Rechtbank Den Haag 20 april 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:4229.
HR, 22-03-2024, nr. 22/03139
ECLI:NL:HR:2024:464
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-03-2024
- Zaaknummer
22/03139
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Internationaal privaatrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:464, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑03‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:821
ECLI:NL:PHR:2023:821, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 22‑09‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:464
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑09‑2022
Beroepschrift, Hoge Raad, 23‑08‑2022
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2024-0038
JIN 2024/60 met annotatie van mr. E.J.H. Zandbergen, mr. M. Schreel
Burgerlijk procesrecht.nl BPR-2024-0038
NTHR 2024/34, 105
JBPr 2024/42 met annotatie van mr. I.M.A. Lintel
JBPr 2024/42 met annotatie van mr. I.M.A. Lintel
Uitspraak 22‑03‑2024
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Arbitrage. Executiegeschil op voet art. 438 Rv; opheffing beslag op IE-rechten. Leidt stand vernietigingsprocedure inzake arbitrale vonnissen (HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1645) tot schorsing tenuitvoerlegging? Russische Federatie volledig rechthebbende van beslagen IE-rechten? Immuniteit van executie.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 22/03139
Datum 22 maart 2024
ARREST
In de zaak van
DE RUSSISCHE FEDERATIE,
gevestigd te Moskou, Russische Federatie,
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: de Russische Federatie,
advocaten: [advocaat 1] en [advocaat 2],
tegen
1. HULLEY ENTERPRISES LIMITED,
gevestigd te Nicosia, Cyprus,
2. VETERAN PETROLEUM LIMITED,
gevestigd te Nicosia, Cyprus,
3. YUKOS UNIVERSAL LIMITED,
gevestigd te Douglas, Isle of Man,
VERWEERSTERS in cassatie, eiseressen in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: HVY,
advocaat: F.E. Vermeulen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/09/596260 / KG ZA 20-670 van de rechtbank Den Haag van 27 oktober 2020;
b. het arrest in de zaak 200.292.064/01 van het gerechtshof Den Haag van 28 juni 2022.
De Russische Federatie heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De Russische Federatie heeft, met toestemming van de enkelvoudige civiele kamer, een aanvullende procesinleiding ingediend. HVY hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor HVY mede door P.E. Ernste en A.G. Colenbrander.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.
De advocaten van de Russische Federatie hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) HVY zijn drie voormalige aandeelhouders van de Russische onderneming OJSC Yukos Oil Company, welke onderneming is gefailleerd.
(ii) De Russische Federatie is in drie arbitrale beslissingen van het Permanent Hof van Arbitrage in Den Haag van 18 juli 2014 (hierna: de arbitrale beslissingen) veroordeeld tot betaling van aanzienlijke bedragen aan HVY.
(iii) De Russische Federatie heeft de vernietiging van de arbitrale beslissingen gevorderd (hierna: de vernietigingsprocedure). De rechtbank Den Haag heeft deze vorderingen bij vonnis van 20 april 2016 toegewezen.1.
(iv) Het gerechtshof Den Haag heeft in de vernietigingsprocedure bij eindarrest van 18 februari 2020 het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vorderingen van de Russische Federatie afgewezen.2.
(v) De voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag heeft op 28 april 2020 verlof tot tenuitvoerlegging van de arbitrale beslissingen verleend.
(vi) FKP Sojuzplodoimport (hierna: FKP) is een Russische staatsonderneming die zich onder meer bezighoudt met de exploitatie van merken met betrekking tot Russische wodka.
(vii) HVY hebben op 7 mei 2020 ten laste van de Russische Federatie en ten laste van en onder FKP executoriaal beslag gelegd op diverse merk- en auteursrechten.
(viii) Bij arrest van 5 november 2021 heeft de Hoge Raad in de vernietigingsprocedure het eindarrest van het gerechtshof Den Haag van 18 februari 2020 en het daaraan voorafgegane tussenarrest van 25 september 20183.vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.4.
2.2
FKP vordert in dit kort geding primair opheffing van het hiervoor in 2.1 onder (vii) genoemde beslag en subsidiair schorsing van de executie. De voorzieningenrechter5.heeft het beslag op de merken opgeheven.
2.3
Het hof6.heeft het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en heeft het door HVY gelegde beslag opgeheven voor zover dat is gelegd (i) ten laste van en onder FKP; (ii) op de auteursrechten op de vormgeving van de producten die onder de merken zijn geproduceerd en verkocht door of met toestemming van FKP en/of de Russische Federatie.
2.4
Naar aanleiding van het betoog van FKP en de Russische Federatie dat, gelet op het (hiervoor in 2.1 onder (viii) genoemde) arrest van de Hoge Raad van 5 november 2021 in de vernietigingsprocedure, de arbitrale beslissingen niet ten uitvoer kunnen worden gelegd, heeft het hof overwogen:
“5.4 In de door de Russische Federatie ingestelde vernietigingsprocedure heeft de Hoge Raad op 5 november 2021 de arresten van het hof Den Haag van 25 september 2018 en 18 februari 2020 vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing. Volgens FKP en de Russische Federatie herleeft door die vernietiging het dictum van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 april 2016 waarin de arbitrale beslissingen waren vernietigd. Daardoor bestaat voor HVY vooralsnog geen bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van die arbitrale beslissingen. Bovendien zijn de op grond van het eindarrest van het gerechtshof Den Haag verkregen exequaturs op grond van art. 1062 lid 4 Rv van rechtswege vervallen, aldus de Russische Federatie en FKP. HVY hebben het voorgaande betwist.
5.5
Het hof verwerpt het voorgaande betoog van FKP en de Russische Federatie. In de vernietigingsprocedure heeft de rechtbank Den Haag de arbitrale beslissingen vernietigd op de grond dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt (art. 1065 lid 1 sub a (oud) Rv). In hoger beroep heeft het hof geoordeeld dat op dat punt geen vernietigingsgrond voorlag en de daartegen gerichte cassatieklachten zijn door de Hoge Raad verworpen. In het arrest van 5 november 2021 heeft de Hoge Raad uitsluitend middelonderdeel 1 gegrond bevonden. Volgens dat middelonderdeel had het hof de stelling, dat de arbitrale beslissingen in strijd zijn met de openbare orde (art. 1065 lid 1 sub d (oud) Rv) omdat HVY in de arbitrageprocedures frauduleus zouden hebben gehandeld, niet op formele gronden mogen verwerpen. Na cassatie en verwijzing ligt uitsluitend nog deze stelling in de vernietigingsprocedure, die nu voor het hof Amsterdam wordt gevoerd, voor. Over de gegrondheid daarvan heeft zich nog geen vernietigingsrechter uitgesproken. Sprake is derhalve van een lopende vernietigingsprocedure, waarvoor het uitgangspunt geldt dat deze de tenuitvoerlegging niet schorst (art. 1066 lid 1 Rv). Ook verval van rechtswege van het verlof tot tenuitvoerlegging wegens vernietiging van het arbitraal vonnis als bedoeld in art. 1064 [1062, HR] lid 4 Rv is in deze situatie niet aan de orde.”
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.1
Onderdeel 1 van het middel bestrijdt rov. 5.5, waarin het hof het betoog van FKP en de Russische Federatie heeft verworpen dat, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 5 november 2021 in de vernietigingsprocedure, de arbitrale beslissingen niet ten uitvoer kunnen worden gelegd. Het onderdeel klaagt dat het arrest van de Hoge Raad meebrengt dat (het dictum van) het rechtbankvonnis van 20 april 2016, waarin de arbitrale beslissingen zijn vernietigd, is herleefd en dat daardoor ingevolge art. 1062 lid 4 Rv het door de voorzieningenrechter verleende verlof tot tenuitvoerlegging van de arbitrale beslissingen van rechtswege is vervallen.
3.2
Een uitspraak in eerste aanleg die in hoger beroep is vernietigd, moet geacht worden haar werking te hebben verloren zolang de uitspraak in hoger beroep zelf niet is vernietigd.7.Indien de Hoge Raad de in hoger beroep gedane uitspraak vernietigt en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwijst, komt het voor het antwoord op de vraag in hoeverre daarmee de werking van de uitspraak in eerste aanleg is herleefd, erop aan welke onderdelen van de in cassatie vernietigde uitspraak niet of tevergeefs zijn bestreden en niet voortbouwen op of onverbrekelijk samenhangen met een beslissing waarover in cassatie met succes is geklaagd, en dus onaantastbaar zijn geworden.8.
3.3
In de vernietigingsprocedure heeft de rechtbank Den Haag in het vonnis van 20 april 2016 de vordering van de Russische Federatie tot vernietiging van de arbitrale beslissingen toegewezen wegens het ontbreken van een geldige arbitrageovereenkomst.
In hoger beroep heeft het gerechtshof Den Haag bij tussenarrest van 25 september 2018 geoordeeld dat de door de Russische Federatie in hoger beroep aangevoerde stelling dat HVY in de arbitrageprocedure frauduleus hebben gehandeld, alleen in een herroepingsprocedure op grond van art. 1068 Rv, en niet in een vernietigingsprocedure, aan de orde kan worden gesteld. Bij eindarrest van 18 februari 2020 heeft het hof onder meer geoordeeld dat de gronden die de Russische Federatie heeft aangevoerd om te betogen dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt, die gevolgtrekking niet kunnen dragen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank van 20 april 2016 vernietigd en heeft de vordering van de Russische Federatie tot vernietiging van de arbitrale beslissingen afgewezen.
Bij arrest van 5 november 2021 heeft de Hoge Raad de klacht van de Russische Federatie gegrond bevonden dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de stellingen van de Russische Federatie over frauduleus handelen van HVY in de arbitrageprocedure alleen in een herroepingsprocedure aan de orde kunnen worden gesteld. De Hoge Raad heeft de klachten van de Russische Federatie tegen onder meer het oordeel van het hof dat de arbitrageovereenkomst geldig is, verworpen. In het dictum van het arrest van 5 november 2021 heeft de Hoge Raad de arresten van het hof van 25 september 2018 en 18 februari 2020 vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.
3.4
Uit het voorgaande volgt dat met het arrest van de Hoge Raad van 5 november 2021 het oordeel van het hof dat de arbitrale beslissingen niet wegens het ontbreken van een geldige arbitrageovereenkomst kunnen worden vernietigd, onaantastbaar is geworden. Daarmee is definitief de dragende grond ontvallen aan het vonnis van de rechtbank van 20 april 2016, waarin de arbitrale beslissingen waren vernietigd op de grond dat een geldige arbitrageovereenkomst ontbreekt. De werking van dat vonnis is dan ook niet herleefd. Hierop stuit onderdeel 1 in zijn geheel af.
3.5
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
3.6
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het principale beroep;
- veroordeelt de Russische Federatie in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van HVY begroot op € 857,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, A.E.B. ter Heide, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 22 maart 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 22‑03‑2024
Gerechtshof Den Haag 18 februari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:234.
Gerechtshof Den Haag 25 september 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2476.
HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1645.
Rechtbank Den Haag 27 oktober 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:10708.
Gerechtshof Den Haag 28 juni 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1159.
Zie HR 28 september 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4866, rov. 3.2; HR 14 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0084.
Vgl. HR 17 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2254, rov. 3.8.3; HR 19 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2739, rov. 3.6.2.
Conclusie 22‑09‑2023
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Arbitrage. Internationaal privaatrecht. Executiegeschil op voet art. 438 Rv; opheffing beslag op IE-rechten; leidt stand vernietigingsprocedure inzake Yukos arbitrale vonnissen (zie HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1645) tot schorsing tenuitvoerlegging (art. 1066 lid 2 (oud) Rv)? Russische Federatie volledig rechthebbende van beslagen IE-rechten (art. 4.8bis lid 2 BVIE)?: assimilatie. Immuniteit van executie.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/03139
Zitting 22 september 2023
CONCLUSIE
P. Vlas
In de zaak
de Russische Federatie, zetelend te Moskou
tegen
1. Hulley Enterprises Limited, gevestigd te Nicosia, Cyprus
2. Veteran Petroleum Limited, gevestigd te Nicosia, Cyprus
3. Yukos Universal Limited, gevestigd te Douglas, Isle of Man
(verweerders sub 1 t/m 3 hierna gezamenlijk: HVY)
1. Inleiding
1.1
Deze zaak betreft een executiegeschil. HVY hebben ten laste van de Russische Federatie en ten laste van en onder de Russische Staatsonderneming FKP Sojuzplodoimport (hierna: FKP) executoriaal beslag gelegd op merken- en auteursrechten die worden gebruikt voor de exploitatie van Russische wodka in de Benelux. Het beslag dient tot verhaal van de vorderingen van HVY op de Russische Federatie uit hoofde van drie arbitrale beslissingen.
1.2
FKP heeft zowel HVY als de Russische Federatie gedagvaard en primair opheffing van het beslag en subsidiair schorsing van de executie van het beslag gevorderd. De rechtbank heeft de primaire vordering van FKP toegewezen en het beslag opgeheven. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beslag opgeheven voor zover dat ten laste van en onder FKP was gelegd en op een deel van de auteursrechten. In cassatie komt de Russische Federatie onder meer op tegen de oordelen van het hof dat: (i) de huidige stand van de vernietigingsprocedure met betrekking tot de arbitrale beslissingen niet meebrengt dat de tenuitvoerlegging daarvan is geschorst, (ii) de beslagen merken- en auteursrechten zich in het voor verhaal vatbare vermogen van de Russische Federatie bevinden, (iii) de Russische Federatie zich niet met succes kan beroepen op immuniteit van executie, en (iv) de belangen van HVY bij executie van het beslag zwaarder wegen dan het restitutierisico aan hun zijde.
1.3
FKP heeft zelfstandig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. Die zaak is bij de Hoge Raad aanhangig onder het zaaknummer 22/03114, waarin ik vandaag eveneens conclusie neem. In die conclusie sta ik ook stil bij de oordelen van het hof zoals hiervoor omschreven onder (i) en (ii).
1.4
Deze zaak wordt door het oude arbitragerecht beheerst, te weten door de bepalingen van het Vierde Boek (‘Arbitrage’) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zoals die hebben gegolden tot aan de invoering van de Wet modernisering Arbitragerecht op 1 januari 2015.1.In deze conclusie wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar de bepalingen van het oude arbitragerecht.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.2.FKP is een Russische staatsonderneming die zich onder meer bezighoudt met de exploitatie van merken met betrekking tot Russische wodka.
