Door de griffier ondertekende verklaringen dat tegen de gewezen vonnissen geen hogere voorziening openstaat, bevinden zich in het strafdossier.
HR, 25-01-2022, nr. 20/01444
ECLI:NL:HR:2022:78
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-01-2022
- Zaaknummer
20/01444
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:78, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 25‑01‑2022; (Herziening)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:1120
ECLI:NL:PHR:2021:1120, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 30‑11‑2021
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:78
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2022-0024
Uitspraak 25‑01‑2022
Inhoudsindicatie
Herziening. Telen van hennep (art. 2.B Opiumwet, zaak A), wederspannigheid (art. 180 Sr, zaak B) en overtreding art. 2.7.2 APV Amsterdam (zaak C). Aangevoerd wordt dat sprake is van persoonsverwisseling op de grond dat in andere strafzaken die tot veroordeling van aanvrager hebben geleid Matching Autoriteit heeft vastgesteld dat sprake is geweest van persoonsverwisseling, strafbare feiten die hebben geleid tot de vonnissen waarvan herziening wordt gevraagd zijn gepleegd in dezelfde periode als feiten in die zaken en dat door verdachte geplaatste handtekeningen op stukken in zaken A en B afwijken van handtekening van aanvrager. HR constateert dat handtekeningen die op naam van aanvrager als verdachte zijn geplaatst onder p-v’s verhoor in zaken A en B, gelijkenis vertonen met handtekeningen die op naam van aanvrager als verdachte zijn geplaatst in zaken waarin door Matching Autoriteit en politieverbalisant persoonsverwisseling is vastgesteld. Die handtekeningen in zaken A en B wijken af van de handtekening van aanvrager als verdachte onder p-v verhoor in andere zaak en van de daarop gelijkende handtekening op ID-bewijs van aanvrager. Het voorgaande geeft steun aan stelling dat in zaken A en B sprake is geweest van persoonsverwisseling. Daarbij betrekt HR dat niet blijkt dat in zaken A en B de identiteit van verdachte op andere wijze is vastgesteld dan door mondelinge opgave van verdachte en (in zaak B) door getoond ID-bewijs en dat uit onderzoek naar persoonsverwisseling volgt dat ook bij een andere gelegenheid door een andere persoon dan aanvrager gebruik is gemaakt van een op naam van aanvrager gesteld identiteitsbewijs. M.b.t. zaak C houdt aanvraag in dat bewezenverklaard feit is gepleegd in dezelfde periode als feiten in de zaken waarin Matching Autoriteit persoonsverwisseling heeft vastgesteld. Het dossier in zaak C is vernietigd, zodat handtekeningenvergelijking niet mogelijk is. Gelet op samenhang met zaken A en B, de door Matching Autoriteit gevonden gegevens en consequenties daarvan in 5 andere zaken waarop herzieningsaanvraag oorspronkelijk ook betrekking had, komt HR tot het oordeel dat aanvraag ook in zaak C gegrond is. HR verklaart aanvraag gegrond en verwijst zaken naar hof. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/01444 H
Datum 25 januari 2022
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan
a. vonnis van de politierechter in de rechtbank Utrecht van 7 april 2006, nummer 16506253-05 (hierna: zaak A);
b. vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2009, nummer 13452172-07 (hierna: zaak B);
c. vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 12 mei 2011, nummer 13734589-11 (hierna zaak C),
ingediend door J. Schouten, advocaat te Amsterdam,
namens
[aanvrager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de aanvrager.
1. De uitspraken waarvan herziening is gevraagd
De politierechter in de rechtbank Utrecht heeft de aanvrager in zaak A voor opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maand.
De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de aanvrager in zaak B voor wederspannigheid veroordeeld tot een geldboete van € 250, subsidiair 5 dagen hechtenis.
De kantonrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de aanvrager in zaak C voor overtreding van “APV08-Amsterdam 2.7.2” veroordeeld tot een geldboete van € 250, subsidiair 5 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke hechtenis van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren.
2. De aanvraag tot herziening
2.1
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Deze aanvraag ziet op acht vonnissen. De raadsvrouw heeft na indiening van de aanvraag deze beperkt tot de hiervoor onder 1 genoemde vonnissen.
