Zie HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:769, NJ 2020/229, m.nt. P. Mevis, r.o. 3.4.1. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de verdachte wel op de hoogte is van de zitting, maar zonder bericht niet verschijnt en diens (al dan niet gemachtigd) raadsman ter terechtzitting uitsluitend stelt dat de verdachte eerder heeft aangegeven wel aanwezig te willen zijn. Vgl. HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1172.
HR, 08-10-2024, nr. 22/04776
ECLI:NL:HR:2024:1387
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-10-2024
- Zaaknummer
22/04776
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1387, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑10‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:647
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2022:4622
ECLI:NL:PHR:2024:647, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 25‑06‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1387
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑08‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0225
Uitspraak 08‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. (poging tot) zware mishandeling (art. 302.1 Sr) en opzettelijk aanwezig hebben van heroïne en cocaïne (art. 2.C Opiumwet). Aanhoudingsverzoek voorafgaand aan tz. in hoger beroep door niet-gemachtigde raadsvrouw per e-mail gedaan en ttz. herhaald op de grond dat verdachte ziek is, door hof afgewezen omdat hof verhindering door ziekte niet aannemelijk acht. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2020:1896 m.b.t. beoordelingskader aanhoudingsverzoeken in specifiek geval dat verdachte door ziekte verhinderd is ttz. te verschijnen. Hof heeft verzoek tot aanhouding van onderzoek ttz. afgewezen, o.m. omdat niet aannemelijk is dat verdachte vanwege ziekte niet ttz. kan verschijnen. Daartoe heeft hof in de kern overwogen dat verzoek wegens ontbreken van “nadere (medische) stukken” onvoldoende is onderbouwd. Dat oordeel is ontoereikend gemotiveerd, nu raadsvrouw heeft aangevoerd dat (nadat zij van griffie hof had gehoord dat medische verklaring nodig was) verdachte heeft gebeld met huisartsenpost maar hij daar niet terecht kon omdat het al vol zat en raadsvrouw het ook heeft geprobeerd maar het niet gelukt is, terwijl hof geen gelegenheid heeft geboden om op later moment (alsnog) dergelijk bewijsstuk over te leggen. Afwijzing van aanhoudingsverzoek door hof wordt ook niet zelfstandig gedragen door wat hof (mede in licht van procesverloop) heeft overwogen over belang van “voortvarende procesafdoening”, nu deze overweging niet toereikend is voor belangenafweging. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 22/04777.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04776
Datum 8 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 15 december 2022, nummer 20-000784-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 december 2022 houdt in dat de verdachte daar niet is verschenen. Het houdt verder in:
“De raadsvrouw geeft te kennen:
Cliënt weet van deze zitting. Ik heb bij e-mailbericht van 30 november 2022 het hof verzocht om het onderzoek ter terechtzitting aan te houden in het belang van de verdediging, nu cliënt gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht en momenteel wegens ziekte is verhinderd om de zitting bij te wonen. Zoals u kunt zien in de bijlagen bij mijn e-mail heeft hij mij geappt dat hij ziek is. Ik heb van de strafgriffie van het gerechtshof gehoord dat er een medische verklaring nodig is. Cliënt heeft gebeld met de huisartsenpost, maar kon er niet terecht omdat het al vol zat. Ik heb het ook geprobeerd, maar het is niet gelukt. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het feit dat er geen doktersverklaring is, op zich geen reden is om het aanhoudingsverzoek af te wijzen. Het is de vraag of de doktersverklaring er in redelijkheid nog kan komen. De verdediging heeft er alles aan gedaan om de doktersverklaring te verkrijgen. Ik handhaaf het aanhoudingsverzoek. Cliënt zegt uitdrukkelijk dat hij ter terechtzitting aanwezig wil zijn
De voorzitter deelt mede:
De zaak is eerder aangehouden op de terechtzitting van 13 juni 2022. Toentertijd was de verdachte ziek en had hij griep. U, raadsvrouw, zegt in uw mail van 30 november 2022 dat hij doodziek op bed ligt. Wat heeft hij?
De raadsvrouw geeft te kennen:
Cliënt is vorige week langsgekomen op mijn kantoor voor een bespreking. Hij hoestte en kuchte toen. Ik denk dat hij met koorts in bed ligt, maar ik weet het niet. Als cliënt zegt dat hij doodziek is en griep heeft, dan vind ik dat niet gek gelet op het hoesten en dergelijke vorige week tijdens de bespreking.
De voorzitter deelt mede:
Dat hij koorts en griep heeft lijkt dan uw invulling, want er staat niets over in de appjes die zijn gevoegd bij uw e-mailbericht van 30 november 2022.
De raadsvrouw geeft te kennen:
Dat klopt, maar cliënt is een magere en smalle man.
(...)
De oudste raadsheer deelt mede:
Op de vorige zitting is door de verdediging om precies dezelfde reden om aanhouding gevraagd, zo is te lezen in het aanhoudingsverzoek van de raadsvrouw van de vorige keer.
(...)
De raadsvrouw geeft te kennen:
Ik kan naar buiten gaan en meer informatie opvragen. Als cliënt zegt dat hij doodziek op bed ligt, ga ik daar vanuit en ga ik hem niet steeds appen.
Het hof onderbreekt daartoe het onderzoek voor korte tijd.
Het onderzoek wordt hervat.
De raadsvrouw geeft te kennen:
Ik heb cliënt niet gesproken. Ik kreeg geen reactie van hem.