2.2
HVY zijn drie voormalige aandeelhouders van de in staat van faillissement verklaarde Russische onderneming Yukos Oil Company. Op 7 mei 2020 hebben HVY ten laste van de Russische Federatie en ten laste van en onder FKP executoriaal beslag gelegd op:
‘de Benelux merkenrechten toekomend aan de Russische Federatie maar die door [FKP] worden gehouden, dan wel op naam van [FKP] zijn geregistreerd waaronder (…).’
De daarna volgende opsomming vermeldt diverse op naam van FKP voor klasse 32 en/of 33 (onder meer voor wodka en/of andere dranken) geregistreerde Benelux-woord- en woord-/beeldmerken en woord- en woord-/beeldmerken met een internationaal inschrijvingsnummer voor zover de Benelux wordt aangewezen (hierna ook: de merken).
2.3
Het beslag is voorts gelegd op:
‘alle aan de Russische Federatie toekomende rechten onder de Auteurswet 1912 die
betrekking hebben op enige van de beeldelementen van enige van de voornoemde Merken
(...) en alle rechten onder de Auteurswet 1912 op de vormgeving van de producten die onder
de Merken zijn geproduceerd en verkocht door of met toestemming van [FKP] en/of de Russische Federatie.’
2.4
De beslagen merk- en auteursrechten worden hierna gezamenlijk aangeduid als de (beslagen) ‘IE-rechten’.
2.5
Het proces-verbaal van beslaglegging bevat onder meer de volgende aanzegging:
‘dat executanten zich op het standpunt stellen dat de hierbij in beslag genomen rechten toekomen aan de Russische Federatie (...) en dat [FKP] - voor zover zij houder is van die rechten - enkel de beheerder is van zulk staatseigendom ten behoeve van de Russische Federatie. Niettegenstaande dit standpunt is/zal, opdat wordt voldaan aan de wettelijke bepalingen ter bescherming van de eventuele rechten van “derden”, dit beslag tevens aangezegd/betekend aan [FKP].’
2.6
Het executoriaal beslag strekt tot tenuitvoerlegging van drie arbitrale beslissingen van 18 juli 2014, waarbij de Russische Federatie is veroordeeld aanzienlijke bedragen aan HVY te betalen (hierna: de arbitrale beslissingen). De voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag heeft op 28 april 2020 verlof tot tenuitvoerlegging van de arbitrale beslissingen verleend3., dat op 4 mei 2020 aan de Russische Federatie is betekend met het verzoek aan de arbitrale beslissingen te voldoen.
2.7
De Russische Federatie heeft HVY op 10 november 2014 gedagvaard voor de rechtbank Den Haag en de vernietiging van de arbitrale beslissingen gevorderd. Bij vonnis van 20 april 20164.heeft de rechtbank deze vorderingen toegewezen. HVY zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Het hof Den Haag heeft bij eindarrest van 18 februari 20205.het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vorderingen van de Russische Federatie afgewezen.
2.8
De Russische Federatie heeft cassatieberoep ingesteld tegen dit arrest en het tussenarrest van 25 september 2018.6.Bij arrest van 5 november 20217.heeft de Hoge Raad beide arresten vernietigd en de zaak verwezen naar het hof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.
2.9
Een deel van de merken is in de jaren zeventig van de vorige eeuw gedeponeerd door een staatsonderneming van de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken, genaamd VO Sojuzplodoimport en, na wijziging van de rechtsvorm in een VVO in 1990, door VVO Sojuzplodoimport (hierna: VO/VVO). De andere merken zijn gedeponeerd door FKP. In 2006 waren de oorspronkelijk door VO/VVO gedeponeerde merken geregistreerd op naam van Spirits International N.V. (hierna: Spirits). In Nederland is van 2006 tot en met 2020 geprocedeerd tussen FKP en Spirits over de vraag wie rechthebbende op die merken is. In deze procedure betwistte Spirits de vorderingsgerechtigdheid van FKP. FKP stelde dat de Russische staat de merkenrechten in 2002 heeft ondergebracht bij FKP en FKP bevoegd was op eigen naam procedures te starten om deze merken op te vorderen. Uiteindelijk is Spirits veroordeeld om de door de VO/VVO gedeponeerde merken op naam te stellen van FKP. Deze merken zijn sinds 7 juli 2015 geregistreerd op naam van FKP. Over de relatie tussen FKP en de Russische staat heeft het hof Den Haag in voormelde procedure in zijn tussenarrest van 24 juli 20128.het volgende geoordeeld:
‘7.16 Bij dit alles merkt het hof op dat het hier in feite ging om een reallocatie van (het
beheer over) staatseigendommen van de Russische Federatie. (…)
7.19
Voor zover Spirits ook de vraag aan de orde heeft willen stellen voor wie FKP in de
onderhavige procedure optreedt, overweegt het hof als volgt. FKP's stellingen komen er op
neer dat de VO-merkrechten altijd staatseigendom zijn gebleven (...) en dat het beheer van
deze staatseigendom toekwam aan opeenvolgende staatsondernemingen (VO, VVO, FGUP
en thans FKP) (...) Kortom, de VO-merkrechten zijn staatseigendom van de Russische
Federatie, welke staatseigendom wordt beheerd door FKP (...).’
2.10
Tussen de Russische Federatie en FKP is op 15 mei 2015 een overeenkomst gesloten (hierna: de 2015-overeenkomst) waarin is vermeld dat rechten op (onder meer) de merken voor zover nodig zijn overgedragen aan FKP.
2.11
FKP heeft HVY en de Russische Federatie gedagvaard voor de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag en primair opheffing van het beslag en subsidiair schorsing van de executie van het beslag gevorderd. De Russische Federatie heeft de vorderingen van FKP onderschreven.
2.12
Bij vonnis van 27 oktober 2020 heeft de voorzieningenrechter het beslag op de merken opgeheven, omdat – kort gezegd – het afgescheiden vermogen van FKP geen verhaal biedt voor de vorderingen van HVY op de Russische Federatie.
2.13
HVY zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Bij het thans in cassatie bestreden arrest van 28 juni 2022 heeft het hof het vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, het beslag opgeheven voor zover dat is gelegd (i) ten laste van en onder FKP en (ii) op de auteursrechten op de vormgeving van de producten die onder de merken zijn geproduceerd en verkocht door of met toestemming van FKP en/of de Russische Federatie. Voor zover in cassatie van belang, heeft het hof daartoe het volgende overwogen.
2.14
FKP en de Russische Federatie hebben betoogd dat met de vernietiging door de Hoge Raad van de arresten van het hof Den Haag van 25 september 2018 en 18 februari 2020 het dictum van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 april 2016, waarin de arbitrale beslissingen waren vernietigd, is herleefd, zodat HVY vooralsnog niet bevoegd zijn de arbitrale beslissingen ten uitvoer te leggen en de verkregen exequaturs op de voet van art. 1062 lid 4 Rv van rechtswege zijn vervallen (rov. 5.4). Het hof heeft dit betoog als volgt verworpen:
‘5.5 (…) In de vernietigingsprocedure heeft de rechtbank Den Haag de arbitrale beslissingen vernietigd op de grond dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt (art. 1065 lid 1 sub a (oud) Rv). In hoger beroep heeft het hof geoordeeld dat op dat punt geen vernietigingsgrond voorlag en de daartegen gerichte cassatieklachten zijn door de Hoge Raad verworpen. In het arrest van 5 november 2021 heeft de Hoge Raad uitsluitend middelonderdeel 1 gegrond bevonden. Volgens dat middelonderdeel had het hof de stelling, dat de arbitrale beslissingen in strijd zijn met de openbare orde (art. 1065 lid 1 sub d (oud) Rv) omdat HVY in de arbitrageprocedures frauduleus zouden hebben gehandeld, niet op formele gronden mogen verwerpen. Na cassatie en verwijzing ligt uitsluitend nog deze stelling in de vernietigingsprocedure, die nu voor het hof Amsterdam wordt gevoerd, voor. Over de gegrondheid daarvan heeft zich nog geen vernietigingsrechter uitgesproken. Sprake is derhalve van een lopende vernietigingsprocedure, waarvoor het uitgangspunt geldt dat deze de tenuitvoerlegging niet schorst (art. 1066 lid 1 Rv). Ook verval van rechtswege van het verlof tot tenuitvoerlegging wegens vernietiging van het arbitraal vonnis als bedoeld in art. 1064 lid 4 Rv is in deze situatie niet aan de orde.’9.
2.15
Vervolgens is het hof ingegaan op de vraag of de beslagen IE-rechten zich in het vermogen van de Russische Federatie bevinden. Die vraag wordt beheerst door Nederlands recht (rov. 5.9). Het in Nederland gelegde executoriaal verhaalsbeslag op aan de Russische Federatie toebehorende goederen is gelegd naar Nederlands (goederen)recht. De buitenlandse rechtsverhouding moet zo nodig worden aangepast aan (geassimileerd met) een vergelijkbare rechtsverhouding in het Nederlandse recht. Daarbij moet worden beoordeeld of, met het oog op de toepassing van art. 3:276 BW, de vermogensrechtelijke positie van de Russische Federatie ten aanzien van de beslagen IE-rechten naar inhoud en strekking gelijk te stellen is met die van (volledig) rechthebbende naar Nederlands recht (rov. 5.10). Het hof heeft in rov. 5.11 t/m 5.13 eerst verschillende kenmerken vastgesteld die betrekking hebben op de verhouding tussen de Russische Federatie en FKP. Vervolgens is het hof tot de slotsom gekomen dat FKP de merken- en auteursrechten niet als (volledig) rechthebbende exploiteert en deze rechten zich in het voor verhaal vatbare vermogen van de Russische Federatie bevinden (rov. 5.14-5.19). Deze overwegingen luiden als volgt:
‘5.11 Vast staat dat FKP een van vele zogeheten Federal Treasury Enterprises (FTE’s) in de Russische Federatie is. Het gaat daarbij om een door de Russische Federatie in het leven geroepen rechtspersoon. Deze rechtsfiguur vindt zijn oorsprong in de Sovjet traditie ten aanzien van staatseigendom. FTE’s houden aan hen toegewezen staatseigendom in zogeheten "operationeel beheer’. FKP is een ‘legal entity’ in de zin van art. 48 Russisch Burgerlijk Wetboek (hierna: RBW) met een eigen afgescheiden vermogen. Het hof verwijst verder naar de in het vonnis van de voorzieningenrechter onder 4.10.1 tot en met 4.10.9 weergegeven kenmerken van een FTE.
5.12
De Russische Federatie en FKP hebben op 15 mei 2015 de 2015-overeenkomst gesloten. Deze overeenkomst luidt onder meer als volgt:
‘(...) Whereas (...) Party 1 (Russische Federatie, hof) was instructed to enter with Party 2 (FKP, hof) into an agreement on transfer (alienation) of exclusive rights to the trademarks (...)
1. “Party 1” transfers its entire exclusive and other rights to the assigned property to the extent such assigned property would not already lie with “Party 2” and “Party 2” accepts this property, which includes:
1.1.
all rights to the trademarks originally registered in the name of the All-Union Association (...) including but not limited to (...) Benelux, as well as international registrations of the trademarks (...) 1.3 all other intellectual property rights relating to the Trademarks held by “Party 1”, including but not limited to copyrights (...)
2. The parties confirm that since its incorporation, “Party 2” had the rights to (i) use and dispose of the Assigned Property, (ii) register the Trademarks in its own name and (iii) bring suit to claim back any Assigned Property, cease infringements on the Assigned Property, recover for damages and compensation for infringement of the rights to the Assigned Property (...).’
5.13
De rechtsverhouding tussen de Russische Federatie en FKP wordt verder bepaald door de statuten van FKP, laatstelijk gewijzigd in 2019 (hierna: de 2019-statuten).
Art. 14 van de statuten luidt: The property of the Enterprise is in federal ownership and is held by the Enterprise under the right of operative administration. The property complex of the Enterprise includes all types of property intended for its activities, as well as the rights to designations that individualise the Enterprise, its products, work, services (commercial designation, trademarks, service marks), and other exclusive rights. The Enterprise holds exclusive rights to the results of intellectual activity and means of individualization equated with them, for which the Enterprise is registered as a right holder. (...) Daarnaast heeft FKP op grond van art. 24 aanhef en sub 1 van de 2019-statuten het recht om “with the approval of the Government of the Russian Federation to enter into transactions for the alienation of the exclusive rights to the results of intellectual activity and means of individualisation, including trademarks held by the Enterprise”.
5.14
FKP en de Russische Federatie hebben niet (voldoende concreet en onderbouwd) gesteld dat de omstandigheid dat de gestelde overdracht in 2015 plaats vond en de huidige statuten pas nadien in 2019 zijn vastgesteld in (dit) goederenrechtelijk opzicht van belang is (in die zin dat de 2015-overeenkomst los van de statuten zou moeten worden beoordeeld). De beoordeling of naar Nederlands (goederen)recht de positie van de Russische Federatie en FKP kunnen worden gelijkgesteld met die van vervreemder respectievelijk rechtverkrijgende krachtens overdracht, vindt daarom plaats met inachtneming van het samenstel van beide regelingen.
5.15
De bewoordingen van de 2015-overeenkomst (alienation, transfer, entire exclusive rights, assigned property, all rights to the trademarks”) wijzen op zichzelf beschouwd op een algehele overdracht van de IE-rechten. FKP heeft voorts het volle gebruiks- en genotsrecht over deze rechten en kan deze rechten tegenover eenieder handhaven. Daartegenover staat evenwel dat, naar tussen partijen vast staat, de Russische Federatie op grond van de genoemde statutaire bepalingen het recht heeft om het ‘property complex’ van FKP (waaronder alle lE-rechten) als geheel op te pakken en te verkopen aan (bijvoorbeeld) een nieuw opgerichte FTE en tevens het recht heeft om door FKP zonder toestemming van de Russische Federatie met derden gesloten transacties over de vervreemding van (IE-)rechten in rechte (met derdenwerking) te vernietigen. Deze bevoegdheden had de Russische Federatie ook onder de (eerdere) situatie van operationeel beheer.
