Daarbij moet worden bedacht dat ook als de Hoge Raad daartoe niet overgaat, de opgeëiste persoon nog altijd het risico loopt dat het aantal feiten waarvoor de verzoekende staat de opgeëiste persoon mag vervolgen, na de beslissing van de Hoge Raad, alsnog wordt uitgebreid, bijvoorbeeld als gevolg van een nieuw uitleveringsverzoek.
HR, 07-12-2021, nr. 21/03217
ECLI:NL:HR:2021:1835
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
07-12-2021
- Zaaknummer
21/03217
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Internationaal strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2021:1835, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 07‑12‑2021; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:1049
ECLI:NL:PHR:2021:1049, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 09‑11‑2021
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1835
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑10‑2021
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2021-0373
Uitspraak 07‑12‑2021
Inhoudsindicatie
Vervolgingsuitlevering van opgeëiste persoon (Zuid-Koreaanse nationaliteit) naar Zuid-Korea t.z.v. fraude. 1. Heeft HR:2018:507 over ambtshalve beperking van het cassatieberoep in strafzaken met een samengestelde tll. gevolgen voor de wijze waarop HR het cassatieberoep in uitleveringszaken pleegt op te vatten? 2. Voldoende duidelijke vermelding feit waarvoor uitlevering wordt toegestaan, art. 28.3 UW. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2018:507 m.b.t. heroverweging van de gewoonteregel in strafzaken met een samengestelde tll. het cassatieberoep ambtshalve beperkt op te vatten. O.g.v. art. 429 Sv kan het beroep in cassatie ook tegen een gedeelte van een vonnis of arrest worden ingesteld. Deze bepaling is in art. 31.7 UW niet uitdrukkelijk op het cassatieberoep tegen een uitspraak over het verzoek tot uitlevering van overeenkomstige toepassing verklaard. Niettemin is er geen reden waarom die bepaling niet toepasselijk zou moeten zijn in uitleveringszaken en kan - zo volgt uit o.m. HR:1979:AC1376 - in uitleveringszaken het cassatieberoep eveneens worden beperkt tot een gedeelte van uitspraak Rb over het verzoek tot uitlevering. Beperkingen van het cassatieberoep zijn echter niet toelaatbaar indien als gevolg van het beperkte cassatieberoep na gehele of gedeeltelijke vernietiging van de bestreden uitspraak niet meer naar behoren (opnieuw) recht kan worden gedaan. Beperkingen in het cassatieberoep die dat effect kunnen hebben, acht de HR ontoelaatbaar (vgl. voor strafzaken HR:2013:CA1610). In uitleveringszaken pleegt HR het door opgeëiste persoon zonder enige beperking ingestelde cassatieberoep op te vatten als niet te zijn gericht tegen de partiële ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering. Daarin heeft het op samengestelde tll. gerichte HR:2018:507 geen verandering gebracht. Ad 2. Rb heeft de uitlevering van opgeëiste persoon aan Zuid-Korea toelaatbaar verklaard ter strafvervolging “voor het in de stukken omschreven feit B, oplichting”. Uitspraak Rb vermeldt echter niet met voldoende precisie om welke stukken het gaat en bevat daarom niet een voldoende duidelijke omschrijving van het feit waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan. HR herstelt dit verzuim door de uitlevering toelaatbaar te verklaren voor het feit dat is omschreven in het bij uitleveringsverzoek overgelegde stuk.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/03217 U
Datum 7 december 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 juli 2021, nummer [001], op een verzoek van de Republiek Zuid-Korea tot uitlevering
van
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de opgeëiste persoon.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze hebben G.A. Jansen en Th.O.M. Dieben, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover de rechtbank de gevraagde uitlevering toelaatbaar heeft verklaard “ter fine van strafvervolging voor het in de stukken omschreven feit B, oplichting”, tot toelaatbaarverklaring van de uitlevering ter strafvervolging van de feiten zoals die zijn omschreven onder B van de “Facts of Crime” in de “Arrest Warrant” die op 16 januari 2020 is afgegeven door Judge JEONG Yoon-Taek, Seoul Central District Court, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadslieden van de opgeëiste persoon hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2. Opmerking over de omvang van het cassatieberoep
2.1
In de cassatieschriftuur en de conclusie van de advocaat-generaal wordt de vraag aan de orde gesteld of het arrest van de Hoge Raad van 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:507 gevolgen heeft voor de wijze waarop de Hoge Raad het cassatieberoep in uitleveringszaken pleegt op te vatten. Naar aanleiding daarvan merkt de Hoge Raad het volgende op.
2.2
In het arrest van de Hoge Raad van 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:507 heeft de Hoge Raad:
- onder 1.1 onder meer het volgende geciteerd uit zijn arrest van 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610:
“In de rechtspraak heeft zich de gewoonteregel ontwikkeld dat in zaken met meerdere, cumulatief tenlastegelegde feiten het door de verdachte zonder enige beperking ingestelde beroep in cassatie pleegt te worden opgevat als niet te zijn gericht tegen (bijvoorbeeld) de vrijspraak van het cumulatief tenlastegelegde feit.”
- en heeft hij, voor zover hier van belang, verder het volgende overwogen:
“1.2. Op grond van voormelde gewoonteregel pleegt de Hoge Raad in zaken met meerdere, cumulatief tenlastegelegde feiten het door de verdachte zonder enige beperking ingestelde beroep in cassatie ambtshalve te beperken tot - naar de kern bezien - de verdachte belastende beslissingen. De Hoge Raad is van oordeel dat deze ambtshalve beperking van het cassatieberoep heroverweging behoeft. Dat berust op het volgende.
