NJB 2024/2146:Aanhoudingsverzoek wegens ziekte van de verdachte en aanwezigheidsrecht art. 6 EVRM: herhaling kader vaste rechtspraak. In het specifieke geval van ziekte voldoet de rechter aan het verzoek zodat de verdachte alsnog de gelegenheid krijgt aanwezig te zijn op de terechtzitting. Bijzondere omstandigheden kunnen echter meebrengen dat de rechter tot het oordeel komt dat het belang van een behoorlijke strafvordering – dat de afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn omvat – ernstig in het gedrang zou komen als het onderzoek op de terechtzitting zou worden geschorst en dat dit belang onder de gegeven omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn. Buiten deze situatie van verhindering wegens ziekte van de verdachte geldt in het algemeen dat niet op voorhand kan worden aangegeven hoe de genoemde belangenafweging zal moeten uitvallen. In casu heeft het hof het aanhoudingsverzoek op ontoereikende gronden afgewezen. De afwijzing steunt onder meer erop dat niet aannemelijk is dat de verdachte vanwege ziekte niet op de zitting kan verschijnen omdat het verzoek wegens het ontbreken van ‘nadere (medische) stukken’ onvoldoende is onderbouwd. Dat oordeel is ontoereikend gemotiveerd nu de raadsvrouw heeft aangevoerd dat – nadat zij van de griffie van het hof had gehoord dat een medische verklaring nodig was – de verdachte heeft gebeld met de huisartsenpost maar hij daar niet terecht kon omdat het al vol zat en de raadsvrouw het ook heeft geprobeerd maar het niet is gelukt, terwijl het hof geen gelegenheid heeft geboden om op een later moment (alsnog) een dergelijk bewijsstuk over te leggen. Gezien de vereiste belangenafweging kon de afwijzing ook niet slechts worden gebaseerd op het belang van een ‘voortvarende procesafdoening’.