5.16
Deze laatstgenoemde bevoegdheden van de Russische Federatie staan er naar het oordeel van het hof aan in de weg om de rechtspositie van FKP in haar verhouding tot de Russische Federatie naar Nederlands (goederen)recht met die van (volledig) rechthebbende op de merken- en auteursrechten gelijk te stellen. Het gaat om vergaande beperkingen van de beschikkingsbevoegdheid van FKP met derdenwerking. In het geval de Russische Federatie gebruik maakt van haar rechten ten aanzien van het ‘property complex’ verliest FKP haar bevoegdheid om de merken- en auteursrechten te exploiteren. Naar Nederlands goederenrecht is een overdracht waarbij de vervreemder zich dergelijke goederenrechtelijke bevoegdheden voorbehoudt, niet mogelijk. Een daartoe strekkende overeenkomst kan geen geldige overdrachtstitel zijn. Dit betekent dat de 2015-overeenkomst naar Nederlands (goederen)recht geen rechtsovergang tot gevolg heeft gehad en FKP op grond van die overeenkomst geen rechthebbende is geworden. Dat FKP geen (volledige) rechthebbende in goederenrechtelijke zin is/was geldt ook voor de situatie voor de 2015-overeenkomst (van operationeel beheer) daar in die situatie dezelfde beperkingen golden. Beoordeeld naar Nederlands goederen- en beslagrecht moet het er daarom in dit kort geding voor worden gehouden dat de rechten zich in het voor verhaal van de onderhavige vorderingen vatbare vermogen van de Russische Federatie bevinden en FKP deze rechten niet in hoedanigheid van (volledig) rechthebbende exploiteert.
5.17
Voor zover FKP zich als bezitter van de merkenrechten op het vermoeden van art. 3:119 lid 2 BW zou kunnen beroepen – hetgeen tussen partijen in geschil is – volgt uit het voorgaande dat in dit kort geding het tegendeel voldoende aannemelijk is geworden.
5.18
Uit het voorgaande volgt dat er geen overdracht van auteursrechten heeft plaatsgevonden en FKP ook in zoverre niet als (volledige) rechthebbende op de (eventuele) auteursrechten kan worden aangemerkt in de situatie na en voor de 2015-overeenkomst. Op artikel 4 Aw kan FKP zich niet beroepen, omdat zij, als rechtspersoon geen maker kan zijn (een rechtspersoon heeft geen persoonlijkheid die hij door het maken van creatieve keuzes kan uitdrukken) en evenmin op artikel 8 Aw, aangezien dat artikel alleen de verhouding regelt tussen de openbaarmakende rechtspersoon – die eventueel als maker kan worden ‘aangemerkt’ – en de natuurlijke persoon/maker, maar niet de relatie tussen twee rechtspersonen die het auteursrecht claimen. Voor zover FKP zich – als degene die de werken openbaar zou hebben gemaakt, bijvoorbeeld met de merkinschrijvingen – niettemin op het vermoeden van artikel 4 en/of 8 Aw zouden [lees: zou, A-G] kunnen beroepen, dan is dit vermoeden in het licht van het in rechtsoverwegingen 5.15 en 6.16 [lees: 5.16, A-G] weerlegd te achten.
5.19
De conclusie is dat, beoordeeld naar Nederlands goederen- en beslagrecht, FKP de merken- en auteursrechten niet als (volledig) rechthebbende exploiteert (en heeft gedeponeerd wat betreft de Merken) en deze rechten zich in het voor verhaal vatbaar vermogen van de Russische Federatie bevinden.’
2.16
Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat voor zover met het beslagexploot (mede) is beoogd executoriaal derdenbeslag onder FKP te leggen, HVY, mede in het licht van het verweer van FKP dat niet aan alle in art. 475 lid 1 Rv voor een derdenbeslag op straffe van nietigheid voorgeschreven formaliteiten (met name aan het in art. 475 lid 1, onder a, Rv gestelde vereiste) is voldaan, onvoldoende hebben toegelicht hoe het onderhavige beslag op aan de Russische Federatie toebehorende rechten van intellectuele eigendom onder FKP, die deze rechten niet als rechthebbende exploiteert, in dit geval als (rechtsgeldig gelegd) derdenbeslag zou kunnen worden aangemerkt (rov. 5.21).
2.17
Bij wijze van tussenconclusie heeft het hof overwogen dat de vordering tot opheffing van het beslag toewijsbaar is voor zover dit is gelegd ten laste van en onder FKP, omdat de IE-rechten zich in het voor verhaal vatbare vermogen van de Russische Federatie bevinden, vaststaat dat FKP geen schuldenaar is voor vorderingen waarvoor het beslag is gelegd en ook overigens niet (voldoende) is gesteld of gebleken dat (rechtsgeldig) derdenbeslag is gelegd (rov. 5.22). De hierop volgende overwegingen van het hof zien alleen nog op de opheffing van het ten laste van de Russische Federatie gelegde beslag, dan wel de schorsing van de executie daarvan, waarbij FKP de hoedanigheid van (materieel) belanghebbende inneemt (rov. 5.23).
2.18
Voor het geval dat de beslagen rechten in het voor verhaal vatbaar vermogen van de Russische Federatie zouden vallen, heeft FKP (gesteund door de Russische Federatie) een beroep gedaan op immuniteit van executie, zoals neergelegd in art. 19, onder c, van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen (hierna: VN-Verdrag)10.(rov. 5.30).
2.19
Na in rov. 5.31 het juridisch kader te hebben uiteengezet, heeft het hof geoordeeld dat FKP en de Russische Federatie zich in dit geval niet met succes kunnen beroepen op immuniteit van executie en daartoe het volgende overwogen:
‘5.34 (…) Het gaat bij de merken- en auteursrechten om vermogensrechten die gericht zijn op de commerciële exploitatie van alcoholische dranken. Merken en daarin vervatte auteursrechten op de beeldelementen (die onder het beslag vallen) zijn uit de aard der zaak bestemd voor andere dan publieke doeleinden, namelijk voor de bevordering van de (commerciële) verkoop van van de merken voorziene waren. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat FKP op grond van het 2019 charter van FKP jaarlijks een deel van haar nettowinst (25%) aan het budget van de Russische Federatie moet afstaan. Desgevraagd heeft FKP ter zitting verklaard dat het overige deel (75%) van de inkomsten van FKP niet aan de Russische Federatie wordt afgestaan, maar wordt aangewend ten behoeve van de instandhouding en de kosten van FKP. De Russische Federatie en FKP hebben niet (voldoende) betwist dat de opbrengsten in zoverre – en dus voor het overgrote deel – een niet-publieke bestemming hebben. Daarmee zijn de desbetreffende IE-rechten vermogensbestanddelen die in het bijzonder worden gebruikt of zijn beoogd voor gebruik voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden. Voor zover bij het vereiste van art. 19 VN-verdrag dat het executoriaal beslag moet zijn gericht tegen goederen “die verband houden met de entiteit waartegen het geding zich richtte” sprake is van internationaal gewoonterecht, is ook aan dat vereiste voldaan. Dat sprake is van een (voldoende) verband tussen de aan Russische Federatie toekomende en door FKP geëxploiteerde rechten blijkt genoegzaam uit hetgeen hiervoor, met name onder 5.16, is overwogen. Het beroep op immuniteit van executie faalt derhalve.’ [voetnoot weggelaten; A-G]
2.20
Daarop heeft het hof de subsidiaire vordering van FKP tot schorsing van de executie beoordeeld, voor zover die vordering het ten laste van de Russische Federatie gelegde beslag betreft (rov. 5.35). Die vordering heeft het hof als volgt afgewezen:
‘5.36 Het hof dient voor de beoordeling van deze vordering de belangen bij toe- en afwijzing van de vordering tot schorsing van de executie van het beslag af te wegen. Weliswaar is, zoals ook de Hoge Raad in zijn beschikking van 4 december 2020 heeft overwogen, voorshands voldoende aannemelijk dat tenuitvoerlegging van de arbitrale beslissingen een restitutierisico met zich brengt. Daartegenover staat echter dat niet valt te verwachten dat HVY gedurende de looptijd van de vernietigingsprocedure een aanzienlijk deel van de in de arbitrale beslissingen toegewezen bedragen (op een andere wijze) zullen kunnen innen. Verder zal een (onherroepelijk) eindarrest in de vernietigingsprocedure nog enige tijd op zich kunnen laten wachten. Voor zover FKP zich in het kader van de belangenafweging nog beroept op de haar stelling [lees: op haar stelling, A-G] dat zij rechthebbende is ten aanzien van de beslagen rechten en sprake is van immuniteit van executie, zijn deze stellingen hiervoor al verworpen. Ook de omstandigheid dat de positie van FKP als exploitant van de beslagen merken- en auteursrechten van de Russische Federatie wordt geschaad indien deze executoriaal worden verkocht, weegt al met al niet zwaarder dan de belangen [van] HVY bij tenuitvoerlegging.’ [voetnoot weggelaten; A-G]
2.21
Voor zover de maatstaf in aanmerking zou moeten worden genomen die geldt voor het in art. 1066 lid 2 Rv bedoelde schorsingsverzoek, heeft het hof de vordering ook afgewezen (rov. 5.37-5.38).
2.22
Het hof is tot de slotsom gekomen dat de vordering tot opheffing van het beslag gedeeltelijk toewijsbaar is, namelijk voor zover dit ten laste van en onder FKP is gelegd. De vordering tot opheffing van het ten laste van de Russische Federatie gelegde beslag is niet toewijsbaar, behoudens voor zover het is gelegd op de auteursrechten op de vormgeving van de producten die onder de merken zijn geproduceerd en verkocht door of met toestemming van FKP en/of de Russische Federatie (rov. 5.39). Het verzoek van FKP het arrest niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, heeft het hof afgewezen (rov. 5.40).
2.23
De Russische Federatie heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. In de procesinleiding van 23 augustus 2022 heeft de Russische Federatie de Hoge Raad verzocht een termijn van vier weken te stellen voor aanpassing, uitbreiding of aanvulling van het cassatiemiddel, vanwege de zeer korte periode tussen het moment waarop aan de Russische Federatie een cassatieadvocaat dwingend is toegewezen op de voet van art. 13 Advocatenwet en het verstrijken van de cassatietermijn. De enkelvoudige civiele kamer heeft dat verzoek toegestaan. Binnen de verleende termijn van vier weken heeft de Russische Federatie op 22 september 2022 een aanvulling van het cassatiemiddel ingediend.
2.24
De advocaten van de Russische Federatie en FKP hebben op 22 september 2022, in navolging van een verzoek van de Haagse deken van de Orde van Advocaten, de Hoge Raad verzocht om de rol en alle in deze zaak te nemen beslissingen te anonimiseren, zodanig dat niet kenbaar is welke advocaten de Russische Federatie in cassatie bijstaan.
2.25
HVY hebben geconcludeerd tot verwerping van het principaal cassatieberoep en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De Russische Federatie heeft geconcludeerd tot verwerping daarvan. De Russische Federatie en HVY hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten, gevolgd door re- en dupliek.
3. Bespreking van het principaal cassatiemiddel
3.1
Het middel bevat zes onderdelen, waarvan de onderdelen I t/m III zijn opgenomen in de procesinleiding en de onderdelen IV t/m VI in de aanvullende procesinleiding.
3.2
Ambtshalve stel ik de vraag aan de orde of de Russische Federatie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard ten aanzien van de aanvullende procesinleiding. Ik zie daarvoor geen reden. HVY hebben tegen het verlenen van een termijn aan de Russische Federatie voor eventuele aanpassing, uitbreiding of aanvulling van het middel geen bezwaar gemaakt, de enkelvoudige civiele kamer heeft het verzoek van de Russische Federatie ingewilligd en de Russische Federatie heeft de aanvulling binnen de door de enkelvoudige civiele kamer gestelde termijn van vier weken ingediend. Ook kan in aanmerking worden genomen dat de (huidige) advocaat van de Russische Federatie pas op 19 augustus 2022 een dwingende aanwijzing van de Haagse deken van de Orde van Advocaten heeft ontvangen om de Russische Federatie bij te staan en zodoende onvoldoende tijd heeft gehad om het omvangrijke dossier zorgvuldig te bestuderen.11.
3.3
Onderdeel I is gericht tegen rov. 5.5 van het bestreden arrest en valt uiteen in zes subonderdelen, waarvan de onderdelen I.2 en I.3 geen klachten bevatten.
3.4
Onderdeel I.1 klaagt dat het hof ten onrechte en/of zonder toereikende motivering in rov. 5.5 het betoog van FKP en de Russische Federatie heeft verworpen dat – kort gezegd – HVY vooralsnog niet bevoegd zijn om de arbitrale beslissingen ten uitvoer te leggen, omdat door de vernietiging door de Hoge Raad van de arresten van het hof Den Haag van 25 september 2018 en 18 februari 2020 het dictum van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 april 2016 is herleefd, waarin de arbitrale beslissingen zijn vernietigd. Onderdeel I.4 keert zich tegen het oordeel van het hof dat voor een lopende vernietigingsprocedure op de voet van art. 1066 lid 1 Rv als uitgangspunt geldt dat deze de tenuitvoerlegging niet schorst. Volgens het onderdeel kan dit oordeel rechtens niet, althans niet zonder nadere motivering, de verwerping van het betoog van FKP en de Russische Federatie dragen. In deze zaak is niet slechts sprake van een vordering tot vernietiging, maar van een reeds uitgesproken vernietiging door de rechtbank, die door het arrest van de Hoge Raad van 5 november 2021 is herleefd, aldus de klacht. Volgens onderdeel I.5 heeft de vernietiging door de Hoge Raad van (het dictum van) het arrest van het hof Den Haag van 18 februari 2020 geen partiële werking. Verder klaagt onderdeel I.6 dat ook het oordeel van het hof in rov. 5.5 onjuist dan wel ontoereikend is gemotiveerd dat verval van rechtswege van het verlof tot tenuitvoerlegging wegens vernietiging van het arbitraal vonnis als bedoeld in art. 1062 lid 4 Rv in dit geval niet aan de orde is, omdat de vernietiging door de rechtbank is herleefd en de grondslag waarop de exequaturs zijn verleend – te weten: het arrest van het hof Den Haag van 18 februari 2020 – is vernietigd.
