde aanpassing van de tenaamstelling van de uitspraak, onjuiste gegevens in overheidsregistraties blijven staan. Dat kan bijvoorbeeld door het openbaar ministerie op te dragen om, als het op grond van artikel 6:1:1 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) de uitspraak van de rechter aan de minister verstrekt, de aandacht van de minister te vestigen op de noodzaak dat de registratie van de veroordeling door de rechtbank in de betreffende zaak ten name van die andere persoon wordt verwijderd. De Hoge Raad zal in deze zaak het openbaar ministerie opdragen dit te doen.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- draagt het openbaar ministerie op om, als het op grond van artikel 6:1:1 lid 2 Sv de uitspraak van de rechter aan de minister verstrekt, de aandacht van de minister te vestigen op de noodzaak dat de registratie van de veroordeling door de rechtbank, parketnummer 13/702813-18, ten name van [B] wordt verwijderd;
- verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien, C. Caminada, T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2025.
Conclusie 10‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Middelen over 1) de verwerping van een verweer m.b.t. de tenaamstelling van het vonnis (vonnis is gewezen tegen persoon A, maar verdachte stelt in h.b. dat hij niet persoon A is, maar persoon B), 2) afwijzing (voorwaardelijk) verzoek nader onderzoek naar identiteit van verdachte, 3) strafmotivering, 4) verwerping verweren die strekken tot bewijsuitsluiting. Middel 1 slaagt, overige middelen falen. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/00900
Zitting 10 september 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 1 maart 2023 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, 2. “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel”, 3. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd”, 4. “een reisdocument of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben, waarvan hij weet, dat het vals is” en 5. “opzetheling”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftig maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van een aantal in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Y. Moszkowicz, advocaat in Utrecht, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
De middelen
3. Het eerste middel bevat een klacht over de verwerping van een verweer met betrekking tot de tenaamstelling van het vonnis. Het tweede middel bevat een klacht over de afwijzing van het verzoek tot het instellen van onderzoek naar de identiteit van de verdachte. Het derde middel is gericht tegen de strafmotivering. Het vierde middel klaagt over de verwerping van een tweetal verweren strekkende tot bewijsuitsluiting op grond van onherstelbare vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv.
De bewezenverklaring
4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“1. hij op 12 december 2018 te [plaats] en [plaats] opzettelijk heeft vervoerd 16,65 kilo van een materiaal bevattende cocaïne;
2. hij op 12 december 2018 te [plaats] en/of te [plaats] opzettelijk heeft vervoerd 2,8 kilogram henneptoppen en opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 18,3 kilogram hennep en een hoeveelheid hasjiesj, ongeveer 95,5 gram;
3. hij op 12 december 2018 te [plaats] wapens en munitie van categorieën II en III voorhanden heeft gehad, te weten:
a) een wapen van categorie II, te weten pepperspray en
b) een wapen van categorie III, te weten een gas/alarm pistool (merk: Bruni mod. P4) en
c) munitie van categorie III, te weten harde knalpatronen en pepperspraypatronen en
d) een wapen van categorie III, althans een onderdeel van een wapen van categorie III, zijnde een patroonmagazijn (merk: Smith & Wesson):
4. primair
hij op 12 december 2018 te [plaats] en/of te [plaats] voorhanden heeft gehad valse reisdocument en identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, te weten
- een Pools identiteitskaart met [nummer 1] , op naam van [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1986 en
- een Pools rijbewijs met [nummer 2] , op naam van [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1986,
- twee Poolse identiteitskaarten met [nummer 3] op naam van [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] en
- een Pools Rijbewijs met [nummer 4] en op naam van [betrokkene 3] , geboren op [geboortedatum] 2017,
waarvan verdachte wist dat het vals was, bestaande die valsheid hierin dat,
betreffende de Poolse identiteitskaart met [nummer 1] , op naam van [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1986, t.o.v. een origineel document:
- de basisbedrukking van de identiteitskaart niet is gedrukt, maar is geprint,
- de identiteitskaart niet is voorzien van een doorzichtregister,
- de identiteitskaart niet is voorzien van optisch variabele inkt,
- de variabele persoons- en afgiftegegevens en de pasfoto's van de houder niet middels lasergravure zijn aangebracht maar zijn geprint,
- de identiteitskaart is voorzien van een afwijkende ultraviolette reactie,
en betreffende het Poolse rijbewijs met [nummer 2] , op naam van [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1986, t.o.v. een origineel document:
- de basisbedrukking van het rijbewijs is niet gedrukt maar geprint,
- de bedrukking van het rijbewijs bevat geen microtekst,
- de fluorescentie van het rijbewijs wijkt bij ultraviolet licht wijkt af,
- het rijbewijs is niet voorzien van optisch variabele inkt,
en betreffende twee Poolse identiteitskaarten met [nummer 3] , op naam van [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] , t.o.v. een origineel document:
- de basisbedrukking van beide identiteitskaarten zijn niet gedrukt maar zijn geprint,
- de identiteitskaarten zijn niet voorzien van optisch variabele inkt,
- de variabele persoons- en afgiftegegevens en de pasfoto's van de houder zijn niet middels lasergravure aangebracht maar zijn geprint,
- beide identiteitskaarten zijn voorzien van afwijkende ultraviolette reactie,
en betreffende het Pools Rijbewijs met [nummer 4] en op naam van [betrokkene 3] , geboren op [geboortedatum] 2017, t.o.v. een origineel document:
- de basisbedrukking van het rijbewijs is niet gedrukt maar is geprint,
- het rijbewijs is niet voorzien van een doorzichtregister,
- het rijbewijs is voorzien van een niet-originele folie,
- het rijbewijs is niet voorzien van optisch variabele inkt,
- de fluorescentie van het rijbewijs wijkt bij ultraviolette licht af,
- het rijbewijs is niet voorzien van een watermerk;
5. hij op 12 december 2018 te [plaats] 55 beamers (merk: Epson) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het door diefstal verkregen goederen betrof.”
Het eerste middel
5. In het eerste middel wordt geklaagd dat het hof het namens de verdachte gevoerde verweer, inhoudende dat hij in eerste aanleg ten onrechte als [betrokkene 2] is berecht en veroordeeld, ten onrechte heeft verworpen, dan wel heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
De relevante stukken van het geding
6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 15 februari 2023 houdt onder meer het volgende in:
“De raadsman deelt mee:
Ik heb mijn cliënt geadviseerd zich op zijn zwijgrecht te beroepen.
Ik heb overigens een verzoek voordat de feiten worden besproken. De raadsheer-commissaris heeft de opdracht gekregen de identiteit van de ter terechtzitting verschenen verdachte te vergelijken met de identiteit van [betrokkene 2] . De raadsheer-commissaris heeft vervolgens een opdracht aan het openbaar ministerie gegeven en daaruit is het DNA-rapport van het NFI voortgekomen. Daarin staat dat de referentiemonsters van één en dezelfde persoon zouden kunnen zijn. Dit levert op zich weer onduidelijkheid op en die onduidelijkheid moet weggenomen worden. Als het standpunt van mijn cliënt wordt bevestigd en het dus verschillende personen betreft dan wordt de situatie juridisch complex. De rechtbank heeft geen onderzoek gelast naar de identiteit. De persoon die hier zit heeft mogelijk ten onrechte vastgezeten. Het is in zijn belang en het belang van de rechtspleging dat dit nader wordt onderzocht. Mijn cliënt heeft DNA afgegeven onder de naam [betrokkene 2] . Dat zou kunnen verklaren dat zijn DNA geregistreerd is onder de naam [betrokkene 2] , terwijl dat dus niet juist is. Ik verzoek het hof de persoon [betrokkene 2] te laten opsporen. Er is een onderzoek naar hem geweest. Ik verzoek een kopie van het dossier van dat onderzoek te voegen in dit dossier. Ik verzoek daarnaast de echte [betrokkene 2] te onderwerpen aan dactyloscopisch onderzoek zodat dit nadien vergeleken kan worden met de dactyloscopische sporen van mijn cliënt.
De advocaat-generaal deelt mee:
Dit onderzoek is mijns inziens niet noodzakelijk. De man die destijds is aangehouden is de meneer die voor ons zit. De twijfel die er was zat in de naam die bij de verdachte hoorde. Bij de aanhouding is een vals identiteitsbewijs overgelegd; dat van [betrokkene 1] . Vervolgens blijkt op basis van de vingerafdrukken dat hij onder de naam [betrokkene 2] in de systemen van politie geregistreerd staat. De naam [verdachte] wordt niet genoemd. Hij heeft telkens gezegd [betrokkene 2] te zijn. In hoger beroep is de verdachte genaamd [verdachte] . Daar is vervolgens weer onderzoek naar gedaan. Er is DNA afgegeven op naam van [betrokkene 2] en dat DNA matcht met het DNA van [verdachte] . Wat mij betreft hoeft er geen enkele twijfel te zijn over de identiteit van de verdachte. De persoon die is aangehouden is degene die voor ons zit en die [verdachte] heet.
Het onderzoek ter terechtzitting wordt onderbroken voor beraad in raadkamer.
Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof mee:
- het verzoek tot dactyloscopisch onderzoek wordt afgewezen. Niet ter discussie staat dat de persoon die ter terechtzitting is verschenen de persoon is die is aangehouden. Van hem is DNA afgenomen en hij heeft zich eerder bij de politie uitgegeven als [betrokkene 2] , hetgeen de verdachte heeft erkend. De verdachte bedient zich thans van de naam [verdachte] . Er is DNA-materiaal van de verdachte onder beide namen geregistreerd. Gelet hierop bestaat geen noodzaak tot nader onderzoek;
- het verzoek tot voeging van het dossier van een onderzoek van de echte [betrokkene 2] wordt eveneens afgewezen nu de noodzaak daartoe ontbreekt.
De voorzitter deelt mee dat de feiten zullen worden besproken en vraagt de verdachte wat zijn proceshouding zal zijn.
De verdachte verklaart:
Ik beroep mij op mijn zwijgrecht.
De advocaat-generaal deelt mee gelet op de proceshouding van de verdachte geen vragen te hebben voor de verdachte.
De raadsman vraagt de verdachte of hij [verdachte] of [betrokkene 2] is.
De verdachte verklaart:
Ik ben [verdachte] .
(…)
De raadsman voert het woord ter verdediging aan de hand van zijn schriftelijke pleitnotities, die aan het hof wordt overgelegd en die in het dossier wordt gevoegd.”
7. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota d.d. 15 februari 2023 heeft de verdediging aldaar onder meer het volgende aangevoerd:
“1. De identiteit van cliënt speelt een cruciale rol in deze zaak. De zaak valt of staat daarmee.
2. De identiteit van de verdachte is van belang voor de vraag of uw Hof tot een bewezenverklaring kan komen in de zaak tegen deze verdachte. De identiteit is van belang voor de vraag naar welke straf moet worden opgelegd, waarbij u rekening dient te houden met de Justitiële Documentatie van de verdachte. Ook daarover bestaat in het dossier geen absolute zekerheid, waardoor het risico bestaat dat uw Hof, in geval van een bewezenverklaring, zich buigt over een JD dat onjuist en/of niet accuraat is. Over de JD van cliënt zij nog het volgende opgemerkt. Voorafgaand aan een eerdere zitting ontving de verdediging, ineens een JD dat ziet op [verdachte] . Tot daarvoor is de verdediging maandenlang opgezadeld geweest met een onjuiste JD.
De persoon [verdachte] .
3. Er is reeds in eerste aanleg aangevoerd dat de identiteit van cliënt (in eerste aanleg steevast aangeduid met [betrokkene 2] ) ter discussie stond. Dat verweer is telkenmale herhaald op alle tussentijdse zittingen die in appel hebben plaatsgehad. Het belang om de zaak aan te houden is daarmee ook wel gegeven.
4. Ik zal datgene wat reeds is aangevoerd niet allemaal herhalen, maar het is voor de verdediging wel cruciaal om de hoofdlijnen daarvan in het kort te bespreken.
5. Voor de goede orde: cliënt is niet [betrokkene 2] , maar [verdachte] . De verdediging heeft op 19 augustus 2019 een gemotiveerd opheffingsverzoek van de voorlopige hechtenis ingediend bij uw Hof. Uw Hof is ermee bekend dat in dat verzoek is aangegeven dat cliënt door de rechtbank is veroordeeld onder de naam [betrokkene 2] (dat vonnis is gewezen op 26 juni 2019), en dat het standpunt van de verdediging was dat cliënt zonder geldige titel in voorlopige hechtenis verbleef. Ter onderbouwing van deze stellingen is reeds toen informatie overgelegd op basis waarvan die conclusie moest worden getrokken (die informatie is als bijlage aan dat verzoek van 19 augustus gehecht), en ter onderbouwing van die stelling is ook reeds toen uitvoerig geput uit parlementaire geschiedenis en jurisprudentie.
(…)
10. Met het voorgaande wil ik aantonen dat de rotsvaste overtuiging van uw Hof bij de verdediging de nodige vraagtekens heeft opgeroepen. In de visie van de verdediging kan er geen enkele twijfel meer bestaan dat mijn cliënt niet [betrokkene 2] is. Om dat duidelijk te maken zal ik enkele belangrijke stukken bespreken.
11. Om met dit laatste punt direct te beginnen: onderzoek naar de vingerafdrukken heeft aangetoond dat het hier ging om [verdachte] . Laten we daar goed bij stilstaan: vergelijkingsonderzoek, te weten het vaststellen van de identiteit door middel van vingerafdrukken, is ingesteld en heeft opgeleverd dat het ging om [verdachte] . Er was dus geen match met [betrokkene 2] . Zijn het niet juist de opsporingsinstanties die vingerafdrukken gebruiken om te achterhalen aan wie de vingerafdruk toebehoort? Is het niet juist het Openbaar Ministerie dat doorgaans veel waarde hecht wanneer sprake is van een ‘match’ met een verdachte, op basis van een vingerafdruk?
12. Op basis van het aanvullend onderzoek is slechts één conclusie mogelijk. Cliënt is [verdachte] . Cliënt is niet [betrokkene 2] . Cliënt is ten onrechte zijnde [betrokkene 2] berecht en veroordeeld. Dat moet consequenties hebben voor de berechting van mijn cliënt.
13. Indien uw Hof twijfelt of het standpunt van de verdediging opgeld doet, althans twijfelt over de identiteit van de verdachte die thans terecht staat, dan verzoek ik uw Hof de zaak aan te houden en nader onderzoek te gelasten naar de identiteit van de verdachte. Op grond van art. 273 jo. art. 27a Sv – en eveneens op grond van art. 29a jo art. 27a Sv – dient de rechter de identiteit van de verdachte vast te stellen door te vragen naar naam, voornamen, geboorteplaats, geboortedatum, gba-adres en feitelijk adres. Indien twijfel bestaat over de identiteit van de verdachte is de rechter bevoegd nader onderzoek te (laten) doen omtrent de identiteit van de verdachte. In art. 29a lid 2 Sv is bepaald dat de verdachte verplicht is mee te werken aan dergelijk onderzoek. De artt. 273 Sv en 29a Sv zijn ook van toepassing in hoger beroep.
14. Uw Hof begrijpt: indien u overweegt om het verweer van de verdediging niet over te nemen, dan is nader onderzoek naar de identiteit van de verdachte absoluut noodzakelijk. In een zaak als deze, waarbij cliënt in eerste aanleg ten onrechte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 50 maanden, kan een relatief eenvoudig verzoek als het (laten) doen van nader onderzoek naar de identiteit van de verdachte niet achterwege blijven indien de resultaten van aanvullend onderzoek cruciaal zijn voor de vaststelling van de identiteit van de verdachte die thans terecht staat.
15. Ik zal, in het navolgende, stilstaan bij belangrijke passages uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie, op basis waarvan vastgesteld moet worden wat die vaststelling juridisch voor consequentie zal moeten hebben.
(…)
18. In het arrest van de Hoge Raad van 4 september 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BX4153) is overwogen:.
"(...) 2.7. Opmerking verdient dat ingeval bij het onderzoek ter terechtzitting twijfel rijst over de vraag of de als verdachte ter terechtzitting verschenen persoon de in de dagvaarding bedoelde verdachte is, de rechter kan overgaan tot het (doen) verrichten van een nader onderzoek naar diens identiteit zoals omschreven in art. 273 in verbinding met art. 27a Sv alsmede art: 29a Sv. Ingeval de rechter van oordeel is dat degene die ter terechtzitting is verschenen, niet de verdachte is, kan hij overgaan tot het verlenen van verstek tegen de alsdan afwezige verdachte, dan wel de aanwezige raadsman indien deze op de voet van art. 279 Sv uitdrukkelijk is gemachtigd de verdediging te voeren, in de gelegenheid stellen het woord te voeren namens de niet-verschenen verdachte. Wat betreft de procedure in hoger beroep kan daaraan nog worden toegevoegd dat de appelrechter degene die als verdachte is gedagvaard dient vrij te spreken indien komt vast te staan dat het vonnis in eerste aanleg te zijnen laste is gewezen doch dat het daarin als bewezen aangenomene door een ander is begaan.”
19. In HR 21 juni 1994, DD 94.398 is overwogen dat wat betreft de procedure in hoger beroep, de appelrechter degene die als verdachte is gedagvaard dient vrij te spreken indien komt vast te staan dat het vonnis in eerste aanleg te zijnen laste is gewezen doch dat het daarin als bewezen aangenomene door een ander is begaan.
20. Gelet hierop is slechts één conclusie mogelijk. Vastgesteld kan worden dat de verdachte niet [betrokkene 2] , maar [verdachte] is. Hij is ten onrechte in het vonnis als [betrokkene 2] veroordeeld. Op basis van de jurisprudentie moet onder die omstandigheden vrijspraak volgen van alle ten laste gelegde feiten.”
8. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 15 februari 2023 vervolgt met het woord van de raadsman:
“(…)
(bij punt 13/14)
Het is een fout van de rechtbank geweest dat zij dit onderzoek niet heeft gelast. Door dit onderzoek niet te gelasten is het vonnis op een naam gewezen die niet de naam van de verdachte is. Het vonnis kan niet worden aangepast, dat kan alleen met een herziening. De naam waarop gedagvaard is in hoger beroep kan niet zomaar worden aangepast. Het was anders geweest als er geen vonnis zou zijn geweest.