1.3.
Zoals in de arresten van de Hoge Raad van 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, ECLI:NL:HR:2012:BX0129, NJ 2013/242, ECLI:NL:HR:2012:BX7004, NJ 2013/243 en ECLI:NL:HR:2012:BX0132, NJ 2013/244 inzake art. 80a RO is overwogen, zal in gevallen waarin die bepaling kan worden toegepast, het gebruik van het bijzondere instrument van ambtshalve cassatie niet snel aan de orde zijn, onder meer omdat ervan moet worden uitgegaan dat misslagen in de bestreden uitspraak of fouten in de aan die uitspraak voorafgegane procedure zijn opgemerkt en dat het achterwege blijven van een daarop toegespitste klacht berust op een weloverwogen keuze, en omdat het bij een beperkte capaciteit om cassatieberoepen te behandelen en gelet op de noodzaak zaken binnen een aanvaardbare termijn af te doen, in de rede ligt de behandeling in cassatie te concentreren op de door rechtsgeleerde tussenkomst ingediende klachten.
1.4.
Ook ten aanzien van het instellen van het beroep in cassatie en het al dan niet beperken van dat beroep of het al dan niet (gedeeltelijk) intrekken daarvan mag worden aangenomen dat dit berust op een weloverwogen keuze. Op grond van art. 429 Sv zijn partijen immers bevoegd het beroep in cassatie slechts tegen een gedeelte van een uitspraak in te stellen. Daarnaast bestaat de mogelijkheid het beroep in cassatie geheel of gedeeltelijk in te trekken op de wijze die in de art. 453-455 Sv is voorzien. Dat partijen aldus zelf de reikwijdte van het cassatieberoep kunnen bepalen is van belang omdat de Hoge Raad in toenemende mate te maken krijgt met zaken waarin een reeks feiten cumulatief en/of alternatief is tenlastegelegd terwijl niet altijd duidelijk is of de steller van de tenlastelegging heeft bedoeld de verdachte aldus één (samengesteld) strafbaar feit dan wel meerdere zelfstandige strafbare feiten te verwijten. Het ligt niet op de weg van de Hoge Raad om vragen die dergelijke tenlasteleggingen oproepen met betrekking tot de omvang van het cassatieberoep ambtshalve te beoordelen en te beslissen.
1.5.
Uit het achterwege blijven van het gebruik van voormelde bevoegdheden leidt de Hoge Raad daarom voortaan af dat het niet beperken van het beroep berust op een weloverwogen keuze en dat hij zich zonder een onderzoek dat voormelde gewoonteregel met zich brengt uit te voeren, kan concentreren op de beslissingen waartegen de cassatieschriftuur zich keert.
(...)
1.7.
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt evenwel geen verandering in de op art. 427 Sv gebaseerde beoordeling van de ontvankelijkheid van een zonder beperking ingesteld cassatieberoep in zaken waarin primair een misdrijf en subsidiair een overtreding is tenlastegelegd en waarin (i) de verdachte van het primair tenlastegelegde is vrijgesproken of anderszins geen veroordeling is gevolgd ter zake van het primair tenlastegelegde misdrijf, (ii) hij uitsluitend ter zake van de overtreding ofwel schuldig is verklaard zonder oplegging van een straf of maatregel ofwel is veroordeeld tot een geldboete van niet meer dan € 250,-, (iii) het Openbaar Ministerie geen beroep in cassatie heeft ingesteld tegen de beslissing ter zake van het primair tenlastegelegde en (iv) niet blijkt van een rechtens te respecteren belang van de verdachte bij zijn beroep in cassatie tegen de beslissing ter zake van het primair tenlastegelegde. In dergelijke uitzonderlijke gevallen placht en pleegt de Hoge Raad een door de verdachte onbeperkt ingesteld beroep in cassatie - mede om redenen van proceseconomie - op te vatten als uitsluitend te zijn gericht tegen de veroordeling ter zake van de subsidiair tenlastegelegde overtreding. In aanmerking genomen dat uit de tekst en de strekking van art. 427 Sv volgt dat voor de vraag of cassatieberoep openstaat de beslissing ter zake van de overtreding bepalend is en niet de wijze waarop de tenlastelegging is ingericht, leidt het vorenstaande ertoe dat in de hiervoor omschreven bijzondere gevallen het cassatieberoep op grond van het tweede lid van art. 427 Sv niet-ontvankelijk wordt verklaard. (Vgl. HR 16 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2354, NJ 2007/312.)”
2.3
Op grond van artikel 429 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het beroep in cassatie ook tegen een gedeelte van een vonnis of arrest worden ingesteld. Deze bepaling is in artikel 31 lid 7 van de Uitleveringswet niet uitdrukkelijk op het cassatieberoep tegen een uitspraak over het verzoek tot uitlevering van overeenkomstige toepassing verklaard. Niettemin is er geen reden waarom die bepaling niet toepasselijk zou moeten zijn in uitleveringszaken en kan – zo volgt uit onder meer HR 10 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC1376 – in uitleveringszaken het cassatieberoep eveneens worden beperkt tot een gedeelte van de uitspraak van de rechtbank over het verzoek tot uitlevering. Beperkingen van het cassatieberoep zijn echter niet toelaatbaar indien als gevolg van het beperkte cassatieberoep na gehele of gedeeltelijke vernietiging van de bestreden uitspraak niet meer naar behoren (opnieuw) recht kan worden gedaan. Beperkingen in het cassatieberoep die dat effect kunnen hebben, acht de Hoge Raad ontoelaatbaar (vgl. voor strafzaken HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610).