3.5
Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Daarbij stel ik het volgende voorop. De tenuitvoerlegging in Nederland van een arbitraal vonnis kan eerst plaatsvinden nadat de voorzieningenrechter verlof (‘exequatur’) heeft verleend (art. 1062 lid 1 Rv). Bij verlofverlening staan voor de wederpartij slechts de rechtsmiddelen van vernietiging en herroeping (van het arbitraal vonnis) open (art. 1062 lid 4, eerste volzin, Rv). De vordering tot vernietiging schorst de tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis niet (art. 1066 lid 1 Rv). De rechter die omtrent de vernietiging oordeelt kan echter, indien daartoe gronden zijn, op verzoek van de meest gerede partij de tenuitvoerlegging schorsen totdat over de vordering tot vernietiging onherroepelijk is beslist (art. 1066 lid 2 Rv). Kennelijk anders dan in het geval van een schorsing in hoger beroep van de tenuitvoerlegging van een vonnis (art. 351 Rv) of van een beschikking (art. 360 lid 2 Rv)12., duurt een schorsing op de voet van art. 1066 lid 2 Rv dus voort totdat de uitspraak in de vernietigingsprocedure in kracht van gewijsde is gegaan. Indien in de vernietigingsprocedure de rechter in de voorgaande instantie reeds een oordeel heeft gegeven over de vordering tot vernietiging, dient de rechter die beslist op het schorsingsverzoek met dat oordeel rekening te houden.13.
3.6
Een arbitraal vonnis dat is vernietigd komt geen rechtskracht toe.14.De vernietiging van een arbitraal vonnis brengt van rechtswege de vernietiging van het verlof tot tenuitvoerlegging mee (art. 1062 lid 4, tweede volzin, Rv).
3.7
De vernietiging van een uitspraak van de civiele rechter heeft directe werking en terugwerkende kracht.15.Een uitspraak in eerste aanleg die in hoger beroep is vernietigd, moet worden geacht haar werking te hebben verloren, zolang de uitspraak in hoger beroep zelf niet is vernietigd.16.Indien de uitspraak in hoger beroep op haar beurt in cassatie wordt vernietigd, wordt in de literatuur aangenomen dat de uitspraak in eerste aanleg alleen herleeft indien de Hoge Raad die uitspraak heeft bekrachtigd.17.De partiële werking van het cassatieberoep brengt immers mee dat beslissingen die in cassatie niet of tevergeefs zijn bestreden, bindend zijn, ook als de uitspraak wegens de gegrondbevinding van (andere) klachten wordt vernietigd.18.Uit de enkele omstandigheid dat in het dictum van het arrest of de beschikking van de Hoge Raad de vernietiging niet (uitdrukkelijk) aan enige beperking is onderworpen, mag niet worden afgeleid dat al hetgeen de bestreden uitspraak inhield, is vernietigd. Na verwijzing zal de rechter aan de hand van de strekking van hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen en beslist, moeten beoordelen welke onderdelen van de gecasseerde uitspraak niet of tevergeefs zijn bestreden en derhalve onaantastbaar zijn geworden.19.De vernietiging door de Hoge Raad van een uitspraak treft niet alleen de in die uitspraak voorkomende beslissingen die in cassatie met succes zijn bestreden, maar brengt ook mee dat alle beslissingen die daarop voortbouwen of daarmee onverbrekelijk samenhangen, hun kracht verliezen omdat daaraan de grondslag is ontvallen.20.
3.8
Het onderdeel betoogt in de kern dat met de vernietiging door de Hoge Raad van de arresten van het hof van 25 september 2018 en 18 februari 2020 het dictum van het vonnis van de rechtbank van 20 april 2016 is herleefd en daarmee de daarin uitgesproken vernietiging van de arbitrale beslissingen. Dat betoog gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting over de partiële werking van het cassatieberoep. Uit rov. 5.1.3-5.1.19 van het arrest van de Hoge Raad van 5 november 2021 volgt dat de vernietiging van de arresten van het hof uitsluitend is gebaseerd op het slagen van de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de Russische Federatie haar stellingen met betrekking tot fraude alleen in een herroepingsprocedure aan de orde kon stellen en niet ten grondslag kon leggen aan haar vernietigingsvordering. De overige klachten konden niet tot cassatie leiden (rov. 7.1). De partiële werking van het cassatieberoep brengt dan mee dat de door de Hoge Raad uitgesproken vernietiging beperkt is tot het oordeel van het hof dat in cassatie met succes is bestreden. Dat een dergelijke beperking niet uit het dictum zelf volgt, doet daaraan niet af. De overige oordelen van het hof zijn onaantastbaar geworden. Dat geldt dus ook voor het oordeel van het hof dat het scheidsgerecht bevoegd was om van de vorderingen van HVY kennis te nemen en daarop te beslissen, zodat het oordeel van de rechtbank dat geen geldige overeenkomst tot arbitrage tot stand is gekomen en de arbitrale beslissingen om die reden moeten worden vernietigd, niet in stand kan blijven.21.Niet kan worden gezegd dat het oordeel van het hof voortbouwt op of onverbrekelijk samenhangt met het oordeel van het hof dat de Russische Federatie haar stellingen met betrekking tot fraude alleen in een herroepingsprocedure aan de orde kon stellen. Het oordeel van de rechtbank dat geen geldige overeenkomst tot arbitrage tot stand is gekomen, is derhalve niet herleefd, zodat ook de daarop gegronde vernietiging in het dictum van het vonnis niet is herleefd. Het door het onderdeel gemaakte onderscheid tussen het dictum, althans het daaraan te geven rechtsgevolg, en de overwegingen ten gronde, is daarbij zonder belang.
3.9
Voor zover onderdeel I.4 nog betoogt dat art. 1066 lid 1 Rv zo moet worden gelezen dat ‘de loutere indiening’ van een vordering tot vernietiging de tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis niet schorst, is deze opvatting onjuist. Een dergelijke beperking volgt niet uit de tekst van de bepaling, noch uit de wetsgeschiedenis of de rechtspraak. Uit de omstandigheid dat de rechter op grond van het tweede lid van art. 1066 Rv de tenuitvoerlegging kan schorsen totdat over de vordering tot vernietiging onherroepelijk is beslist, kan worden afgeleid dat de werking van art. 1066 lid 1 Rv zich ook uitstrekt tot dat moment. Deze conclusie vindt ook steun in de reeds aangehaalde beschikking van 4 december 2020, waarin de Hoge Raad uitdrukkelijk in aanmerking heeft genomen het geval waarin reeds een oordeel is gegeven over de vordering tot vernietiging, maar in de hogere instantie een schorsingsverzoek wordt opgeworpen.
3.10
In deze zaak staat vast dat op de vernietigingsvordering van de Russische Federatie nog niet onherroepelijk is beslist, zodat sprake is van een lopende vernietigingsprocedure. In deze vernietigingsprocedure is op het moment dat ik deze conclusie neem, nog geen uitspraak gedaan.22.Van herleving van het vonnis van de rechtbank en de daarin uitgesproken vernietiging van de arbitrale beslissingen is, zoals gezegd, geen sprake. Het hof heeft dan ook terecht geoordeeld dat de tenuitvoerlegging van de arbitrale beslissingen niet is geschorst en dat ook verval van het verlof tot tenuitvoerlegging op de voet van art. 1062 lid 4 Rv niet aan de orde is. Ook anderszins geeft het oordeel van het hof in rov. 5.5 geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, noch is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd. De klachten van onderdeel I falen dus.
3.11
Onderdeel II is gericht tegen rov. 5.14 t/m 5.19, waarin het hof, kort gezegd, heeft overwogen dat FKP de IE-rechten niet als (volledig) rechthebbende exploiteert en deze rechten zich in het voor verhaal vatbaar vermogen van de Russische Federatie bevinden. Het onderdeel valt uiteen in vier subonderdelen, waarvan het vierde subonderdeel een toelichting op en nadere uitwerking van de klachten onder II.323.bevat.
3.12
Onderdelen II.1 en II.2, zoals opgenomen in de procesinleiding, bevatten geen klachten en stellen voorop dat in cassatie als uitgangspunt dient te gelden dat (i) FKP een zelfstandige rechtspersoon is met een eigen afgescheiden vermogen, waarop schuldeisers van de Russische Federatie zich niet kunnen verhalen, en (ii) de Russische Federatie de IE-rechten heeft overgedragen aan FKP in de 2015-overeenkomst, omdat intellectuele eigendomsrechten sinds 1 oktober 2014 geen voorwerp van ‘operationeel beheer’ (meer) konden zijn.
3.13
Onderdeel II.2.1 is opgenomen in de aanvullende procesinleiding. Het onderdeel is gericht tegen rov. 5.15 en 5.16 t/m 5.19. Het onderdeel klaagt over het oordeel van het hof dat FKP de IE-rechten niet als (volledig) rechthebbende exploiteert en deze rechten zich in het vermogen van de Russische Federatie bevinden. Dit oordeel is volgens het onderdeel onjuist of onbegrijpelijk gemotiveerd, omdat de Russische Federatie en FKP hebben gesteld dat: (i) FKP een zelfstandige rechtspersoon is, (ii) de bevoegdheden van de Russische Federatie jegens FKP zich niet uitstrekken tot intellectuele eigendomsrechten en slechts in uitzonderlijke, in casu niet relevante omstandigheden kunnen worden uitgeoefend, en (iii) met de 2015-overeenkomst uitvoering werd gegeven aan de wetswijziging van 2014 en daarmee de rechten zijn overgedragen. In de daaropvolgende toelichting wordt deze klacht nader gepreciseerd met het betoog dat het hof deze essentiële stellingen ten onrechte niet (kenbaar) bij zijn beoordeling zou hebben betrokken. Ook wordt geklaagd dat onjuist en/of onbegrijpelijk is het oordeel van het hof in rov. 5.16 dat tussen partijen vaststaat dat de Russische Federatie het recht heeft om het ‘property complex’ als geheel op te pakken24., en het hof ten onrechte niet bij zijn beoordeling heeft betrokken de essentiële stelling dat FKP de rechten nooit in operationeel beheer heeft gehouden.25.
3.14
Voor zover de klachten betrekking hebben op de oordelen van het hof over de inhoud en de uitleg van het Russische recht, stuiten de klachten af op het bepaalde in art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO. Voor zover de klachten betogen dat sprake is van een motiveringsgebrek omdat het hof essentiële stellingen heeft gepasseerd, merk ik het volgende op. Van een voor cassatie vatbaar motiveringsgebrek is sprake indien de feitenrechter heeft nagelaten een stelling van een van de partijen te behandelen die, indien juist, waarschijnlijk tot een andere beslissing omtrent toe- of afwijzing van de vordering zou hebben geleid.26.De rechter behoeft niet op alle door partijen ter ondersteuning van hun standpunt aangevoerde stellingen en argumenten in te gaan.27.Het hof heeft bij zijn beoordeling onder meer het volgende in aanmerking genomen:
(i) FKP is een ‘Federal Treasury Enterprise’ (hierna: FTE), alsmede een ‘legal entity’ in de zin van art. 48 Russisch Burgerlijk Wetboek, met een eigen afgescheiden vermogen (rov. 5.11, vijfde volzin);
(ii) een FTE kan aan haar gealloceerd staatseigendom alleen vervreemden en overdragen met toestemming van de Russische Federatie en de Russische Federatie kan dat staatseigendom terugnemen als de vermogensbestanddelen overbodig, ongebruikt of oneigenlijk zijn gebruikt (rov. 5.11, laatste volzin, onder verwijzing naar rov. 4.10.5 van het vonnis);
(iii) naar Russisch recht kunnen schuldeisers van de Russische Federatie zich niet verhalen op vermogensbestanddelen van een FTE (rov. 5.11, laatste volzin, onder verwijzing naar rov. 4.10.9 van het vonnis);
(iv) de IE-rechten zijn in de 2015-overeenkomst overgedragen, maar de Russische Federatie heeft bepaalde bevoegdheden ten aanzien van de IE-rechten behouden (rov. 5.15); en
(v) sinds de 2015-overeenkomst is geen sprake (meer) van operationeel beheer (rov. 5.15, laatste volzin, en rov. 5.16, zevende volzin).
3.15
In het licht hiervan kan niet worden gezegd dat het hof niet (kenbaar) bij zijn beoordeling heeft betrokken de stellingen dat (i) FKP een zelfstandige rechtspersoon is met een eigen afgescheiden vermogen, (ii) de IE-rechten zijn overdragen in de 2015-overeenkomst en (iii) de IE-rechten niet (langer) door FKP in operationeel beheer worden gehouden.
3.16
Verder heeft het hof in rov. 5.15 geoordeeld dat, naar tussen partijen vaststaat, de Russische Federatie op grond van art. 14 en art. 24, aanhef en onder (l), van de 2019-statuten (‘de genoemde statutaire bepalingen’ in rov. 5.13) het recht heeft om het ‘property complex’ van FKP (waaronder alle IE-rechten) als geheel op te pakken en te verkopen aan (bijvoorbeeld) een nieuw opgerichte FTE en tevens het recht heeft om door FKP zonder toestemming van de Russische Federatie met derden gesloten transacties over de vervreemding van (IE-)rechten in rechte (met derdenwerking) te vernietigen. Het zijn deze bevoegdheden die volgens het hof eraan in de weg staan om de rechtspositie van FKP in haar verhouding tot de Russische Federatie naar Nederlands recht met die van (volledig) rechthebbende gelijk te stellen (rov. 5.16). Het oordeel van het hof dat tussen partijen vaststaat dat de Russische Federatie dergelijke bevoegdheden heeft, kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst, aangezien de uitleg van de gedingstukken is voorbehouden aan de feitenrechter.28.
3.17
HVY hebben in de feitelijke instanties onder meer aangevoerd dat in de 2019-statuten wordt bevestigd dat FKP de IE-rechten alleen mag vervreemden en overdragen met toestemming van de Russische Federatie, dat de Russische Federatie een vernietigingsactie met derdenwerking toekomt indien een dergelijke rechtshandeling wordt verricht zonder haar toestemming, en dat de Russische Federatie de IE-rechten, als onderdeel van het ‘property complex’ van FKP, kan ‘oppakken’ en overdragen zonder toestemming van FKP.29.
3.18
De Russische Federatie heeft onder meer aangevoerd dat haar bevoegdheden zijn beperkt tot uitzonderlijke omstandigheden en niet wezenlijk verschillen van de controle die een enig aandeelhouder over een Nederlandse vennootschap kan uitoefenen.30.Deze stellingen zien klaarblijkelijk (ook) op de situatie waarin geen sprake (meer) is van operationeel beheer. Verder heeft FKP, wier stellingen de Russische Federatie heeft onderschreven,31.in dit verband aangevoerd dat de Russische Federatie toestemming moet geven voor een vervreemding/overdracht en zelf het ‘property complex’ van FKP mag overdragen, maar dat die beperkingen gelden voor alle staatsondernemingen en er niet aan afdoen dat FKP rechthebbende is op de IE-rechten.32.