(bij punt 20)
Het DNA-rapport van 2 november 2021 biedt niet de gewenste duidelijkheid. Ik wil daarom dat de werkelijke [betrokkene 2] wordt opgespoord zodat absolute duidelijkheid wordt verkregen. Er kan dactyloscopisch onderzoek worden verricht. Dat is minder ingrijpend dan DNA-onderzoek. Ik herhaal de zojuist genoemde problematiek rond de uittreksels uit de Justitiële Documentatie. De persoon op de dagvaarding is niet [verdachte] . De persoon die vermeld staat in het vonnis ook niet. In het perspectief van de jurisprudentie van de Hoge Raad dient vrijspraak te volgen.
(…)
De advocaat-generaal voert het woord in repliek:
De raadsman zegt dat de rechtbank een fout heeft begaan door geen onderzoek te doen naar de identiteit van de verdachte. Ik heb daar moeite mee. In hoger beroep komt voor het eerst de naam [verdachte] naar voren. Er zijn vingerafdrukken afgenomen en die behoorde bij de naam [betrokkene 2] . Wat voor aanknopingspunten waren er op dat moment om nader onderzoek te doen? Hij heeft nu een oproeping ontvangen op naam van [verdachte] . Het snijdt geen hout wat de verdediging wat dat betreft naar voren brengt.
De officier van justitie heeft gezegd: vooralsnog ga ik ervan uit dat de verdachte inderdaad [betrokkene 2] is. Er zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die maken dat ik hieraan moet twijfelen. Het is niet zo dat vanaf het begin de naam [verdachte] is genoemd. Dat is pas in hoger beroep aan de orde gekomen.
(…)
De raadsman voert het woord in dupliek:
(…) Ik herhaal het verzoek tot nader onderzoek in het kader van de identiteit.”
9. Het bestreden arrest van het hof d.d. 1 maart 2023 houdt, voor zover thans relevant, het volgende in (met weglating van de voetnoten):
“Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 juni 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-702813-18 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
adres: [a-straat 1] , [plaats] ,
zich eerder in de procedure uitgevende als:
[betrokkene 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982. (…)
Identiteit verdachte
De verdachte heeft zich bij zijn aanhouding op 12 december 2018 gelegitimeerd met een identiteitskaart van [betrokkene 1] . De verdachte is na de voorgeleiding onderworpen aan een zuil voor identiteitsvaststelling (de zogenoemde BVID-zuil). Nadat de vingerafdrukken waren afgenomen bleek uit het systeem dat de vingerafdrukken behoren bij [betrokkene 2] . De eerder opgegeven identiteit bleek vals te zijn. De verdachte heeft de naam [betrokkene 2] opgegeven bij het verhoor vlak na de aanhouding op 12 december 2018. Dit is ook de naam die de verdachte heeft opgegeven op de terechtzitting bij de rechtbank Amsterdam op 12 juni 2019 en de naam die is opgegeven bij het instellen van hoger beroep.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard niet [betrokkene 2] te zijn, maar [verdachte] . Het hof heeft naar aanleiding van die verklaring de advocaat-generaal verzocht uit te zoeken wat de werkelijke identiteit van de verdachte is. Uit het nadere onderzoek is gebleken dat in januari 2020 een blonde Poolse man die opgaf te zijn [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 1982, aangifte heeft gedaan van identiteitsfraude. De Poolse autoriteiten hebben een identiteitsbewijs met foto van [betrokkene 2] verstrekt waarop een blonde man stond. Van [verdachte] hebben de Poolse autoriteiten geen identiteitsbewijs verstrekt. De Poolse autoriteiten hebben echter wel onderzoek gedaan bij de vermeende moeder van [verdachte] , die na met een foto van een donkerharige man te zijn geconfronteerd, heeft bevestigd dat dit haar zoon was.
Op de terechtzitting van 16 juni 2021 heeft het hof de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris teneinde de identiteit van de verdachte te vergelijken met de identiteit van [betrokkene 2] .
Vervolgens is een DNA-onderzoek verricht waaruit blijkt dat het DNA-profiel van de verdachte een match heeft met een DNA-profiel waarover eerder gerapporteerd is op 8 februari 2012 en behoort bij [betrokkene 2] . Het hof heeft gelet op het voorgaande geen enkele twijfel over de identiteit van de verdachte in die zin dat de verdachte [verdachte] is. Vast staat dat hij, verdachte, degene is die op 12 december 2018 is aangehouden. Nader onderzoek naar de identiteit van de verdachte acht het hof gelet op het voorgaande niet noodzakelijk. Het (voorwaardelijke) verzoek van de raadsman wordt afgewezen.”
De bespreking van het eerste middel
Inleiding: verwisseling van personen (of namen)
10. De voorliggende zaak draait om de vraag of sprake is van een persoonsverwisseling of (slechts) van een naamsverwisseling. Ik zal uitleggen wat ik daarmee bedoel.
11. Het strafrecht vindt toepassing op personen, ongeacht hun naam. Dat wil zeggen dat het er in het strafrecht om gaat dat wanneer het OM besluit om strafvervolging in te stellen hij dit doet tegen degene die wordt verdacht van het onderwerpelijke strafbare feit. Het gaat erom dat degene die wordt berecht en ten laste van wie uitspraak wordt gedaan tevens degene is tegen wie het OM de strafvervolging heeft ingesteld, en dat – indien een straf of maatregel wordt opgelegd – diezelfde persoon deze straf of maatregel ondergaat. Het doet er in het strafrecht dus niet werkelijk toe of van de persoon die aan strafvervolging wordt onderworpen überhaupt persoonsgegevens bekend zijn (een NN),1.dan wel of deze persoon op enig moment tijdens het strafgeding een naamswijziging heeft ondergaan. Evenmin is van belang of exact dezelfde persoonsgegevens bij toeval ook van toepassing zijn op een ander individu. In verschillende stadia van het strafgeding kunnen zich echter persoonsverwisselingen voordoen. Naargelang de fase waarin en wijze waarop dit plaatsvindt, moeten daaraan verschillende rechtsgevolgen worden verbonden.2.
12. Bij nadere uitwerking van het voorgaande kan onderscheid worden gemaakt tussen (ten minste) de volgende mogelijke personen die als subject van identiteitsonderzoek als bedoeld in artikel 27a Sv bij het strafproces betrokken zijn:
(1). degene ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit (de verdachte in de zin van artikel 27 lid 1 Sv), oftewel de vermoedelijke dader (die als zodanig is aangehouden);
(1a). degene die (na zijn aanhouding aansluitend) in verzekering is gesteld en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;
(2). degene tegen wie de vervolging is gericht (de verdachte in de zin van artikel 27 lid 2 Sv), oftewel degene tegen wie de inleidende dagvaarding is uitgebracht (de vervolgde persoon);
(2a). degene op wiens naam de inleidende dagvaarding is gesteld;
(2b). degene voor wie de inleidende dagvaarding is bestemd c.q. aan wie die ‘in persoon’ is uitgereikt;
(3). degene die (eventueel) ter terechtzitting is verschenen (c.q. aldaar vertegenwoordigd is);
(4). degene ten laste van wie een rechterlijke beslissing is gewezen;
(4a). degene op wiens naam de rechterlijke beslissing is gesteld;
(5). degene die (eventueel) beroep tegen de hiervoor genoemde rechterlijke beslissing heeft ingesteld (dan wel heeft doen instellen), ongeacht de rechtsgeldigheid daarvan.
Zonder moeite valt deze reeks uit te breiden tot bijvoorbeeld ‘persoon 6’: degene ten laste van wie een vrijheidsstraf (of andere straf of maatregel) ten uitvoer wordt gelegd.3.Bovendien kan de reeks van mogelijke subjecten van identiteitsonderzoek worden aangevuld met personen die mutatis mutandis betrokken zijn in het geding in hoger beroep en in de fase van cassatie. Idealiter zijn al deze mogelijke personen (rollen) verenigd in één persoon. Bij discrepanties spreken we al snel van een ‘persoonsverwisseling’.
13. Om individuen als zodanig te onderscheiden en te identificeren wordt in het maatschappelijk verkeer gebruikgemaakt van namen en andere persoonsgegevens (personalia). De tenaamstelling van de dagvaarding is in het strafgeding een belangrijk ijkpunt. Die moet zodanig zijn dat een vergissing omtrent de identiteit van de gedagvaarde persoon (persoon 2) redelijkerwijs is uitgesloten.4.Zo’n tenaamstelling steunt echter uitsluitend op informatie over de identiteit van de vermoedelijke dader (persoon 1) die beschikbaar is op het moment van het opstellen van de dagvaarding; die informatie kan op een later moment onjuist blijken te zijn. Volstrekte zekerheid over de accuratesse van de personalia die worden gekoppeld aan een vermoedelijke dader, kan – in weerwil van de verruimde onderzoeksbevoegdheden die de wetgever heeft toegekend bij de Wet identiteitsvaststelling5.– niet worden verkregen, zelfs niet als met het oog hierop bijvoorbeeld van ieder kind reeds bij de geboorte DNA-materiaal wordt afgenomen en verwerkt (omdat ook dán nog de mogelijkheid van een persoonsverwisseling bestaat).
14. Deze zaak draait om verwisselingen van personen vanwege de (eventuele) opgave van een valse naam. Dit is het moment om nóg een persoon te introduceren. Dat is ‘persoon 0’, oftewel de onschuldige (in de woorden van Hofstee: “de pechvogel”)6.die in werkelijkheid schuilgaat achter een door een persoon 1, 3 of 5 valselijk opgegeven naam.7.In voorkomende gevallen kan persoon 0 dus in mijn systematiek worden gelijkgesteld met (bijvoorbeeld) persoon 2a, persoon 4a en/of persoon 5.
De feiten in deze zaak
15. In cassatie moet – overeenkomstig ’s hofs in zoverre onbestreden oordeel – worden aangenomen dat degene die ter terechtzitting van het hof is verschenen (en die cassatie heeft doen instellen) in werkelijkheid is genaamd [verdachte] (voor het leesgemak gebruik ik hier steeds de initialen). [verdachte] is degene die op 12 december 2018 door de politie is aangehouden (en hij is daardoor in cassatie onbetwist persoon 1). Uit ’s hofs in cassatie onbestreden vaststellingen vloeit verder voort dat [verdachte] bij zijn aanhouding heeft opgegeven te zijn genaamd [betrokkene 1] . Bij verificatie bleek echter dat zijn vingerafdrukken overeenkwamen met die van een persoon die was geregistreerd onder de naam [betrokkene 2] . Vervolgens heeft [verdachte] opgegeven te zijn genaamd [betrokkene 2] . Op die naam is de aan hem uitgereikte dagvaarding gesteld. [verdachte] is in eerste aanleg verschenen. Het vonnis is op naam van [betrokkene 2] gewezen. Onder de naam [betrokkene 2] heeft [verdachte] vanuit de p.i. waarin hij voor deze zaak was gedetineerd, hoger beroep doen instellen. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep heeft hij een verklaring afgelegd waarin hij stelt [verdachte] te zijn.
16. Het hof heeft geen aanleiding gezien om [verdachte] , die klaarblijkelijk onder opgave van valse persoonsgegevens hoger beroep heeft ingesteld tegen een vonnis dat op naam van [betrokkene 2] is gewezen, in dat hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.8.Naar ik het hof begrijp, is dat omdat niet ter discussie staat dat het vonnis ten laste van hem is gewezen. Het door het hof gewezen, thans bestreden arrest is daarentegen gesteld op de naam van [verdachte] , “zich eerder in de procedure uitgevende als:" [betrokkene 2] . [betrokkene 2] is een bestaande persoon (persoon 0) die in Polen aangifte heeft gedaan van identiteitsfraude.
17. In het voorgaande ligt als ’s hofs oordeel besloten dat de aangehouden, vermoedelijke dader (persoon 1) tevens degene is die ter terechtzitting in eerste en tweede aanleg is verschenen (persoon 3, in twee instanties), en tevens degene is die hoger beroep heeft ingesteld (persoon 5). Dat geldt overigens ook voor het instellen van cassatieberoep. Naar ik begrijp worden deze oordelen thans in cassatie niet aangevochten. Het gaat om de vraag of het hof terecht c.q. op goede gronden heeft aangenomen dat de vermoedelijke dader kan worden gelijkgesteld met persoon 2 (de vervolgde persoon) en persoon 4 (de persoon ten laste van wie het vonnis is gewezen). Zoals gezegd heeft het hof vastgesteld van wél en heeft het volstaan met een dienovereenkomstige aanpassing van de tenaamstelling van het veroordelend arrest.
De cassatieklacht
18. Hoewel de steller van het middel zulks niet expliciteert, berust zijn bezwaar tegen de door het hof toegepaste naamcorrectie op het argument dat de tenaamstellingen van de dagvaarding, respectievelijk van het vonnis doorslaggevend zijn voor de vaststelling van de identiteit van persoon 2, respectievelijk persoon 4. Dergelijke vaststellingen lenen zich in hoger beroep dus niet voor correctie. Het hof had [verdachte] overeenkomstig het ter terechtzitting gevoerde verweer dienen vrij te spreken, aldus de steller van het middel, want persoon 4 is (volgens hem) niet persoon 1.
Discussie
19. Opgemerkt zij dat dit betoog een contradictie bevat: in de eerste plaats gaat de steller van het middel er kennelijk zelf ook van uit dat het vonnis ten laste van [verdachte] is gewezen. Zijn klacht houdt immers in dat hijzelf ten onrechte onder de naam [betrokkene 2] is berecht en veroordeeld. Ware dat anders, dan had hij ook niet geldig hoger beroep kunnen instellen (alleen persoon 4 kan dat),9.en zeker niet met gebruikmaking van de naam van een ander ( [betrokkene 2] ). Bovendien is het – meeliftend op de door de steller van het middel ingeslagen weg – niet [verdachte] die zou moeten worden vrijgesproken, maar [betrokkene 2] (persoon 0). En dat is niet zijn cliënt (dat is immers persoon 1). Ik maak hieruit verder op (maar dát verdedigt de steller van het middel uiteraard niet) dat justitie dan maar helemaal opnieuw moet beginnen met de strafvervolging van een persoon die stelselmatig valse namen opgeeft. En hoewel in feitelijke aanleg wel is aangevoerd, is in cassatie niet aan de orde dat een titel voor de toepassing van voorlopige hechtenis zou ontbreken.
20. Naar mijn opvatting valt voor de door het hof in deze zaak toegepaste naamcorrectie veel te zeggen. Wanneer de feitenrechter in voorkomende gevallen met zoveel woorden vaststelt dat de door mij onderscheiden personen 1, 2, 3, 4 en 5 (in casu, voor zover van toepassing, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep) identiek zijn, bestaat tegen een – rechterlijke – correctie van de tenaamstelling van de veroordeling weinig bezwaar (aldus ook Knigge),10.en m.i. (anders dan Knigge) ná vernietiging van het vonnis: óók in hoger beroep.11.De feitenrechter stelt in zo’n geval alleen maar vast wat van meet af aan realiteit was: persoon 1 is gedagvaard en tweemaal berecht. Dit klemt temeer wanneer de gerezen onduidelijkheid omtrent de juiste naam van persoon 1 geheel op diens conto kan worden bijgeschreven en mogelijk zelfs strekte tot het frustreren van een ordentelijke procesgang.
21. Bij de toepassing van naamcorrectie wordt persoon 1 in zo’n geval niet tekortgedaan, want hem viel een inhoudelijke behandeling van zijn zaak in twee feitelijke instanties ten deel. De naamcorrectie is bovendien het minst belastend voor persoon 0. Tenzij het hof persoon 0 direct vrijspreekt, bespaart naamcorrectie persoon 0 zo nodig een procedure over herziening (bij de Hoge Raad) en een procedure in herziening (bij de rechter naar wie de Hoge Raad de zaak bij eventuele gegrondverklaring van zijn herzieningsverzoek heeft verwezen).12.Bovendien bespaart het hem een op zijn naam gestelde vrijspraak (die bij derden argwaan kan oproepen en in elk geval op ongewenste momenten tot voor hem vervelende vragen kan leiden).
Rechtspraak van de Hoge Raad: ‘de naamsleer’
22. Het voorgaande beschrijft echter niet de door de Hoge Raad uitgestippelde koers. In HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4153, NJ 2012/507, oordeelde de Hoge Raad dat onduidelijkheid over de identiteit van een ter terechtzitting bij het hof verschenen verdachte ten laste van wie een vonnis is gewezen, niet gelijkgesteld kan worden met het geval waarin een rechtsmiddel is ingesteld door of namens een anonieme verdachte.13.Daarna overwoog de Hoge Raad ten overvloede (vetdruk mijnerzijds):
“2.7. Opmerking verdient dat ingeval bij het onderzoek ter terechtzitting twijfel rijst over de vraag of de als verdachte ter terechtzitting verschenen persoon de in de dagvaarding bedoelde verdachte is, de rechter kan overgaan tot het (doen) verrichten van een nader onderzoek naar diens identiteit zoals omschreven in art. 273 in verbinding met art. 27a Sv alsmede art. 29a Sv. Ingeval de rechter van oordeel is dat degene die ter terechtzitting is verschenen, niet de verdachte is, kan hij overgaan tot het verlenen van verstek tegen de alsdan afwezige verdachte, dan wel de aanwezige raadsman indien deze op de voet van art. 279 Sv uitdrukkelijk is gemachtigd de verdediging te voeren, in de gelegenheid stellen het woord te voeren namens de niet-verschenen verdachte. Wat betreft de procedure in hoger beroep kan daaraan nog worden toegevoegd dat de appelrechter degene die als verdachte is gedagvaard dient vrij te spreken indien komt vast te staan dat het vonnis in eerste aanleg te zijnen laste is gewezen doch dat het daarin als bewezen aangenomene door een ander is begaan (…).”