2.4
In uitleveringszaken pleegt de Hoge Raad het door de opgeëiste persoon zonder enige beperking ingestelde cassatieberoep op te vatten als niet te zijn gericht tegen de partiële ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering. Daarin heeft het hiervoor onder 2.2 vermelde, op samengestelde tenlasteleggingen gerichte arrest geen verandering gebracht.
2.5
Volgens de akte rechtsmiddel van 6 oktober 2021 is in deze zaak het beroep niet gericht tegen de in de uitspraak van de rechtbank vervatte ontoelaatbaarverklaring.
3. Beoordeling van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de uitspraak van de rechtbank in strijd met artikel 28 lid 3 van de Uitleveringswet niet een voldoende duidelijke vermelding bevat van het feit waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan.
3.2
De rechtbank heeft de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Republiek Zuid-Korea toelaatbaar verklaard ter strafvervolging “voor het in de stukken omschreven feit B, oplichting”. De uitspraak van de rechtbank vermeldt echter niet met voldoende precisie om welke stukken het gaat en bevat daarom niet een voldoende duidelijke omschrijving van het feit waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan.
3.3
Het cassatiemiddel klaagt hierover terecht. De Hoge Raad zal dit verzuim herstellen door de uitlevering toelaatbaar te verklaren voor het feit dat is omschreven in het na te noemen door de verzoekende Staat bij het uitleveringsverzoek overgelegde stuk.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar uitsluitend voor zover de rechtbank heeft verzuimd het feit waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan, toereikend te vermelden;
- verklaart de uitlevering toelaatbaar voor het feit zoals omschreven in de “Facts of Crime” onder B, in de “Warrant of Arrest”, gegeven door Judge JEONG Yoon-Taek, Seoul Central District Court, van 16 januari 2020;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 december 2021.
Conclusie 09‑11‑2021
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Vervolgingsuitlevering naar Zuid-Korea wegens oplichting. Art. 28.3 Uitleveringswet. Art. 429 Sv. AG gaat in op de vraag of de HR het cassatieberoep van de opgeëiste persoon in uitleveringszaken ambtshalve zou moeten blijven opvatten als louter gericht tegen de toelaatbaarverklaring (vgl. HR:2018:507). Middel klaagt dat de rechtbank de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar kan worden verklaard, niet voldoende duidelijk heeft vermeld. Strekt tot partiële vernietiging waarna de HR zelf de feiten vermeldt en tot verwerping voor het overige.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/03217 U
Zitting 9 november 2021 (bij vervroeging)
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de opgeëiste persoon.
Inleiding
Bij beslissing van 16 juli 2021 heeft de rechtbank Den Haag de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Republiek Zuid-Korea ontoelaatbaar verklaard “ter fine van strafvervolging voor het in de stukken omschreven feit A, illegale fondsenwerving” en toelaatbaar verklaard “ter fine van strafvervolging voor het in de stukken omschreven feit B, oplichting”.
Tegen deze beslissing is op 28 juli 2021 namens de opgeëiste persoon cassatieberoep ingesteld. Volgens een opgemaakte akte rechtsmiddel is het cassatieberoep vervolgens op 6 oktober 2021 partieel ingetrokken “namelijk in die zin dat het cassatieberoep zich niet uitstrekt tot de in deze uitspraak vervatte ontoelaatbaarverklaring”.
Namens de opgeëiste persoon hebben mr. G.A. Jansen en mr. Th.O.M. Dieben, beiden advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
De beperking van het cassatieberoep
4. Uit de daarvan opgemaakte akte blijkt dat de opgeëiste persoon heeft beoogd het cassatieberoep te beperken tot de beslissing van de rechtbank voor zover daarbij de uitlevering toelaatbaar is verklaard. Door de stellers van het middel is de vraag opgeworpen of in uitleveringszaken nog steeds de regel geldt dat de Hoge Raad een onbeperkt ingesteld cassatieberoep ambtshalve opvat als louter gericht tegen de toelaatbaarverklaring, of dat de in HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:507, door de Hoge Raad ingezette lijn ook voor uitleveringszaken verandering brengt. In de schriftuur wordt in verband met de rechtsontwikkeling aan de Hoge Raad gevraagd zich expliciet uit te laten over de betekenis van voormeld arrest voor uitleveringszaken. Daarbij wordt naar voren gebracht dat als de ingezette lijn niet wordt doorgetrokken naar uitleveringszaken, “nodeloze beperkingen (en bijbehorende administratieve handelingen en last voor o.a. advocatuur en rechtspraak)” achterwege kunnen blijven.
