Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/5.5.1
5.5.1 Eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS584844:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de uitleg van dergelijke bedingen: Hof Arnhem 4 maart 2008, JOR 2008/176 (Elmarc/Brandsma q.q.), m.nt. A. Steneker. Vgl. HR 20 februari 2004, JOR 2004/157, m.nt. SCJJK.
Zie ook art. 3:92 lid 3 BW. Over de precieze duiding van een overdracht onder opschortende voorwaarde bestaat in de literatuur de nodige discussie. Zie o.a. Faber 1997 en Faber 2007 met verdere literatuurverwijzingen.
Een eigendomsvoorbehoud kan ook in het kader van een andere overeenkomst worden bedongen. Een eigendomsvoorbehoud kan ook op andere goederen dan zaken betrekking hebben. Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 389; en Biemans 200c, par. 6.3, met verdere literatuurverwijzingen. Vgl. Nota II, Parl. Gesch. Boek 7, p. 112 ten aanzien van obligaties.
Zie o.a. HR 4 december 1998, NJ 1999, 549 (Potharst/Serree), m.nt. WMK; Hof Arnhem 4 maart 2008, JOR 2008/176 (Elmarc/Brandsma q.q.), m.nt. A. Steneker; Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010, nr. 537; M.A.J.G. Janssen 2001, p. 269 e.v., met verdere verwijzingen.
Zie J.J. van Hees 1997, p. 98 e.v.
Zie HR 3 oktober 1980, NJ 1981,60 (Ontvanger/Schriks q.q.), m.nt. WMK; Van Mierlo 1988, par. 2.1.1 en 2.1.2.
Vergelijk evenwel HR 19 mei 1995, NJ 1996, 119 (Sogelease); en HR 18 november 2005, NJ 2006, 151 (B.T.L. Lease/Erven van Summeren).
Bezien vanuit de oorspronkelijke eigenaar van de zaak zijn de rechtsfiguren juist spiegelbeeldig: bij het eigendomsvoorbehoud behoudt de eigenaar zijn zaak onder ontbindende voorwaarde dat zijn vordering wordt betaald; bij de fiduciaire zekerheidseigendom verkrijgt een ander de zaak onder de ontbindende voorwaarde dat zijn vordering wordt betaald.
281. De vervreemder van een zaak kan met de verkrijger daarvan overeenkomen dat hij zijn zaak in de macht van de ander brengt, maar de eigendom daarvan voorbehoudt totdat de door de ander verschuldigde prestatie is voldaan. In een dergelijk geval is sprake van een bedongen eigendomsvoorbehoud.1 De vervreemder wordt vermoed zich te verbinden tot overdracht van de zaak aan de ander onder opschortende voorwaarde van voldoening van die prestatie (art. 3:92 lid 1 BW). Bij een overdracht onder opschortende voorwaarde wordt aan alle vereisten voor de overdracht voldaan, maar komt aan de overdracht pas rechtsgevolg toe op het moment dat de opschortende voorwaarde – de betaling van de vordering – in vervulling is gedaan.2 Een eigendomsvoorbehoud kan slechts geldig worden bedongen ter zake van de vorderingen die zijn genoemd in art. 3:92 lid 2 BW.3 Een eigendomsvoorbehoud wordt in de regel bedongen bij de koop van zaken (art. 7:1 BW).4 De vordering waarvoor het eigendomsvoorbehoud wordt bedongen, is dan bijvoorbeeld de vordering tot betaling van de koopsom (art. 7:26 BW). Een eigendomsvoorbehoud kan voor twee of meer vorderingen worden bedongen, en ook voor toekomstige vorderingen, zolang het maar gaat om vorderingen als bedoeld in art. 3:92 lid 2 BW.5 Wordt bij een eigendomsvoorbehoud uitgegaan van een overdracht onder opschortende voorwaarde, dan is de verkoper (vervreemder) de schuldeiser van de vordering en de eigenaar onder ontbindende voorwaarde van de zaak. De koper (verkrijger) is de schuldenaar en onder opschortende voorwaarde de eigenaar van de zaak.
Het (voorbehouden) eigendomsrecht van de verkoper bij een eigendomsvoorbehoud is vergelijkbaar met het eigendomsrecht van de financier bij een fiduciaire zekerheidsoverdracht.6 Onder het oude recht kon een fiduciaire zekerheidsoverdracht op verschillende wijzen worden vormgegeven. Eén daarvan was een overdracht aan de kredietverlener onder de ontbindende voorwaarde dat de schuld aan de kredietverschaffer (de schuldeiser en de eigenaar onder ontbindende voorwaarde) zou worden voldaan.7 Door het in vervulling gaan van de ontbindende voorwaarde ging het eigendomsrecht van rechtswege en onvoorwaardelijk (terug) over op de vervreemder. Totdat de betaling plaatsvond, was de schuldenaar onder opschortende voorwaarde de eigenaar van de zaak. Vanwege het fiduciaverbod (art. 3:84 lid 3 BW) is een fiduciaire zekerheidsoverdracht niet meer mogelijk.8 Bezien vanuit de schuldeiser en de schuldenaar vertonen de rechtsfiguren overeenkomsten: de schuldeiser is de eigenaar onder ontbindende voorwaarde en de schuldenaar onder opschortende voorwaarde de eigenaar van de zaak.9