De voorzitter deelt als beslissing van het hof het navolgende mede:
Het hof heeft zich zojuist tijdens de onderbreking beraden. Het hof acht het niet aannemelijk dat de verdachte ziek is en daarom vandaag niet ter terechtzitting is kunnen verschijnen. Er staat in zijn appjes niet wat hij heeft waardoor hij niet ter zitting zou kunnen verschijnen. Er zijn geen nadere (medische) stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt. Deze stukken zijn door de raadsvrouw niet ingebracht na haar contact met de strafgriffie van het gerechtshof en zijn ook niet gekomen tijdens de onderbreking van de zitting van vandaag. Evenmin blijkt dat de verdachte contact heeft gehad met de huisartsenpost en dat deze vol zat. Bij de afweging tussen de belangen van de verdachte enerzijds en het belang van een voortvarende procesafdoening anderzijds, is het hof van oordeel dat het belang van een voortvarende procesafdoening thans prevaleert gelet op de omstandigheden dat de zaak al een keer eerder is aangehouden, er een benadeelde partij in de zaak is betrokken en de verdachte niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij wegens ziekte niet in staat was ter zitting te verschijnen. Het aanhoudingsverzoek wordt om die reden afgewezen.”
2.3
Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting (hierna: aanhoudingsverzoek) kan op de terechtzitting worden gedaan door de verdachte of door zijn raadsman die daartoe door de verdachte op grond van artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is gemachtigd. Ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de verdachte die op de terechtzitting niet is verschenen, kan daar een aanhoudingsverzoek doen voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op het effectueren van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of om de in artikel 279 lid 1 Sv bedoelde machtiging alsnog te verkrijgen. Op grond van artikel 329 en 330 Sv wordt beslist op het verzoek nadat het openbaar ministerie daarover is gehoord.De verdachte of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag ligt. Als zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen.In de regel mag van de verdachte of zijn raadsman worden gevergd dat hij (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Als de rechter de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende met bewijsstukken is onderbouwd en/of niet (voldoende) aan de door hem gevraagde aanvulling is voldaan.Voor het oordeel dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is, volstaat echter niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden - in het bijzonder of het gaat om een omstandigheid die zich onverwacht aandient, bijvoorbeeld in verband met ziekte van de verdachte - of, voordat wordt beslist op het verzoek, gelegenheid moet worden geboden het verzoek nader toe te lichten en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. De rechter kan echter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing over de aannemelijkheid van de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, achterwege laten op grond van zijn oordeel dat wat is aangevoerd - als dat juist zou zijn - in de hierna weer te geven belangenafweging niet tot toewijzing van het verzoek leidt.Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek al - dat wil zeggen: zonder tot die belangenafweging over te gaan - afwijzen op de grond dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is.Wanneer zich niet het geval voordoet dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is geoordeeld, moet de rechter een afweging maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in artikel 6 lid 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde aanwezigheidsrecht - waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid op de terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen - en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheden moeten worden betrokken, moet de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk geven in de motivering van zijn beslissing.In het specifieke geval dat de verdachte wegens ziekte is verhinderd op de terechtzitting te verschijnen en in verband daarmee schorsing van het onderzoek heeft verzocht of heeft doen verzoeken, voldoet de rechter aan dit verzoek zodat de verdachte alsnog de gelegenheid krijgt aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting. Bijzondere omstandigheden kunnen echter meebrengen dat de rechter tot het oordeel komt dat het belang van een behoorlijke strafvordering - dat de afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn omvat - ernstig in het gedrang zou komen als het onderzoek op de terechtzitting zou worden geschorst en dat dit belang onder de gegeven omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn. Buiten deze situatie van verhindering wegens ziekte van de verdachte geldt in het algemeen dat niet op voorhand kan worden aangegeven hoe de genoemde belangenafweging zal moeten uitvallen. De rechter moet deze afweging maken in de concrete omstandigheden van het geval en, bij afwijzing van het aanhoudingsverzoek, die beslissing motiveren. In cassatie kan die motivering alleen op begrijpelijkheid worden getoetst. (Vgl. HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1896.)
2.4
Het hof heeft het verzoek tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting afgewezen, onder meer omdat niet aannemelijk is dat de verdachte vanwege ziekte niet op de zitting kan verschijnen. Daartoe heeft het hof in de kern overwogen dat het verzoek wegens het ontbreken van “nadere (medische) stukken” onvoldoende is onderbouwd. Dat oordeel is ontoereikend gemotiveerd, nu de raadsvrouw heeft aangevoerd dat - nadat zij van de griffie van het hof had gehoord dat een medische verklaring nodig was - de verdachte heeft gebeld met de huisartsenpost maar hij daar niet terecht kon omdat het al vol zat en de raadsvrouw het ook heeft geprobeerd maar het niet gelukt is, terwijl het hof geen gelegenheid heeft geboden om op een later moment (alsnog) een dergelijk bewijsstuk over te leggen.De afwijzing van het aanhoudingsverzoek door het hof wordt ook niet zelfstandig gedragen door wat het hof - mede in het licht van het procesverloop - heeft overwogen over het belang van een “voortvarende procesafdoening”, nu deze overweging niet toereikend is voor de onder 2.3 bedoelde belangenafweging.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2024.