3.19
Het is, gelet op deze stellingen over en weer, niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat tussen partijen vaststaat dat de Russische Federatie op grond van de 2019-statuten bepaalde bevoegdheden toekomt ten aanzien van de IE-rechten, althans niet kan worden gezegd dat het hof de stellingen van de Russische Federatie en FKP in dit verband niet voldoende kenbaar bij zijn oordeel heeft betrokken. Onderdeel II.2.1 faalt dan ook.
3.20
Onderdeel II.3 klaagt dat rov. 5.14 t/m 5.18 in het licht van de uitgangspunten van de onderdelen II.1 en II.2 onjuist zijn, althans ontoereikend gemotiveerd. Deze klacht wordt in onderdeel II.4 toegelicht en uitgewerkt. Betoogd wordt dat onjuist en onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat, gelet op de specifieke rol van de Russische staat uit hoofde van de Russische wet en de statuten van FKP, de exclusieve IE-rechten van FKP moeten worden ‘geassimileerd’ tot rechten van de Russische Federatie zelf. Het hof heeft miskend dat assimilatie terughoudend moet worden toegepast en dat daarbij op functionele wijze moet worden aangesloten bij doel en strekking van de buitenlandse regeling. Ook is assimilatie onverenigbaar met art. 10:118 en 10:119 BW en wijkt het oordeel van het hof af van uitspraken van de Nederlandse en Franse rechter33., aldus het onderdeel.
3.21
Het hof heeft in rov. 5.9 – onbestreden in cassatie – overwogen dat in het kader van het geschil over de rechtmatigheid van het beslag de vraag of de IE-rechten zich al dan niet in het vermogen van de Russische Federatie bevinden, moet worden beantwoord naar Nederlands recht. Daaraan heeft het hof toegevoegd – eveneens onbestreden in cassatie – dat ook in art. 4.8bis lid 2 BVIE34.is bepaald dat de goederenrechtelijke aspecten van de Benelux-merkenrechten worden beheerst door Nederlands recht. Vervolgens heeft het hof in rov. 5.10 overwogen dat nu de vraag of het in Nederland gelegde executoriaal verhaalsbeslag op aan de Russische Federatie toebehorende goederen is gelegd naar Nederlands recht moet worden beantwoord, de buitenlandse rechtsverhouding zo nodig moet worden aangepast aan (geassimileerd met) een vergelijkbare rechtsverhouding in het Nederlandse recht. Daarbij moet volgens het hof worden beoordeeld of, met het oog op de toepassing van art. 3:276 BW, de vermogensrechtelijke positie van de Russische Federatie ten aanzien van de beslagen IE-rechten naar inhoud en strekking gelijk is te stellen met die van (volledig) rechthebbende naar Nederlands recht.
3.22
Onderdelen II.3 en II.4 keren zich kennelijk tegen de wijze waarop het hof in rov. 5.14 t/m 5.16 tot het oordeel is gekomen dat de IE-rechten zich in het vermogen van de Russische Federatie bevinden en niet in het vermogen van FKP. Nu in cassatie onbestreden is dat naar Nederlands (goederen)recht moet worden beoordeeld of FKP als volledig rechthebbende op de IE-rechten moet worden beschouwd, heeft het hof op basis van de over en weer aangevoerde stellingen van partijen de rechtspositie van FKP in haar verhouding tot de Russische Federatie onderzocht. Het hof is tot de conclusie gekomen dat die rechtspositie niet gelijk is aan die van een volledig rechthebbende naar Nederlands recht. Voor zover de klachten zijn gericht tegen de uitleg en de inhoud van het Russische recht, stuiten zij af op het bepaalde in art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO. Voor zover de klachten zijn gericht tegen de door het hof gebruikte motivering, kunnen dergelijke klachten niet worden beoordeeld zonder daarbij de juistheid van de oordelen van de feitenrechter over de inhoud en uitleg van het Russische recht te betrekken.35.De klacht dat de oordelen van het hof in rov. 5.14 t/m 5.18 ontoereikend zijn gemotiveerd in het licht van de door het middel genoemde uitgangspunten onder II.1 en II.2 stuit daarop af.
3.23
Voor zover het onderdeel klaagt dat het ‘assimilatie-oordeel’ van het hof onjuist en onbegrijpelijk is, omdat assimilatie terughoudend moet worden toegepast en ‘op functionele wijze moet worden aangesloten bij doel en strekking van de buitenlandse regeling’, faalt ook deze klacht. De klacht miskent dat het hof om te bepalen of FKP naar Nederlands (goederen)recht als volledig rechthebbende op de IE-rechten moet worden aangemerkt, terecht heeft onderzocht of de verhouding tussen FKP en de Russische Federatie gelijkgesteld kan worden met die van een volledig rechthebbende naar Nederlands (goederen)recht. Het hof is, zoals gezegd, tot de conclusie gekomen dat dit niet het geval is. Anders dan het onderdeel betoogt, valt niet in te zien dat dit oordeel niet valt te rijmen met de zelfstandige rechtspersoonlijkheid van FKP naar Russisch recht. Dat FKP naar Nederlands internationaal privaatrecht op grond van art. 10:118 en 10:119 BW als rechtspersoon door het Russische recht wordt beheerst, betekent niet dat de vraag of FKP als volledig rechthebbende op de IE-rechten moet worden beschouwd óók naar Russisch recht zou moeten worden beantwoord. De klacht faalt daarom.
3.24
In de aanvullende procesinleiding wordt in onderdeel II.3.(e) nog geklaagd dat het hof in rov. 5.18 ten onrechte en/of zonder toereikende motivering heeft geoordeeld dat FKP zich niet kan beroepen op art. 4 en 8 Aw. Ook een rechtspersoon kan op grond van art. 4 Aw als maker worden beschouwd en de toepassing van art. 8 Aw is niet beperkt tot de relatie tussen de openbaarmakende rechtspersoon en de natuurlijke persoon/maker, aldus het onderdeel.
3.25
Auteursrecht is het uitsluitend recht van de maker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst (art. 1 Aw). Art. 4 Aw bepaalt, kort gezegd, dat behoudens bewijs van het tegendeel voor de maker wordt gehouden hij die op of in het werk als zodanig is aangeduid, of bij gebreke van een dergelijke aanduiding, degene die bij de openbaarmaking van het werk als maker daarvan bekend is gemaakt door hem, die het openbaar maakt. Op grond van art. 8 Aw wordt een fictieve maker aangewezen, namelijk de rechtspersoon die een werk als van hem afkomstig openbaar maakt, zonder daarbij een natuurlijk persoon als maker te vermelden. Art. 8 Aw lijdt uitzondering indien wordt bewezen dat de openbaarmaking onrechtmatig was.36.In de literatuur is aanvaard dat, anders dan het hof heeft overwogen, de bewijsvermoedens van art. 4 Aw ook gelden ten gunste van degene die als fictief maker is aangemerkt op grond van art. 8 Aw.37.Art. 8 heeft een ruim toepassingsbereik38., evenals art. 4 Aw.39.
3.26
In het licht van het voorgaande heeft het hof in rov. 5.18 aan art. 4 en 8 Aw een te beperkte reikwijdte toegekend en klaagt het onderdeel op zichzelf terecht dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Toch kan het onderdeel niet tot cassatie leiden. Het hof heeft in rov. 5.18 geoordeeld dat uit rov. 5.15 en 5.16 (‘het voorgaande’) volgt dat er geen overdracht van auteursrechten heeft plaatsgevonden en FKP ook in zoverre niet als (volledig) rechthebbende op de (eventuele) auteursrechten kan worden aangemerkt in de situatie na en voor de 2015-overeenkomst. Aan het slot van rov. 5.18 heeft het hof overwogen dat voor zover FKP zich op het vermoeden van art. 4 en/of art. 8 Aw zou kunnen beroepen, dit vermoeden in het licht van rov. 5.15 en 5.16 weerlegd is te achten. Deze overweging is een zelfstandig dragende grond voor het oordeel in rov. 5.18, eerste volzin (en het daarop voortbouwende oordeel in rov. 5.19), dat FKP niet als (volledig) rechthebbende op de auteursrechten kan worden aangemerkt. Het onderdeel klaagt niet dat uit rov. 5.15 en 5.16 niet volgt – ter weerlegging van het vermoeden van art. 4 Aw – dat FKP niet de maker is van de beeldelementen van de geregistreerde merken (vgl. rov. 5.29), althans dat een ander als maker daarvan moet worden aangemerkt, noch – ter weerlegging van het vermoeden van art. 8 Aw – dat de openbaarmaking door FKP van die beeldelementen onrechtmatig zou zijn, zodat die overwegingen niet kunnen dienen tot het weerleggen van de vermoedens van art. 4 en 8 Aw. De klacht onder II.3.(e) faalt dan ook bij gebrek aan belang.
3.27
In de schriftelijke toelichting van de Russische Federatie valt onder 6.1.3 nog de klacht te lezen dat het hof het attributieve stelsel voor het ontstaan van merkenrechten heeft miskend en ook de verplichting tot richtlijnconforme interpretatie en het nuttig effect van art. 10 Merkenrichtlijn heeft geschonden. Deze klacht is niet opgenomen in de procesinleiding en evenmin in de aanvullende procesinleiding, zodat deze te laat is opgeworpen, gelet op het bepaalde in art. 407 lid 2 Rv. Ik laat de klacht daarom buiten beschouwing.
3.28
Onderdeel III is gericht tegen rov. 5.34, waarin het hof heeft geoordeeld dat het beroep van FKP en de Russische Federatie op immuniteit van executie faalt. Het onderdeel klaagt onder III.1 dat dit oordeel onjuist en/of ontoereikend is gemotiveerd, met onder III.2 een nadere uitwerking.40.
3.29
Bij de behandeling van dit onderdeel stel ik het volgende voorop. Op grond van art. 13a Wet AB wordt de uitvoerbaarheid van vonnissen beperkt door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend. Het is vaste rechtspraak dat naar de thans in Nederland als ongeschreven internationaal publiekrecht geldende regels vreemde staten immuniteit van executie genieten, maar niet in absolute zin.41.Staatseigendommen met een publieke bestemming, ongeacht of zij daadwerkelijk worden gebruikt voor publieke doeleinden, zijn in elk geval niet vatbaar voor gedwongen executie.42.Deze regel vindt steun in art. 19 VN-Verdrag, dat door de Hoge Raad is aangemerkt als een codificatie van het internationale gewoonterecht met betrekking tot de immuniteit van executie en de aan een en ander gestelde grenzen.43.
3.30
Ik wijs erop dat bij de Tweede Kamer inmiddels aanhangig is het wetsvoorstel tot goedkeuring van het VN-Verdrag.44.Naar aanleiding van het plenaire debat op 14 juni 2023 heeft de minister van Buitenlandse Zaken aan de Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken (CAVV) advies gevraagd over onder meer de risico’s van interpretatieverschillen tussen rechters van bij het verdrag aangesloten staten, in het bijzonder over het begrip ‘commerciële doeleinden’ in art. 18 en 19 VN-Verdrag en of dergelijke risico’s zouden moeten leiden tot het afleggen van een verklaring of een voorbehoud bij deze artikelen.45.
3.31
In deze zaak is art. 19, onder c, VN-Verdrag van belang. De bepaling luidt in de Engelse authentieke tekst als volgt:
‘No post-judgment measures of constraint, such as attachment, arrest or execution, against property of a State may be taken in connection with a proceeding before a court of another State unless and except to the extent that:
(…)
c) it has been established that the property is specifically in use or intended for use by the State for other than government non-commercial purposes and is in the territory of the State of the forum, provided that postjudgment measures of constraint may only be taken against property that has a connection with the entity against which the proceeding was directed.’
En in de Nederlandse vertaling:
‘Tegen eigendommen van een staat mogen geen executiemaatregelen worden getroffen zoals beslag, zekerheidsstelling of executie in verband met een geding voor een rechter van een andere staat, tenzij en voor zover:
(…)
c. vastgesteld is dat de eigendommen in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de staat voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden en zich bevinden op het grondgebied van de staat van het forum, met dien verstande dat executiemaatregelen uitsluitend mogen worden getroffen tegen eigendommen die verband houden met de entiteit waartegen het geding zich richtte.’
3.32
In de zogenoemde Herfstarresten uit 2016 heeft de Hoge Raad verduidelijkt dat niet alle bepalingen van het VN-Verdrag als internationaal gewoonterecht kunnen worden aangemerkt, maar dat dit wel geldt voor art. 19 VN-Verdrag.46.De uitvoerbaarheid in Nederland van zowel conservatoire als executoriale maatregelen wordt door het internationaal publiekrecht dan ook beperkt in die zin dat dergelijke maatregelen zijn uitgesloten tenzij en voor zover sprake is van een geval als bedoeld in art. 19, onder a t/m c, VN-Verdrag. De Hoge Raad heeft in het midden gelaten of het samenhangvereiste aan het slot van onderdeel c ook als internationaal gewoonterecht kan worden aangemerkt.47.
3.33
De Hoge Raad heeft in de Herfstarresten ook geoordeeld dat het in overeenstemming is met de – op het respecteren van de soevereiniteit van vreemde staten gerichte – strekking van de immuniteit van executie en strookt met art. 19, onder c, VN-Verdrag om tot uitgangspunt te nemen dat eigendommen van vreemde staten niet vatbaar zijn voor beslag en executie, tenzij en voor zover is vastgesteld dat deze een bestemming hebben die daarmee niet onverenigbaar is. De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de vatbaarheid voor beslag en executie rusten op de schuldeiser die beslag legt of wil leggen op goederen van de vreemde staat. De schuldeiser zal derhalve steeds gegevens moeten aandragen aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de goederen door de vreemde staat worden gebruikt of zijn bestemd voor, kort gezegd, andere dan publieke doeleinden.48.Deze beoordeling zal per vermogensbestanddeel afzonderlijk moeten plaatsvinden.49.Ook indien het gaat om gelden en tegoeden die door de vreemde staat voor verschillende doeleinden worden gebruikt, zowel publiek als (uitsluitend) commercieel of anderszins, zal de schuldeiser die beslag legt of wil leggen, moeten stellen en aannemelijk maken dat en in hoeverre die gelden en tegoeden vatbaar zijn voor beslag en executie.50.