23. De Hoge Raad verwijst in deze uitspraak naar HR 21 juni 1994, DD 94.398. Daarin zijn de contouren van de door mij aangehaalde rechtspraak inderdaad reeds zichtbaar.14.De Hoge Raad liet in deze uitspraken nog onvermeld welke gegevens leidend zijn voor de vraag welke persoon precies ‘de in de dagvaarding bedoelde verdachte’ (persoon 2) is, alsook wie degene is ‘te wiens laste het vonnis is gewezen’ (persoon 4), maar de hiernavolgende rechtspraak voorzag daarin wel.
24. In HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3552, ging het om een geval waarin (vermoedelijk) persoon 0, op wiens naam het vonnis was gesteld (dat wil zeggen: persoon 0 is identiek aan persoon 4a), zich ter terechtzitting in hoger beroep had gemeld (dus hij is ook persoon 3 in hoger beroep). De in hoger beroep niet-verschenen, indertijd door de politie aangehouden persoon 1 kon in deze zaak worden gelijkgesteld met persoon 1a, die in voorlopige hechtenis had verbleven, alsook met persoon 2b, aan wie de inleidende dagvaarding was uitgereikt, met persoon 3, die ter terechtzitting in eerste aanleg was verschenen, en met persoon 5, die het hoger beroep had ingesteld.
Het hof had echter, nadat het zich ervan had vergewist dat het OM door middel van een correctie in de justitiële documentatie zou toezien op de behartiging van de belangen van persoon 0,15.de niet-ontvankelijkheid van het door persoon 1 ingestelde hoger beroep uitgesproken. Persoon 0 had tegen dit arrest niettemin om principiële redenen cassatieberoep ingesteld, stellende dat de persoon op wiens naam de dagvaarding was uitgebracht in het strafproces als de verdachte heeft te gelden (kort gezegd: persoon 2 = persoon 2a; persoon 4 = persoon 4a).
25. Nadat A-G Hofstee had geconcludeerd dat persoon 0 in zijn cassatieberoep kon worden ontvangen en dat het arrest moest worden vernietigd, casseerde de Hoge Raad het bestreden arrest dienovereenkomstig met de volgende overwegingen (vetdruk mijnerzijds):
“2.3. Vooropgesteld moet worden dat de appelrechter degene die als verdachte is gedagvaard dient vrij te spreken indien komt vast te staan dat het vonnis in eerste aanleg te zijnen laste is gewezen doch het daarin als bewezen aangenomene door een ander is begaan (vgl. HR 21 juni 1994, DD 94.398). Daarbij verdient opmerking dat degene op wiens naam het vonnis staat, moet worden aangemerkt als degene ten wiens laste dat vonnis is gewezen.
2.4.
Blijkens ’s Hofs overwegingen bestaat gerede twijfel met betrekking tot de vraag of degene die verdacht wordt van het begaan van de onderhavige misdrijven, "onder de juiste identiteit en personalia is gedagvaard". Daarin ligt besloten dat tevens gerede twijfel bestaat of degene op wiens naam het vonnis is gesteld, degene is die het in dat vonnis als bewezen aangenomene heeft begaan.
2.5.
Gelet hierop had het in de rede gelegen dat het Hof het resultaat van het kennelijk nog niet afgeronde identiteitsonderzoek had afgewacht om ingeval op grond daarvan als vaststaand zou moeten worden aangenomen dat degene op wiens naam het vonnis staat, niet degene is die het bewezenverklaarde heeft begaan, hem vrij te spreken van het tenlastegelegde.
2.6.
Uit het vorenoverwogene volgt dat de Hof de verdachte – dus degene op wiens naam het vonnis staat – in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard op gronden welke die beslissing niet kunnen dragen.”
26. In rechtsoverweging 2.3 brengt de Hoge Raad thans onomwonden tot uitdrukking dat als persoon 4, dat wil zeggen degene ten laste van wie een rechterlijke beslissing is gewezen, moet worden aangemerkt: persoon 4a, dat wil zeggen degene op wiens naam de rechterlijke beslissing is gesteld. Rechtsoverweging 2.3 en 2.4 laten m.i. ook zien dat als persoon 2, dat wil zeggen degene tegen wie de vervolging is gericht, moet worden aangemerkt: persoon 2a, dat wil zeggen degene op wiens naam de inleidende dagvaarding is gesteld.
27. Ten slotte neemt de Hoge Raad tevens tot uitgangspunt dat persoon 2 moet worden gelijkgesteld met persoon 4. Kortom degene tegen wie de vervolging is aangevangen (lees: degene op wiens naam de inleidende dagvaarding is gesteld) moet tevens degene zijn ten laste van wie het vonnis is gewezen (lees: degene op wiens naam het vonnis is gesteld). Anders lag “gerede twijfel (…) of degene op wiens naam het vonnis is gesteld, degene is die het in dat vonnis als bewezen aangenomene heeft begaan” niet besloten in “gerede twijfel met betrekking tot de vraag of degene die verdacht wordt van het begaan van de onderhavige misdrijven, ‘onder de juiste identiteit en personalia is gedagvaard’”.
28. Dat laatste, de gelijkstelling van de vervolgde persoon met de persoon ten laste van wie het vonnis is gewezen (‘persoon 2 = persoon 4’ bij wijze van norm), vloeit in principe uiteraard al rechtstreeks voort uit de systematiek van het strafproces. Dagvaarding en vonnis markeren de aanvang en het einde van één en dezelfde procedure tegen één en dezelfde persoon. Waar het mij nu om gaat is dat naar het oordeel van de Hoge Raad in beide gevallen de tenaamstelling beslissend is (persoon 2/2a = persoon 4/4a). Het vonnis moet worden gesteld op naam van de persoon op wiens naam de inleidende dagvaarding is gesteld. De vaststelling van de persoon die is gedagvaard en de vaststelling van de persoon ten laste van wie het vonnis of arrest is gewezen, dient dus naar het oordeel van de Hoge Raad uitsluitend te berusten op de tenaamstelling (en niet op andere gegevens, zoals het antwoord op de vraag voor wie de inleidende dagvaarding werkelijk is bestemd, persoon 2b). Ik noem deze door de Hoge Raad omarmde rechtsopvatting ‘de naamsleer’. Over de mogelijkheid van correcties hierop heeft de Hoge Raad zich tot nog toe niet uitgelaten.16.
De consequenties van de naamsleer
29. In een door de naamsleer gedomineerde wereld is het strafproces kwetsbaar voor individuen die het verifiëren van hun identiteit al dan niet bewust compliceren. Wat betreft de tenaamstelling van de dagvaarding laat een eenmaal ingezette koers zich (behoudens het herstel van kennelijke verschrijvingen) alleen nog corrigeren door het intrekken van de dagvaarding (zolang dat vóór het uitroepen van de zaak nog mogelijk is) en het uitbrengen van een nieuwe, verbeterde dagvaarding. Vrijspraak van persoon 017.en het instellen van een strafvervolging tegen persoon 1 (hetgeen in de naamsleer niet wordt verhinderd door het in artikel 68 Sr verankerde ‘ne bis in idem’-beginsel)18.vormen na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting de enige remedie tegen een persoonsverwisseling, aangenomen dat de identiteit van persoon 1 inmiddels wél accuraat kan worden vastgesteld. Een herhaling van zetten is tenslotte niet ondenkbaar.
30. In het verlengde hiervan ligt overvloedige rechtspraak naar aanleiding van verzoeken tot de herziening van onherroepelijke vonnissen en arresten die (onterecht) ten name van een ‘persoon 0’ zijn gewezen.19.Indien het aangevoerde omtrent de identiteit van de persoon ten laste van wie het vonnis of arrest is gewezen naar het oordeel van de Hoge Raad als een novum kan worden aangemerkt, leidt de gegrondverklaring van het herzieningsverzoek in het daaropvolgende proces voor de rechter naar wie de Hoge Raad de zaak heeft verwezen nagenoeg altijd – in overeenstemming met de naamsleer – tot vrijspraak.
Conclusie
31. Hoe ikzelf in deze materie ‘sta’, heb ik uiteengezet onder de randnummers 20 en 21. Naar mijn mening is de door het hof toegepaste naamcorrectie zeer verdedigbaar, ware het niet dat de gevestigde rechtspraak van de Hoge Raad hiervoor op dit moment geen ruimte laat. Aangezien het hof als vaststaand heeft aangenomen dat degene op wiens naam het vonnis staat ( [betrokkene 2] ), niet degene is die het bewezen verklaarde heeft begaan, had het hof aanleiding moeten zien voor vrijspraak. ’s Hofs andersluidende opvatting getuigt dus (als ik de rechtspraak van de Hoge Raad goed begrijp) van een onjuiste rechtsopvatting.
32. Het middel is terecht voorgesteld.
Het tweede middel
33. Met het tweede middel wordt geklaagd dat het hof het voorwaardelijk verzoek20.van de raadsman om nader onderzoek te gelasten naar de identiteit van de (thans) verzoeker tot cassatie, heeft afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen.
34. Blijkens de toelichting op het tweede middel kan volgens de steller ervan niet worden gezegd dat het onderzoek naar de identiteit van de (thans) verzoeker tot cassatie “zodanig zorgvuldig heeft plaatsgevonden” dat de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden hebben geleid tot een sluitende verificatie van zijn identiteit. In de cassatieschriftuur worden door de steller van het middel verschillende argumenten aangedragen (p. 16-17). Zo wordt onder meer betoogd dat bij het afnemen van de vingerafdrukken een identiteitsverwisseling kan hebben plaatsgevonden, dat aan de verklaring van de betrokkene geen doorslaggevend belang kan worden toegekend omdat het bij de vaststelling van de identiteit van een verdachte moet gaan om objectiveerbare gegevens en dat de vermeende moeder van [verdachte] weliswaar is geconfronteerd met een foto van haar zoon, maar dat het maar de vraag is of dat daadwerkelijk zijn echte moeder betreft.
De bespreking van het tweede middel
35. Omtrent zijn identiteit stelde de verzoeker van cassatie ter terechtzitting van het hof, daarin bijgevallen door zijn raadsman, dat hij in werkelijkheid [verdachte] is genaamd. Het hof heeft in zijn arrest overwogen dat het “geen enkele twijfel [heeft] over de identiteit van de verdachte in die zin dat de verdachte [verdachte] is”. Naar de reden waarom het hof – middels nader verificatieonderzoek – nog méér van deze (positieve) identificatie moest worden overtuigd dan het al was, heb ik in de toelichting op het middel tevergeefs gezocht.
36. Het tweede middel faalt bij gebrek aan enig (voor de Hoge Raad kenbaar) rechtens te respecteren belang.
Het derde middel
37. Het derde middel klaagt dat het hof bij de bepaling van de strafmaat de justitiële documentatie ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.
De strafmotivering
38. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 15 februari 2023, houdt voor zover thans relevant, het volgende in.
“De voorzitter houdt samengevat het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 1 februari 2023 op naam van [verdachte] voor.
De advocaat-generaal deelt mee:
De vraag is wat op het uittreksel staat bij de verdachte hoort en wat bij de echte [betrokkene 2] hoort. De matchingsautoriteit heeft daar een en ander over gezegd. Ik verwijs naar het e-mailbericht van 29 oktober 2020. De echte [betrokkene 2] is pas in 2017 in Nederland opgedoken. Ik weet niet of dat een identificatie was of een aanhouding. De verdachte kan in ieder geval verklaren welke feiten hem betreffen en welke niet. In het e-mailbericht van 29 oktober 2020 staat opgenomen welke feiten hoogstwaarschijnlijk correct op het uittreksel van [betrokkene 2] staan weergegeven en welke bij [verdachte] horen.
De raadsman deelt mee:
Ik wil nog iets onder de aandacht brengen ter onderbouwing van het verzoek tot nader onderzoek naar de identiteit van de verdachte. Stel dat het hof mijn cliënt veroordeelt. In het kader van de strafmaat dient het hof rekening te houden met het uittreksel uit de Justitiële Documentatie. In dit geval hebben we twee uittreksels, die van [betrokkene 2] en die van [verdachte] . Het hof heeft een probleem als het zonder nader onderzoek verder gaat met het onderzoek. Als het hof arrest wijst en de zaak aan de Hoge Raad wordt voorgelegd dan wordt de zaak teruggewezen. Er zijn strafzaken op naam van [betrokkene 2] geregistreerd, mogelijk ten onrechte. Niet alleen in het belang van mijn cliënt, maar ook in het belang van [betrokkene 2] dient nader onderzoek te volgen.
De advocaat-generaal deelt mee:
Alle zaken zijn vergeleken. Over één zaak die op naam van [betrokkene 2] staat, bestaat onduidelijkheid. Bij de overige zaken niet. De dossiers zouden moeten worden opgevraagd om duidelijkheid te krijgen. Dit staat beschreven in het e-mailbericht van 29 oktober 2020 dat ik eerder heb benoemd.
(…)
De advocaat-generaal vraagt of de veroordelingen van 17 oktober 2015 en 3 november 2016 als genoemd op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie op naam van [betrokkene 2] de verdachte betreffen.
De verdachte verklaart:
Ik beroep mij op mijn zwijgrecht.
(…)
De raadsman voert het woord in dupliek:
Ik denk dat het contra legem is om geen rekening te houden met de Justitiële Documentatie. Het hof dient rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.”
39. In het bestreden arrest d.d. 1 maart 2023 heeft het hof ten aanzien van de strafmaat, voor zover thans relevant, het volgende overwogen:
“Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
(…)
Het hof slaat geen acht op de uittreksels uit de Justitiële Documentatie van de verdachte en van [betrokkene 2] , nu het hof niet met voldoende mate van zekerheid kan vaststellen welke feiten aan de verdachte en welke aan de daadwerkelijke [betrokkene 2] toegeschreven kunnen worden. Nader onderzoek in dit kader acht het hof niet noodzakelijk."
De bespreking van het derde middel
40. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat de keuze van het hof om het justitiële verleden van zowel de verdachte als [betrokkene 2] buiten beschouwing te laten, onbegrijpelijk zou zijn gelet op de evenwichtige belangenafweging die een rol dient te spelen in de bepaling van de strafmaat.
41. Voor zover het middel berust op de opvatting dat de rechter bij het bepalen van de strafmaat verplicht is rekening te houden met het uittreksel justitiële documentatie van de verdachte, stuit het middel af op de vrijheid die de rechter toekomt bij de strafoplegging. Het arrest bevat bovendien in voldoende mate de redenen die tot de strafoplegging hebben geleid, welke het hof blijkens zijn overwegingen heeft gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte. Anders dan de steller van het middel betoogt, is daarmee voldaan aan het voorschrift zoals bedoeld in artikel 359 lid 5 Sv.
42. Het derde middel faalt.
Het vierde middel
43. Het vierde middel strekt ten betoge dat het hof ten onrechte niet is overgegaan tot het uitsluiten van de onderzoeksresultaten die zouden zijn verkregen als gevolg van een tweetal onherstelbare vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv, te weten het niet mededelen van de cautie en het onrechtmatig stelselmatig observeren van de verdachte. Uit de toelichting op het middel destilleer ik twee deelklachten.
De eerste deelklacht
44. In de eerste plaats wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat het aantreffen van verdovende middelen in de kofferbak van de auto, te weten een rugtas met hennep en een doos met cocaïne, geen rechtstreeks gevolg is van het vastgestelde onherstelbare vormverzuim (het niet-tijdig geven van de cautie) en derhalve kan worden gebruikt voor het bewijs.
De bewijsvoering
45. De onder randnummer 4 weergegeven bewezenverklaring berust op de bewijsmiddelen opgenomen in de aanvulling verkort arrest d.d. 26 juni 2023, naar de inhoud waarvan ik verwijs. Voor de bespreking van de eerste deelklacht acht ik in het bijzonder het tweede bewijsmiddel van het belang, waarnaar ook de steller van het middel in zijn cassatieschriftuur verwijst, alsmede het derde bewijsmiddel (onderstrepingen mijnerzijds):
“2. Een proces-verbaal van bevindingen van 12 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt doof de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (pagina’s 29-30).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten:
Op 12 december 2018 omstreeks 14:10 uur hoorden wij dat het voertuig voorzien van kenteken [kenteken] weggereden zou zijn vanaf de [b-straat 1] te [plaats] . In het voertuig zouden twee tassen en doos gezet zijn. Wij zagen het voertuig voorzien van kenteken [kenteken] rijden. Wij zijn het voertuig gaan volgen. Wij zagen dat het voertuig op de [c-staat ] rond de 100 km/h per uur reed. Hier is 60 km/h toegestaan. Wij zagen dat het voertuig stopte ter hoogte van perceel 13 op de [d-straat] . Hier zit autobedrijf [A] gevestigd. Wij zijn naar de bestuurder gelopen en hebben ons kenbaar gemaakt als zijnde politie. Wij gaven aan te hebben gezien dat hij veel te hard reed op de [c-staat ] en dat wij hierom zijn rijbewijs en identiteitsbewijs vorderden. Hij gaf een Pools rijbewijs. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , vorderde ook een identiteitskaart of een paspoort. Ik zag dat de bestuurder een Poolse identiteitskaart overhandigde. Hierop stonden de volgende gegevens: [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] . Achteraf bleek deze vals te zijn. Ik rook in de auto een sterke hennepgeur. Ik vroeg aan de bestuurder waar die geur vandaan kwam. Ik zag dat de bestuurder erg nerveus aan het zoeken was. Uiteindelijk wist hij een knop te vinden waardoor de kofferbak openging.
Wij zagen een doos van ongeveer één meter bij een halve meter. Hierin zat een zwarte zak die geseald was. De zak rook erg sterk naar de geur van hennep. Wij zagen dat de verdachte de kofferbak snel weer dicht deed. Wij zeiden tegen de verdachte dat de kofferbak weer open mag omdat we nog wilden weten wat er in de andere tas zit. Hij pakte de tas en legde die op de grond. Wij hebben de verdachte aangehouden op verdenking van handel in verdovende middelen (…).