5. In het in de schriftuur aangehaalde arrest van 24 april 2018 is de Hoge Raad teruggekomen op de in de rechtspraak ontwikkelde gewoonteregel dat in zaken met meerdere, cumulatief tenlastegelegde feiten, het door de verdachte zonder enige beperking ingestelde beroep in cassatie ambtshalve wordt beperkt tot – naar de kern bezien – de verdachte belastende beslissingen. De Hoge Raad acht het van belang dat partijen zelf de reikwijdte van het cassatieberoep bepalen omdat de Hoge Raad in toenemende mate te maken krijgt met zaken waarin een reeks feiten cumulatief en/of alternatief is tenlastegelegd terwijl niet altijd duidelijk is of de steller van de tenlastelegging heeft bedoeld de verdachte aldus één (samengesteld) strafbaar feit dan wel meerdere zelfstandige strafbare feiten te verwijten. Het ligt niet op de weg van de Hoge Raad om vragen die dergelijke tenlasteleggingen oproepen met betrekking tot de omvang van het cassatieberoep ambtshalve te beoordelen en te beslissen, zo wordt in het arrest overwogen. Bij het voorgaande neemt de Hoge Raad in beschouwing dat partijen op grond van art. 429 Sv bevoegd zijn het beroep in cassatie slechts tegen een gedeelte van een uitspraak in te stellen en dat daarnaast de mogelijkheid bestaat het beroep in cassatie geheel of gedeeltelijk in te trekken op de wijze die in de art. 453-455 Sv is voorzien. Ten aanzien van het instellen van het beroep in cassatie en het al dan niet beperken van dat beroep of het al dan niet (gedeeltelijk) intrekken daarvan mag worden aangenomen dat dit berust op een weloverwogen keuze, aldus de Hoge Raad.
6. In uitleveringszaken ligt de situatie wat anders. Allereerst is art. 429 Sv, dat voorziet in een partieel beroep in cassatie, in art. 31, zevende lid, Uitleveringswet niet van overeenkomstige toepassing verklaard in de uitleveringsprocedure. Partijen zijn daarmee op grond van de Uitleveringswet niet zonder meer bevoegd het beroep in cassatie slechts tegen een gedeelte van de uitspraak in te stellen. Gelet hierop neem ik aan dat de in art. 31, zevende lid, Uitleveringswet geboden mogelijkheid tot intrekking van het cassatieberoep op de wijze die in de art. 453, 454, eerste, tweede en derde lid en 455, eerste lid, Sv is voorzien, in uitleveringszaken wettelijk gezien vervolgens ook is beperkt tot het geheel intrekken van het cassatieberoep en dat, anders dan in reguliere strafzaken, niet zonder meer een mogelijkheid bestaat tot de gedeeltelijke intrekking daarvan. Naar de ratio van het niet van overeenkomstige toepassing verklaren van art. 429 Sv in art. 31, zevende lid, Uitleveringswet kunnen we overigens slechts gissen; het spreekt niet vanzelf en de wetsgeschiedenis van de Uitleveringswet biedt hieromtrent geen uitsluitsel.
7. Het gevolg van het voorgaande is dat de opgeëiste persoon in cassatie in beginsel het risico loopt dat de Hoge Raad de uitlevering ambtshalve voor meer feiten toelaatbaar verklaart dan de rechtbank.1.In de praktijk heeft de Hoge Raad dit risico echter ondervangen door aan te nemen dat een onbeperkt door de opgeëiste persoon ingesteld cassatieberoep de kennelijke bedoeling heeft dat het zich alleen richt tegen de gegeven toelaatbaarverklaring.2.In de schriftuur wordt in dit verband gewezen op een arrest van 10 april 1979 in een uitleveringszaak waarin de opgeëiste persoon, die daarin werd aangeduid als “W.”, geen middelen van cassatie had voorgesteld. De Hoge Raad overwoog met betrekking tot het cassatieberoep dat, hoewel het beroep onbeperkt is ingesteld “als kennelijke bedoeling van W. [moet] worden aangenomen, dat het beroep zich louter richt tegen de gegeven toelaatbaarverklaring.”3.Van Veen merkt in zijn noot bij dit arrest op dat de Hoge Raad “hier een gelukkige beslissing heeft genomen”. Daarbij wijst hij mede op de mogelijke betekenis van dit arrest voor de verdachte in strafzaken. Met een vooruitziende blik schreef Van Veen het volgende:
“Voor de verdachte in het strafproces kan deze uitspraak van de HR ook gevolgen hebben. Immers de consequentie van de hier gevolgde redenering zou kunnen zijn dat de HR gaat aannemen, dat een onbeperkt beroep in cassatie, ingesteld door een verdachte tegen een vonnis dat behalve een veroordeling ook vrijspraken bevat, alleen ingesteld wordt geacht te zijn tegen het vonnis voorzover het de verdachte heeft veroordeeld. De verdachte zal dan bewaard blijven voor vernietiging van vrijspraken, die hij volstrekt niet had willen laten toetsen op hun zuiverheid.”4.
8. Sinds omstreeks 1980 beschermde de Hoge Raad inderdaad ook de verdachte die een onbeperkt cassatieberoep had ingesteld,5.door middel van wat Van Dorst heeft omschreven als “ambtshalve beperking van het cassatieberoep”.6.Uit de noot van Van Veen kan worden opgemaakt dat deze ambtshalve bescherming van het cassatieberoep van de verdachte is terug te voeren op de ambtshalve bescherming van het cassatieberoep van de opgeëiste persoon in uitleveringszaken.
9. Swart schrijft dat het sinds het arrest van 10 april 1979 vaste rechtspraak is dat een onbeperkt ingesteld cassatieberoep “zich kennelijk niet richt tegen de bestreden uitspraak voor zover daarbij de uitlevering ontoelaatbaar werd verklaard”.7.Aansluitend merkt hij op dat dit in grote lijnen overeenstemt met de rechtspraak in strafzaken over art. 429 Sv.8.