Conclusie 25‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Aanhoudingsverzoek i.v.m. aanwezigheidsrecht, omdat verdachte wegens ziekte is verhinderd. AG somt (niet uitputtend) op welke factoren een rol kunnen spelen bij in voorkomende gevallen te maken belangenafweging. Afwijzing door hof o.g.v. oordeel dat reden van verhindering niet aannemelijk is en o.g.v. belangenafweging ontoereikend gemotiveerd. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing (samenhang met 22/04777).
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/04776
Zitting 25 juni 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
Inleiding
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 15 december 2022 (bij verstek) met toepassing van art. 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 11 maart 2021.
Er bestaat samenhang met de zaak 22/04777. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de verdachte heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
4. Het middel klaagt over de afwijzing door het hof van een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.
5. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 december 2022 houdt in verband met het aanhoudingsverzoek het volgende in:
“De verdachte, genaamd:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. G.L.P. Biesmans, advocaat te Maastricht, die verklaart niet uitdrukkelijk door de verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren. De voorzitter deelt mede dat de strafzaak tegen de verdachte gelijktijdig, maar niet gevoegd, zal worden behandeld met de eveneens ter terechtzitting van heden aangebrachte strafzaak onder parketnummer 20-000785-21 tegen de verdachte.
De raadsvrouw geeft te kennen:
Cliënt weet van deze zitting. Ik heb bij e-mailbericht van 30 november 2022 het hof verzocht om het onderzoek ter terechtzitting aan te houden in het belang van de verdediging, nu cliënt gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht en momenteel wegens ziekte is verhinderd om de zitting bij te wonen. Zoals u kunt zien in de bijlagen bij mijn e-mail heeft hij mij geappt dat hij ziek is. Ik heb van de strafgriffie van het gerechtshof gehoord dat er een medische verklaring nodig is. Cliënt heeft gebeld met de huisartsenpost, maar kon er niet terecht omdat het al vol zat. Ik heb het ook geprobeerd, maar het is niet gelukt. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het feit dat er geen doktersverklaring is, op zich geen reden is om het aanhoudingsverzoek af te wijzen. Het is de vraag of de doktersverklaring er in redelijkheid nog kan komen. De verdediging heeft er alles aan gedaan om de doktersverklaring te verkrijgen. Ik handhaaf het aanhoudingsverzoek. Cliënt zegt uitdrukkelijk dat hij ter terechtzitting aanwezig wil zijn.
De voorzitter deelt mede:
De zaak is eerder aangehouden op de terechtzitting van 13 juni 2022. Toentertijd was de verdachte ziek en had hij griep. U, raadsvrouw, zegt in uw mail van 30 november 2022 dat hij doodziek op bed ligt. Wat heeft hij?
De raadsvrouw geeft te kennen:
Cliënt is vorige week langsgekomen op mijn kantoor voor een bespreking. Hij hoestte en kuchte toen. Ik denk dat hij met koorts in bed ligt, maar ik weet het niet. Als cliënt zegt dat hij doodziek is en griep heeft, dan vind ik dat niet gek gelet op het hoesten en dergelijke vorige week tijdens de bespreking.
De voorzitter deelt mede:
Dat hij koorts en griep heeft lijkt dan uw invulling, want er staat niets over in de appjes die zijn gevoegd bij uw e-mailbericht van 30 november 2022.
De raadsvrouw geeft te kennen:
Dat klopt, maar cliënt is een magere en smalle man.
De advocaat-generaal deelt mede:
Wat is de woonsituatie van de verdachte op dit moment? Wordt hij ergens verzorgd?
De raadsvrouw geeft te kennen:
Cliënt heeft geen vast woonadres. Hij verblijft bij vrienden. U, advocaat-generaal, vraagt mij of zijn vrienden nu dan de zorg voor cliënt hebben. Ik denk het. Cliënt woont niet bij zijn vriendin. De relatie is ten einde.
De oudste raadsheer deelt mede:
Op de vorige zitting is door de verdediging om precies dezelfde reden om aanhouding gevraagd, zo is te lezen in het aanhoudingsverzoek van de raadsvrouw van de vorige keer.
De advocaat-generaal deelt mede:
Het gebeurt dat mensen ziek zijn en dan is een medische verklaring nodig of een briefje van iemand in de omgeving. Dat is er allemaal niet. De vorige keer is het hof afgeweken van het aanhoudingsprotocol en heeft de zaak toen aangehouden. Nu is er hetzelfde verzoek, maar geen enkele informatie over wat de verdachte heeft. De raadsvrouw heeft ook niet meer klaarheid gegeven. Ik vraag het hof het aanhoudingsverzoek af te wijzen.
De raadsvrouw geeft te kennen:
Ik kan naar buiten gaan en meer informatie opvragen. Als cliënt zegt dat hij doodziek op bed ligt, ga ik daar vanuit en ga ik hem niet steeds appen.
Het hof onderbreekt daartoe het onderzoek voor korte tijd. Het onderzoek wordt hervat.
De raadsvrouw geeft te kennen:
Ik heb cliënt niet gesproken. Ik kreeg geen reactie van hem.