3. Een proces-verbaal van bevindingen van 13 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (pagina’s 31-32).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten:
Wij zijn begonnen met ons onderzoek in de kofferbak van het voertuig voorzien van kenteken
[kenteken] . Wij zagen in de kofferbak van het voertuig een kartonnen doos staan. Wij zagen dat in de doos een grote zwarte zak zat. Wij roken vanuit de zak een voor ons bekende geur. Wij herkenden de geur als hennep. Op het politiebureau [plaats] is op 12 december 2018 onderzoek gedaan naar de inhoud van de zak en het bleek 2.8 kilo henneptoppen te zijn. Wij herkenden de inhoud ambtshalve als hennep.
Wij zagen dat links naast de doos een sporttas lag van het merk Asics groen van kleur. Wij zagen dat in de tas verpakte blokken lagen. Wij zagen dat de blokken in vacuüm getrokken folie zaten en dat op de folie resten van purschuim zaten. Wij zagen dat in de tas 15 blokken zaten.”
Het verweer van de verdediging
46. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting van het hof het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover thans relevant, het volgende in:
“Het niet mededelen van de cautie
(…)
24. In de visie van de verdediging dient ook uw Hof vast te stellen dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim door cliënt niet de cautie mede te delen.
25. Anders dan de rechtbank Amsterdam heeft overwogen kan evenwel niet worden volstaan met het enkel uitsluiten van de summiere verklaring van cliënt, inhoudende ‘this is the Marihuana’.
26. Er kan immers worden vastgesteld dat verbalisanten een zeer fundamenteel strafvorderlijk voorschrift (de cautieplicht) uit het Wetboek van Strafvordering hebben geschonden in de zaak van cliënt.
27. In HR NJ 1980, 243, is te vinden dat de strekking van art. 29 Sv gelegen is in het voorkomen van ongewilde medewerking aan de eigen veroordeling. Indien uw Hof – evenals de rechtbank – een onherstelbaar vormverzuim vaststelt, maar enkel zijn verklaring uitsluit voor het bewijs, dan levert dat een miskenning op van de schending die hier heeft plaatsgehad. Het is niet zo dat de rechtbank vervolgens heeft kunnen putten uit andere bewijsmiddelen die zijn verkregen nadat cliënt alsnog de cautie was medegedeeld. Integendeel. Direct nadat cliënt niet de cautie was medegedeeld, hebben verbalisanten vragen gesteld over de drugs en is de drugs vervolgens ook verkregen.
28. Daarbij heeft te gelden dat de verbalisanten reeds een verdachte in de zin van art. 27 Sv voor zich hadden, zijn (vermeende) identiteit was bij hen bekend, en hem is een vraag gesteld die rechtstreeks aan de vermoedelijke betrokkenheid van een delict raakt. Daarop past slechts één sanctie en dat is bewijsuitsluiting van alle verkregen informatie/onderzoeksbevindingen op dat moment.
29. In dat verband vraag ik tevens aandacht voor een conclusie van Advocaat-Generaal Spronken van 27 oktober 2020 (ECLI:NL:PHR:2020:990). (…)
30. Niet alleen de verklaring van cliënt, maar ook de processen-verbaal van de verbalisanten diengaande, alsmede de aangetroffen drugs (zowel de hennep als de cocaïne) dienen van het bewijs te worden uitgesloten. Zij zijn allen fruits of the poisoness tree.
31. Indien u tot bewijsuitsluiting van de drugs over zal gaan, dan blijft onvoldoende wettig bewijs over om tot een bewezenverklaring van de Opiumwet-feiten te komen, waardoor vrijspraak zal moeten volgen van de feiten 1 en 2. Dit geldt voor alle aangetroffen drugs.”
Het oordeel van het hof
47. Het hof heeft in de bestreden uitspraak met betrekking tot het hiervoor weergegeven verweer het volgende overwogen:
“Vormverzuimen
De raadsman heeft verzocht onderzoeksgegevens van het bewijs uit te sluiten gelet op twee onherstelbare vormverzuimen die in het voorbereidend onderzoek aan de orde zijn geweest. Allereerst is aangevoerd dat de verdachte niet de cautie is gegeven terwijl dat wel had gemoeten. Niet alleen de verklaring van de verdachte dient te worden uitgesloten van het bewijs, maar ook de processen-verbaal van de verbalisanten aangaande de aangetroffen drugs. (…)
Het hof stelt vast dat uit het dossier blijkt dat aan de verdachte niet de cautie is gegeven toen hij op 12 december 2018 als bestuurder van de BMW X3 staande werd gehouden. Het hof is van oordeel dat de cautie gegeven had moeten worden op het moment dat de verbalisant een sterke hennepgeur in de auto rook en voordat hij verdachte vroeg waar die geur vandaan kwam. Nu dit niet is gebeurd is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Het hof zal om die reden de verklaring van de verdachte inhoudende ‘this is the Marihuana' niet gebruiken voor het bewijs. Het hof is van oordeel dat met het ruiken van de hennep een redelijke verdenking is ontstaan voor een overtreding van de Opiumwet waardoor de verbalisanten in de auto mochten kijken, ook zonder toestemming of aanvullende informatie van de verdachte. Het hof is daarmee van oordeel dat het aantreffen van de doos met cocaïne en de rugtas met hennep geen rechtstreeks gevolg is van het vormverzuim en deze vondst dus kan worden gebruikt voor het bewijs.”
De bespreking van de eerste deelklacht
48. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte de cautie had moeten worden gegeven op het moment dat de verbalisant in de auto een sterke hennepgeur rook en vóórdat hij de verdachte vroeg waar die geur vandaan kwam. Om die reden heeft het hof de verklaring van de verdachte inhoudende “This is marihuana” uitgesloten van het bewijs. Voor bewijsuitsluiting van de vondst van de cocaïne en de hennep ziet het hof geen reden. Het hof is namelijk van oordeel dat met de waarneming van de hennepgeur een redelijke verdenking is ontstaan voor een overtreding van de Opiumwet, als gevolg waarvan de verbalisanten bevoegd waren onderzoek te verrichten in de auto. Zodoende is de vondst van de verdovende middelen geen rechtstreeks gevolg van het vastgestelde vormverzuim, aldus oordeelde het hof.
49. Ik meen dat het hof het tot bewijsuitsluiting strekkende verweer daarmee toereikend en op goede gronden heeft verworpen. Daarbij neem ik in aanmerking dat artikel 9 lid 1, aanhef en onder a, van de Opiumwet opsporingsambtenaren de bevoegdheid verleent om zich toegang te verschaffen tot vervoersmiddelen waarvan hun bekend is, of waarvan redelijkerwijze door hen kan worden vermoed, dat daarmee middelen als bedoeld in lijst I of II vervoerd worden of daarin aanwezig zijn. Zij mogen – volgens vaste jurisprudentie – ‘zoekend rondkijken’ en bij die gelegenheid – op de voet van artikel 9 lid 3 Opiumwet – voorwerpen die voor de hand liggen in beslag nemen. In beslag genomen voorwerpen kunnen vervolgens aan een stelselmatig onderzoek worden onderworpen.21.
50. Het voorgaande brengt met zich dat het hof kon oordelen dat het aantreffen van de in de kofferbak aanwezige doos met cocaïne en rugtas met hennep géén rechtstreeks gevolg is van het verzuim om tijdig de cautie te geven.22.Daardoor heeft de vondst van de verdovende middelen niet te gelden als onderzoeksresultaat dat ‘door het verzuim is verkregen’, als bedoeld in artikel 359a lid 1 sub b Sv.23.,24.
51. Anders dan de steller van het middel wil, doet aan het voorgaande niet af dat de doos in eerste instantie is aangetroffen omdat de verdachte zelf de kofferbak van zijn auto opende en hij dit (mogelijk) niet had gedaan als hij tijdig notie had genomen van zijn zwijgrecht. Immers, ook zonder medewerking van de verdachte waren de verbalisanten op grond van de Opiumwet bevoegd zich de toegang tot de kofferbak van de auto te verschaffen.25.
52. De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht
53. De tweede deelklacht behelst een motiveringsklacht tegen het oordeel dat geen sprake was van stelselmatige observatie (waarvoor een bevel ex artikel 126g Sv zou zijn vereist).
Het verweer van de verdediging
54. Blijkens zijn pleitnotities, welke aan het hof zijn overgelegd en in het dossier zijn gevoegd, heeft de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep, samengevat, het volgende betoogd.26.In het relaasproces-verbaal wordt melding gemaakt van meerdere onderzoeken bij een woning gelegen aan de [b-straat 1] te [plaats] in de maanden november 2016, 3 en 13 september 2017, januari, mei, oktober, november, december 2018. Uit het gerelateerde blijkt eveneens dat de observaties mede betrekking hadden op auto’s en personen. Zo zijn kentekens van auto’s nagetrokken en is er steeds nagegaan welke route een bestuurder van zo’n auto reed. Er kan dus niet worden gesteld dat de observatie zich (sec) heeft gericht op de woning. Het observeren van de verdachte, althans een woning, en het daarbij voortdurend monitoren van alle vertrekkende auto’s, en het volgen daarvan, maakt dat sprake is van stelselmatige observatie.
Het oordeel van het hof
55. Het hof heeft in de bestreden uitspraak met betrekking tot dit verweer het volgende overwogen:
“Vormverzuimen
(…) Daarnaast is de verdachte stelselmatig geobserveerd terwijl daaraan geen machtiging op grond van artikel 126g Sv ten grondslag heeft gelegen. Alle processen-verbaal betreffende de observatie dienen te worden uitgesloten van het bewijs.
(…)
Het hof is van oordeel dat geen sprake is geweest van een stelselmatige observatie in de zin van artikel 126g Sv, waarvoor een machtiging van de officier van justitie had behoren te worden verkregen. De observaties waren namelijk gericht op een woning – waar niemand stond ingeschreven – en niet op een persoon, waardoor de observaties konden plaatsvinden op grond van artikel 3 van de Politiewet. Ook het feit dat de woning gedurende een langere periode is geobserveerd maakt de observatie niet stelselmatig. Het voorgaande betekent dat niet kan worden gesproken van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv en daarmee ook geen reden bestaat tot bewijsuitsluiting of strafvermindering. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.”
De bespreking van de tweede deelklacht
De klacht
56. De steller van het middel stelt zich op het standpunt dat over een periode van ongeveer een jaar een veelheid aan observaties heeft plaatsgevonden, waarbij (naast het gericht observeren van de woning) kentekens zijn nagetrokken, vertrekkende auto’s zijn gemonitord en auto’s zijn gevolgd. De observatie van ‘zaken’ die zich samen met personen verplaatsen (zoals auto’s), kan volgens de steller van het middel niet los worden gezien van de observatie van personen, en het hof heeft niet genoegzaam gemotiveerd waarom het volgen van vertrekkende auto’s bij de woning niet maakt dat de observaties als stelselmatig dienen te worden beschouwd.
Beoordelingskader
57. Vooropgesteld dient te worden dat observaties als de onderhavige, waarvoor geen machtiging als bedoeld in artikel 126g Sv is gegeven, jegens de geobserveerde onrechtmatig kunnen zijn indien zij in verband met de plaats waar zij zijn uitgevoerd, de duur, intensiteit en frequentie ervan, alsmede het gebruik van technische hulpmiddelen, geschikt zijn om een min of meer compleet beeld te verkrijgen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de betrokkene. Indien dat niet het geval is, kan de met het observeren samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als zo beperkt worden beschouwd dat de algemene taakomschrijving van opsporingsambtenaren, neergelegd in artikel 3 Politiewet 2012 en artikel 141 Sv, daarvoor voldoende legitimatie biedt. Dit zal in het bijzonder het geval zijn indien de observaties slechts in een bepaald gebied en kortstondig worden uitgevoerd, naar aanleiding van omstandigheden waaruit redelijkerwijs een verhoogde kans op strafbare feiten kan worden afgeleid.27.
Beoordeling
58. Ik acht het niet onbegrijpelijk dat het hof van oordeel is dat stelselmatige observatie in de zin van artikel 126g Sv zich niet heeft voorgedaan en dat het verweer dus op feitelijke gronden kan worden gepasseerd. Ik begrijp ’s hofs vaststellingen zo dat het onderzoek zich i.c. niet richtte op een persoon, maar op (en kennelijk rondom) een object – een woning – waar de verdachte niet stond ingeschreven, en die niet op een zodanige manier met de persoon van de verdachte was verbonden dat de gedane waarnemingen tot resultaat konden hebben dat een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van het leven van de verdachte werd verkregen.28.Dat de observaties (kennelijk) mede omvatten de van en naar de woning vertrekkende auto’s en personen, welke ook zijn gemonitord en/of gevolgd, maakt dat niet anders.
59. Het oordeel van het hof is bovendien, in licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd omtrent die observaties, meer in het bijzonder met betrekking tot de plaats, duur en frequentie, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk.
Slotsom
60. Het tweede, derde en vierde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO te ontlenen motivering. Het eerste middel slaagt.
61. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
62. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 10‑09‑2024
De laatste twee zinnen heb ik grosso modo ontleend aan de conclusie van voormalig A-G Bleichrodt van 22 juni 2021, ECLI:NL:PHR:2021:638, voor HR 21 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1288.
Op de kwestie van de tenuitvoerlegging (persoon 6) kom ik uitsluitend kort terug in voetnoot 16.Verder laat zich ook een persoon 7 denken, namelijk degene op wiens naam de mededeling uitspraak is gesteld en/of aan wie die uitspraak is betekend, vgl. HR 21 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1288, en de daaraan voorafgaande conclusie van Bleichrodt van 22 juni 2021, ECLI:NL:PHR:2021:638.
Zie de conclusie van A-G Knigge van 29 mei 2012 vóór HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4153, NJ 2012/507.
Volledig: de Wet identiteitsvaststelling van verdachten, veroordeelden en getuigen van 18 juli 2009, Stb. 2009, 317, en samen met het Besluit identiteitsvaststelling verdachten en veroordeelden van 6 augustus 2009 (Stb. 2009, 352) in werking getreden op 1 oktober 2010.
Zie de conclusie van A-G Hofstee d.d. 14 oktober 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2266, voor HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3552.
Daarbij ga ik ervan uit dat die persoon bestaat (of heeft bestaan). Het is immers ook mogelijk dat een persoon 1 valselijk personalia opgeeft die niet aan een bestaande persoon kunnen worden gekoppeld.
Dat zou ook niet zonder meer de aangewezen uitkomst zijn van een door ‘persoon 1’ ingesteld hoger beroep: vgl. HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3293, NJ 2013/426, en met name HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:886. Waar het hier om spant, is de vraag of degene die in beroep is gekomen ook degene is ten laste van wie het vonnis is gewezen. Die erkenning door of namens de betrokkene is (kennelijk) voldoende. Dat de werkelijke naam van de appellant een andere is (c.q. vermoedelijk is), is voor de ontvankelijkheid van het beroep niet doorslaggevend. Ik citeer uit HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:886: “In aanmerking genomen voorts dat namens [Steven Bu.] hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis dat is gewezen ten laste van een persoon zich noemende [Steven Bu.], en dat door de op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsvrouwe ter terechtzitting in hoger beroep is verklaard dat – naar de Hoge Raad begrijpt – haar cliënt degene is ten wiens laste het vonnis is gewezen, leidt de enkele omstandigheid dat de verdachte in werkelijkheid is genaamd [Stanley I. Bl.], niet zonder meer tot de niet-ontvankelijkheid van het ingestelde beroep.” In deze zaak had zich overigens niemand gemeld als degene die werkelijk Steven Bu. was genaamd (de persoon 0 dus). Gelijksoortige overwegingen volgden in HR 18 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1477, NJ 2022/348.Zie voorts HR 22 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2652, waarin namens degene die cassatieberoep had ingesteld juist werd gesteld dat hij niet de persoon was ten laste van wie het arrest was gewezen; dit leidde tot n.o. van het cassatieberoep (mij is niet duidelijk geworden of we hier van doen hebben met een persoon 0 of een persoon 1). In HR 21 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1288, was dan wel weer duidelijk (of duidelijker) dat degene die cassatieberoep had ingesteld niet degene was ten laste van wie het bestreden arrest werd gewezen. De persoonsverwisseling had zich pas voorgedaan bij de betekening van de mededeling uitspraak.Daarnaast wijs ik op rechtspraak in gevallen waarin het beroep is ingesteld door ‘persoon 0’ en het vonnis op zijn naam is gesteld (persoon 0 is identiek aan persoon 4a). Hij kan in hoger beroep worden ontvangen, aangezien (ook?) hij degene is te wiens laste een vonnis is gewezen. Vgl. HR 21 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9766, DD 94.398; HR 8 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9848, DD 95.087, en HR 13 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6133, NJ 2007/169, met de daaraan voorafgaande lezenswaardige conclusie van toenmalig A-G Bleichrodt sr. Bleichrodt sr maakte korte metten met het door het OM ingestelde cassatieberoep tegen een vrijspraak, waar volgens het OM een niet-ontvankelijkverklaring in het hoger beroep op z’n plaats was geweest. De Hoge Raad conformeerde zich aan Bleichrodt sr in HR 13 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6133, NJ 2007/169: “Het middel berust op de opvatting dat een persoon ten aanzien van wie een veroordelend vonnis is gewezen, niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen, indien vaststaat dat die persoon ten onrechte als verdachte is aangemerkt wegens een persoonsverwisseling. Die opvatting is onjuist.”
Dat wil zeggen, afgezien van het OM. Zie bijvoorbeeld HR 22 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2652, en HR 21 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1288: “Ingevolge art. 427 Sv kan het beroep in cassatie slechts worden ingesteld door de verdachte en het openbaar ministerie.”