10. In de schriftuur wordt verder nog een parallel getrokken met het cassatieberoep in beklagzaken waarin art. 429 Sv evenmin van toepassing is verklaard en op arresten waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat het cassatieberoep kennelijk niet is gericht tegen de (gedeeltelijke) gegrondverklaring van het beklag.9.Daarbij wordt in de schriftuur gewezen op de conclusie van mijn voormalige ambtgenoot Knigge in een beklagzaak waarin het OM partieel cassatieberoep had ingesteld.10.De betrokkene had daar in cassatie tegen ingebracht dat dit niet mogelijk was omdat art. 552d, tweede lid, Sv geen mogelijkheid kent van partieel cassatieberoep, zoals art. 429 Sv die wel kent voor “normale” strafzaken. Knigge schreef dat er “geen goede reden [is] om deze bepaling niet van overeenkomstige toepassing te achten op het summier geregelde cassatieberoep tegen beschikkingen.” In het daaropvolgende arrest van 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1450, accepteert de Hoge Raad deze beperking kennelijk wanneer hij in r.o. 2.1 overweegt dat het door de officier van justitie ingestelde cassatieberoep “blijkens de daarvan opgemaakte akte uitsluitend is gericht tegen de partiële niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in zijn vordering”. Van Dorst schrijft dat de regeling van art. 429 Sv in beschikkingszaken analogisch wordt toegepast.11.Dat is het gevolg van wat hij omschrijft als “rudimentaire bepalingen” van het Wetboek van Strafvordering inzake het cassatieberoep tegen beschikkingen.12.De Uitleveringswet is in dat opzicht iets minder rudimentair. De wetgever heeft in art. 31, zevende lid, Uitleveringswet een reeks bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing verklaard.
11. In de onderhavige zaak is de vraag aan de orde of de bescherming voor de opgeëiste persoon zal vervallen nu de Hoge Raad in zijn arrest van 24 april 2018 op die bescherming van verdachten is teruggekomen. Als puur wordt gekeken naar de reden voor de omslag in het arrest van 24 april 2018 ontbreekt de noodzaak om de bescherming ook in uitleveringszaken te laten vervallen. In uitleveringszaken wordt de Hoge Raad met betrekking tot de omvang van het cassatieberoep immers niet geconfronteerd met vragen omtrent de interpretatie van tenlasteleggingen. In uitleveringszaken gaat het om de vraag of de Hoge Raad zich in zaken waarin de uitlevering gedeeltelijk toelaatbaar is verklaard terwijl de opgeëiste persoon (wettelijk gezien noodzakelijk) onbeperkt cassatieberoep heeft ingesteld, het cassatieberoep ambtshalve beperkt tot de gegeven toelaatbaarheid. Tegen deze achtergrond zou de in de schriftuur aan de Hoge Raad voorgelegde vraag, of in uitleveringszaken nog steeds de regel geldt dat de Hoge Raad een onbeperkt ingesteld cassatieberoep ambtshalve opvat als louter gericht tegen de toelaatbaarverklaring, positief kunnen worden beantwoord. Tegelijkertijd geldt dat er minder reden is om de bescherming nog langer te bieden als de Hoge Raad uitspreekt dat art. 429 Sv in uitleveringszaken analogisch kan worden toegepast en dat als gevolg daarvan ook de partiële intrekking van een cassatieberoep in uitleveringszaken toelaatbaar is. In dat geval zou de in de schriftuur voorgelegde vraag negatief kunnen worden beantwoord. De advocatuur zal er dan alert op moeten zijn dat de beperking meteen bij het instellen van cassatie wordt aangebracht en kan eventueel nadien die beperking nog aanbrengen door middel van een akte van partiële intrekking. Een positieve beantwoording van de voorgelegde vraag maakt dit alles niet nodig.
12. Ten overvloede merk ik nog op dat niet had kunnen worden voldaan aan het verzoek dat in de schriftuur is gedaan om het cassatieberoep als ingetrokken te beschouwen indien de aangebrachte beperking onverhoopt niet toelaatbaar zou zijn. Dat verzoek is gedaan in de op 10 oktober 2021 ingediende schriftuur en dus na de dienende rechtsdag op 5 oktober 2021 zodat het cassatieberoep niet meer kon worden ingetrokken.13.
Het middel
13. Het middel bevat de klacht dat de uitspraak niet voldoet aan de eis dat zij een voldoende duidelijke vermelding bevat van de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan en doet daarbij een beroep op art. 28 Uitleveringswet.
14. Het middel is terecht voorgesteld omdat de rechtbank niet heeft voldaan aan de in art. 28 derde lid Uitleveringswet gestelde eis dat zij in de uitspraak, bij het toelaatbaar verklaren van de uitlevering, het feit vermeldt waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan. De verwijzing in haar uitspraak naar “het in de stukken omschreven feit B, oplichting” voldoet niet aan die eis omdat de rechtbank niet heeft aangegeven om welke stukken het gaat. Wel kan op basis van deze verwijzing – in combinatie met de door de verzoekende staat overgelegde stukken waarnaar de rechtbank verwijst – worden achterhaald voor welk feit de uitlevering naar het oordeel van de rechtbank kan worden toegestaan. Om dat te doen, schets ik eerst op basis van het uitleveringsverzoek de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht.