De voorzitter deelt als beslissing van het hof het navolgende mede:
Het hof heeft zich zojuist tijdens de onderbreking beraden. Het hof acht het niet aannemelijk dat de verdachte ziek is en daarom vandaag niet ter terechtzitting is kunnen verschijnen. Er staat in zijn appjes niet wat hij heeft waardoor hij niet ter zitting zou kunnen verschijnen. Er zijn geen nadere (medische) stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt. Deze stukken zijn door de raadsvrouw niet ingebracht na haar contact met de strafgriffie van het gerechtshof en zijn ook niet gekomen tijdens de onderbreking van de zitting van vandaag. Evenmin blijkt dat de verdachte contact heeft gehad met de huisartsenpost en dat deze vol zat. Bij de afweging tussen de belangen van de verdachte enerzijds en het belang van een voortvarende procesafdoening anderzijds, is het hof van oordeel dat het belang van een voortvarende procesafdoening thans prevaleert gelet op de omstandigheden dat de zaak al een keer eerder is aangehouden, er een benadeelde partij in de zaak is betrokken en de verdachte niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij wegens ziekte niet in staat was ter zitting te verschijnen. Het aanhoudingsverzoek wordt om die reden afgewezen.”
6. In het algemeen en kort samengevat gelden op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad de volgende regels voor de beslissing van de rechter op een door of namens de verdachte in verband met het aanwezigheidsrecht gedaan verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting. De rechter moet eerst nagaan (i.) of aan het aanhoudingsverzoek concreet een omstandigheid ten grondslag is gelegd. Als zo’n omstandigheid niet is aangevoerd, kan het verzoek om die reden worden afgewezen.1.Als zo’n omstandigheid wel is aangevoerd, kan de rechter nagaan (ii.) of de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is. Nadat zo nodig gelegenheid is geboden voor nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek afwijzen op de grond dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is.2.Indien de rechter niet tot het oordeel komt dat die omstandigheid niet aannemelijk is, dient hij (iii.) een afweging te maken tussen het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van die afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het aanhoudingsverzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing.3.
7. Over de onder ii. genoemde grond voor afwijzing van een verzoek tot aanhouding heeft de Hoge Raad in het bijzonder het volgende overwogen:
“In de regel mag van de verdachte of diens raadsman worden gevergd dat hij ter staving van het verzoek (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Indien de rechter de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheden niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd en/of aan zijn verlangen tot aanvulling niet (genoegzaam) is voldaan.
Voor het oordeel dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, volstaat evenwel niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden — in het bijzonder of het gaat om een zich onverwacht aandienende omstandigheid, bijvoorbeeld verband houdend met ziekte van de verdachte — of, alvorens wordt beslist op het verzoek, gelegenheid dient te worden geboden het verzoek van een nadere toelichting te voorzien en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. Opmerking verdient evenwel dat de rechter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing omtrent de aannemelijkheid van de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid achterwege kan laten op grond van zijn oordeel dat hetgeen is aangevoerd — ware het juist — in de hierna weer te geven afweging van belangen niet tot toewijzing van het verzoek leidt.
Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek reeds — dat wil zeggen: zonder dat tot de hierna weer te geven afweging van belangen wordt overgegaan — afwijzen op de grond dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is.”4.
8. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad leid ik af dat bij de onder iii. bedoelde belangenafweging in ieder geval de volgende factoren een rol kunnen spelen:
i. het procesverloop, de duur van de procedure en de ouderdom van het tenlastegelegde;5.
ii. het gewicht van de zaak (bijvoorbeeld gelet op het tenlastegelegde en/of de in eerste aanleg opgelegde straf);6.
iii. de aanwezigheid van een gemachtigd raadsman of raadsvrouw die namens de verdachte verweer kan voeren;7.
iv. of de verdachte zijn visie op de zaak in de betreffende fase van het proces anderszins naar voren heeft gebracht;8.
v. de aanwezigheid van de verdachte via videoconferentie (art. 131a Sv);9.
vi. de betrokkenheid (en eventuele aanwezigheid) van benadeelde partijen en/of slachtoffers en het belang dat zij hebben bij een spoedige afdoening van de zaak;10.
vii. de aard van de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheid (de reden van afwezigheid/verhindering);11.
viii. op welke termijn berechting van de verdachte in diens aanwezigheid wel mogelijk zal zijn (en in dat verband in hoeverre aanknopingspunten bestaan dat de verdachte na aanhouding ter terechtzitting zal verschijnen).12.
9. Voor de situatie waarin als reden voor het aanhoudingsverzoek is gegeven dat de verdachte wegens ziekte verhinderd is heeft de Hoge Raad verder nog de volgende aanvullende, bijzondere, regels gegeven:13.
“In het specifieke geval dat de verdachte wegens ziekte is verhinderd op de terechtzitting te verschijnen en in verband daarmee schorsing van het onderzoek heeft verzocht of doen verzoeken, voldoet de rechter aan dit verzoek teneinde de verdachte alsnog de gelegenheid te geven bij de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting aanwezig te zijn. Bijzondere omstandigheden kunnen echter meebrengen dat de rechter tot het oordeel komt dat het belang van een behoorlijke strafvordering - welke omvat de afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn - ernstig in het gedrang zou komen, indien het onderzoek op de terechtzitting zou worden geschorst en dat dit belang onder de gegeven omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn. (Vgl. HR 9 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5730,NJ 2002/466.)”14.
10. In de nu voorliggende zaak heeft de (niet gemachtigde) raadsvrouw ter terechtzitting om aanhouding verzocht omdat de verdachte wegens ziekte was verhinderd. Verder heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat de verdachte haar een dag eerder had geappt dat hij ‘doodziek’ was en dat hij net de huisartsenpost had gebeld. Omdat deze vol zat, kon de verdachte geen doktersverklaring krijgen. Ook de raadsvrouw had de huisartsenpost gebeld, maar eveneens zonder succes.