Zie de conclusie van A-G Knigge van 29 mei 2012 vóór HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4153, NJ 2012/507: “4.11. Mede gelet op het verschil in rechtsgevolgen is het zaak de drie hierboven geschetste procedurele situaties goed uit elkaar te houden. Dat neemt niet weg dat zij in de praktijk door elkaar kunnen lopen. Denkbaar is bijvoorbeeld dat de verdachte die bij de politie andermans personalia misbruikte toch, als gevolg van het feit dat hij in voorarrest zit, ter zitting in eerste aanleg verschijnt. De juiste verdachte staat dan terecht, zij het onder een verkeerde naam. Reden om, mocht het bedrog door de rechtbank worden ontdekt, de verdachte vrij te spreken of om verstek te verlenen, is er dan niet. Met het vermelden van de juiste personalia in het vonnis kan worden volstaan. Als het bedrog pas in hoger beroep wordt ontdekt, dient de verdachte (aangenomen dat hij ook bij het instellen van hoger beroep de valse personalia heeft opgegeven) niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn beroep.”
Zie ook de door A-G Machielse aangedragen oplossingen in zijn conclusie voor HR 3 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7406 (de Hoge Raad laat de materie van persoonsverwisselingen daarin onbesproken).
Zie voor gegronde aanvragen tot herziening vanwege persoonsverwisselingen onder meer: HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8985; HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:520; HR 15 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:50; HR 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:126; HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:78.
Dit betreft weliswaar problematiek die kán samenhangen met persoonsverwisselingen, maar het is niet de kwestie die in het middel wordt aangesneden. Zie voor rechtspraak hierover: HR 27 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0259, NJ 2001/499; HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8569; HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8570, NJ 2003/543; HR 12 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ3287, NJ 2007/13; HR 13 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6694, NJ 2007/170; HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4153, NJ 2012/507; HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3293, NJ 2013/426; HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:886; HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2915; HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1316 (81 RO).
Ik citeer HR 21 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9766, DD 94.398: “In aanmerking genomen dat uit hetgeen hiervoor onder 6.1 en 6.2 is overwogen het ernstige vermoeden voortvloeit dat het niet de verdachte is geweest aan wie de inleidende dagvaarding is betekend en die ter terechtzitting van de Politierechter is verschenen en aldaar de personalia van de verdachte heeft opgegeven, is 's Hofs beslissing niet naar de eis der wet met redenen omkleed. (…). Indien het Hof daarentegen als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat, ook al zou een ander dan de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg zijn verschenen, daar zijn, verdachtes, personalia hebben opgegeven en afstand hebben gedaan van de bevoegdheid hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de Politierechter, zulks niettemin tot gevolg heeft dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn hoger beroep, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting.”Zie ook HR 8 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9848, DD 95.087: “In aanmerking genomen dat uit de inhoud van de hierboven weergegeven stukken het ernstige vermoeden voortvloeit dat het niet de verdachte is geweest ten aanzien van wie door de politie proces-verbaal is opgemaakt ter zake van poging tot diefstal in vereniging met braak en die bij de politie de personalia van de verdachte heeft opgegeven en aan wie de inleidende dagvaarding is betekend, geeft 's Hofs oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ingevolge het bepaalde in art. 404 Sv is, in de gevallen aangewezen bij de Wet op de rechterlijke organisatie, degene te wiens laste een vonnis is gewezen bevoegd hoger beroep in te stellen. Het vonnis van de Politierechter is gewezen ten laste van [M.O.], wonende te Rotterdam aan de [J-straat nr. x], zodat deze bevoegd was hoger beroep in te stellen.”Zie voorts: HR 13 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6133, NJ 2007/169, geciteerd in voetnoot 8.
In HR 22 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2652, en HR 21 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1288, heeft de Hoge Raad de door mij beschreven koers voortgezet.Ik wijs erop dat ook wat betreft de tenuitvoerlegging van vonnissen en arresten de naamsleer leidend is (dus: persoon 6 = persoon 4/4a). In de beide hier genoemde arresten laat de Hoge Raad immers weten (citaat uit HR 22 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2652, rov. 3.3): “(…). De bij het onder 2.1 sub (ii) vermelde vonnis uitgesproken veroordeling betreft 'de verdachte, zich noemende [N.A.], geboren op […] te […], zonder bekende woon- of verblijfplaats hier ten lande, aan wie de als bijlage I gevoegde foto en registratiekaart toebehoren'. Het is, voor zover de tenuitvoerlegging van dit vonnis is toegelaten, uitsluitend deze persoon op wie de tenuitvoerlegging van de bij het vonnis opgelegde straffen betrekking mag hebben.” Ook hier geldt dat de Hoge Raad niet heeft voorzien in de mogelijkheid van correcties (kennelijke verschrijvingen daargelaten).
Dat wil zeggen, ervan uitgaande dat persoon 0 daadwerkelijk bestaat. Het is in de naamsleer duister wie er in een strafzaak is vervolgd, (eventueel) is veroordeeld en (eventueel) wordt vrijgesproken ingeval de valselijk door persoon 1 opgegeven naam niet kan worden gekoppeld aan een bestaande persoon. In zo’n geval moet volgens de naamsleer worden aangenomen dat er niemand is vervolgd, berecht en/of vrijgesproken.
Bij toepassing van de naamsleer kan persoon 1 immers niet worden vereenzelvigd met persoon 2 en evenmin met persoon 4.
Zie andermaal voetnoot 12.
De voorwaarde luidde: indien het hof het verweer van de verdediging omtrent de identiteit van de verdachte niet zou overnemen.
Zie T. Blom, in: T&C Strafrecht, art. 9 Ow, aant. 1 (bijgewerkt t/m 1 juli 2024).
Vgl. HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3163. In die zaak liet de Hoge Raad het oordeel van het hof in stand dat, ondanks het gehonoreerde Salduz-verweer, hetgeen in het p-v verhoor was gerelateerd m.b.t. de aanwezigheid van een duidelijke hennepgeur voor het bewijs kon worden gebezigd omdat hetgeen in bedoeld p-v verhoor was opgenomen een mededeling betrof van een verbalisant en geen verklaring van de verdachte.
Alvorens bij een onherstelbaar vormverzuim tot bewijsuitsluiting te kunnen komen, vereist artikel 359a Sv dat er een causaal verband bestaat tussen de normschending en het aldus verkregen bewijsmateriaal. Kamerstukken II 1994/95, 23 705, nr. 3, p. 25-26. Zie voor een uitspraak met raakvlakken: HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1973 (cautieverzuim leidt niet tot cassatie, omdat bewezenverklaring hoe dan ook toereikend is gemotiveerd). Voor uitsluiting leent zich dus in de eerste plaats het bewijsmateriaal dat is verkregen als rechtstreeks resultaat van de opsporingshandelingen waarmee het vormverzuim gepaard is gegaan. Later verkregen – secundair – bewijsmateriaal behoeft niet te worden uitgesloten wanneer aannemelijk is dat ook andere factoren aan de verkrijging daarvan hebben bijgedragen. Sanctionering door middel van bewijsuitsluiting zal in geval van 'fruits of the poisonous tree' niet snel geboden zijn. Vgl. HR 5 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS7572, NJ 2005/300, en HR 17 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3948, NJ 2006/495 m.nt. Mevis.
Het is instructief om het ontwerp voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering erop na te slaan. Art. 4.3.14 lid 1 ontwerp-Sv bepaalt dat indien bij het opsporingsonderzoek of de vervolging “bij de verkrijging van bewijsmiddelen” onrechtmatig is gehandeld, deze bewijsmiddelen kunnen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit “tenzij het belang van een goede rechtsbedeling zich daartegen verzet”. Het vereiste verband tussen onrechtmatig handelen en bewijsmateriaal wordt dus anders geformuleerd dan in het huidige art. 359a Sv, dat immers spreekt van resultaten die “door” het verzuim zijn verkregen. De formulering van art. 4.3.14 lid 1 ontwerp-Sv doet recht aan de omstandigheid dat in veel gevallen niet een causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en het bewijs kan en behoeft te worden vastgesteld, aldus de ministers. De gewijzigde formulering strekt er volgens de memorie van toelichting toe het verband tussen het onrechtmatig handelen en het bewijsmateriaal dat in de rechtspraak geëist wordt, beter tot uitdrukking te brengen. De wijziging beoogt niet verandering te brengen in de gevallen waarin dat verband wordt aangenomen. Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, p. 1030-1033. Overigens heb ik mijn aarzelingen of de voorgestelde wijziging in de toepassingsvoorwaarde voor bewijsuitsluiting (correlatie, maar geen causaliteit) werkelijk meer richtinggevend zal zijn.
Zie T. Blom, in: T&C Strafrecht, art. 9 Ow, aant. 5 (bijgewerkt t/m 1 juli 2024).
Voor een uitgebreidere weergave van het verweer verwijs ik naar de randnummers 32 tot en met 45 van de pleitnota.
Vgl. HR 21 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5254; HR 13 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9338; HR 6 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2050. Zie ook Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, p. 26-27.
HR 10 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0970; HR 26 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0004, NJ 2010/587.
Beroepschrift 29‑09‑2023
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
T.a.v. de strafadministratie
Postbus 20303
2500 EH 's‑Gravenhage
Datum: | 29 september 2023 |
Inzake: | [verdachte] / Cassatie |
Ons kenmerk: | 20230038 |
Uw kenmerk: | 23/00900 |
CASSATIESCHRIFTUUR
Hoge Raad der Nederlanden
Schriftuur houdende middelen van cassatie ex artikel 437 Wetboek van Strafvordering
In de zaak van: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ([land])
Geeft eerbiedig te kennen:
De heer [verdachte], requirant van cassatie, hierna te noemen ‘requirant’, voor deze aangelegenheid domicilie kiezende te (3581 SV) Utrecht aan de Wolter Heukelslaan 74, ten kantore van zijn raadsman mr. Y. Moszkowicz, door requirant bepaaldelijk gevolmachtigd deze cassatieschriftuur te ondertekenen en in te dienen.
Dat requirant als verzoeker tot cassatie van een hem betreffend arrest van het Gerechtshof Amsterdam onder parketnummer 23-002521-19, uitgesproken op 1 maart 2023, de navolgende middelen van cassatie voordraagt:
Middel I
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften. In het bijzonder zijn geschonden de artikelen 27a, 29a, 273, 350, 358, 359 juncto 415 Wetboek van Strafvordering, doordat het hof ten onrechte het namens requirant gevoerde verweer, kort samengevat inhoudende dat requirant ten onrechte als zijnde de heer [betrokkene 2] is berecht en veroordeeld, heeft verworpen, althans heeft het hof het betreffende verweer verworpen op gronden die de verwerping niet kunnen dragen. Weshalve 's hofs arrest in zoverre niet naar de eis van de wet met redenen is omkleed.
Toelichting
Het vonnis in eerste aanleg is door de rechtbank Amsterdam op 26 juni 2019 gewezen tegen de heer [betrokkene 2]. In hoger beroep is door requirant, de heer [verdachte], gesteld dat hij niet de persoon betreft tegen wie het veroordelend vonnis is gericht. Het arrest gewezen door het gerechtshof Amsterdam d.d. 1 maart 2023 is gewezen tegen [verdachte], zich eerder in de procedure uitgevende als [betrokkene 2].
Ten aanzien van de identiteit van requirant is namens zijn raadsman het volgende gesteld blijkens de pleitnotities van 15 februari 2023:
‘Primair: Verkeerde persoon gedagvaard
(…) Ontvankelijkheid; ECLI:NL:HR:2022:1477
‘In aanmerking genomen dat h.b. is ingesteld namens A tegen vonnis van Pr dat is gewezen ten laste van persoon ‘gedagvaard als A ’ en standpunt van gemachtigde raadsman inhoudt dat zijn cliënt degene is ten laste van wie vonnis is gewezen, leidt omstandigheid dat verdachte (mogelijk) anders is geheten niet z.m. tot niet-ontvankelijkheid van h.b. ’
- (1)
De identiteit van cliënt speelt een cruciale rol in deze zaak. De zaak valt of staat daarmee
(…)
De persoon [verdachte]
(3)
Er is reeds in eerste aanleg aangevoerd dat de identiteit van cliënt (in eerste aanleg steevast aangeduid met [betrokkene 2]) ter discussie stond. Dat verweer is telkenmale herhaald op alle tussentijdse zittingen die in appel hebben plaatsgehad. Het belang om de zaak aan te houden is daarmee ook wel gegeven,
(4)
Ik zal datgene wat reeds is aangevoerd niet allemaal herhalen, maar het is voor de verdediging wel cruciaal om de hoofdlijnen daarvan in het kort te bespreken.
(5)
Voor de goede orde: cliënt is niet de heer [betrokkene 2], maar [verdachte]. De verdediging heeft op 19 augustus 2019 een gemotiveerd opheffingsverzoek van de voorlopige hechtenis ingediend bij uw Hof. Uw Hof is ermee bekend dat in dat verzoek is aangegeven dat cliënt door de rechtbank is veroordeeld onder de naam [betrokkene 2] (dat vonnis is gewezen op 26 juni 2019), en dat het standpunt van de verdediging was dat cliënt zonder geldige titel in voorlopige hechtenis verbleef. Ter onderbouwing van deze stellingen is reeds toen informatie overgelegd op basis waarvan die conclusie moest worden getrokken (die informatie is als bijlage aan dat verzoek van 19 augustus gehecht), en ter onderbouwing van die stelling is ook reeds toen uitvoerig geput uit parlementaire geschiedenis en jurisprudentie.
(6)
In weerwil van al het voorgaande besliste uw Hof anders en moest cliënt in voorlopige hechtenis blijven. Op de (pro forma) zitting van 5 november 2019 heeft de verdediging, voorafgaand aan die zitting, op 4 november 2019 een bijlage aan uw Hof toegezonden. De verdediging heeft een origineel geboorte uittreksel overgelegd waaruit de werkelijke identiteit van cliënt bleek. Doordat een vonnis niet teruggedraaid kan worden, is ook toen het verzoek gedaan de voorlopige hechtenis per direct op te heffen.
(7)
Ook daarin heeft uw Hof geen (enkele) aanleiding gezien de voorlopige hechtenis te beëindigen. De overtuiging dat het wél om de heer [betrokkene 2] was bij de voorzitter kennelijk zó groot dat hij mijn cliënt met die naam bleef aanspreken. In het proces-verbaal van die zitting staat letterlijk opgetekend:
‘De voorzitter richt zich tot de verdachte:
Meneer [betrokkene 2], wilt u hier nog iets aan toevoegen? ’
(8)
Daar staat je verstand werkelijk waar van stil, nadat de verdediging even daarvoor de blaren op de tong had gepleit om, gemotiveerd en met bescheiden, duidelijk te maken dat cliënt niet de heer [betrokkene 2] is.
(9)
Ook nadat ik het verzoek aan de voorzitter deed om cliënt met [verdachte] aan te spreken in plaats van [betrokkene 2], bleef de voorzitter zich op het standpunt stellen dat cliënt met [betrokkene 2] werd aangesproken. Een toegewezen wraking was daarvan het gevolg.
(10)
Met het voorgaande wil ik aantonen dat de rotsvaste overtuiging van uw Hof bij de verdediging de nodige vraagtekens heeft opgeroepen. In de visie van de verdediging kan er geen enkele twijfel meer bestaan dat mijn cliënt niet de heer [betrokkene 2] is. Om dat duidelijk te maken zal ik enkele belangrijke stukken bespreken. In het bezit van uw Hof bevinden zich de volgende stukken die van belang zijn voor de identiteit van cliënt:
- •
Ik wijs uw Hof allereerst op een bescheid uit het Bluespot-systeem. Dat ziet op de heer [verdachte] (cliënt dus);
- •
Een e-mail van 24 oktober van een medewerker van Justid. In die e-mail is nader uiteengezet dat er onderzoek is gedaan naar de identiteit van de heer [betrokkene 2], alsmede naar die van de heer [verdachte]. Voor de goede orde: in die e-mail wordt gewag gemaakt van het feit dat (a) twee personen zich hebben uitgegeven voor meneer [betrokkene 2], (b) de persoon [001] niet [betrokkene 2] is, (c) [betrokkene 2] zich meermalen heeft geïdentificeerd met verschillende documenten op naam van [betrokkene 2], (d) [betrokkene 2] zich ook eenmaal heeft geïdentificeerd met een vals ‘nep ’ ID-kaart, (e) [betrokkene 2] zich eerder heeft uitgegeven voor [verdachte] en (f) de AVIM Amsterdam bij onderzoek 2 namen terugkreeg op de persoon [002] (namelijk [betrokkene 2] en [verdachte]) en nader onderzoek is ingesteld naar de identiteit van betrokkene met [002]. In ieder geval kon reeds toen worden vastgesteld dat de persoon met [002] ([003]) meermaals was veroordeeld op de naam [betrokkene 2];
- •
Er is voorts een proces-verbaal van de politie. Dat proces-verbaal ziet op de heer [betrokkene 2], en daarin bevinden zich meerdere foto 's van hem;
- •
Een (aanvullend) proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 3]. In dat PV is nader onderzoek gemaakt naar de personen/identiteiten [betrokkene 2] en [verdachte]. Daaruit volgt (kort gezegd) dat reeds in 2017 onderzoek is gedaan naar deze beide identiteiten. De conclusie van het onderzoek destijds was dat er 2 verschillende personen voorkwamen welke gebruik maakte van de identiteit [betrokkene 2]: een man met donker haar en een man met lichtblond haar. De man met het donkere haar had in het verleden tevens de naam [verdachte] gebruikt en die naam was tevens in de BVH opgevoerd als alias. De conclusie was destijds dat de man met het donkere haar [betrokkene 2] betrof, en [verdachte] een alias. Van de man met het blonde haar kon de identiteit niet worden vastgesteld.
Er heeft voorts een 2e onderzoek naar de identiteit plaatsgevonden. Op 12 december 2018 is een man aangehouden die toen is aangeduid met [betrokkene 2]. Politieambtenaren hebben reeds toen gezien dat er in de politiesystemen nog een foto van [betrokkene 2] beschikbaar was en die foto kwam niet overeen met de aangehouden persoon. Er zijn, ter vaststelling van de identiteit van de aangehouden persoon, vingerafdrukken naar Polen gestuurd voor nader onderzoek. Polen heeft bevestigd dat deze vingerafdrukken horen bij de persoon [verdachte]. Als bijlage van dat PV (bijlage 2) is een PV bijgevoegd over specifiek de vingerafdrukken. Daaruit volgt dat op 12 december 2018 [betrokkene 1] is aangehouden, die verdachte heeft opgegeven te zijn [betrokkene 2], en dat de vingerafdrukken hebben aangetoond dat het hier ging om [verdachte].