15. De uitlevering van de opgeëiste persoon is verzocht omdat hij op 1 september 2015 in het kantoor van [A] te Singapore, [betrokkene 1] zou hebben gebeld en zou hebben gezegd “I promise principal protection and profits for your investment in Forex margin trading”. Op deze manier zou de opgeëiste persoon 225,000 Singaporese dollars ontvangen op de rekening te Singapore van zijn echtgenote onder het mom van een investering in Forex margin trading. Het verkregen bedrag zou een waarde hebben van naar schatting 195,000,000 Zuid-Koreaanse won. Van 23 maart 2014 tot 18 oktober 2018 zou de opgeëiste persoon van in totaal acht personen, waaronder de genoemde [betrokkene 1] , een bedrag hebben vergaard van 1,380,000,000 Zuid-Koreaanse won. De opgeëiste persoon zou niet in staat noch bereid zijn geweest met dit geld winst te maken en het gehele bedrag aan de investeerders uit te keren. De opgeëiste persoon zou namelijk nooit de bedoeling hebben gehad deze verzamelde gelden te investeren in Forex margin trading. In plaats daarvan zou hij het geld hebben gebruikt voor eerdere “investeerders” en het aantrekken van nieuwe “investeerders” en verder zou hij het ingelegde bedrag hebben gebruikt voor privéuitgaven aan onroerendgoedbelasting, credit kaarten, tandzorg et cetera. Naar Zuid-Koreaans recht worden deze feiten volgens het uitleveringsverzoek gekwalificeerd als illegale fondsenwerving (“illegal fundraising”) en oplichting (“fraud”).
16. Tot de stukken die door de verzoekende staat tot staving van het uitleveringsverzoek zijn overgelegd, als bedoeld in art. 12, tweede lid, van het toepasselijke Europees Verdrag betreffende uitlevering, behoort een “Warrant of Arrest”, afgegeven op 16 januari 2020 door rechter “JEONG Yoon-taek of the Seoul Central District Court” waarin “Facts of Crime” zijn omschreven die op hoofdlijnen overeenkomen met de feiten zoals ik die net heb geschetst. In het aanhoudingsbevel wordt onder de letter A begonnen met een uiteenzetting van feiten die volgens het daarbij behorende opschrift naar Zuid-Koreaans recht kennelijk worden gekwalificeerd als – kort gezegd – illegale fondsenwerving – en met de letter B wordt verder gegaan met een uiteenzetting van feiten die volgens het daarbij behorende opschrift naar Zuid-Koreaans recht kennelijk worden gekwalificeerd als “Fraud”.
17. De feiten zijn in het aanhoudingsbevel onder B als volgt uiteengezet:
“The suspect had neither intent nor capability to make actual investment with the money secured under the pretext of investment in Forex margin trading, generate profits, and provide the principals and profits to investors.Nonetheless, in September 1, 2015, at the above office, the suspect deceived victim [betrokkene 1] saying that he would provide principal and profits in return for investment in Forex margin trading and received SGD 225,000 (KRW 195,000,000) into his wife ( [betrokkene 2] )’s Singapore POSB bank account (No. [001] ). Including the above transfer, between March 23, 2014 and October 18, 2018, the suspect raised a fund of KRW 1,380,000,000 in total without permission from eight victims.However, the suspect did not invest the money in the Forex market. Rather, he managed the fund in a manner providing it as the principal and profits to earlier investors and attracting new investor (so called ‘Robbing Peter to Pay Paul’) while spending the investment money not for Forex margin trading but for personal use such as payment of property taxes, credit card, dental care service, etc.As such, the suspect deceived the victims into providing money and swindled a total of RKW 1,380,000,000 from them.”
18. Onder A van het genoemde aanhoudingsbevel is het feit uiteengezet dat kan worden samengevat als “illegale fondsenwerving”, waarvoor de rechtbank de uitlevering ontoelaatbaar heeft verklaard.14.
19. De voorzitter heeft op de zitting van 16 juli 2021 mondeling de korte inhoud van het aanhoudingsbevel medegedeeld.
20. De samenvatting van de feiten die de rechtbank zelf in haar uitspraak heeft gegeven van de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht, past bij de feiten die onder A en B uiteen zijn gezet in de “Facts of Crime” van het genoemde aanhoudingsbevel. De rechtbank heeft de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht, als volgt samengevat:
“De feiten zijn volgens het uitleveringsverzoek gepleegd in de periode van 23 maart 2018 tot en met 18 oktober 2018 te Singapore.Aan deze verdenking worden door de verzoekende staat de volgende feiten ten grondslag gelegd.
De opgeëiste persoon was de facto CEO van [A] te Singapore. In de periode 23 maart 2018 tot en met 18 oktober 2018 heeft de opgeëiste persoon verschillende personen gebeld en hen een dividenduitkering van 20% toegezegd bij een investering in Forex Margin Trading via hem. De overgemaakte bedragen van acht personen zijn niet geïnvesteerd via Forex Margin Trading, maar ingezet voor persoonlijke doelen. De winsten werden gebruikt om nieuwe investeerders aan te trekken. In voornoemde periode zou de opgeëiste persoon 1.380.000.000 Zuid-Koreaanse won naar zijn vrouw hebben overgemaakt.”