11. Het hof heeft de afwijzing van het verzoek (onder meer) laten steunen op het oordeel dat de ziekte van de verdachte niet aannemelijk was. In dat verband heeft het hof overwogen dat de verdachte in zijn appjes naar de raadsvrouw niet heeft omschreven wat zijn ziekte precies inhield. Daarnaast heeft het hof van belang geacht dat er geen nadere (medische) stukken waren overgelegd ter onderbouwing van de ziekte of van de stelling dat de verdachte de huisartsenpost zou hebben gebeld, ook niet nadat de raadsvrouw daarvoor de gelegenheid had gekregen tijdens de onderbreking van het onderzoek ter terechtzitting.
12. Heeft het hof hiermee toereikend gemotiveerd dat de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is geworden? De verdachte had een dag van tevoren aan de raadsvrouw doorgegeven dat hij doodziek was. Nu de verdachte daarbij niet aangaf wat zijn ziekte precies inhield, bleek niet zonder meer dat sprake was van een zich onverwacht aandienende omstandigheid. Gelet op het late bericht en de aard van de omstandigheid (ziekte), ligt dat wel voor de hand. Bij die stand van zaken is het feit dat geen medische stukken zijn overgelegd onvoldoende om tot de conclusie te komen dat de reden van verhindering niet aannemelijk is geworden. Het hof heeft geen aandacht besteed aan de vraag of van de verdachte in redelijkheid kon worden verwacht dat hij medische stukken aanleverde, terwijl de raadsvrouw heeft aangevoerd dat zowel de verdachte als zij tevergeefs hebben getracht contact te krijgen met de huisartsenpost.15.Het oordeel van het hof dat niet aannemelijk was dat de verdachte ziek was, is al met al niet zonder meer begrijpelijk. Dat de raadsvrouw de gelegenheid heeft gekregen nadere informatie in te winnen bij de verdachte maakt dat, in het licht van het voorgaande, niet anders.
13. Het hof heeft zijn afwijzende beslissing daarnaast laten steunen op een belangenafweging. Het hof heeft overwogen dat een voortvarende procesafdoening prevaleert boven de belangen van de verdachte. Daarin heeft het hof alleen (kenbaar) meegenomen dat de zaak al een keer eerder was aangehouden en dat er een benadeelde partij is betrokken in het proces. Deze omstandigheden lijken mij onvoldoende om de (verstrekkende) conclusie te kunnen dragen dat het belang van een behoorlijke strafvordering ernstig in het gedrang zou komen bij een herhaalde aanhouding, voor zover die conclusie al ligt besloten in de overwegingen van het hof.
14. Op grond van het voorgaande concludeer ik dat het hof de beslissing tot afwijzing van het verzoek tot aanhouding ontoereikend heeft gemotiveerd.
Slotsom
15. Het middel slaagt.
16. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 25‑06‑2024
Zie HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737, NJ 2020/230, m.nt. P. Mevis, r.o. 2.3.
Zie HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934, NJ 2019/285, m.nt. P. Mevis, r.o. 2.5 en HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737, NJ 2020/230, m.nt. P. Mevis, r.o. 2.3.
Vgl. HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:131.
Zie bijvoorbeeld HR 10 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:5, r.o. 2.5.
Zie HR 11 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1424, r.o. 2.3.5.
Hieruit mag niet worden afgeleid dat de verdachte daarmee het recht om ter terechtzitting in hoger beroep zelf aanwezig te zijn, heeft prijsgegeven, maar dit maakt wel dat het niet uitoefenen van het aanwezigheidsrecht door de verdachte eerder aanvaardbaar kan worden geacht. Vgl. HR 11 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:685 en mijn ambtgenote Spronken in haar conclusie van 18 oktober 2022, ECLI:NL:PHR:2022:956, onder 2.16.
Zie wederom mijn ambtgenote Spronken in haar conclusie van 18 oktober 2022, ECLI:NL:PHR:2022:956, onder 2.16 en (over ontnemingszaken) HR 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:983, NJ 2020/297, m.nt. J.M. Reijntjes.
Zie paragraaf 3 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot invoering van art. 131a Sv heeft geleid over de verhouding tussen de aanwezigheid op zitting via videoconferentie en het aanwezigheidsrecht van art. 6 EVRM, Kamerstukken II 2004/05, 29 828, nr. 3.
Zie HR 6 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1826, r.o. 2.4.
Het (uitdrukkelijk) meenemen van deze factor in de afweging lijkt min of meer verplicht. Zie de laatste zin van de vooropstelling in het genoemde standaardarrest en ook HR 11 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:685. Mijn ambtgenoot Aben verdeelde de mogelijke redenen onder in drie categorieën: (i.) onwil, (ii.) onmacht of (iii.) onwetendheid. Zie zijn conclusie van 21 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:527 onder 9. Wanneer in meer of mindere mate sprake is van onwil (moet in beginsel niet worden uitgegaan van een waiver, maar) wordt het gewicht afgezwakt dat moet worden toegekend aan het belang dat de verdachte heeft bij uitoefening van zijn aanwezigheidsrecht. Vgl. de noot van Mevis onder 9 bij HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1145, NJ 2020/25.
Als er geen redelijke grond is te veronderstellen dat de verdachte op termijn wel gebruik zal (kunnen/willen)maken van zijn aanwezigheidsrecht, lijkt dat al snel voldoende grond om het belang van een behoorlijke strafvordering voor te laten gaan op de belangen van de verdachte en een verzoek om die reden af te wijzen. Die situatie kan zich bijvoorbeeld voordien indien de verdachte mogelijk geen weet heeft van de zitting. Vgl. HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1144.