(11)
Om met dit laatste punt direct te beginnen: onderzoek naar de vingerafdrukken heeft aangetoond dat het hier ging om de heer [verdachte]. Laten we daar goed bij stilstaan: vergelijkingsonderzoek, te weten het vaststellen van dé identiteit door middel van vingerafdrukken, is ingesteld en heeft opgeleverd dat het ging om de heer [verdachte]. Er was dus geen match met [betrokkene 2]. Zijn het niet juist de opsporingsinstanties die vingerafdrukken gebruiken om te achterhalen aan wie de vingerafdruk toebehoort? Is het niet juist het Openbaar Ministerie dat doorgaans veel waarde hecht wanneer sprake is van een ‘match ’ met een verdachte, op basis van een vingerafdruk?
(12)
Op basis van het aanvullend onderzoek is slechts één conclusie mogelijk. Cliënt is de heer [verdachte]. Cliënt is niet de heer [betrokkene 2]. Cliënt is ten onrechte zijnde de heer [betrokkene 2] berecht en veroordeeld. Dat moet consequenties hebben voor de berechting van mijn cliënt.
(13)
Indien uw Hof twijfelt of het standpunt van de verdediging opgeld doet, althans twijfelt over de identiteit van de verdachte die thans terecht staat, dan verzoek ik uw Hof de zaak aan te houden en nader onderzoek te gelasten naar de identiteit van de verdachte. Op grond van art. 273 jo. art. 27a Sv — en eveneens op grond van art. 29a jo art. 27a Sv — dient de rechter de identiteit van de verdachte vast te stellen door te vragen naar naam, voornamen, geboorteplaats, geboortedatum, gba-adres en feitelijk adres. Indien twijfel bestaat over de identiteit van de verdachte is de rechter bevoegd nader onderzoek te (laten) doen omtrent de identiteit van de verdachte. In art. 29a lid 2 Sv is bepaald dat de verdachte verplicht is mee te werken aan dergelijk onderzoek. De artt. 273 Sv en 29a Sv zijn ook van toepassing in hoger beroep.
(14)
Uw Hof begrijpt: indien u overweegt om het verweer van de verdediging niet over te nemen, dan. is nader onderzoek naar de identiteit van de verdachte absoluut noodzakelijk. In een zaak als deze, waarbij cliënt in eerste aanleg ten onrechte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 50 maanden, kan een relatief eenvoudig verzoek als het (laten) doen van nader onderzoek naar de identiteit van de verdachte niet achterwege blijven indien de resultaten van aanvullend onderzoek cruciaal zijn voor de vaststelling van de identiteit van de verdachte die thans terecht staat. .
(15)
Ik zal, in het navolgende, stilstaan bij belangrijke passages uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie, op basis waarvan vastgesteld moet worden wat die vaststelling juridisch voor consequentie zal moeten hebben.
(16)
In de Memorie van Toelichting bij de Wet identiteitsvaststelling verdachten, veroordeelden en getuigen is het navolgende opgemerkt:
‘(…) Strafrechtelijke interventies, zoals de toepassing van dwangmiddelen of de tenuitvoerlegging van straffen of maatregelen, zijn, als zij de verkeerde persoon treffen, ondoelmatig, ondoeltreffend en kunnen ook onrechtmatig zijn. De overheid dient zich er dan ook voor in te spannen dat aan iedere interventie — zeker als zij de rechten of vrijheden van burgers raakt — een zorgvuldige identiteitsvaststelling voorafgaat.
(…)
Het is van fundamenteel belang dat een rechter op efficiënte en effectieve wijze kan vaststellen of de in de rechtszaal aanwezige persoon ook de verdachte in de aanhangige strafzaak is. Voor een deugdelijke identiteitsvaststelling is het vragen naar zijn personalia onvoldoende. Verificatie door middel van primair de vingerafdrukken en secundair een identiteitsbewijs is noodzakelijk, indien bij de rechter twijfels zijn gerezen over zijn identiteit. In dit verband wordt ook verwezen naar de hiervoor genoemde uitspraak van het EHRM in de zaak van Vasileva tegen Denemarken van 25 september 2003 (NJ 2004, 633). Het EHRM overwoog daarin dat het voor de uitoefening van politietaken van fundamenteel belang is dat de politie de identiteit van burgers kan vaststellen. Voor de uitoefening van de taken van de rechterlijke macht is, zoals hiervoor is geschetst, identiteitsvaststelling evenzeer van cruciaal belang (…) ’.
(17)
Voor de goede orde: de MvT behoort bij een wetsvoorstel dat als hoofddoelstelling had het ‘versterken van een juiste, betrouwbare en zorgvuldige vaststelling van de identiteit van verdachten en veroordelen in de strafrechtketen ’. Het invoeren van een strafrechtsketennummer (SKN) als persoonsnummer voor de gehele strafrechtsketen, en het verplicht gebruik daarvan door alle partijen in de strafrechtsketen, moest dat mede bewerkstelligen.
(18)
In het arrest van de Hoge Raad van 4 september 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BX4153) is overwogen:.
‘(…) 2.7.
Opmerking verdient dat ingeval bij het onderzoek ter terechtzitting twijfel rijst over de vraag of de als verdachte ter terechtzitting verschenen persoon de in de dagvaarding bedoelde verdachte is, de rechter kan overgaan tot het (doen) verrichten van een nader onderzoek naar diens identiteit zoals. omschreven in art. 273 in verbinding met art. 27a Sv alsmede art: 29a Sv. Ingeval de rechter van oordeel is dat degene die ter terechtzitting is verschenen, niet de verdachte is, kan hij overgaan tot het verlenen van verstek tegen de alsdan afwezige verdachte, dan wel de aanwezige raadsman indien deze op de voet van art. 279 Sv uitdrukkelijk is gemachtigd de verdediging te voeren, in de gelegenheid stellen het woord te voeren namens de niet-verschenen verdachte. Wat betreft de procedure in hoger beroep kan daaraan nog worden toegevoegd dat de appelrechter degene die als verdachte is gedagvaard dient vrij te spreken indien komt vast te staan dat het vonnis in eerste aanleg te zijnen laste is gewezen doch dat hei daarin als bewezen aangenomene door een ander is begaan’.
(19)
In HR 21 juni 1994, DD 94.398 is overwogen dat wat betreft de procedure in hoger beroep, de appelrechter degene die als verdachte is gedagvaard dient vrij te spreken indien komt vast te staan dat het vonnis in eerste aanleg te zijnen laste is gewezen doch dat het daarin als bewezen aangenomene door een ander is begaan.
(20)
Gelet hierop is slechts één conclusie mogelijk. Vastgesteld kan worden dat de verdachte niet de heer [betrokkene 2], maar de heer [verdachte] is. Hij is ten onrechte in het vonnis als [betrokkene 2] veroordeeld. Op basis van de jurisprudentie moet onder die omstandigheden vrijspraak volgen van alle ten laste gelegde feiten.
(21)
Ik ga uw Hof op grond van het voorgaande dan ook primair verzoeken cliënt van alle feiten vrij te spreken.’
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting bij het hof op 15 februari 2023 blijkt eveneens dat de raadsman van requirant een standpunt heeft ingenomen betreffende zijn identiteit en in dit kader verzoeken heeft gedaan:
‘Het stellige standpunt van mijn cliënt is dat hij niet de persoon is die de vermeende strafbare feiten heeft gepleegd. Zelfs als het één en dezelfde persoon zouden zijn dan is ten onrechte een veroordeling gevolgd. ’1.
Voor zover relevant, heeft het hof als volgt gerespondeerd op het betoog betreffende de identiteit van requirant zoals verwoord in de pleitnotities van 15 februari 2023:
‘De verdachte heeft zich bij zijn aanhouding op 12 december 2018 gelegitimeerd met een identiteitskaart van [betrokkene 1]. De verdachte is na de voorgeleiding onderworpen aan een zuil voor identiteitsvaststelling (de zogenoemde BVID-zuil). Nadat de vingerafdrukken waren afgenomen bleek uit het systeem dat de vingerafdrukken behoren bij [betrokkene 2]. De eerder opgegeven identiteit bleek vals te zijn. De verdachte heeft de naam [betrokkene 2] opgegeven bij het verhoor vlak na de aanhouding op 12 december 2018. Dit is ook de naam die de verdachte heeft opgegeven op de terechtzitting bij de rechtbank Amsterdam op 12 juni 2019 en de naam die is opgegeven bij het instellen van hoger beroep.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard niet [betrokkene 2] te zijn, maar [verdachte]. Het hof heeft naar aanleiding van die verklaring de advocaat-generaal verzocht uit te zoeken wat de werkelijke identiteit van de verdachte is. Uit het nadere onderzoek is gebleken dat in januari 2020 een blonde Poolse man die opgaf te zijn [betrokkene 2], geboren op [geboortedatum] 1982, aangifte heeft gedaan van identiteitsfraude. De Poolse autoriteiten hebben een identiteitsbewijs met foto van [betrokkene 2] verstrekt waarop een blonde man stond. Van [verdachte] hebben de Poolse autoriteiten geen identiteitsbewijs verstrekt. De Poolse autoriteiten hebben echter wel onderzoek gedaan bij de vermeende moeder van [verdachte], die na met een foto van een donkerharige man te zijn geconfronteerd, heeft bevestigd dat dit haar zoon was.
Op de terechtzitting van 16 juni 2021 heeft het hof de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris teneinde de identiteit van de verdachte te vergelijken met de identiteit van [betrokkene 2]. Vervolgens is een DNA-onderzoek verricht waaruit blijkt dat het DNA-profiel van de verdachte een match heeft met een DNA-profiel waarover eerder gerapporteerd is op 8 februari 2012 en behoort bij [betrokkene 2].
Het hof heeft gelet op het voorgaande geen enkele twijfel over de identiteit van de verdachte in die zin dat de verdachte [verdachte] is. Vast staat dat hij, verdachte, degene is die op 12 december 2018 is aangehouden. Nader onderzoek naar de identiteit van de verdachte acht het hof gelet op het voorgaande niet noodzakelijk. Het (voorwaardelijke) verzoek van de raadsman wordt afgewezen. ’2.
De stelling van de raadsman van requirant, inhoudende dat requirant de heer [verdachte] is en derhalve ten onrechte zijnde de heer [betrokkene 2] is berecht en veroordeeld en dat requirant derhalve vrijgesproken moet worden, is door het hof terzijde geschoven. Dat is onbegrijpelijk in het licht van het gegeven dat de identiteit van een verdachte de kern van het strafproces vormt en dat met het gegeven dat het vonnis in eerste aanleg is gewezen op naam van [betrokkene 2] een onherstelbare situatie is ontstaan. Het hof is door de raadsman van requirant meermaals — blijkens de in deze schriftuur opgenomen citaten — op deze uiterst ongelukkige situatie gewezen, evenals zoals meermaals is gewezen op het gevolg aan deze gang van zaken diende te worden verbonden, namelijk de integrale vrijspraak van de heer [verdachte] in het hoger beroep.
Uw Raad heeft in een soortgelijk geval bepaald dat degene op wiens naam het vonnis staat ([betrokkene 2] in dit geval) moet worden aangemerkt als degene ten wiens laste het vonnis is gewezen.3. In het geval een persoon, in dit geval requirant, zich dan in het hoger beroep van meet af aan op het standpunt stelt dat hij niet degene is ten wiens laste het vonnis is gewezen, had het op de weg van het hof gelegen om een daarvan afwijkende beslissing bijzonder te motiveren. De aangedragen stukken zien voornamelijk op [betrokkene 2], maar eerst en vooral maakt het feit dat het veroordelend vonnis in eerste aanleg is gewezen op naam van [betrokkene 2] dat sprake is geworden van een onherstelbare situatie nu requirant in het hoger beroep heeft aangegeven niet de heer [betrokkene 2] te zijn.
Het hof heeft gemeend deze situatie te kunnen rechtzetten door in het arrest en overige processen-verbaal in de fase van het hoger beroep te stellen dat de zaak zich richt tegen [verdachte], ‘zich eerder in de procedure uitgevende als’ [betrokkene 2]. Met deze overweging heeft het hof miskend dat sprake blijft van de situatie dat het vonnis op naam van [betrokkene 2] is gewezen. Uit de overweging wordt tevens niet duidelijk op welk moment requirant, de heer [verdachte], in de procedure is getreden. Deze herstelslag is in het licht van de door requirant aangehaalde rechtspraak onvoldoende om de situatie die is ontstaan daadwerkelijk te herstellen. Nu requirant niet de persoon is tegen wie vonnis is gewezen door de rechtbank, had het hof eveneens niet tot een veroordeling op zijn naam kunnen komen. Derhalve is het terzijde schuiven van het verweer gevoerd namens requirant, inhoudende dat hij niet de persoon is tegen wie het vonnis is gewezen, ten onrechte gebeurd, althans is dit terzijde schuiven onvoldoende gemotiveerd door het hof.
Middel II
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften. In het bijzonder zijn geschonden de artikelen 27a, 29a, 273, 350, 358, 359 juncto 415 Wetboek van Strafvordering, doordat het hof ten onrechte het (voorwaardelijk) verzoek van de raadsman van requirant, kort samengevat inhoudende het verzoek om indien het verweer omtrent de identiteit van requirant niet overgenomen wordt, nader onderzoek te gelasten naar de identiteit van requirant, heeft afgewezen, althans heeft het hof dit verzoek afgewezen op gronden die de afwijzing niet kunnen dragen, althans is deze afwijzing onvoldoende gemotiveerd. Weshalve 's hofs arrest in zoverre niet naar de eis van de wet met redenen is omkleed.
Toelichting
Het verzoek om, indien het hof het verweer van de verdediging omtrent de identiteit van requirant niet zou overnemen, nader onderzoek te gelasten, is afgewezen, omdat bij het hof geen enkele twijfel zou bestaan over de identiteit van requirant.
Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 15 februari 2023 is daarover het volgende gesteld:
‘De raadsman deelt mee
(…)
Ik heb overigens een verzoek voordat de feiten worden besproken. De raadsheer-commissaris heeft de opdracht gekregen de identiteit van de ter terechtzitting verschenen verdachte te vergelijken met de identiteit van [betrokkene 2]. De raadsheer-commissaris heeft vervolgens een opdracht aan het openbaar ministerie gegeven en daaruit is het DNA-rapport van het NF1 voortgekomen. Daarin staat dat de referentiemonsters van één en dezelfde persoon zouden kunnen zijn. Dit levert op zich weer onduidelijkheid op en die onduidelijkheid moet weggenomen worden. Als het standpunt van mijn cliënt wordt bevestigd en het dus verschillende personen betreft dan wordt de situatie juridisch complex. De rechtbank heeft geen onderzoek gelast naar de identiteit. De persoon die hier zit heeft mogelijk ten onrechte vastgezeten. Het is in zijn belang en het belang van de rechtspleging dat dit nader wordt onderzocht. Mijn cliënt heeft DNA afgegeven onder de naam [betrokkene 2]. Dat zou kunnen verklaren dat zijn DNA geregistreerd is onder de naam [betrokkene 2], terwijl dat dus niet juist is. Ik verzoek het hof de persoon [betrokkene 2] te laten opsporen. Er is een onderzoek naar hem geweest. Ik verzoek een kopie van het dossier van dat onderzoek te voegen in dit dossier. Ik verzoek daarnaast de echte [betrokkene 2] te onderwerpen aan dactyloscopisch onderzoek zodat dit nadien vergeleken kan worden met de dactyloscopische sporen van mijn cliënt.
De advocaat-generaal deelt mee:
Dit onderzoek is mijns inziens niet noodzakelijk. De man die destijds is aangehouden is de meneer die voor ons zit. De twijfel die er was zat in de naam die bij de verdachte hoorde. Bij de aanhouding is een vals identiteitsbewijs overgelegd; dat van [betrokkene 1]. Vervolgens blijkt op basis van de vingerafdrukken dat hij onder de naam [betrokkene 2] in de systemen van politie geregistreerd staat. De naam [verdachte] wordt niet genoemd. Hij heeft telkens gezegd [betrokkene 2] te zijn. In hoger beroep is de verdachte genaamd [verdachte]. Daar is vervolgens weer onderzoek naar gedaan. Er is DNA afgegeven óp naam van [betrokkene 2] en dat DNA matcht met het DNA van [verdachte]. Wat mij betreft hoeft er geen enkele twijfel te zijn over de identiteit van de verdachte. De persoon die is aangehouden is degene die voor ons zit en die [verdachte] heet.
Het onderzoek ter terechtzitting wordt onderbroken voor beraad in raadkamer. Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof mee:
- —
het verzoek tot dactyloscopisch onderzoek wordt afgewezen. Niet ter discussie staat dat de persoon die ter terechtzitting is verschenen de persoon is die is aangehouden. Van hem is DNA afgenomen en hij heeft zich eerder bij de politie uitgegeven als [betrokkene 2], hetgeen de verdachte heeft erkend. De verdachte bedient zich thans van de naam [verdachte]. Er is DNA-materiaal van de verdachte onder beide namen geregistreerd. Gelet hierop bestaat geen noodzaak tot nader onderzoek;
- —
het verzoek tot voeging van het dossier van een onderzoek van de echte [betrokkene 2] wordt eveneens afgewezen nu de noodzaak daartoe ontbreekt. ’4.