3.34
Naar aanleiding van de Herfstarresten is verdedigd dat het bestemmingscriterium van art. 19, onder c, VN-Verdrag aldus zou moeten worden ingevuld dat de schuldeiser niet aannemelijk hoeft te maken dat de uiteindelijke bestemming niet-publiek is, maar slechts dat de onmiddellijke bestemming van het goed of het onmiddellijke gebruik van de opbrengsten daarvan niet-publiek is.51.De Hoge Raad heeft deze opvatting in het Samruk-arrest van 18 december 2020 verworpen:
‘3.2.4 De door het hof gehanteerde eis dat bepalend is of de onmiddellijke bestemming van de beslagen goederen een andere dan een publieke bestemming is, stemt niet overeen met de hiervoor in 3.2.3 weergegeven regels en geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Die regels komen erop neer dat op grond van het volkenrecht voor goederen van een vreemde staat een presumptie van immuniteit van executie geldt, die alleen wijkt indien is vastgesteld dat de desbetreffende goederen door de vreemde staat worden gebruikt of zijn beoogd voor andere dan publieke doeleinden, en dat het op de weg ligt van de partij die zich beroept op een uitzondering op de immuniteit van executie, om gegevens aan te dragen aan de hand waarvan dat kan worden vastgesteld. Uit deze regels volgt dat immuniteit van executie niet is beperkt tot goederen waarvan de onmiddellijke bestemming een publieke is.’ [voetnoot weggelaten; A-G]
3.35
Ook heeft de Hoge Raad overwogen dat het oordeel van het hof dat de bestemming van de door de Kazachse vennootschap Samruk gehouden aandelen in de Nederlandse besloten vennootschap KMGK een andere is dan een publieke bestemming, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel ontoereikend is gemotiveerd. Dat de opbrengsten uit de aandelen in KMGK bestemd zijn om de nationale welvaart van Kazachstan te vergroten, wijst er volgens de Hoge Raad in beginsel op dat deze opbrengsten een publieke bestemming hebben.52.Na vernietiging en verwijzing heeft het hof Den Haag bij arrest van 14 juni 202253.geoordeeld dat is komen vast te staan dat de beslagen aandelen van Samruk in KMGK immuniteit van executie genieten. Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld. Op 16 juni 2023 heb ik in die zaak conclusie genomen.54.
3.36
Ik keer terug naar de bespreking van het onderdeel. Onderdeel III.2(a) klaagt dat het hof heeft miskend dat de beslagen IE-rechten niet door de Russische Federatie zijn gebruikt, noch beoogd zijn voor gebruik door de Russische Federatie, laat staan voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden. De IE-rechten zijn steeds en uitsluitend gebruikt door FKP, zodat niet is voldaan aan de voorwaarde uit art. 19, onder c, VN-Verdrag dat de IE-rechten in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de staat.
3.37
In art. 2 aanhef en lid 1, onder b, VN-Verdrag is het begrip ‘staat’ voor de toepassing van het verdrag gedefinieerd. De bepaling, voor zover thans van belang, luidt in de authentieke Engelse tekst als volgt:
‘Article 2 Use of terms
1.For the purposes of the present Convention:
(…)
b) “State” means:
(i) the State and its various organs of government;
(ii) constituent units of a federal State or political subdivisions of the State, which are entitled to perform acts in the exercise of sovereign authority, and are acting in that capacity;
(iii) agencies or instrumentalities of the State or other entities, to the extent that they are entitled to perform and are actually performing acts in the exercise of sovereign authority of the State;
(iv) representatives of the State acting in that capacity;.’
En in de Nederlandse vertaling:
‘Artikel 2 Begripsomschrijvingen
1.Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:
(…)
b. „staat”
i. de staat en zijn verschillende regeringsinstanties;
ii. de onderdelen van een federale staat of de staatkundige onderdelen van de staat die bevoegd zijn tot het verrichten van handelingen ten behoeve van de uitoefening van soevereine bevoegdheden en in die hoedanigheid optreden;
iii. agentschappen of instanties van de staat of andere entiteiten, voor zover zij bevoegd zijn tot optreden ten behoeve van de uitoefening van soevereine bevoegdheden van de staat en daadwerkelijk optreden;
iv. vertegenwoordigers van de staat die in die hoedanigheid optreden;’
3.38
Het begrip ‘staat’ is daarmee ruim gedefinieerd. Ook agentschappen of instanties van de staat of andere entiteiten vallen onder de definitie, voor zover zij bevoegd zijn tot optreden ten behoeve van de uitoefening van soevereine bevoegdheden van de staat en daadwerkelijk optreden (zie onder iii). Uit de toelichting op de Draft Articles van de International Law Commission (ILC) uit 1991, waarop het VN-Verdrag is gebaseerd, blijkt dat onder ‘agentschappen of instanties van de staat of andere entiteiten’ theoretisch ook staatsbedrijven of andere entiteiten die door de staat zijn opgericht voor het verrichten van commerciële transacties zouden kunnen worden begrepen, maar dat wordt aangenomen dat zij niet bevoegd zijn overheidstaken te verrichten en zich daarom niet kunnen beroepen op immuniteit.55.
3.39
In deze zaak heeft het hof in rov. 5.19 geoordeeld dat de beslagen IE-rechten zich in het voor verhaal vatbare vermogen van de Russische Federatie bevinden. In rov. 5.22 heeft het hof geoordeeld dat de vordering tot opheffing van het beslag toewijsbaar is voor zover dit ten laste van en onder FKP is gelegd. De daarop volgende overwegingen van het hof zien alleen op de vordering tot opheffing van het ten laste van de Russische Federatie gelegde beslag, waarbij FKP de rol van (materieel) belanghebbende inneemt (rov. 5.23). Voor het geval dat de beslagen IE-rechten in het voor verhaal vatbare vermogen van de Russische Federatie vallen, heeft FKP (gesteund door de Russische Federatie) een beroep gedaan op immuniteit van executie (rov. 5.30). Bij de beoordeling van dat beroep (rov. 5.31-5.34) heeft het hof kennelijk tot uitgangspunt genomen dat de beslagen IE-rechten eigendommen van de Russische Federatie in de zin van art. 19 VN-Verdrag zijn.
3.40
Het onderdeel werpt de vraag op of in een dergelijk geval, waarin dus vaststaat dat de goederen waarvoor een beroep op immuniteit van executie wordt gedaan als ‘eigendommen van de staat’ in de zin van art. 19 VN-Verdrag gelden, zelfstandige betekenis toekomt aan de bewoordingen van onderdeel c dat die eigendommen in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik ‘door de staat’. Overigens stelt het onderdeel zelf dat de Russische Federatie de beslagen IE-rechten nooit zelf heeft gebruikt en ook nooit zijn beoogd voor gebruik door de Russische Federatie, ‘laat staan voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden’. Lees ik het onderdeel goed, dan wordt dus betoogd dat, kort gezegd, de onmiddellijke bestemming van de IE-rechten commercieel is. In dat geval is geen sprake van immuniteit van executie en stuit het onderdeel hierop reeds af.
3.41
Ik merk nog op dat het VN-Verdrag zelf heeft voorzien in de mogelijkheid dat immuniteit van executie wordt ingeroepen ten aanzien van een beslag dat is gelegd op goederen die in eigendom toebehoren aan of gecontroleerd worden door de staat, maar die door een staatsbedrijf of andere entiteit worden gebruikt. De opvatting dat voor toepassing van art. 19, onder c, VN-Verdrag is vereist dat het gebruik geschiedt door de staat zelf, verhoudt zich niet goed met die mogelijkheid en zal er in de praktijk toe leiden, gelet op de definitie van het begrip ‘staat’ in art. 2 VN-Verdrag, dat een beroep op de uitzondering (bijna) volledig wordt afgesneden. Deelname aan het commerciële verkeer door een staat vindt immers niet zelden plaats via entiteiten die juist niet bevoegd zijn tot optreden ten behoeve van de uitoefening van soevereine bevoegdheden van de staat, zodat niet aan de definitie van art. 2 lid 1, onder b, VN-Verdrag is voldaan. Het onderdeel faalt dus.
3.42
Onderdeel III.2(b) klaagt dat het hof in rov. 5.34 heeft miskend dat de door FKP jaarlijks verplicht aan het budget van de Russische Federatie afgedragen 25% van haar nettowinst voor niet-commerciële overheidsdoeleinden wordt gebruikt, zodat in zoverre aan deze IE-rechten immuniteit van executie had moeten worden toegekend. Daarop voortbouwend klaagt onderdeel III.2(c) dat het hof ook heeft miskend dat het restant van 75% binnen FKP zelf blijft, zodat het – in de visie van het hof – onderdeel blijft uitmaken van het vermogen van de Russische Federatie en wordt ingezet voor de instandhouding van FKP, met als enige publieke eindbestemming het afdragen van winsten aan het budget van de Russische Federatie.
3.43
De klachten kunnen gezamenlijk worden besproken. In rov. 5.34 heeft het hof het beroep op immuniteit van executie verworpen. Dit oordeel berust op twee gronden, namelijk dat (i) de beslagen IE-rechten worden gebruikt voor een commercieel doel (de exploitatie van alcoholische dranken) en (ii) de opbrengsten uit de IE-rechten voor het overgrote deel een niet-publieke bestemming hebben (namelijk voor de instandhouding en de kosten van FKP). De Russische Federatie heeft uitsluitend klachten gericht tegen de tweede grond. De vraag rijst of beide gronden gezamenlijk dragend zijn voor het oordeel dat het beroep op immuniteit van executie faalt of dat beide gronden zelfstandig dragend zijn. Zou dat laatste het geval zijn, dan heeft de Russische Federatie geen belang bij haar klachten tegen de tweede grond.
3.44
Over de vraag of beide gronden gezamenlijk dan wel ieder zelfstandig dragend zijn, merk ik het volgende op. In rov. 5.34 heeft het hof niet alleen de bestemming van de IE-rechten zelf, maar ook de bestemming van de met de IE-rechten behaalde opbrengsten in aanmerking genomen. Vast staat dat HVY geen beslag hebben gelegd op vorderingen die verband houden met de exploitatie van de IE-rechten, noch op de winstuitkeringen door FKP aan de Russische Federatie. Het bepaalde in art. 474bb lid 2 jo. art. 474b Rv brengt echter mee dat de baten die intellectuele eigendomsrechten voortbrengen ook onder het beslag vallen.56.Op dit punt kan een parallel worden getrokken met de casus uit het Samruk-arrest van 18 december 2020. Ook voor aandelen geldt namelijk dat baten, waaronder dividenduitkeringen, mede onder het beslag vallen.57.De Hoge Raad heeft overwogen dat de omstandigheid dat de opbrengsten uit de aandelen bestemd zijn de nationale welvaart te vergroten, in beginsel erop wijst dat deze een publieke bestemming hebben. Hieruit kan worden afgeleid dat ook de opbrengsten uit de beslagen IE-rechten in aanmerking moeten worden genomen bij de vraag of de IE-rechten in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de staat voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden. De opbrengsten uit de beslagen IE-rechten zijn echter niet zonder meer gelijk te stellen – zoals het hof lijkt te hebben gedaan – aan de nettowinst of inkomsten van FKP.58.In de feitelijke instanties heeft FKP gesteld dat haar nettowinst voortvloeit uit de exploitatie van de IE-rechten, waaronder ook schadevergoedingen die FKP ontvangt bij een vastgestelde inbreuk op de IE-rechten.59.Het hof heeft slechts overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat FKP een deel van haar nettowinst aan het budget van de Russische Federatie moet afstaan. In het licht van het voorgaande zijn daarom beide gronden gezamenlijk dragend voor het oordeel van het hof dat het beroep op immuniteit van executie faalt, zodat ik aan de inhoudelijke behandeling van de klachten toekom.
3.45
In de Herfstarresten heeft de Hoge Raad geoordeeld dat ook indien het gaat om gelden en tegoeden die door de vreemde staat voor verschillende doeleinden worden gebruikt, de schuldeiser zal moeten stellen en aannemelijk maken dat en in hoeverre die gelden en tegoeden vatbaar zijn voor beslag en executie.60.Hieruit kan worden afgeleid dat voor goederen met een gemengde bestemming de presumptie van immuniteit van executie slechts wijkt voor het deel van de goederen waarvan de schuldeiser heeft aangetoond dat het een niet-publieke bestemming heeft.61.In buitenlandse rechtspraak valt ook wel een andere benadering te vinden, waarbij kort gezegd beslissend wordt geacht of (de opbrengst van) het goed voor het merendeel wordt gebruikt voor commerciële doeleinden. Indien het antwoord daarop bevestigend luidt, staat het goed als geheel bloot aan beslag en executie.62.
3.46
In deze zaak verdedigt het middel kennelijk de opvatting dat een deel van de beslagen IE-rechten immuniteit van executie geniet, voor zover de opbrengsten daarvan jaarlijks aan het budget van de Russische Federatie toekomen (25% van de nettowinst van FKP), omdat niet is komen vast te staan dat dit deel uiteindelijk wordt gebruikt voor commerciële doeleinden. Ik meen dat deze opvatting onjuist is. In de eerste plaats is niet gebleken dat dit deel (25%) kan worden herleid tot specifieke beslagen IE-rechten waarvoor immuniteit van executie zou gelden. In dat geval zou ook herleidbaar moeten zijn dat voor andere beslagen IE-rechten (die zorgen voor de overige 75% van de nettowinst van FKP) géén immuniteit zou gelden. Dat lijkt mij een onmogelijke exercitie voor de rechter en zeker in kort geding in een executiegeschil. In de tweede plaats heeft het hof – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat de beslagen IE-rechten worden gebruikt voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden, namelijk de commerciële exploitatie van alcoholische dranken. Deze bestemming geldt voor alle beslagen IE-rechten. HVY hebben immers gesteld dat de beslagen IE-rechten een andere dan een publieke bestemming hebben en ertoe dienen de onder deze rechten verkochte dranksoorten te onderscheiden en in voorkomend geval handhavend op te treden (zie rov. 5.32). De Russische Federatie heeft in cassatie erkend dat het onmiddellijke gebruik van de IE-rechten door FKP op een commercieel doel is gericht, namelijk de bevordering van de verkoop van de desbetreffende alcoholische dranken die met behulp van de IE-rechten worden verhandeld.63.Tegen deze achtergrond meen ik dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de IE-rechten – als geheel genomen – in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden, zodat de presumptie van immuniteit van executie daarvoor moet wijken. Van schending van het internationaal gewoonterecht is geen sprake. De onderdelen III.2(b) en III.2(c) falen dus.