Zie in dezelfde volgorde, HR 11 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1424, HR 16 oktober 2018,ECLI:NL:HR:2018:1934, NJ 2019/285 m.nt. P. Mevis, r.o. 2.5 en HR 14 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:709, NJ 2019/290, m.nt. P. Mevis, r.o. 2.3.
HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934, r.o. 2.5., NJ 2019/285, m.nt. P. Mevis.
Vgl. HR 6 april 2021, ECL:NL:HR:2021:496.
Beroepschrift 18‑08‑2023
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
SCHRIFTUUR HOUDENDE EEN MIDDEL VAN CASSATIE
Inzake: [verdachte]/O.M.
I. [verdachte], requirant van cassatie van een te zijnen aanzien gewezen arrest van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 15 december 2022 (parketnummer: 20-000784-21).
Edelhoogachtbaar College,
Ondergetekende, E. Maessen, advocaat te Maastricht, die verklaart tot ondertekening en indiening van onderhavige schriftuur bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door requirant van cassatie, heeft de eer aan uw Hoge Raad voor te dragen, het navolgende:
Middel van cassatie
I
Schending van het recht, in het bijzonder van art. 281 lid 1 Sv jo. art. 415 lid 1 Sv en art. 6 lid 3 sub c EVRM en/of verzuim van vormen waarvan het niet naleven nietigheid meebrengt, doordat het Hof het namens requirant gedane verzoek tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting in verband met diens ziekte ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft afgewezen. Het Hof heeft daarmee voorts op ontoereikende gronden geoordeeld dat requirant ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.
Toelichting:
1.
Het Hof heeft requirant gelet op het bepaalde in art. 404 lid 1 Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het derde feit in eerste aanleg en hem op de voet van het bepaalde in art. 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep voor het overige (arrest d.d. 15 december 2022, p. 2).
2.
Ter terechtzitting van het Hof van 01 december 2022 is door requirant's (niet op de voet van art. 279 Sv gemachtigde) raadsvrouw een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak gedaan in verband met ziekte van requirant. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt hieromtrent in (p. 1–3):
‘De raadsvrouw geeft te kennen:
‘Cliënt weet van deze zitting.
Ik heb bij e-mailbericht van 30 november 2022 het hof verzocht om het onderzoek ter terechtzitting aan te houden in het belang van de verdediging, nu cliënt gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht en momenteel wegens ziekte is verhinderd om de zitting bij te wonen. Zoals u kunt zien in de bijlagen bij mijn e-mail heeft hij mij geappt dat hij ziek is.
Ik heb van de strafgriffie van het gerechtshof gehoord dat er een medische verklaring nodig is. Cliënt heeft gebeld met de huisartsenpost, maar kon er niet terecht omdat het al vol zat. Ik heb het ook geprobeerd, maar het is niet gelukt. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het feit dat er geen doktersverklaring is, op zich geen reden is om het aanhoudingsverzoek af te wijzen. Het is de vraag of de doktersverklaring er in redelijkheid nog kan komen. De verdediging heeft er alles aan gedaan om de doktersverklaring te verkrijgen. Ik handhaaf het aanhoudingsverzoek. Cliënt zegt uitdrukkelijk dat hij ter terechtzitting aanwezig wil zijn.’
De voorzitter deelt mede:
‘De zaak is eerder aangehouden op de terechtzitting van 13 juni 2022. Toentertijd was de verdacht ziek en had hij griep. U, raadsvrouw, zegt in uw mail van 30 november 2022 dat hij doodziek op bed ligt. Wat heeft hij?’
De raadsvrouw geeft te kennen:
‘Cliënt is vorige week langsgekomen op mijn kantoor voor een bespreking. Hij hoestte en kuchte toen. Ik denk dat hij met koorts in bed ligt, maar ik weet het niet. Als cliënt zegt dat hij doodziek is en griep heeft, dan vind ik dat niet gek gelet op het hoesten en dergelijke vorige week tijdens de bespreking.’
De voorzitter deelt mede:
‘Dat hij koorts en griep heeft lijkt dan uw invulling, want er staat niets over in de appjes die zijn gevoegd bij uw e-mailbericht van 30 november 2022.’
De raadsvrouw geeft te kennen:
‘Dat klopt, maar cliënt is een magere en smalle man.’
De advocaat-generaal deelt mede:
‘Wat is de woonsituatie van de verdachte op dit moment? Wordt hij ergens verzorgd?’
De raadsvrouw geeft te kennen:
‘Cliënt heeft geen vast woonadres. Hij verblijft bij vrienden. U, advocaat-generaal, vraagt mij of zijn vrienden nu dan de zorg voor cliënt hebben. Ik denk het. Cliënt woont niet bij zijn vriendin. De relatie is ten einde.’
De oudste raadsheer deelt mede:
‘Op de vorige zitting is door de verdediging om precies dezelfde reden om aanhouding gevraagd, zo is te lezen in het aanhoudingsverzoek van de raadsvrouw van de vorige keer.’
De advocaat-generaal deelt mede:
‘Het gebeurt dat mensen ziek zijn en dan is een medische verklaring nodig of een briefje van iemand in de omgeving. Dat is er allemaal niet. De vorige keer is het hof afgeweken van het aanhoudingsprotocol en heeft de zaak toen aangehouden. Nu is er hetzelfde verzoek, maar geen enkele informatie over wat de verdachte heeft. De raadsvrouw heeft ook niet meer klaarheid gegeven. Ik vraag het hof het aanhoudingsverzoek af te wijzen.’