Het hof heeft blijkens het arrest hier als volgt op gerespondeerd (waarbij requirant er niet aan ontkomt in herhaling te treden, gelet op de relevantie van onderhavige citaten voor meerdere cassatiemiddelen):
‘De verdachte heeft zich bij zijn aanhouding op 12 december 2018 gelegitimeerd met een identiteitskaart van [betrokkene 1]. De verdachte is na de voorgeleiding onderworpen aan een zuil voor identiteitsvaststelling (de zogenoemde BVID-zuil). Nadat de vingerafdrukken waren afgenomen bleek uit het systeem dat de vingerafdrukken behoren bij [betrokkene 2]. De eerder opgegeven identiteit bleek vals te zijn. De verdachte heeft de naam [betrokkene 2] opgegeven bij het verhoor vlak na de aanhouding op 12 december 2018. Dit is ook de naam die de verdachte heeft opgegeven op de terechtzitting bij de rechtbank Amsterdam op 12 juni 2019 en de naam die is opgegeven bij het instellen van hoger beroep.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard niet [betrokkene 2] te zijn, maar [verdachte]. Het hof heeft naar aanleiding van die verklaring de advocaat-generaal verzocht uit te zoeken wat de werkelijke identiteit van de verdachte is. Uit het nadere onderzoek is gebleken dat in januari 2020 een blonde Poolse man die opgaf te zijn [betrokkene 2], geboren op [geboortedatum] 1982, aangifte heeft gedaan van identiteitsfraude. De Poolse autoriteiten hebben een identiteitsbewijs met foto van [betrokkene 2] verstrekt waarop een blonde man stond. Van [verdachte] hebben de Poolse autoriteiten geen identiteitsbewijs verstrekt. De Poolse autoriteiten hebben echter wel onderzoek gedaan bij de vermeende moeder van [verdachte], die na met een foto van een donkerharige man te zijn geconfronteerd, heeft bevestigd dat dit haar zoon was.
Op de terechtzitting van 16 juni 2021 heeft het hof de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris teneinde de identiteit van de verdachte te vergelijken met de identiteit van [betrokkene 2]. Vervolgens is een DNA-onderzoek verricht waaruit blijkt dat het DNA-profiel van de verdachte een match heeft met een DNA-profiel waarover eerder gerapporteerd is op 8 februari 2012 en behoort bij [betrokkene 2].
Het hof heeft gelet op het voorgaande geen enkele twijfel over de identiteit van de verdachte in die zin dat de verdachte [verdachte] is. Vast staat dat hij, verdachte, degene is die op 12 december 2018 is aangehouden. Nader onderzoek naar de identiteit van de verdachte acht het hof gelet op het voorgaande niet noodzakelijk. Het (voorwaardelijke) verzoek van de raadsman wordt afgewezen. ’5.
Het verzoek om, indien het hof het verweer van de verdediging omtrent de identiteit van requirant niet zou overnemen, nader onderzoek te gelasten, is aldus afgewezen, omdat bij het hof geen enkele twijfel zou bestaan over de identiteit van requirant.
Het standpunt van de raadsman van requirant, inhoudende dat het nodig is om nader onderzoek te laten verrichten naar de identiteit van requirant in het geval het hof het verweer van de verdediging omtrent de identiteit van requirant niet zou overnemen, is uitgebreid onderbouwd aan de hand van de Memorie van Toelichting bij de Wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met het verbeteren en versterken van de vaststelling van de identiteit van verdachten, veroordeelden en getuigen (Wet identiteitsvaststelling verdachte, veroordeelden en getuigen). Zo is gebleken dat voor een deugdelijke identificatievaststelling het enkel vragen naar personalia onvoldoende is, maar dat bijvoorbeeld dient te worden gedacht aan het nemen van vingerafdrukken en het verifiëren middels een identiteitsbewijs.6.
Namens requirant is aldus het verzoek gedaan nader onderzoek te doen naar de identiteit van requirant. Dat verzoek is door het hof afgewezen, waartoe het hof in aanmerking heeft genomen dat, voor zover van belang:
- 1.
Dat hij zich bij gelegenheid van zijn aanhouding heeft gelegitimeerd met een identiteitskaart op naam van [betrokkene 1];
- 2.
Zijn vingerafdrukken zijn genomen en dat daaruit zou zijn gebleken dat die behoren bij [betrokkene 2];
- 3.
Aldus de eerder opgegeven identiteit in de visie van het hof vals zou zijn. Dat lijdt natuurlijk twijfel, want het kan zo zijn dat de vingerafdrukken aan de verkeerde naam zijn gekoppeld. Met andere woorden, er kan ook bij het afnemen van de vingerafdrukken een identiteitsverwisseling zijn geweest;
- 4.
Het hof neemt vervolgens in aanmerking dat verdachte zelf heeft opgegeven te zijn [betrokkene 2]. Daaraan komt naar het oordeel van requirant geen betekenis toe. Immers, is hij door het hof veroordeeld onder de naam [verdachte] en zou zijn identiteit dus niet [betrokkene 2] zijn.
Het hof heeft, na deze vaststellingen 1 t/m 4, termen gezien nader onderzoek te laten verrichten. De werkelijke identiteit van de verdachte moest immers worden vastgesteld. Uit dat nadere onderzoek zou zijn gebleken (arrest pagina 2);
- 5.
Dat in 2020 een Poolse man die opgaf te zijn [betrokkene 2] aangifte heeft gedaan van identiteitsfraude. Alleen al het feit dat het om identiteitsfraude gaat doet de wens gevoelen om dat tot op de bodem uit te zoeken. Bovendien is er sprake van iemand die opgaf te zijn [betrokkene 2].
In deze casus mag aan de eigen verklaring van de betrokkenen geen doorslaggevend belang worden toegekend. Het gaat om objectiveerbare gegevens los van de verklaring van betrokkenen, zo meent requirant.
- 6.
De Poolse autoriteiten hebben een identiteitsbewijs van [betrokkene 2] verstrekt waarop een blonde man stond. Van [verdachte] is door de Poolse autoriteiten geen identiteitsbewijs verstrekt. Wel zou aan de vermeende moeder (of dat zijn werkelijke moeder is, is nog maar de vraag) van [verdachte] een foto zijn getoond die dan weer niet aan de Nederlandse autoriteiten is verstrekt door de Poolse autoriteiten. De enkele omstandigheid dat de vermeende moeder van requirant, na te zijn geconfronteerd met een donkerharige man op de foto, waar [betrokkene 2] blond haar zou hebben, zou hebben gezegd dat de persoon op de foto haar zoon zou zijn, doet geen recht aan het probleem dat door de raadsman van requirant is opgeworpen. We weten immers niet onder welke omstandigheden dat identiteitsbewijs van [betrokkene 2] met foto is verkregen door de Poolse autoriteiten. Het is geen positief bewijs dat [betrokkene 2] en [verdachte] met elkaar te verenigen zouden zijn.
- 7.
Het hof neemt dan ten slotte nog in overweging dat het DNA-profiel van requirant een match heeft met een DNA-profiel waarover in 2012 is gerapporteerd en dat behoort bij [betrokkene 2]. Naar het requirant voorkomt is daarmee de verwarring alleen nog maar toegenomen. Daar zegt het hof namelijk dat het DNA aan [betrokkene 2] toebehoort en tegelijkertijd dat het aan [verdachte] toebehoort, terwijl het met elkaar onverenigbaar is.
Bovengenoemde feiten en omstandigheden hebben niet geleid tot een sluitende verificatie ten aanzien van de identiteit van requirant. Niet kan worden gezegd dat het onderzoek naar de identificatie van requirant zodanig zorgvuldig heeft plaatsgevonden dat het verzoek om (nader) onderzoek te verrichten naar die identiteit afgewezen, terwijl het onder die omstandigheden evident noodzakelijk was om nader onderzoek te verrichten en derhalve het verzoek gedaan namens requirant toe te wijzen. Nu zoals gesteld de identiteit van requirant de kern van deze zaak vormt en requirant aan deze identiteitskwestie een (voorwaardelijk) verzoek verbindt, is het onbegrijpelijk dat het hof in het licht van de genoemde feiten en omstandigheden oordeelt de identiteit van requirant voldoende te hebben vastgesteld en derhalve het verzoek om nader onderzoek naar zijn identiteit te gelasten afwijst.
Middel III
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften. In het bijzonder zijn geschonden de artikelen 351, 358, 359 lid 5 en lid 8 juncto 415 Wetboek van Strafvordering, doordat het hof ten onrechte de justitiële documentatie buiten beschouwing heeft gelaten, als gevolg waarvan de opgelegde straf niet is gegrond op de op requirant toegesneden justitiële documentatie terwijl dat wettelijk is voorgeschreven. Weshalve 's hofs arrest in zoverre niet naar de eis van de wet met redenen is omkleed.
Toelichting
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting op 15 februari 2023 blijkt dat het volgende is aangevoerd omtrent de justitiële documentatie van requirant:
‘De voorzitter houdt samengevat het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 1 februari 2023 op naam van [verdachte] voor.
De advocaat-generaal deelt mee:
‘De vraag is wat op het uittreksel staat bij de verdachte hoort en wat bij de echte [betrokkene 2] hoort. De matchingsautoriteit heeft daar een en ander over gezegd. Ik verwijs naar het e-mailbericht van 29 oktober 2020. De echte [betrokkene 2] is pas in 2017 in Nederland opgedoken. Ik weet niet of een identificatie was of een aanhouding. De verdachte kan in ieder geval verklaren welke feiten hem betreffen en welke niet. In het e-mailbericht van 29 oktober 2020 staat opgenomen welke feiten hoogstwaarschijnlijk correct op het uittreksel van [betrokkene 2] staan weergegeven en welke bij [verdachte] horen.’
De raadsman deelt mee:
‘Ik wil nog iets onder de aandacht brengen ter onderbouwing van het verzoek tot nader onderzoek naar de identiteit van de verdachte. Stel dat het hof mijn cliënt veroordeelt. In het kader van de strafmaat dient het hof rekening te houden met het uittreksel uit de Justitiële Documentatie. In dit geval hebben we twee uittreksels, die van [betrokkene 2] en die van [verdachte]. Het hof heeft een probleem als het zonder nader onderzoek verder gaat met het onderzoek. Als het hof arrest wijst en de zaak aan de Hoge Raad wordt voorgelegd dan wordt de zaak teruggewezen. Er zijn strafzaken op naam van [betrokkene 2] geregistreerd, mogelijk ten onrechte. Niet alleen in het belang van mijn cliënt, maar ook in het belang van [betrokkene 2] dient nader onderzoek te volgen.’
De advocaat-generaal deelt mee:
‘Alle zaken zijn vergeleken. Over één zaak die op naam van [betrokkene 2] staat, bestaat onduidelijkheid. Bij de overige zaken niet. De dossiers zouden moeten worden opgevraagd om duidelijkheid te krijgen. Dit staat beschreven in het e-mailbericht van 29 oktober 2020 dat ik eerder heb benoemd. ’7.
Uit het arrest van het hof blijkt dat het hof als volgt heeft besloten over de kwestie van de justitiële documentatie van requirant:
‘Het hof slaat geen acht op de uittreksels uit de Justitiële Documentatie van de verdachte en van [betrokkene 2], nu het hof niet met voldoende mate van zekerheid kan vaststellen welke feiten aan de verdachte en welke aan de daadwerkelijke [betrokkene 2] toegeschreven kunnen worden. Nader onderzoek in dit kader acht het hof niet noodzakelijk. ’8.
Namens requirant is gesteld dat het hof bij de beoordeling van een mogelijke strafmaat rekening dient te houden met de justitiële documentatie van requirant, de heer [verdachte]. Het hof heeft in weerwil van dit standpunt de uittreksels uit de justitiële documentatie van zowel requirant als [betrokkene 2] buiten beschouwing gelaten. Requirant meent dat dat besluit onbegrijpelijk is gelet op de evenwichtige belangenafweging die een rol dient te spelen in het komen tot een strafmaat. Bij het opleggen van een straf spelen de persoonlijke omstandigheden en het justitiële verleden van een verdachte immers altijd een rol, hetgeen zowel in strafmatigende als strafverzwarende zin kan worden meegewogen, of zelfs kan worden volstaan met het enkel vermelden van die omstandigheden. Het buiten beschouwing laten van dergelijke omstandigheden is echter onbegrijpelijk, mede in het licht van de eisen aan de strafmotivering die in de cassatierechtspraak worden gesteld, zoals de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoonlijkheid van de verdachte, welke gelden als een bijzondere redengeving voor de op te leggen straf in de zin van artikel 359 lid 5 Sv.9. Daarbij komt dat, gezien de zware straf die is opgelegd door het hof, het tevens onbegrijpelijk is dat, tegen de achtergrond van het buiten beschouwing laten van de beide uittreksels justitiële documentatie, het hof had moeten vermelden dat zij onder die omstandigheden requirant als first offender hadden dienen te beschouwen. Nu dat niet is gebeurd heeft het hof de opgelegde straf ten onrechte niet gegrond op de justitiële documentatie van requirant of is althans de straf niet genoegzaam gemotiveerd.
Middel IV
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften. In het bijzonder zijn geschonden de artikelen 29, 359a juncto 415 Wetboek van Strafvordering, doordat het hof ten onrechte heeft volstaan met het uitsluiten van een deel van de verklaring van requirant, inhoudende ‘This is the Marihuana’ als gevolg van een onherstelbaar vormverzuim, te weten het niet geven van de cautie, althans dat het hof ten onrechte niet is overgegaan tot het uitsluiten van onderzoeksresultaten die zijn verkregen middels een onherstelbaar vormverzuim, althans deze overweging zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Weshalve 's‑hofs arrest in zoverre niet naar de eis van de wet met redenen is omkleed.
Toelichting
Blijkens de pleitnotities van de raadsman van requirant bij de terechtzitting in hoger beroep op 15 februari 2023, is het navolgende aangevoerd:
‘(22)
Ik zal in het navolgende stilstaan bij 2 vormverzuimen welke in het voorbereidend onderzoek hebben plaatsgehad. Die vormverzuimen hebben betrekking op (1) het niet mededelen van de cautie en (2) het onrechtmatig stelselmatig observeren van cliënt. Beide verweren zijn in eerste aanleg eveneens gevoerd. Ik zal om die reden ook kort stilstaan bij de overwegingen van de rechtbank op deze beide onderdelen.
Het niet mededelen van de cautie
(23)
Het vormverzuimverweer omtrent het niet mededelen van de cautie is in eerste aanleg aangenomen. De rechtbank heeft overwogen dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, maar dat niettemin kon worden volstaan met het uitsluiten van de verklaring van cliënt, inhoudende ‘This is the Marihuana’ (vergelijk r.o. 4.3 van het vonnis).
(24)
In de visie van de verdediging dient ook uw Hof vast te stellen dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim door cliënt niet de cautie mede te delen.
(25)
Anders dan de rechtbank Amsterdam heeft overwogen kan evenwel niet worden volstaan met het enkel uitsluiten van de summiere verklaring van cliënt, inhoudende ‘this is the Marihuana’.
(26)
Er kan immers worden vastgesteld dat verbalisanten een zeer fundamenteel strafvorderlijk voorschrift (de cautieplicht) uit het Wetboek van Strafvordering hebben geschonden in de zaak van cliënt.
(27)
In HR NJ 1980, 243, is te vinden dat de strekking van art. 29 Sv gelegen is in het voorkomen van ongewilde medewerking aan de eigen veroordeling. Indien uw Hof-evenals de rechtbank — een onherstelbaar vormverzuim vaststelt, maar enkel zijn verklaring uitsluit voor het bewijs, dan levert dat een miskenning op van de schending die hier heeft plaatsgehad. Het is niet zo dat de rechtbank vervolgens heeft kunnen putten uit andere bewijsmiddelen die zijn verkregen nadat cliënt alsnog de cautie was medegedeeld. Integendeel. Direct nadat cliënt niet de cautie was medegedeeld, hebben verbalisanten vragen gesteld over de drugs en is de drugs vervolgens ook verkregen.
(28)
Daarbij heeft te gelden dat de verbalisanten reeds een verdachte in de zin van art. 27 Sv voor zich hadden, zijn (vermeende) identiteit was bij hen bekend, en hem is een vraag gesteld die rechtstreeks aan de vermoedelijke betrokkenheid van een delict raakt. Daarop past slechts één sanctie en dat is bewijsuitsluiting van alle verkregen informatie/onderzoeksbevindingen op dat moment.
(29)
In dat verband vraag ik tevens aandacht voor een conclusie van Advocaat-Generaal Spronken van 27 oktober 2020 (ECLI:NL:PHR:2020:990). In die zaak is, voor zover hier relevant, het volgende overwogen:
‘3.1.
Het hof heeft in onderhavige zaak geoordeeld dat nog geen sprake was van een verhoorsituatie toen de verbalisant aan de verdachte vroeg of hij softdrugs, hennep, bij zich had en dat het de politie vrij stond om de verdachte die vraag te stellen en — nadat hij daarop ontkennend had geantwoord — de verdachte te vragen de buddyseat van de scooter te openen. Voorts heeft het hof geoordeeld dat er op dat moment geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit en overwogen dat de verdachte vervolgens vrijwillig de buddyseat heeft geopend en aan hem daarna de cautie is gegeven. Het feit dat de verbalisant een sterke hennepgeur had waargenomen, maakte die situatie naar het oordeel van het hof niet anders.
3.2.
In de overwegingen van het hof ligt als zijn kennelijke oordeel besloten dat van een verhoor slechts sprake is indien aan de verdachte vragen worden gesteld ten aanzien van zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit en vaststaat dat dit feit heeft plaatsgevonden. Gelet op het hiervoor besproken arrest van de Hoge Raad van 6 november 2018, getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Daar komt bij dat het oordeel van het hof dat van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit geen sprake was, mede gelet op de overweging dat de verbalisant een sterke hennep geur had waargenomen, niet zonder meer begrijpelijk is. Tegen die achtergrond kan de vraag van de verbalisant aan de verdachte of hij softdrugs, hennep, bij zich had immers moeilijk anders worden verstaan dan als een vraag betreffende zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit — kort gezegd: het aanwezig hebben van hennep — ten aanzien waarvan hij als verdachte is aangemerkt.
3.3.
Het middel klaagt hierover terecht, maar het hoeft naar mijn mening bij gebrek aan belang niet tot cassatie te leiden, omdat het hof, zij het niet geheel op juiste gronden, terecht heeft geoordeeld dat de verdachte niet in zijn belang is geschaad door het achterwege laten van de cautie ’.