21. Uit wat ik hiervoor heb weergegeven, kan worden opgemaakt dat de rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard ter strafvervolging van de feiten zoals die zijn omschreven onder B van de “Facts of Crime” van de “Arrest Warrant” die op 16 januari 2020 is afgegeven door rechter “JEONG Yoon-taek of the Seoul Central District Court”. De Hoge Raad kan het verzuim van de rechtbank herstellen en de uitlevering voor de daar uiteengezette feiten toelaatbaar verklaren.
Slotsom
22. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
23. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover de rechtbank de gevraagde uitlevering toelaatbaar heeft verklaard “ter fine van strafvervolging voor het in de stukken omschreven feit B, oplichting”, de uitlevering toelaatbaar te verklaren, ter strafvervolging van de feiten zoals die zijn omschreven onder B van de “Facts of Crime” in de “Arrest Warrant” die op 16 januari 2020 is afgegeven door rechter “JEONG Yoon-taek of the Seoul Central District Court”, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑11‑2021
Remmelink heeft hieruit afgeleid dat, ondanks het in de Uitleveringswet niet aangehaalde art. 429 Sv, “deelcassatieberoep” toch is toegestaan. Zie J. Remmelink, Uitlevering, Arnhem: Gouda Quint 1990, p. 53. G.A.M. Strijards, Uitlevering, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1988, p. 172-173 schrijft – overigens zonder verdere verwijzing naar jurisprudentie – dat de Hoge Raad “merkwaardig genoeg” bij cassatieberoepen door de opgeëiste persoon aanvaardt dat hij het cassatieberoep “partieel instelt en van zijn beroep uitdrukkelijk uitzondert het onderdeel van de uitspraak waarbij de gevraagde uitlevering gedeeltelijk ontoelaatbaar is verklaard”.
HR 10 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC1376 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), NJ 1979/415 m.nt. Th.W. van Veen, r.o. 2. In de schriftuur wordt eveneens gewezen op HR 20 september 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC7718 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), NJ 1983/254, r.o. 2 waar werd gewezen op het “beroep, dat kennelijk beperkt is tot de in de bestreden uitspraak vervatte toelaatbaarverklaring”.
Th.W. van Veen in zijn noot sub 2 onder HR 10 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC1376, NJ 1979/415.
Zie ook al E.P. von Brucken Fock & A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1988, p. 36.
A.H.J. Swart m.m.v. K. Helder, Nederlands uitleveringsrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1989, p. 462 nr. 414 waar hij citeert uit HR 18 januari 1983, NJ 1983/326, m.nt. Th.W. van Veen, r.o. 2.
Swart a.w. 1986, p. 462, nr. 414.
HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU2046, r.o. 2.1.3 en HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3424, r.o. 1.
A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 147, par. 4.8.7.
Van Dorst, a.w., p. 145, par. 4.8.7.
“No person shall conduct any ‘fund-raising business without permission’ – raising funds from unspecified individuals without obtaining authorization or permission or making a registration or report, etc. under an agreement to pay the whole of the principal thereof or an amount exceeding such principal in the future.Nonetheless, in September 1, 2015, at the above office, the suspect promised victim [betrokkene 1] that he would provide principal and profits in return for investment in Forex margin trading and received from the victim SGD 225,000 (KRW 195,000,000) into his wife ( [betrokkene 2] )’s Singapore POSB bank account (No. [001] ) under the pretext of investment in Forex margin trading. Including the above transfer, between March 23, 2014 and October 18, 2018, the suspect raised a fund of KRW 1,380,000,000 in total from eight victims without permission.”
Beroepschrift 10‑10‑2021
Hoge Raad der Nederlanden
SCHRIFTUUR HOUDENDE
MIDDELEN VAN CASSATIE EX
ARTIKEL 31
UITLEVERINGSWET
Inzake: [verzoeker]
Geeft eerbiedig te kennen:
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteland], hierna te noemen ‘verzoeker’, te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van mevrouw mr. G.A. Jansen aan de Herengracht 124–128 te (1015BT) Amsterdam, die tezamen met de heer Th.O.M. Dieben (LL.B., LL.M.) in deze zaak als zijn raadsman optreedt.
Verzoeker heeft de eer van een hem betreffende uitspraak van de Rechtbank Den Haag (kenmerk UTL-I-2019044865; raadkamernummer 21/1345), uitgesproken op 16 juli 2021, het volgende middel van cassatie voor te dragen:
Inleidende opmerkingen over de beperking van het cassatieberoep:
In deze zaak heeft de rechtbank de uitlevering deels toelaatbaar en deels ontoelaatbaar verklaard. Verzoeker wenst, uiteraard, deze ontoelaatbaarverklaring uit te zonderen van zijn cassatieberoep.
In onder meer ECLI:NL:HR: 1979:AC1376, NJ 1979/415 heeft uw Raad geoordeeld dat in een dergelijk geval, hoewel onbeperkt ingesteld, het cassatieberoep moet worden opgevat als louter gericht tegen de toelaatbaarverklaring.1.
In zoverre zou een beperking door verzoeker van zijn cassatieberoep niet noodzakelijk moeten zijn.
De vraag is of ECLI:NL:HR:2018:507 hier verandering in brengt. In die uitspraak kwam uw Raad namelijk terug op een vergelijkbare gewoonteregel met betrekking tot de ambtshalve beperking van een cassatieberoep in ‘reguliere’ strafzaken.