De raadsvrouw geeft te kennen:
‘Ik kan naar buiten gaan en meer informatie opvragen. Als cliënt zegt dat hij doodziek op bed ligt, ga ik daar vanuit en ga ik hem niet steeds appen.’
Het hof onderbreekt daartoe het onderzoek voor korte tijd.
Het onderzoek wordt hervat.
De raadsvrouw geeft te kennen:
‘Ik heb cliënt niet gesproken. Ik kreeg geen reactie van hem.’
De voorzitter deelt als beslissing van het hof het navolgende mede:
‘Het hof heeft zich zojuist tijdens de onderbreking beraden. Het hof acht het niet aannemelijk dat de verdachte ziek is en daarom vandaag niet ter terechtzitting is kunnen verschijnen. Er staat in zijn appjes niet wat hij heeft waardoor hij niet ter zitting zou kunnen verschijnen. Er zijn geen nadere (medische) stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt. Deze stukken zijn door de raadsvrouw niet ingebracht na haar contact met de strafgriffie van het gerechtshof en zijn ook niet gekomen tijdens de onderbreking van de zitting van vandaag. Evenmin blijkt dat de verdachte contact heeft gehad met de huisartsenpost en dat deze vol zat. Bij de afweging tussen de belangen van de verdachte enerzijds en het belang van een voortvarende procesafdoening anderzijds, is het hof van oordeel dat het belang van een voortvarende procesafdoening thans prevaleert gelet op de omstandigheden dat de zaak al een keer eerder is aangehouden, er een benadeelde partij in de zaak is betrokken en de verdachte niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij wegens ziekte niet in staat was ter zitting te verschijnen. Het aanhoudingsverzoek wordt om die reden afgewezen.’’
3.
In HR 01 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1896 heeft uw Raad overwogen:
‘Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting kan op de terechtzitting worden gedaan door de verdachte of zijn raadsman die daartoe door de verdachte op grond van artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is gemachtigd. Ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de verdachte die op de terechtzitting niet is verschenen, kan daar een verzoek doen tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van de in artikel 279 lid 1 Sv bedoelde machtiging. Overeenkomstig de artikelen 329 en 330 Sv wordt beslist op het verzoek nadat het openbaar ministerie daaromtrent is gehoord.
De verdachte of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting ten grondslag ligt. Indien zo'n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen.
In de regel mag van de verdachte of diens raadsman worden gevergd dat hij ter staving van het verzoek (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Als de rechter de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd en/of aan zijn verlangen tot aanvulling niet (genoegzaam) is voldaan.
Voor het oordeel dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, volstaat evenwel niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden — in het bijzonder of het gaat om een zich onverwacht aandienende omstandigheid, bijvoorbeeld verband houdend met ziekte van de verdachte — of, alvorens wordt beslist op het verzoek, gelegenheid dient te worden geboden het verzoek van een nadere toelichting te voorzien en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. Opmerking verdient evenwel dat de rechter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing omtrent de aannemelijkheid van de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid achterwege kan laten op grond van zijn oordeel dat hetgeen is aangevoerd — ware het juist — in de hierna weer te geven afweging van belangen niet tot toewijzing van het verzoek leidt.
Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek reeds — dat wil zeggen: zonder dat tot de hierna weer te geven afweging van belangen wordt overgegaan — afwijzen op de grond dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is.
Wanneer zich niet het geval voordoet dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is geoordeeld, dient de rechter een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in artikel 6 lid 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde aanwezigheidsrecht — waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen — en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing.
In het specifieke geval dat de verdachte wegens ziekte is verhinderd op de terechtzitting te verschijnen en in verband daarmee schorsing van het onderzoek heeft verzocht of heeft doen verzoeken, voldoet de rechter aan dit verzoek zodat de verdachte alsnog de gelegenheid krijgt aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting. Bijzondere omstandigheden kunnen echter meebrengen dat de rechter tot het oordeel komt dat het belang van een behoorlijke strafvordering — dat de afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn omvat — ernstig in het gedrang zou komen, wanneer het onderzoek op de terechtzitting zou worden geschorst en dat dit belang onder de gegeven omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn.’
4.
Het Hof heeft in de zaak van requirant geoordeeld dat de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheid — ziekte van requirant — niet aannemelijk is, maar nochtans een belangenafweging gemaakt tussen het aanwezigheidsrecht van requirant en het belang van een doeltreffende en spoedige berechting.
5.
Het oordeel van het Hof dat requirant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in verband met ziekte niet in staat was om op de terechtzitting van 01 december 2022 aanwezig te zijn is niet zonder meer begrijpelijk te achten.
6.
Op 30 november 2022 heeft requirant's raadsvrouw per e-mailbericht verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden in verband met ziekte van requirant. Naar aanleiding daarvan is, gelet op hetgeen requirant's raadsvrouw ter terechtzitting van het Hof heeft aangevoerd, door de griffie van het Hof bericht dat er een medische verklaring zou moeten worden overgelegd. De terechtzitting van 01 december 2022 van het Hof — dus de eerstvolgende dag — vond, blijkens de zich bij de processtukken bevindende oproeping, al plaats om 09.00 uur. Dit korte tijdverloop doet de vraag rijzen of het overleggen van een medische verklaring of andere gegevens in redelijkheid van requirant had kunnen worden verlangd. Hieromtrent heeft het Hof niets vastgesteld. Ook voor wat betreft de onderbreking van de terechtzitting van 01 december 2022 voor, zoals het proces-verbaal van die terechtzitting vermeldt, korte tijd kan worden gesteld dat een dergelijke tijdspanne te klein is om redelijkerwijs alsnog een medische verklaring te kunnen verkrijgen.