2.2
De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). In de aanvraag wordt daartoe aangevoerd dat sprake is van persoonsverwisseling, in andere strafzaken die tot een veroordeling van de aanvrager hebben geleid, de Matching Autoriteit heeft vastgesteld dat sprake is geweest van persoonsverwisseling, de strafbare feiten die hebben geleid tot de vonnissen waarvan herziening wordt gevraagd zijn gepleegd in dezelfde periode als de feiten in die zaken, en dat de door de verdachte geplaatste handtekeningen op stukken in de zaken A en B afwijken van de handtekening van de aanvrager.
3. De conclusie van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot afwijzing van de aanvraag tot herziening.
4. Beoordeling van de aanvraag
4.1
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
Met betrekking tot de zaken A en B
4.2.1
Naar aanleiding van de aanvraag en de daarin betrokken stelling dat de Matching Autoriteit van de Justitiële Informatiedienst onderzoek heeft verricht naar mogelijke persoonsverwisseling, heeft de advocaat-generaal nadere informatie ingewonnen bij het openbaar ministerie.
4.2.2
In het dossier in herziening bevinden zich onder meer:(i) een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal PL1300-2019026810, sluitingsdatum 13 februari 2020, van aspirant van politie [verbalisant];(ii) een e-mail van [betrokkene 2], medewerker van het openbaar ministerie, van 30 augustus 2021, met bijlagen.
4.2.3
Bij het onder 4.2.2 onder (i) genoemde proces-verbaal van [verbalisant], bevindt zich een proces-verbaal, PL1300-2019026810-11, van [verbalisant] van 28 januari 2020. Dit proces-verbaal houdt onder meer in dat uit onderzoek door de Matching Autoriteit is gebleken dat vijf strafzaken op het Uittreksel Justitiële Documentatie van de aanvrager “biometrisch (zijn) toe te wijzen” aan een andere persoon dan de aanvrager. Het betreft onder meer de strafzaken met de parketnummers 13/421848-07, 13/420398-08 en 13/117153-12. Het proces-verbaal houdt verder als bevinding van [verbalisant] in dat aan de zaken met deze parketnummers respectievelijk de volgende (politie)registratienummers zijn verbonden: 2007305652, 2008065827 en 2012140077. Daarnaast vermeldt [verbalisant] als haar bevinding dat in (onder meer) de eerste twee genoemde zaken de identiteit van de aanvrager is misbruikt door [betrokkene 1]. Ook houdt het proces-verbaal in dat uit een identiteitsonderzoek van de Koninklijke Marechaussee uit 2013 (dat als bijlage 10 is gevoegd bij het proces-verbaal) is gebleken dat door een ander dan de aanvrager, [betrokkene 3], misbruik is gemaakt van een op naam van de aanvrager gesteld paspoort.
4.2.4
Bij de onder 4.2.2 onder (ii) genoemde e-mail van [betrokkene 2] zijn met gebruikmaking van de naam van de aanvrager ondertekende processen-verbaal gevoegd, die volgens [betrokkene 2] behoren tot de stukken in de zaken met de onder 4.2.3 vermelde parketnummers. Het betreft in de zaak met parketnummer 13/421848-07 een proces-verbaal van verhoor bij inverzekeringstelling met nummer 2007305652 en een proces-verbaal van verhoor van verdachte inbewaringstelling. Verder betreft het in de zaak met parketnummer 13/420398-08 een proces-verbaal met nummer 2007200485-7 en een proces-verbaal van verhoor van verdachte inbewaringstelling, en tot slot in de zaak met parketnummer 13/117153-12 een proces-verbaal van verhoor met nummer 2012140077-7. Daarnaast is bij de e-mail van [betrokkene 2] een proces-verbaal van verhoor met nummer PL1300-2018007921-8 gevoegd, dat volgens [betrokkene 2] behoort tot de stukken in een strafzaak met parketnummer 13/007844-18 en dat daadwerkelijk door de aanvrager zelf is ondertekend.