3.47
Onderdeel IV is opgenomen in de aanvullende procesinleiding. Het onderdeel is gericht tegen rov. 5.21 en klaagt dat het hof ten onrechte en/of zonder toereikende motivering heeft geoordeeld dat, voor zover HVY hebben beoogd met het beslagexploot executoriaal derdenbeslag onder FKP te leggen, geen sprake is van een rechtsgeldig gelegd derdenbeslag.
3.48
Het onderdeel faalt bij gebrek aan belang, omdat het hof zijn oordeel in rov. 5.21 heeft gegeven in het voordeel van FKP en de Russische Federatie.64.Overigens blijkt uit rov. 5.21 niet, anders dan het onderdeel aanneemt, dat derdenbeslag op intellectuele eigendomsrechten in theorie mogelijk zou zijn.
3.49
Onderdeel V is opgenomen in de aanvullende procesinleiding en kennelijk gericht tegen rov. 5.36.65.Het hof heeft ter beoordeling van de vordering tot schorsing van de executie ten aanzien van het ten laste van de Russische Federatie gelegde beslag de belangen bij toe- en afwijzing afgewogen en geconcludeerd dat de belangen van HVY bij tenuitvoerlegging zwaarder wegen. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel onjuist is en/of ontoereikend gemotiveerd. In de toelichting wordt betoogd dat dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van het vastgestelde restitutierisico aan de zijde van HVY. De omstandigheden die het hof daartegenover heeft gesteld, kunnen zijn beslissing niet dragen, althans kunnen niet, zonder nadere motivering, de belangenafweging ten gunste van HVY doen uitslaan. Het hof heeft nagelaten bij zijn oordeel de essentiële stellingen van de Russische Federatie te betrekken dat HVY geen behoefte hebben aan fondsen om bedrijfsactiviteiten gaande te houden, noodzakelijke investeringen te doen of in het levensonderhoud van de Yukos oligarchen te voorzien, en dat de executoriale verkoop van de IE-rechten verstrekkende en onomkeerbare schadelijke gevolgen zal hebben, aldus het onderdeel.
3.50
Op de voet van art. 438 lid 3 Rv kan de voorzieningenrechter in een executiegeschil de tenuitvoerlegging van een uitspraak schorsen. In het zogenoemde Zeester-arrest van 20 december 201966.heeft de Hoge Raad uiteengezet welke maatstaf de rechter daarvoor moet aanleggen. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij de toepassing van deze maatstaf blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag. In een kort geding over de tenuitvoerlegging van een uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan, geldt dat de schorsing alleen kan worden uitgesproken indien de (verdere) tenuitvoerlegging misbruik van bevoegdheid zou opleveren.67.
3.51
In het kader van de bespreking van onderdeel I is aan de orde gekomen dat de rechter die over de vernietiging van een arbitraal vonnis oordeelt, op de voet van art. 1066 lid 2 Rv68.de tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis kan schorsen op verzoek van de meest gerede partij. Bij de beslissing op een dergelijk schorsingsverzoek geldt de maatstaf dat de rechter zich een voorlopig oordeel moet vormen over de vordering tot vernietiging van het arbitraal vonnis en daarnaast de belangen van partijen moet afwegen.69.In de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat art. 1066 Rv niet de mogelijkheid uitsluit om in het geval van onverwijlde spoed aan de voorzieningenrechter in kort geding schorsing te vragen.70.Meijer verdedigt dat deze mogelijkheid bestaat ongeacht of een vordering tot vernietiging (reeds) aanhangig is.71.Aangenomen moet worden dat die mogelijkheid in ieder geval bestaat voor een derde die geen partij is bij het arbitraal vonnis en in die hoedanigheid niet de vernietiging daarvan kan vorderen, maar desalniettemin nadeel ondervindt van de tenuitvoerlegging van dat vonnis.
3.52
De vraag rijst of in het geval dat in kort geding schorsing van de tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis wordt verzocht, de maatstaf van art. 438 lid 3 Rv of de maatstaf van art. 1066 lid 2 Rv moet worden toegepast. In de lagere rechtspraak wordt daarover verschillend gedacht.72.Het ligt niet voor de hand om een andere maatstaf te hanteren afhankelijk van de vraag of het verzoek tot schorsing door de vernietigingsrechter of door de voorzieningenrechter in kort geding wordt beoordeeld. Hierbij komt dat de maatstaf van art. 438 lid 3 Rv is toegesneden op de situatie dat een gewoon rechtsmiddel is ingesteld tegen een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak. Vernietiging is een buitengewoon rechtsmiddel73., zodat bij toepassing van de maatstaf van art. 438 lid 3 Rv de regel zou gelden dat de schorsing alleen kan worden uitgesproken indien de (verdere) tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis misbruik van bevoegdheid zou opleveren. Ik zou willen bepleiten dat de maatstaf van art. 1066 lid 2 Rv moet worden toegepast ongeacht of het schorsingsverzoek bij de vernietigingsrechter of de voorzieningenrechter in kort geding wordt gedaan. Dat de voorzieningenrechter een voorlopig oordeel zal moeten geven over de vordering tot vernietiging van het arbitraal vonnis, die normaal gesproken niet tot zijn competentie behoort74., vind ik geen onoverkomelijk bezwaar en weegt niet op tegen het belang van rechtseenheid op dit punt.
3.53
In de vernietigingsprocedure met betrekking tot de arbitrale beslissingen heeft de Russische Federatie in cassatie een schorsingsverzoek op de voet van art. 1066 lid 2 Rv gedaan. Bij beschikking van 25 september 2020 heeft de Hoge Raad zich bevoegd verklaard kennis te nemen van dat verzoek en geoordeeld dat de omstandigheid dat ook in kort geding bij de voorzieningenrechter schorsing van de tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis kan worden gevorderd, niet meebrengt dat art. 1066 lid 2 Rv niet van toepassing is in cassatie.75.Vervolgens heeft de Hoge Raad in rov. 3.19 van de reeds aangehaalde beschikking van 4 december 2020 voorshands geoordeeld dat de kans dat de in het schorsingsverzoek genoemde klachten leiden tot vernietiging van (een van) de arresten van het hof – en vervolgens tot vernietiging van de arbitrale beslissingen – niet zodanig is dat de tenuitvoerlegging van de arbitrale beslissingen moet worden geschorst. Over de belangen van HVY en de Russische Federatie bij toe- en afwijzing van het schorsingsverzoek heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:
‘3.20 De Hoge Raad is voorshands van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de tenuitvoerlegging van de Yukos Awards enig restitutierisico met zich brengt. Hier staat echter tegenover dat ook voldoende aannemelijk is gemaakt dat de inning van hetgeen waartoe de Russische Federatie in de Yukos Awards is veroordeeld, niet eenvoudig is en dat niet valt te verwachten dat HVY gedurende de resterende looptijd van deze procedure het volledige bedrag van inmiddels (meer dan) 57 miljard USD of een aanzienlijk deel daarvan zal kunnen innen. Verder is van belang dat voorshands voldoende aannemelijk is dat HVY op grond van de uitspraak van het EHRM van 31 juli 2014 recht hebben op betaling door de Russische Federatie van een aanzienlijk deel van het in die uitspraak toegewezen bedrag van € 1.866.104.634, vermeerderd met rente. Een en ander in aanmerking nemend, leidt een afweging van belangen niet tot een andere dan de hierna ten aanzien van het schorsingsverzoek van de Russische Federatie te bereiken slotsom.’
3.54
In mijn conclusie vóór deze beschikking76.heb ik uiteengezet welke factoren bij deze afweging een rol spelen, namelijk de belangen van partijen in het licht van de duur van de vernietigings- en herroepingsprocedure, de onomkeerbare gevolgen van de tenuitvoerlegging en het restitutierisico. In individuele gevallen kunnen nog andere belangen relevant zijn. Het resultaat van een belangenafweging naar aanleiding van een vordering of verzoek tot schorsing op de voet van art. 438 lid 3 Rv of art. 1066 lid 2 Rv is een feitelijk oordeel, dat in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden onderzocht.77.
3.55
Uit rov. 5.36 volgt dat het hof bij zijn beoordeling als voorshands voldoende aannemelijk in aanmerking heeft genomen dat een restitutierisico aan de zijde van HVY bestaat. Het hof heeft de stellingen van FKP en de Russische Federatie in dit verband, waaronder de stelling dat HVY geen behoefte hebben aan fondsen om bedrijfsactiviteiten gaande te houden, noodzakelijke investeringen te doen of in het levensonderhoud van de Yukos oligarchen te voorzien, niet alleen bij zijn oordeel betrokken, maar kennelijk ook overgenomen. Anders dan het onderdeel betoogt, kan daaraan wel afdoen dat HVY – naar verwachting van het hof – niet een aanzienlijk deel van de in de arbitrale beslissingen toegewezen bedragen zullen kunnen innen. Die omstandigheid beperkt immers de omvang van het restitutierisico. Ook de duur van de vernietigingsprocedure is een relevante factor die het hof mocht meewegen in het voordeel van HVY. Verder blijkt uit de laatste volzin van rov. 5.36 dat het hof kenbaar bij zijn oordeel heeft betrokken de stelling dat de executoriale verkoop van de IE-rechten verstrekkende en onomkeerbare gevolgen zal hebben. Kortom, het resultaat van de belangenafweging door het hof is niet onbegrijpelijk, noch ontoereikend gemotiveerd. De klachten van het onderdeel stuiten hierop af.
3.56
Onderdeel VI bevat een veegklacht, die is gericht tegen rov. 5.39 t/m 5.41 en het dictum van het bestreden arrest. Gelet op het falen van alle voorafgaande onderdelen, behoeft deze klacht geen afzonderlijke bespreking.
3.57
De slotsom is dat het principaal cassatieberoep faalt.
3.58
Het incidenteel cassatieberoep van HVY is ingesteld onder de voorwaarde dat het principaal cassatieberoep slaagt en tot vernietiging van het bestreden arrest leidt. Nu geen van de klachten van het principaal cassatieberoep slaagt, is de voorwaarde waaronder het incidenteel cassatieberoep is ingesteld, niet vervuld. Het incidentele cassatiemiddel behoeft daarom geen bespreking.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 22‑09‑2023
Art. IV lid 4 jo. lid 2 van de Wet modernisering Arbitragerecht (Stb. 2014/200) bepaalt dat deze wet niet van toepassing is op arbitrale procedures die vóór de inwerkingtreding ervan – op 1 januari 2015 – aanhangig zijn gemaakt en op zaken die bij de rechter aanhangig zijn gemaakt indien en voorzover het dergelijke arbitrale procedures betreft. In de onderhavige zaak zijn de arbitrale procedures en de vernietigingsprocedure vóór deze datum aanhangig gemaakt.
Zie rov. 3.1 t/m 3.9 van het bestreden arrest van het hof Den Haag van 28 juni 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1159, JBPr 2022/77, m.nt. M.C. van Leyenhorst, onder verwijzing naar rov. 2.1 t/m 2.15 van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 27 oktober 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:10708.
Deze uitspraak is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
ECLI:NL:GHDHA:2020:234, JOR 2020/164, m.nt. N. Peters.
ECLI:NL:GHDHA:2018:2476, JBPr 2019/9, m.nt. C.L. Schleijpen.
ECLI:NL:HR:2021:1645, NJ 2022/102, m.nt. A.I.M. van Mierlo, C.M.J. Ryngaert.
ECLI:NL:GHSGR:2012:BX1515. In cassatie zijn de klachten tegen (onder meer) deze overwegingen verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO, zie HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2071, NJ 2014/386, m.nt. Ch. Gielen, rov. 3.5. Zie voor het vervolg op deze procedure: HR 24 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:112, NJ 2020/59.
Gesloten te New York op 2 december 2004, Trb. 2010, 272 (Engelse en Franse authentieke teksten; Nederlandse vertaling)..
Vgl. conclusies A-G Lückers van 30 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:640 en ECLI:NL:PHR:2023:641, onder 3.
Vgl. HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, NJ 2020/425, m.nt. A.I.M. van Mierlo, rov. 5.6.4.
Zie HR 4 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1952, NJ 2022/101, m.nt. A.I.M. van Mierlo, rov. 3.3.2.
Zie G.J. Meijer, Overeenkomst tot arbitrage, 2011, par. 11.6.6 (p. 949); A.J. van den Berg, R. van Delden & H.J. Snijders, Arbitragerecht, 1992, p. 136.
Zie HR 27 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6573, NJ 1980/169, m.nt. W.H. Heemskerk; HR 26 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2438, NJ 1998/419, m.nt. P.A. Stein, rov. 3.3. Zie ook Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/7; H.J. Snijders & A. Wendels, Civiel appel, 2009, nr. 264.
Zie HR 28 september 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4866, NJ 1985/83, m.nt. W.H. Heemskerk; HR 14 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0084, NJ 1991/307.
Zie I.M.A. Lintel, ‘Vernietiging door de Hoge Raad: gevolgen van de vernietiging bij verwijzing’, TCR 2019/1, p. 40; A.A. van Rossum, Aansprakelijkheid voor de tenuitvoerlegging van vernietigde of terzijde gestelde rechterlijke beslissingen, 1990, p. 82-83; C.J.J.C. van Nispen, ‘Het effect van een latere uitspraak op een rechterlijk verbod of bevel’, BIE 6/7 1985, p. 228; W.H. Heemskerk in zijn NJ-noot onder HR 28 september 1984, reeds aangehaald.
Zie W.D.H. Asser, Civiele cassatie, 2018, par. 6.4.5 en 9.2; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/296-297 en 331; N.T. Dempsey & A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel, Cassatie 2019/388; B. Winters, De procedure na cassatie en verwijzing in civiele zaken, 1992, p. 104, onder verwijzing naar HR 16 maart 1927, ECLI:NL:HR:1927:246, NJ 1927/528.
Zie HR 2 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7229, NJ 1998/237, m.nt. H.J. Snijders, rov. 4.1.
Zie o.a. HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:728, NJ 2019/127, m.nt. A.I.M. van Mierlo, rov. 3.3.2, onder verwijzing naar HR 19 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2739, rov. 3.6.2; HR 8 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:207, NJ 2019/387, m.nt. C.J.M. Klaassen, rov. 5.2.2; HR 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8463, NJ 2004/2, m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.3. Zie ook Dempsey & Van der Voort Maarschalk, a.w., 2019/393.
Zie rov. 4.9, 5.3 en 10.1 van het arrest van het hof van 18 februari 2020.