(30)
Niet alleen de verklaring van cliënt, maar ook de processen-verbaal van de verbalisanten dienaangaande, alsmede de aangetroffen drugs (zowel de hennep als de cocaïne) dienen van het bewijs te worden uitgesloten. Zij zijn allen fruits of the poisoness tree.
(31)
Indien u tot bewijsuitsluiting van de drugs over zal gaan, dan blijft onvoldoende wettig bewijs over om tot een bewezenverklaring van de Opiumwet-feiten te komen, waarvoor vrijspraak zal moeten volgen van de feiten 1 en 2. Dit geldt voor alle aangetroffen drugs. ’ 10.
Uw Raad heeft bovendien geoordeeld dat terecht is geklaagd in de zaak waarnaar de verdediging heeft verwezen en waarin door Advocaat-Generaal Spronken op 27 oktober 2020 is geconcludeerd (ECLI:NL:HR:2020:1973).
Voor zover relevant heeft het hof als volgt gerespondeerd:
‘De raadsman heeft verzocht onderzoeksgegevens van het bewijs uit te sluiten gelet op twee onherstelbare vormverzuimen die in het voorbereidend onderzoek aan de orde zijn gewest. Allereerst is aangevoerd dat de verdachte niet de cautie is gegeven terwijl dat wel had gemoeten. Niet alleen de verklaring van de verdachte dient te worden uitgesloten van het bewijs, maar ook de processen-verbaal van de verbalisanten aangaande de aangetroffen drugs.(…).
Het hof stelt vast dat uit het dossier blijkt dat aan de verdachte niet de cautie is gegeven toen hij op 12 december 2018 als bestuurder van de BMW X3 staande werd gehouden. Het hof is van oordeel dat de cautie gegeven had moeten worden op het moment dat de verbalisant een sterke hennepgeur in de auto rook en voordat hij verdachte vroeg waar die geur vandaan kwam. Nu dit niet is gebeurd is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Het hof zal om die reden de verklaring van de verdachte inhoudende ‘this is the Marihuana ’ niet gebruiken voor het bewijs. Het hof is van oordeel dat met het ruiken van de hennep een redelijke verdenking is ontstaan voor een overtreding van de Opiumwet waardoor de verbalisanten in de auto mochten kijken, ook zonder toestemming of aanvullende informatie van de verdachte. Het hof is daarmee van oordeel dat het aantreffen van de doos met cocaïne en de rugtas met hennep geen rechtstreeks gevolg is van het vormverzuim en deze vondst dus kan worden gebruikt voor het bewijs. ’11.
Verder wijst requirant op de aanvulling op het verkort arrest, waarin onder bewijsmiddel 2 als volgt is opgenomen:
‘2.
Een proces-verbaal van bevindingen van 12 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (pagina 's 29–30).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten:
(…) Wij zijn naar de bestuurder gelopen en hebben ons kenbaar gemaakt als zijnde politie. Wij gaven aan te hebben gezien dat hij veel te hard reed op de Wetskanaalweg en dat wij hierom zijn rijbewijs en identiteitsbewijs vorderden. Hij gaf een Pools rijbewijs. Ik, verbalisant [verbalisant 2], vorderde ook een identiteitskaart of een paspoort. Ik zag dat de bestuurder een Poolse identiteitskaart overhandigde. Hierop stonden de volgende gegevens: [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum]-1986 te [land]. Achteraf bleek deze vals te zijn. Ik rook in de auto een sterke hennepgeur. Ik vroeg aan de bestuurder waar die geur vandaag kwam. Ik zag dat de bestuurder erg nerveus aan het zoeken was. Uiteindelijk wist hij een knop te vinden waardoor de kofferbak openging.
Wij zagen een doos van ongeveer één meter bij een halve meter. Hierin zat een zwarte zak die geseald waas. De zak rook erg sterk naar de geur van hennep. Wij zagen dat de verdachte de kofferbak snel weer dicht deed. Wij zeiden tegen de verdachte dat de kofferbak weer open mag omdat we nog wilden weten wat er ind e andere tas zit. Hij pakte de tas en legde die op de grond. Wij hebben de verdachte aangehouden op verdenking van handel in verdovende middelen. (…) ’ 12.
[onderstreping YM]
Het hof heeft overwogen dat de cautie aan requirant gegeven had moeten worden op het moment dat de verbalisant een sterke hennepgeur in de auto rook en voordat hij requirant vroeg waar die geur vandaan kwam. Het hof heeft echter ook geoordeeld dat het aantreffen van de doos cocaïne en de rugtas met hennep geen rechtstreeks gevolg is van het geconstateerde vormverzuim en dat die vondst om die reden voor het bewijs kan worden gebruikt.
Die overweging vindt requirant onbegrijpelijk in het licht van de vastgestelde feiten en gebezigde bewijsmiddelen. Door het niet geven van de cautie door de verbalisanten is een belangrijk strafvorderlijk voorschrift niet nageleefd. Het voorschrift strekt ertoe dat een verdachte niet ongewild aan zijn eigen veroordeling meewerkt. Hoewel de verklaring die requirant naar aanleiding van de vragen van de verbalisanten heeft afgelegd, is uitgesloten van het bewijs, is het wel het geval dat requirant als gevolg van deze vragen aan het zoeken in zijn auto was en uiteindelijk een knop wist te vinden waardoor de kofferbak open ging, zoals blijkt uit het tweede bewijsmiddel uit de aanvulling op het verkort arrest. Het aantreffen van die ruimte en daarmee van de verdovende middelen in kwestie vloeit derhalve voort uit de het handelen van requirant als gevolg van het hem in een verhoorsituatie brengen door de verbalisanten, zonder hem de cautie mede te delen. Het blijkt immers niet uit het proces-verbaal van bevindingen waarnaar is verwezen dat de verbalisanten zonder dat handelen van requirant de knop voor het openen van de kofferbak hadden weten te vinden. Het is goed voorstelbaar dat indien aan requirant wel de cautie was gegeven en hij notie had genomen van zijn recht om te zwijgen, hij zich van meet af aan had beseft dat hij zichzelf zou incrimineren met het afleggen van zijn verklaring en het meewerken aan de doorzoeking.
Om die reden is de overweging van het hof dat het aantreffen van de verdovende middelen geen rechtstreeks gevolg zijn van het vormverzuim en derhalve kunnen worden gebruikt voor het bewijs, in het licht van de feiten en omstandigheden in het dossier onbegrijpelijk of althans niet voldoende gemotiveerd.
Het bestreden oordeel is daarom onbegrijpelijk. Het gevolg dient volgens requirant te zijn dat het arrest van het hof lijdt aan nietigheid als bedoeld in artikel 359 lid 8 jo. 415 Sv.
‘was van spookburgerschap. Het is niet zo dat de personen stelselmatig zijn geobserveerd. ’
(34)
Naar het oordeel van de verdediging gaat die stelling evenwel niet op. In Hoge Raad 26 oktober 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BN0004) is, onder meer, overwogen:
‘3.6.
Het Hof heeft als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het hier ging om een met behulp van een statische camera uitgevoerde observatie van een openbaar object, een zogenaamde voetbalkooi, die niet op een zodanige manier met de persoon was verbonden dat de gedane waarnemingen tot resultaat konden hebben dat een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van verdachtes leven werd verkregen.
Dat oordeel geeft in het licht van hetgeen door de verdediging omtrent die observaties, meer in het bijzonder omtrent de duur en de frequentie ervan is aangevoerd, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting terwijl het ook zonder andere motivering niet onbegrijpelijk is.’
(35)
Voor zover de rechtbank oog heeft gehad op een dergelijke, vergelijkbare situatie, heeft het volgende te gelden.
(36)
Anders dan in de casus die ten grondslag lag aan het arrest van de Hoge Raad van 26 oktober 2010, kan in de zaak van cliënt niet beweerd worden dat de observaties hebben plaatsgehad op een (openbaar) object dat niet op een zodanige manier met de persoon van de verdachte was verbonden dat de gedane waarnemingen tot een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van cliënts persoonlijke leven konden leiden.
(37)
In het proces-verbaal relaas is gesproken over meerdere onderzoeken bij de [a-straat 01] te [a-plaats] in de maanden november 2016, 3 en 13 september 2017, januari, mei, oktober, november, december 2018. Het dossier bevat (met name op pagina 13 t/m 32) aanleiding te constateren dat de woning al eerder is geobserveerd. Vastgesteld kan worden dat er in ieder geval op 5 november 2017, 25 en 29 januari 2018, 29 mei 2018, 10, 15, 17, 18, 22, 25, 29 oktober 2018, 3, 5, 8, 21, 22, 24, 25, 26 november 2018 en 4, 5, 6, 7, 11 en 12 december 2018 observatie heeft plaatsgevonden.
(38)
Ten aanzien van de woning: verbalisant I. Vereggen vermeldt in het proces-verbaal op pagina 19 van het dossier dat haar op 8 november 2018 bekend was dat het prioteam van Aalsmeer/Uithoorn de woning gelegen aan de [a-straat 01] te [a-plaats] in de gaten houdt. Immers wordt in diverse processen-verbaal door verbalisanten gesproken over de inzet van observatie en achtervolging. Op pagina 18 van het dossier wordt door verbalisant [verbalisant 3] gesproken over het feit dat de BMW X3 werd achtervolgd en geobserveerd. In het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] kan worden gelezen op dat 21 november 2018 de woning is geobserveerd. [verbalisant 1] maakt tevens melding van het feit dat er auto's staan, die vaker voor of nabij het pand geparkeerd staan. Dit toont wederom aan dat de woning is geobserveerd. Ook zijn door deze verbalisant, blijkens dit proces-verbaal, personen geobserveerd. De verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 4] hebben één van de voertuigen die vanaf deze woning vertrok, vervolgens ‘enige tijd’ gevolgd.
(39)
Blijkens het dossier is op de hiervoor besproken data geobserveerd bij de woning. Daar is het echter niet bij gebleven. Er zijn eveneens kentekens van auto 's nagetrokken en er is steeds nagegaan welke route een bestuurder van één van deze auto 's reed. Indien ook dat gedurende zóveel dagen is gebeurd, kan niet gesteld worden dat de observatie zich (sec) heeft gericht op de woning, en dat derhalve geen sprake zou zijn van stelselmatige observatie.
(40)
De verdediging stelt zich op het standpunt dat in casu wel sprake is geweest van een stelselmatige observatie. De grondslag van de observaties in deze zaak is gebaseerd op art. 3 Politiewet. Dat artikel kan slechts volstaan als grondslag indien de inbreuk op de privacy van de betrokkene niet meer dan een beperkte inbreuk is.
(41)
De Hoge Raad heeft in vaste jurisprudentie overwogen dat observaties waarbij geen machtiging als bedoeld in art. 126g Sv is afgegeven, onrechtmatig kunnen zijn indien zij gelet op de duur, intensiteit en frequentie, alsmede door het gebruik van technische hulpmiddelen, geschikt zijn om een min of meer compleet beeld te verkrijgen van bepaalde aspecten van het persoonlijke leven een de betrokkene (zie onder meer HR 13 november 2012, NJ 2013, 413). De vraag of de inzet van (stelselmatige) observatie rechtmatig is, dient op basis van deze rechtspraak te worden beoordeeld aan de hand van de duur, intensiteit en frequentie. Zoals de verdediging reeds uiteen heeft gezet, kan geconcludeerd worden dat er op 5 november 2017, 25 en 29 januari 2018, 29 mei 2018, 10, 15, 17, 18, 22, 25, 29 oktober 2018, 3, 5, 8, 21, 22, 24 25, 26 november 2018 en 4, 5, 6, 7, 11 en 12 december 2018 observaties hebben plaatsgevonden. De ongekend vele data aan observaties vormen een stevig fundament voor de stelling van de verdediging dat hier sprake is geweest van een meer dan beperkte en stelselmatige observatie. Vervolgens blijkt uit het gerelateerde eveneens dat de observaties mede zagen op de waargenomen auto 's en personen. De kernoverweging van de rechtbank om hier geen vormverzuim aan te nemen, kan om die reden niet in stand blijven.
(42)
Naar het oordeel van de verdediging is ook hier sprake van een onherstelbaar vormverzuim. Er zijn opsporingsbevoegdheden ingezet (stelselmatig observeren) zonder daarvoor de weg van art. 126g Sv te volgen. Daardoor is iedere mogelijke waarborg voor de verdachte (zoals vereiste machtigingen, tussenkomst van een rechter-commissaris, maar ook wettelijk gestelde beperkingen in duur van de machtiging) niet in acht genomen.
(43)
Dat is een flagrante inbreuk op de rechten van mijn cliënt, alsmede op diens recht op een eerlijk proces. De grondslag uit artikel 126g Sv is nu juist ingevoerd om te voorkomen dat verbalisanten stelselmatig gaan observeren op basis van algemene, taakstellende bevoegdheden die daarvoor uitdrukkelijk niet zijn bedoeld. Het desondanks stelselmatig observeren van cliënt, althans een woning, en het daarbij voortdurend monitoren van alle vertrekkende auto 's, en die auto 's ook zijn gevolgd, maakt dat sprake is van een stelselmatige observatie.
(44)
Het daardoor veroorzaakte nadeel is evident. Indien de observaties niet zouden hebben plaatsgehad, zou cliënt uiteindelijk niet zijn staande gehouden, en had een groot deel van het gerelateerde in processen-verbaal niet aan het dossier kunnen worden gevoegd. De verdediging verzoekt alle processen-verbaal die zien op deze observaties (meer specifiek pagina 's 13 t/m 21 inclusief alle bijlagen waarnaar is verwezen) van het bewijs uit te sluiten. Subsidiair verzoekt de verdediging om, als consequentie, tot strafvermindering over te gaan indien uw Hof tot een bewezenverklaring komt. ’ 13.
Het hof heeft blijkens het arrest d.d. 1 maart 2023 als volgt overwogen in reactie op de stelling van de raadsman van requirant:
‘De raadsman heeft verzocht (…). Daarnaast is de verdachte stelselmatig geobserveerd terwijl daaraan geen machtiging op grond van artikel 126g Sv ten grondslag heeft gelegen. Alle processen-verbaal betreffende de observatie dienen te worden uitgesloten van het bewijs.
(…)
Het hof is van oordeel dat geen sprake is geweest van een stelselmatige observatie in de zin van artikel 126g Sv, waarvoor een machtiging van de officier van justitie had behoren te worden verkregen. De observaties waren namelijk gericht op een woning — waar niemand stond ingeschreven — en niet op een persoon, waardoor de observaties konden plaatsvinden op grond van artikel 3 van de Politiewet. Ook het feit dat de woning gedurende een langere periode is geobserveerd maakt de observatie niet stelselmatig. Het voorgaande betekent niet dat kan worden gesproken van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv en daarmee ook geen reden bestaat tot bewijsuitsluiting of strafvermindering. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. ’14.
Requirant meent dat de overweging van het hof, inhoudende dat geen sprake is geweest van stelselmatige observatie waarvoor ex artikel 126g Sv een machtiging van de officier van justitie verkregen had moeten worden en dat derhalve artikel 3 Politiewet een toereikende legitimatie bood aan de observaties, onbegrijpelijk is in het licht van de feiten en omstandigheden in het dossier. Het hof heeft met deze overweging miskend dat door het eveneens volgen van vertrekkende auto's, gedurende langere periode, niet sprake is van sec de observatie van een woning, en dat derhalve sprake is geweest van een meer dan lichte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van requirant, die meermaals is geobserveerd bij genoemde woning en bij zijn auto. Tevens kan in bepaalde gevallen in de rechtspraak sprake zijn van stelselmatigheid naar methode. Ook daar is in dit geval sprake van geweest, gelet op de vele observaties van de woning binnen de observatieperiode.
Er is immers langdurig geobserveerd, over een periode van ongeveer een jaar, waarbinnen een veelheid aan observaties heeft plaatsgevonden. Naast het gericht observeren van de woning zijn kentekens nagetrokken, vertrekkende auto's gemonitord en auto's gevolgd, als gevolg van welk volgen requirant uiteindelijk is staande gehouden. Daarmee heeft niet enkel observatie van zaken los van personen plaatsgehad, maar ook observatie van zaken die zich samen met personen verplaatsen (in het geval van de auto's), waardoor die observaties niet los kunnen worden gezien van de observatie van personen. Nu dat evident meermaals is gebeurd had sprake moeten zijn een machtiging van de officier van justitie op grond van artikel 126g Sv en volstaat artikel 3 Politiewet niet. Het hof heeft miskend dat in het licht van deze feiten en omstandigheden een machtiging ex art. 126g Sv was vereist en dat bij gebreke daarvan bewijsuitsluiting dient plaats te vinden van alle processen-verbaal betreffende deze observaties, althans heeft het hof niet genoegzaam gemotiveerd waarom de factor van het volgen van vertrekkende auto's bij de woning niet maakt dat de observaties als stelselmatig dienen te worden beschouwd, zoals namens de raadsman van requirant was aangevoerd.
Redenen waarom het bestreden arrest van het Gerechtshof Amsterdam, uitgesproken op 1 maart 2023 onder parketnummer 23-002521-19, niet in stand kan blijven. Verzocht wordt het arrest van het gerechtshof te vernietigen met zodanige uitspraak als de Hoge Raad juist acht.
Utrecht, 29 september 2023
Y. Moszkowicz
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 29‑09‑2023
Proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 15 februari 2023, p. 1–2.
Arrest 1 maart 2023, p. 1–2.
HR 21 juni 1994, DD 94.398.
Proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 15 februari 2023, p. 2.
Arrest 1 maart 2023, p. 1–2.
Kamerstukken II, 2007–2008, 31436, nr. 3 (MvT), p. 1 en 56.
Proces-verbaal terechtzitting 15 februari 2023, p. 3.
Arrest 1 maart 2023, p. 12.
HR 11 februari 1929, NJ 1929, p. 503.
Pleitnota raadsman 15 februari 2023, p. 9–12.
Arrest 1 maart 2023 , p. 5–6.
Aanvulling op het verkort arrest van 1 maart 2023, p. 2–3.
Pleitnota raadsman 15 februari 2023, p. 12–16.
Arrest 1 maart 2023, p. 5–6.