4.3
De Hoge Raad constateert met betrekking tot de handtekeningen die op naam van de aanvrager als verdachte zijn geplaatst in de zaken A en B het volgende. De handtekeningen onder de processen-verbaal van verhoor in de zaken A en B, proces-verbaalnummers PL0911/05-253059 en 2007229938-4, vertonen gelijkenis met de handtekeningen die zijn geplaatst op naam van de aanvrager als verdachte in de onder 4.2.4 genoemde processen-verbaal in zaken, waarin blijkens het onder 4.2.3 genoemde proces-verbaal van [verbalisant], door de Matching Autoriteit en [verbalisant] een persoonsverwisseling is vastgesteld. Verder wijken voormelde handtekeningen in de zaken A en B af van de handtekening die volgens [betrokkene 2] door de aanvrager als verdachte is geplaatst onder het proces-verbaal van verhoor met nummer PL1300-2018007921-8, en ook van de daarop gelijkende handtekening op het identiteitsbewijs van de aanvrager waarvan zich een kopie bevindt bij de stukken in zaak B (dossierpagina 31).
4.4
Het een en ander geeft steun aan de stelling waarop de aanvraag berust, te weten dat in de zaken A en B sprake is geweest van een persoonsverwisseling. Daarbij betrekt de Hoge Raad dat uit de stukken niet blijkt dat in de zaken A en B de identiteit van de verdachte op een andere wijze is vastgesteld dan door de mondelinge opgave van de verdachte en – in zaak B – het door de verdachte getoonde identiteitsbewijs van de aanvrager en dat uit het onder 4.2.3 genoemde proces-verbaal van [verbalisant] volgt dat ook bij een andere gelegenheid door een andere persoon dan de aanvrager gebruik is gemaakt van een op naam van de aanvrager gesteld identiteitsbewijs.
4.5
Het vorenstaande brengt met zich dat in beide zaken het ernstig vermoeden bestaat dat de politierechter, als deze hiermee bekend zou zijn geweest, de aanvrager van het hem tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken. Er is dus sprake van een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv, zodat de aanvraag in zoverre gegrond is.
Met betrekking tot zaak C
4.6
Met betrekking tot zaak C houdt de aanvraag in dat het bewezenverklaarde feit is gepleegd in dezelfde periode als de feiten in de zaken waarin de Matching Autoriteit persoonsverwisseling heeft vastgesteld. Het dossier in deze zaak is vernietigd, zodat de hierboven uitgevoerde handtekeningenvergelijking niet mogelijk is in deze zaak. Gelet op de samenhang met de zaken A en B, de door de Matching Autoriteit gevonden gegevens en de consequenties daarvan in vijf andere zaken waarop de herzieningsaanvraag oorspronkelijk ook betrekking had, komt de Hoge Raad tot het oordeel dat de aanvraag ook in zaak C gegrond is.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart de aanvraag tot herziening gegrond;
- beveelt, voor zover nodig, de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de vonnissen;
- verwijst de zaken naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaken op de grond van artikel 472 lid 2 Sv opnieuw zullen worden berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 januari 2022.
Conclusie 30‑11‑2021
Inhoudsindicatie
Cocnlusie AG in herzieningszaak. Persoonsverwisseling? De conclusie strekt tot afwijzing van de aanvraag tot herziening.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/01444 H
Zitting 30 november 2021
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[aanvrager] ,
geboren te [plaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de aanvrager.
De uitspraken waarvan herziening wordt gevraagd
1. De uiteindelijke aanvraag (zie hieronder randnummer 6) betreft de volgende drie uitspraken waarbij de aanvrager is veroordeeld tot een straf die ik met de kwalificatie van het gepleegde feit hierna achter elk vonnis zal vermelden:
(i) Parketnummer 13-734589-11. Vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 12 mei 2011: een geldboete van € 250,00, subsidiair 5 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke hechtenis voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren wegens overtreding van “APV08-Amsterdam 2.7.2”.
(ii) Parketnummer 13-452172-07. Vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2009: een geldboete van € 250,00, subsidiair vijf dagen hechtenis, wegens wederspannigheid.
(iii) Parketnummer 16-506253-05. Vonnis van de politierechter in de rechtbank Utrecht van 7 april 2006: gevangenisstraf voor de duur van één maand wegens opzettelijk handelen in strijd met het in art. 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. Ook is daarbij de teruggave van een geldbedrag aan de aanvrager gelast en is het alsnog tenuitvoerleggen van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken gelast (opgelegd bij het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 17 december 2004 van de politierechter in de rechtbank te Amsterdam; parketnummer 13/013272-04).
De termijnen om tegen deze uitspraken hoger beroep in te stellen zijn reeds verstreken, zodat zij alle drie onherroepelijk zijn geworden.1.
