Het voorlopig getuigenverhoor
Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/263:263 Omschrijving van de vordering in het verzoekschrift
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/263
263 Omschrijving van de vordering in het verzoekschrift
Documentgegevens:
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS459527:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof ’s-Hertogenbosch 25 juni 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BD6314.
HR 6 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3354, NJ 2008, 323; HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010: BK8146, NJ 2010, 172, JBPr 2010, 42, m.nt. H.L.G. Wieten en JIN 2010, 340, m.nt. M.A.J.G. Janssen (Chip(s)hol/Staat).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het verzoekschrift moeten de feiten die de verzoeker wil bewijzen worden omschreven, zodat de rechter en de wederpartij kunnen beoordelen of de feiten relevant, betwist en voldoende concreet zijn (art. 187 lid 3 Rv, zie nr. 172). Uit dit vereiste vloeit voort dat niet volslagen onduidelijk kan blijven welke vordering de verzoeker voornemens is in te stellen in de hoofdzaak. Zonder vordering in de hoofdzaak kunnen de te bewijzen feiten concreet en betwist zijn, maar kan de rechter niet beoordelen of de feiten tot de beslissing van de vordering in de hoofdzaak kunnen leiden. Hoewel niet een wettelijk vereiste, moet de verzoeker in zijn verzoekschrift dan ook aangeven welke vordering in de hoofdzaak hij denkt in te stellen.1
Aan de omschrijving van de vordering worden – net als aan de omschrijving van de feiten – geen hoge eisen gesteld. Over de precieze aard van de in te stellen vordering en de hoogte van de eventuele schade hoeft de verzoeker zich niet uit te laten en voorzover hij dat wel doet, is hij daaraan na het voorlopig getuigenverhoor niet gebonden.2 De verzoeker die de rechter en zijn wederpartij echter volledig in het duister laat tasten naar een vordering in de hoofdzaak, heeft naar mijn mening onvoldoende belang bij een voorlopig getuigenverhoor. Immers, het vaststellen van feiten door middel van getuigenverhoren is zinloos zonder zicht op enige vordering in de hoofdzaak.
Anders moet worden geoordeeld als een voorlopig getuigenverhoor juist dient ter vaststelling van de rechtsgrond. De verzoeker is dan weliswaar niet in staat de rechtsgrond te noemen, maar zal wel in het verzoekschrift voldoende moeten uiteenzetten dat en waarom de rechtsgrond vaststelling behoeft.