Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/8.1:8.1 Inleiding
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/8.1
8.1 Inleiding
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS579469:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Een van de weinige voorbeelden is de kantonrechtersformule: deze is gebaseerd op formules die voordien door (bepaalde) kantongerechten reeds werden toegepast. Zie hierover Van Marwijk Kooij 1996, p. 22-23; Van der Meer & Rensink 1997, p. 14-15; Scholtens 1998, p. 25.
In laatstgenoemde situatie zal de precedentwaarde van de eerdere uitspraken echter weer tamelijk gering zijn; vgl. hierover § 8.4.2.2.
Zie hierover § 5.2 en § 5.3.
Zie § 5.5.
Zie § 4.5.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het vorige hoofdstuk is onderzocht in hoeverre de rechter in ons rechtssysteem gebonden is te achten aan eerdere uitspraken van hemzelf of van andere rechters. De conclusie luidde dat rechters in elk geval in beginsel gebonden kunnen zijn aan precedenten van hogere rechters, alsmede aan eigen precedenten, behoudens de mogelijkheid tot (gemotiveerde) afwijking daarvan in gevallen waarin binding aan eerdere rechtspraak in het licht van onder meer gewijzigde maatschappelijke opvattingen of overtuigingen niet langer aanvaardbaar is. Van binding op horizontaal niveau lijkt naar huidige rechtsopvatting (nog) geen sprake, ofschoon wel argumenten aan te voeren zijn die ook op dit niveau een zekere gebondenheid aan precedenten kunnen ondersteunen.
Nadat aldus de stand van zaken op het gebied van precedentwerking in grote lijnen in kaart is gebracht, staat in het voorliggende hoofdstuk de vraag centraal of met betrekking tot rechtersregelingen hierbij kan worden aangesloten. Kan de toepassing van een rechtersregeling in de rechtspraak ertoe leiden dat deze regeling, op een met de binding aan precedenten vergelijkbare wijze, een bepaalde bindende werking verkrijgt? Kortheidshalve zal ik een zodanige binding in het navolgende ook wel aanduiden met de termen 'precedentwerking', dan wel 'precedentbinding' van een rechtersregeling. Strikt genomen gaat het dan echter om binding aan precedenten waarin een rechtersregeling is toegepast, als gevolg waarvan de rechter mogelijkerwijs ook aan die rechtersregeling gebonden raakt.
In theorie is een tweetal wegen denkbaar via welke een rechtersregeling de hier bedoelde precedentwerking zou kunnen verkrijgen: (a) op grond van het feit dat de regeling na haar totstandkoming door één of meer rechters in hun uitspraken wordt toegepast; en (b) op grond van het feit dat de regeling gebaseerd is op vóór haar totstandkoming gedane rechterlijke uitspraken. In de praktijk zal het echter vrijwel steeds gaan om eerstgenoemde situatie. Rechtersregelingen die rechtstreeks gebaseerd zijn op eerdere uitspraken zijn vrij zeldzaam:1 wanneer omtrent een bepaalde vraag reeds jurisprudentie aanwezig is zal de vaststelling van een rechtersregeling immers veelal niet meer nodig worden geacht, behoudens wellicht in gevallen waarin die eerdere jurisprudentie verdeeld was.2 In het navolgende zal daarom hoofdzakelijk worden uitgegaan van de onder (a) genoemde situatie.
Zoals aan het slot van hoofdstuk 7 werd geconcludeerd, dienen eerst enige 'voorvragen' van theoretische aard te worden beantwoord alvorens aan de mogelijkheid tot precedentwerking van rechtersregelingen kan worden toegekomen (§ 8.2). Vervolgens wordt bezien hoe een eventuele precedentwerking van rechtersregelingen vorm zal kunnen krijgen. Hierbij wordt zowel ingegaan op de verhouding tussen hogere en lagere rechters (§ 8.3), als op de verhouding tussen lagere rechters onderling (§ 8.4). Voorts worden de praktische mogelijkheden voor partijen om zich te beroepen op een rechtersregeling waaraan precedentwerking toekomt besproken (§ 8.5).
Opmerking verdient tot slot dat de thans te behandelen vraag naar de precedentwerking van rechtersregelingen praktisch gesproken met name relevant zal zijn voor die rechtersregelingen waaraan niet reeds de voorafgaande binding toekomt die in de hoofdstukken 4 tot en met 6 werd behandeld. Concreet gezegd gaat het in dit hoofdstuk dus in de eerste plaats om rechtersregelingen die niet voldoen aan één of meer van de voorwaarden (waarvan de belangrijkste zijn: vaststelling door het daartoe bevoegde orgaan en behoorlijke bekendmaking3) die geformuleerd werden voor voorafgaande binding. Hiertoe behoren overigens voor de praktijk belangrijke rechtersregelingen als de kantonrechtersformule, de alimentatienormen, de diverse liquidatietarieven en het rapport Voor-werk II.4 Daarnaast gaat het om rechtersregelingen die befrekking hebben op de mvulling van 'interpretatieruimte' (wetsinterpreterende rechtersregelingen), nu aangenomen moet worden dat deze laatste vorm van rechterlijke beslissingsruimte zich niet goed leent voor de vorm van voorafgaande zelfbinding die in de voorgaande hoofdstukken aan de orde kwam.5