II. Waar het in deze herzieningszaak om gaat
2. De herzieningsaanvraag berust op de stelling dat telkens sprake is van een persoonsverwisseling, aangezien het niet de aanvrager zou zijn geweest die de in de hierboven genoemde vonnissen bewezenverklaarde feiten heeft begaan.III. De aanvraag tot herziening
3. Namens de aanvrager heeft mr. J. Schouten, advocaat te Amsterdam, een aanvraag tot herziening van de voornoemde vonnissen ingediend.
4. De aanvraag is gebaseerd op het standpunt dat gebleken is van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv, waarmee de rechter ten tijde van de behandeling van de strafzaken en het doen van de uitspraken niet bekend was en die, indien zij toentertijd bij de rechter bekend waren geweest, zouden hebben geleid tot vrijspraak of niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
5. Deze nieuwe feiten en omstandigheden zouden volgens de herzieningsaanvraag het vermoeden van een persoonsverwisseling bevestigen.
IV. Verricht onderzoek in verband met de aanvraag en beoordeling van de aanvraag
6. Voor de volledigheid en duidelijkheid merk ik in dit verband eerst het volgende op. Op 24 april 2020 is een eerste herzieningsaanvraag, waaraan vier producties zijn gehecht, namens de aanvrager ingediend met betrekking toen (nog) acht in kracht van gewijsde uitspraken van enkelvoudige rechters (politierechter en kantonrechter). Bij e-mailbericht van 12 november 2020 heeft mr. J. Schouten meegedeeld dat de herzieningsaanvraag door tussentijdse ontwikkelingen wordt beperkt tot de volgende drie zaken: “16/506253-05, 13/734589-11 en 13/452172-07” (hierna ook de ‘de drie zaken’ te noemen). Dit zijn de zaken die ik hierboven in randnummer 1 heb aangehaald. Voor de andere vijf zaken waarop de eerste herzieningsaanvraag van 24 april 2020 betrekking had,2.is na 24 april 2020 een voor de aanvrager gunstige rectificatie in zijn justitiële documentatie aangebracht, omdat, aldus het e-mailbericht van mr. Schouten, bij vier zaken aan de hand van biometrisch materiaal vastgesteld kon worden dat “het niet cliënt betrof” en het bij de vijfde zaak om een overtreding ging die eveneens van het strafblad van de aanvrager is afgehaald.
7. Uit de aan de aanvraag van 24 april 2020 als productie 4 gehechte mailwisseling van 4 en 5 december 2019 tussen mr. J. Schouten, de raadsvrouw van de aanvrager, en het openbaar ministerie bleek mij dat ook ten aanzien van ‘de drie zaken’ reeds een onderzoek naar een mogelijke persoonsverwisseling was ingesteld, een onderzoek dat toen nog steeds liep. Zo schrijft de beleidsadviseur van het openbaar ministerie in een op 5 december 2020 aan mr. J. Schouten gericht e-mailbericht onder meer het volgende:
“Ik werd overigens eergisteren benaderd door een rechercheur van de politie Amsterdam, die kennelijk (ik neem aan: vanuit de dienst JustlD) opdracht hadden gekregen om een nader onderzoek in te stellen naar de werkelijke identiteit van de dader in bovengenoemde zaken. Het justitiële onderzoek naar de persoonsverwisseling blijkt dus nog gaande te zijn.”
8. Sindsdien is er namens mij regelmatig contact geweest tussen deze beleidsmedewerker van het openbaar ministerie (verder: de beleidsmedewerker) en mr. J. Schouten over de voortgang van dat onderzoek. Bij e-mailbericht van 27 juli 2021 is mij door de beleidsmedewerker meegedeeld dat op dat moment noch bevestigd noch uitgesloten kon worden dat door een ander misbruik is gemaakt van de identiteit van de aanvrager.
9. De raadsvrouw van de aanvrager, mr. J. Schouten, is over deze (tussentijdse) uitkomst van het onderzoek verwittigd. Dat heeft ertoe geleid dat mr. J. Schouten mij op 20 augustus 2021 een e-mailbericht heeft doen toekomen waarin zij toelicht waarom er naar haar oordeel (en, zo neem ik aan, het oordeel van de aanvrager) sprake is van een novum in elk van de drie zaken.