7.
Uit HR 01 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1896 volgt dat voor het oordeel, dat de verhindering om ter terechtzitting te kunnen verschijnen niet aannemelijk is geworden, niet altijd de vaststelling volstaat dat die verhindering onvoldoende is onderbouwd en dat zulks zich met name kan voordoen bij een zich onverwacht aandienende omstandigheid (zoals ziekte van een verdachte). Uw Raad oordeelde in HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2869 (onder verwijzing naar de conclusie van de Advocaat-Generaal Knigge) dat het oordeel van het Hof dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de verdachte een ziekte had die hem verhinderde bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig te zijn, zonder dat het Hof heeft onderzocht of het overleggen van een medische verklaring of andere gegevens in redelijkheid van verdachte had kunnen worden verlangd, de afwijzing van het gedane aanhoudingsverzoek niet kan dragen. Een dergelijke situatie doet zich in de zaak van requirant ook voor.
8.
Daarnaast bestaan ook bezwaren tegen het oordeel van het Hof dat niet is gebleken dat requirant contact heeft gehad met de huisartsenpost en dat requirant daar niet terecht kon. Uit hetgeen requirant's raadsvrouw ter terechtzitting van het Hof heeft aangevoerd volgt dat requirant heeft gebeld met de huisartsenpost en dat hem is meegedeeld dat hij er niet terecht kon omdat het al vol zat. Aan het Hof kan worden toegegeven dat het door requirant telefoneren naar de huisartsenpost nog zou kunnen worden aangetoond door een screenshot van de belgeschiedenis in het telefoontoestel. Maar het vastleggen en aan het Hof over leggen van de inhoud van een telefonisch gevoerd gesprek wordt al snel een lastigere exercitie (nog daargelaten of het betamelijk is te achten om een telefoongesprek met de huisartsenpost op te nemen). Uit hetgeen requirant's raadsvrouw heeft aangevoerd lijkt te volgen dat zelfs zij contact met de betreffende huisartsenpost heeft opgenomen.
9.
Gelet hierop, is het oordeel van het Hof dat niet aannemelijk is gemaakt dat requirant in verband met ziekte was verhinderd om ter terechtzitting te verschijnen niet begrijpelijk te achten. Daarnaast is het oordeel van het Hof in het kader van de gemaakte belangenafweging, die in het nadeel van requirant is uitgevallen, niet zonder meer begrijpelijk te achten.
10.
Omdat het Hof m.i. ten onrechte of ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat requirant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in verband met ziekte was verhinderd om ter terechtzitting van het Hof te verschijnen, is de door het Hof gemaakte belangenafweging tussen requirant's aanwezigheidsrecht en het belang van een doeltreffende en spoedige berechting niet als een onverplichte c.q. ten overvloede gegeven overweging aan te merken. Dat maakt dat over deze belangenafweging in cassatie kan worden geklaagd.
11.
Het Hof heeft in de zaak van requirant bij de gemaakte belangenafweging enkel betrokken dat de zaak al een keer eerder is aangehouden en er een benadeelde partij in de zaak is betrokken. Anders dan in bijvoorbeeld HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:477 aan de orde was,1. heeft het Hof verder geen bijzondere omstandigheden mede in aanmerking genomen op grond waarvan het heeft geoordeeld dat de belangenafweging in het nadeel van requirant moet uitvallen, ondanks dat sprake was van verhindering van requirant in verband met ziekte. Het is dus niet zo dat — zelfs als er een medische verklaring namens requirant kon worden overgelegd — het Hof het aanhoudingsverzoek slechts had kunnen afwijzen in verband met bijzondere omstandigheden van de zaak waardoor het belang van een behoorlijke strafvordering ernstig in het gedrang zou komen (zoals bijvoorbeeld een overschrijding van de redelijke termijn voor berechting; die is i.c. niet aan de orde).
12.
Het oordeel van het Hof dat het belang van een doeltreffende en spoedige berechting dient te prevaleren boven requirant's aanwezigheidsrecht en dat daarom het aanhoudingsverzoek dient te worden afgewezen, is ontoereikend gemotiveerd te achten.
13.
Gelet op het voorgaande kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven.
Maastricht, 18 augustus 2023
E. Maessen
advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 18‑08‑2023
De strafzaak waarvan de zaak tegen die verdachte deel uitmaakte, had betrekking op een zeer omvangrijk strafrechtelijk onderzoek naar onder meer deelname aan een crimineel samenwerkingsverband, terwijl er al getuigen voor de zitting waren opgeroepen om te worden gehoord. Omdat het hof in de zaken tegen de medeverdachten ook aandacht moest besteden aan de rol van de verdachte, zou aanhouding van de zaak tegen de verdachte tot gevolg zou hebben dat een geheel nieuwe combinatie van raadsheren zich in het omvangrijke dossier zou moeten inlezen. Bij dit alles had het Hof verder nog in zijn overwegingen betrokken dat de redelijke termijn al aanzienlijk was overschreden, en dat een hervatting van de behandeling van de zaak tegen die verdachte niet binnen afzienbare termijn viel te verwachten.