Gelet op de verwevenheid tussen het strafrecht en het uitleveringsrecht ligt het voor de hand om aan te nemen dat uw Raad de met ECLI:NL:HR:2018:507 ingezette lijn doorzet naar uitleveringszaken.2. Om die reden heeft verzoeker in lijn met dit arrest bij separate akte de ontoelaatbaarverklaring expliciet uitgezonderd van zijn cassatieberoep.
Dat gezegd hebbende, helemaal zeker is het doortrekken van de lijn ECLI:NL:HR:2018:507 natuurlijk niet. Het zou de rechtsontwikkeling ten goede komen indien uw Raad zich hier in de onderhavige zaak expliciet over uit zou laten. Immers, mocht uw Raad deze lijn niet doortrekken naar uitleveringszaken dan kunnen nodeloze beperkingen (en bijbehorende administratieve handelingen en last voor o.a. advocatuur en rechtspraak) achterwege blijven.
Tot slot, verzoeker meent dat de door hem aangebrachte beperking toelaatbaar is. In het onverhoopte geval dat uw Raad daar anders over denkt wenst hij zijn cassatieberoep niet door te zetten.
Middel:
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, dan wel verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen.
In het bijzonder is geschonden artikel 28 Uw.
Immers voldoet de uitspraak niet aan de eis dat zij een voldoende duidelijke vermelding dient te bevatten van de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan.
De bestreden uitspraak lijdt als gevolg daarvan aan nietigheid.
Toelichting:
Op grond van art. 28, lid 3 Uw vermeldt de uitspraak van de rechtbank ‘het feit of de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan.’ Het is vaste rechtspraak van uw Raad dat deze vermelding ‘voldoende duidelijk’ moet zijn (vgl. bijv. ECLI:NL:HR:2016:2596). Met het oog op de specialiteitsregel is nauwkeurige vermelding vereist, inclusief opgave van tijd en plaats.3. Een omschrijving louter in kwalificatieve termen volstaat dus niet (ECLI:NL:HR:2001:ZD2733, NJ 2001, 467). Als in het dictum naar stukken wordt verwezen, moet duidelijk zijn naar welke stukken wordt verwezen (vgl. ECLI:NL:HR:2021:838).
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank in het dictum het volgende opgenomen over het feit waarvoor uitlevering wordt toegestaan:
‘verklaart toelaatbaar de uitlevering aan de Zuid-Koreaanse autoriteiten van [verzoeker], voornoemd ter fine van strafvervolging voor het in de stukken omschreven feit B, oplichting.’
Deze omschrijving voldoet gelet op het voorgaande niet, reeds nu deze louter in kwalificatieve termen is geformuleerd en geen opgave van tijd en plaats bevat. De uitspraak van de rechtbank vermeldt ook niet met voldoende precisie naar welke ‘stukken’ het verwijst en bevat daarom niet een voldoende omschrijving van het feit waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan.
Toelichting belang van verzoeker met het oog op toepassing art. 80a RO:
Het belang van verzoeker bij het middel is evident. De eis van een deugdelijke omschrijving van het feit waarvoor de uitlevering wordt toegestaan hangt immers samen met het specialiteitsbeginsel. Voor wat betreft de vraag of uw Raad zelf in het geconstateerde verzuim kan voorzien refereert verzoeker zich aan het oordeel van uw Raad.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mevrouw mr. mr. G.A. Jansen en de heer Th.O.M. Dieben (LL.B., LL.M.), advocaten te Amsterdam, die verklaren tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker tot cassatie.
Amsterdam, 10 oktober 2021
b/a Th.O.M. Dieben, advocaat
G.A. Jansen
Th.O.M. Dieben
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 10‑10‑2021
Zie ook bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:1982:AC7718, NJ 1983/254.
Dat art. 429 Sv in de Uitleveringswet (art. 31, lid 7 Sv) niet expliciet van overeenkomstige toepassing is verklaard is in ieder geval geen reden om ervan af te zien de lijn van ECLI:NL:HR:2018:507 door te trekken naar uitleveringszaken. Ook voor het cassatieberoep tegen beschikkingen is geen met artikel 429 Sv vergelijkbare bepaling opgenomen. Uw Raad heeft daarin echter nog nimmer reden gezien een beperking van het cassatieberoep ontoelaatbaar te achten. Vgl. ook ECLI:NL:PHR:2015:79, para. 4.3 (‘Dan nu het cassatieberoep van het openbaar ministerie. Dat is, als gezegd, bij akte intrekking rechtsmiddel van 12 maart 2014 gedeeltelijk ingetrokken. In de namens klagers ingediende schriftuur houdende tegenspraak wordt betoogd dat dit niet mogelijk is. Aangevoerd wordt dat art. 552p Sv die mogelijkheid van partieel beroep niet biedt. Als enige argument voor die stelling wordt als ik het goed begrijp aangevoerd dat art. 429 Sv geschreven is voor het cassatieberoep tegen uitspraken. Dat moge zo zijn, maar er is geen goede reden om deze bepaling niet van overeenkomstige toepassing te achten op het summier geregelde cassatieberoep tegen beschikkingen. Dat de Hoge Raad dit ook zo ziet, blijkt onder meer uit HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU2046 en HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3424, waarin telkens werd aangenomen dat het cassatieberoep van de klager zich niet richtte tegen de ex art. 552a Sv gegeven beschikking voor zover het beklag daarbij gegrond was verklaard.’)
V.H. Glerum, Handboek Strafzaken, 91.10 onder verwijzing naar o.a. ECLI:NL:HR: 1981 :AC7175, NJ 1981, 368.