10. In deze toelichting wordt met betrekking tot de zaken met parketnummers 13/452172-07 en 16/506253-05 als novum aangevoerd dat een zekere [betrokkene 1] zich blijkens biometrisch materiaal in de periode van 2004 tot en met in ieder geval 2008 heeft voorgedaan als [aanvrager] , de aanvrager, en dat beide feiten in “Bovendien komen de handtekeningen die ik in de dossiers met parketnummers 13/452172-07 en 16/506253-05 heb aangetroffen, niet overeen met de handtekening van cliënt, welke mij bekend is vanwege de zaak met kenmerk 13-007844-18. Gezien deze twee feiten (die beide ten tijde van de veroordeling niet bij de rechtbank kenbaar waren) meent cliënt dat de rechtbank thans tot een vrijspraak zou komen, aangezien cliënt niet degene is die het strafbare feit heeft gepleegd.”
Ook heeft volgens mr. J. Schouten in dit schrijven iemand anders dan de aanvrager de gevangenisstraf voor de duur van twee weken, die bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Utrecht van 7 april 2006 alsnog is tenuitvoergelegd (zie randnummer 1), uitgezeten, hetgeen naar de mening van de aanvrager, die zegt nimmer in een penitentiaire inrichting te hebben verbleven, zou moeten kunnen worden vastgesteld.
11. Wat betreft de zaak met parketnummer 13/734589-11 wordt als novum aangevoerd:
“Voormeld feit stond op de meest recente Justitiële documentatie die ik van cliënt heb (uit 2020). Gezien de opgelegde straf zal deze 10 jaar vermeld blijven staan en dus naar alle waarschijnlijkheid inmiddels wel van het strafblad verdwenen. Dat neemt niet echter niet weg dat deze zaak nimmer tot een veroordeling had kunnen leiden indien de eerder aangegeven identiteitsfraude bekend was. Alhoewel het biometrisch materiaal in deze zaak mist, meent de aanvrager dat de overtuiging bij elke rechter had ontbroken.”
12. Ik merk op dat het e-mailbericht (met toelichting) van 20 augustus 2010 niet nader met documenten is onderbouwd, ook niet met het document waarop de gestelde handtekening van de aanvrager te zien zou zijn (“de zaak met kenmerk 13-007844-18”).
13. Omdat onder de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding zich het dossier met parketnummer 13/452172-07 en het dossier met parketnummer 16/506253-05 bevinden en in beide dossiers een handtekening van de aanvrager voorkomt, is hierover namens mij opnieuw contact gezocht met de beleidsmedewerker van het openbaar ministerie. Bij email-bericht van 26 oktober 2021 werd mij door de beleidsmedewerker definitief bericht dat het navragen bij de Penitentiaire Inrichting niets meer heeft opgeleverd. Uit de daarbij gevoegde mailwisseling van de beleidsmedewerker met de Matching Autoriteit blijkt onderzoek te zijn gedaan (tevergeefs dus) naar foto’s en vingerafdrukken in de biometrievoorziening van DJI en de relevante dossiers.
14. Nu de herzieningsaanvraag niet nader is gedocumenteerd – ook niet in de toelichting die mr. J. Schouten in haar e-mailbericht van 20 augustus 2021 heeft gegeven –, en uit het onderzoek van de beleidsmedewerker van het openbaar ministerie en de Matching Autoriteit geen aanvullende informatie naar voren is gekomen die relevant is voor de beoordeling van de aanvraag, meen ik dat geen van de wel in de herzieningsaanvraag (met producties) van 24 april 2020 ingebrachte gegevens een novum in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv oplevert. Naar het mij voorkomt kunnen zij noch op zichzelf, noch in onderlinge samenhang bezien, het ernstige vermoeden opwekken dat, was de rechter met deze gegevens bekend geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot een vrijspraak van de betrokkene of tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de drie zaken waarop de aanvraag ziet (kort gezegd wegens persoonsverwisseling).
IV. Slotsom
15. Uit het voorgaande volgt dat de door de aanvrager genoemde gronden niet tot herziening kunnen leiden.
16. Deze conclusie strekt er dan ook toe dat de aanvraag tot herziening wordt afgewezen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 30‑11‑2021
Met parketnummers: 13/013272-04,13/728895-07, 3/421848-07, 13/420398-08 en 96/066497-13.