Zaaknummer bij het hof Amsterdam is 200.303.103/01. Volgens door mij ambtshalve ingewonnen inlichtingen bij de griffie van het hof staat de zaak voor akte door partijen en is de mondelinge behandeling bepaald op 21 november 2023.
In de procesinleiding is in het kopje van II.4 per abuis III.3 vermeld, terwijl II.3 bedoeld is.
Zie aanvullende procesinleiding, p. 5.
Zie aanvullende procesinleiding, p. 6.
Zie A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel, Cassatie 2019/70; Asser, a.w., par. 4.6.3; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/188; nr. 2.6 van de conclusie van A-G Langemeijer (ECLI:NL:PHR:2010:BN6254) vóór HR 5 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6254, RvdW 2010/1334.
Zie bijv. HR 10 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1044, NJ 2006/191, rov. 4.5.
Zie Van der Voort Maarschalk, a.w., 2019/68.
Zie par. V.2.9 van de CvA HVY, par. III.6 van pleitnota HVY in eerste aanleg en par. III.7.2 van de MvG HVY.
Zie nr. 27, 35-36 van de MvA RF.
Zie nr. 3.3 van de pleitnota RF in eerste aanleg en nr. 1 van de MvA RF. Zie ook rov. 4.3 van het bestreden arrest.
Zie over de toestemmingsbepaling: nr. 85 van de pleitnota FKP in eerste aanleg en nr. 130 van de MvA FKP en voor de bevoegdheid het ‘property complex’ over te dragen: nr. 88 van de pleitnota FKP in eerste aanleg en nr. 131 van de MvA FKP en nr. 34 van de pleitnota FKP in hoger beroep.
Het onderdeel verwijst naar de door de Russische Federatie bij akte van 6 oktober 2020 als producties RF-3A t/m RF-3F overgelegde uitspraken en de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 juni 2021 in de zaak tussen FKP en Spirits, ECLI:NL:RBDHA:2021:6053.
Zie Trb. 2005, 96. Het verdrag is voor Nederland op 1 september 2006 in werking getreden.
Zie HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9228, NJ 2015/376, m.nt. N.J. Schrijver, rov. 3.15.5; HR 5 november 2021, reeds aangehaald, rov. 5.2.18 en meest recentelijk: HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:865, RvdW 2023/650.
P.F.G.A. Geerts & A.M.E. Verschuur, Kort begrip van het intellectuele eigendomsrecht, 2022/553.
Zie Spoor/Verkade/Visser, Auteursrecht, 2019, par. 2.16 (p. 61).
Zie nr. 4.38 van de conclusie van A-G Verkade (ECLI:NL:PHR:2009:BH2956) vóór HR 8 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2956, NJ 2009/222. Vgl. ook HR 17 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8198, NJ 2005/169, m.nt. J.H. Spoor; BIE 2005/7, m.nt. A.A. Quaedvlieg.
Zie Spoor/Verkade/Visser, a.w., par. 2.16 (p. 61-62).
Zie bijv. HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1387, NJ 2010/525, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.5; HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:45, NJ 2014/453, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.6.1; HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2236, NJ 2017/190, m.nt. Th.M. de Boer onder NJ 2017/192, rov. 3.4.3.
Zie HR 28 juni 2013, reeds aangehaald, rov. 3.6.1.
Zie HR 28 juni 2013, reeds aangehaald, rov. 3.6.2.
Zie Kamerstukken II 2021-2022, 36027 (R2160), nr. 2.
Zie de brief van de minister van Buitenlandse Zaken aan de voorzitter van de CAVV, 29 juni 2023, te raadplegen via: https://www.adviescommissievolkenrecht.nl/publicaties/adviesaanvragen/2023/07/04/vn-verdrag-staatsimmuniteit.
Zie HR 30 september 2016, reeds aangehaald, rov. 3.4.4-3.4.8; HR 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2354, NJ 2017/191, m.nt. Th.M. de Boer onder NJ 2017/192; HR 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2371, NJ 2017/192, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.4.2. Overigens heeft het Internationaal Gerechtshof in zijn uitspraak Jurisdictional Immunities van 3 februari 2012, ICJ Rep. 2012, par. 118, in het midden gelaten of alle elementen van art. 19 VN-Verdrag als internationaal gewoonterecht kunnen worden aangemerkt en geoordeeld dat ‘there is at least one condition that has to be satisfied before any measure of constraint may be taken against property belonging to a foreign State: that the property in question must be in use for an activity not pursuing government non-commercial purposes, or that the State which owns the property has expressly consented to the taking of a measure of constraint, or that that State has allocated the property in question for the satisfaction of a judicial claim’.
Zie HR 30 september 2016, reeds aangehaald, rov. 3.4.6.
Zie HR 30 september 2016, reeds aangehaald, rov. 3.5.2-3.5.3; HR 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2354, reeds aangehaald, rov. 3.4.2; HR 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2371, reeds aangehaald, rov. 3.4.2. Zie ook HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2103, NJ 2021/242, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.2.3 (Samruk).
Zie HR 1 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3054, NJ 2019/137, m.nt. A.I.M. van Mierlo, rov. 3.7.2.
Zie HR 30 september 2016, reeds aangehaald, rov. 3.5.4 en HR 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2354, reeds aangehaald, rov. 3.5.2, beide onder verwijzing naar HR 11 juli 2008, reeds aangehaald, rov. 3.5 en 3.7.
Voor een bespreking van deze opvatting verwijs ik naar nr. 3.20-3.24 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:649) vóór HR 18 december 2020, reeds aangehaald.
Zie HR 18 december 2020, rov. 3.2.5.
Zie ILC, Draft articles on Jurisdictional Immunities of States and Their Property, with commentaries, 1991, art. 2, aant. 2, aant. 15. Zie ook T. Grant, ‘Article 2(1)(a) and (b)’, in: R. O’Keefe, C.J. Tams & A. Tzanakopoulos, The United Nations Convention on Jurisdictional Immunities of States and Their Property: A Commentary, 2013, p. 50-52.
Overigens geldt op de voet van art. 2 lid 4 Aw dat het auteursrecht dat toekomt aan de maker van een werk niet vatbaar is voor beslag, maar deze uitzondering is niet van toepassing op een (fictieve) maker in de zin van art. 7 en 8 Aw (art. 2 lid 5 Aw). Vruchten van de exploitatie van het auteursrecht, zoals royalty’s, zijn steeds (zelfstandig) vatbaar voor (verhaals)beslag en executie, zie Spoor/Verkade/Visser, a.w., par. 9.12 (p. 516).
Vgl. nr. 8-10 van de noot van M.C. van Leyenhorst (JBPr 2022/77) onder het bestreden arrest.
Zie nr. 142 en voetnoot 10 van de MvA FKP.
Zie HR 30 september 2016, reeds aangehaald, rov. 3.5.4 en HR 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2354, reeds aangehaald, rov. 3.5.2.
Vgl. ook nr. 25 van de conclusie van A-G Strikwerda (ECLI:NL:PHR:2008:BD1387) vóór HR 11 juli 2008, reeds aangehaald, en nr. 2.13 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2016:552) vóór HR 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2371, reeds aangehaald.
Zie o.a. het Zweedse Hooggerechtshof (Högsta Domstolen) 1 juli 2011, Ö 170-10 (Engelse vertaling), waarover: M. Potesta, 'Sedelmayer v. Russian Federation', American Journal of International Law 106:2, 2012; United States Court of Appeals for the Fifth Circuit 17 september 2004, 383 F.3d 361, waarover Y. Dautaj, ‘Enforcing Arbitral Awards Against States and the Defense of Sovereign Immunity from Execution: A U.S. Perspective’, Penn State Journal of Law & International Affairs 11:2, 2023, p. 127-129.
Zie III.2 onder (b) van de procesinleiding.
In de aanvullende procesinleiding (p. 9, eerste volzin) wordt abusievelijk verwezen naar rov. 5.39, terwijl uit de klacht volgt dat rov. 5.36 is bedoeld.
ECLI:NL:HR:2019:2026, NJ 2020/425, m.nt. A.I.M. van Mierlo.
Zie HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575, NJ 1984/145, m.nt. W.H. Heemskerk.
Zie HR 21 maart 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2314, NJ 1998/206, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.5; HR 4 december 2020, reeds aangehaald, rov. 3.3.2.
Zie Meijer & Van Mierlo, Parl. Gesch. Arbitragewet 2015/III.49.3. Zie o.a. ook H.J. Snijders, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1066 Rv, aant. 2; J.W. Bitter & H. Biesheuvel, Arbitrage, 2018, p. 129; Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2020/55.
Zie G.J. Meijer, T&C Rv, commentaar op art. 1066 Rv, aant. 2.d; vgl. ook P. Sanders, Het Nederlandse arbitragerecht, 2001, par. VI.2(c) en VII.B.3.2.
In Rb. Rotterdam 24 april 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BW5070 en Rb. Oost-Brabant 13 oktober 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:4491 heeft de voorzieningenrechter de maatstaf van art. 1066 lid 2 Rv toegepast, terwijl in Rb. Middelburg 1 maart 2011, ECLI:NL:RBMID:2011:BQ1342, de voorzieningenrechter de maatstaf van art. 438 lid 2 (oud) Rv (thans: art. 438 lid 3 Rv) heeft toegepast. In het bestreden arrest heeft het hof beide maatstaven toegepast (rov. 5.35-5.38).
Zie art. 1064 Rv jo. art. 1066 lid 1 Rv. Zie bijv. ook G.J. Meijer, T&C Rv, commentaar op art. 1064 Rv, aant. 1.a.
Vgl. Sanders, a.w., par. VI.2(c) en VII.B.3.2.
Zie HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1511, NJ 2020/360, rov. 3.4.
ECLI:NL:PHR:2020:1082 onder 3.19 en 3.20.
Zie Van der Voort Maarschalk, a.w., 2019/68; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/157.
Beroepschrift 22‑09‑2022
AANVULLING CASSATIEMIDDEL
Eiseres in cassatie:
DE RUSSISCHE FEDERATIE, zetelend te Moskou (‘Russische Federatie’).
De Russische Federatie kiest woonplaats bij de advocaten bij de Hoge Raad mr. [advocaat 1] gevestigd [adres], [postcode] te [vestigingsplaats] en mr. [advocaat 2], gevestigd [adres] [postcode] te [vestigingsplaats]. Zij zijn door de Haagse deken en daarna door de Russische Federatie aangewezen om de Russische Federatie als zodanig te vertegenwoordigen in deze cassatieprocedure.
Verweerders in cassatie:
- 1.
HULLEY ENTERPRISES LIMITED, (‘HEL’)
een rechtspersoon naar het recht van Cyprus, gevestigd te Nicosia, Cyprus,
- 2.
VETERAN PETROLEUM LIMITED, (‘VPL’)
een rechtspersoon naar het recht van Cyprus, gevestigd te Nicosia, Cyprus,
- 3.
YUKOS UNIVERSAL LIMITED, (‘YUL’)
een rechtspersoon naar het recht van de Isle of Man, gevestigd te Douglas, Isle of Man,
hierna tezamen: ‘HVY’, gedaagden in eerste aanleg en appellanten in hoger beroep, in beide feitelijke instanties bijgestaan door hun advocaat mr. T.L. Claassens, Blaak 31, 3011 GA te Rotterdam (tom.claassens@loyensloeff.com).
De eiseres in eerste aanleg en (mede) geïntimeerde in hoger beroep is de RUSSISCHE STAATSONDERNEMING FKP SOJUZPLODOIMPORT, een rechtspersoon naar het recht van de Russische Federatie, gevestigd te Moskou hierna: ‘de FKP’, in beide feitelijke instanties bijgestaan door haar advocaat mr. J.H.C van Manen, Amstelplein 1, 30e verdieping, 1096 HA te Amsterdam (joris.vanmanen@hoyngrokh.com).
Bestreden arrest
de Russische Federatie heeft op 23 augustus 2022 cassatieberoep ingesteld tegen het arrest, gewezen op 28 juni 2022 van het Gerechtshof te Den Haag (het ‘hof’), in de zaak met zaaknummer 200.292.064/01 tussen de Russische Federatie en de FKP als geïntimeerden en HVY als appellanten (het ‘Arrest’).1.
Bij beslissing van 26 augustus 2022 heeft uw Raad het verzoek toegewezen om het cassatiemiddel uit te breiden, aan te vullen of aan te passen.
Inleiding
Na indiening van de procesinleiding heeft de Haagse deken mr. [advocaat 1] naast mr. [advocaat 2] op voet van artikel 13 Advocatenwet aangewezen om de Russische Federatie in cassatie bij te staan (Bijlage).
Herlezing van de procesinleiding d.d. 23 augustus heeft geleerd dat in de laatste volzin van middelonderdeel II.a (i) het woord ‘niet’ is weggevallen. Die zin dient derhalve als volgt te luiden: ‘Het oordeel is bovendien niet te rijmen met de zelfstandige rechtspersoonlijkheid van FKP en van haar van de Russische Federatie afgescheiden vermogen (artikel 10:118 en 10:119 BW)’.
Hieronder wordt de nummering van de op 23 augustus 2022 ingediende procesinleiding aangehouden.
Aanvulling middelonderdeel II
FKP is volledig rechthebbende op de IE rechten
II.2.1 Deze aanvullende klacht richt zich tegen 5.15 en 5.16 t/m 5.19. Hierin heeft het hof ten onrechte en/of zonder toereikende motivering geoordeeld dat de rechten zich in het voor verhaal van de onderhavige vorderingen vatbare vermogen van de Russische Federatie bevinden (rov 5.16-5.19) en FKP deze rechten niet in hoedanigheid van (volledig) rechthebbende exploiteert (rov 5.16) omdat:
- (i)
tussen partijen vaststaat dat de Russische Federatie op grond van de genoemde statutaire bepalingen het recht heeft om het ‘property complex’ van FKP (waaronder alle IE-rechten) als geheel op te pakken en te verkopen (rov 5.15) en dat die bevoegdheden van de Russische Federatie er aan in de weg staan om de rechtspositie van FKP in haar verhouding tot de Russische Federatie naar Nederlands (goederen) recht met die van (volledig) rechthebbende op de merken-en auteursrechten gelijk te stellen (rov 5.16); en
- (ii)
daarmee de 2015 overeenkomst geen rechtsovergang tot gevolg heeft gehad (rov 5.16).
Immers, de Russische Federatie en FKP hebben gemotiveerd gesteld dat FKP een zelfstandige rechtspersoon is, de bevoegdheden van de Russische Federatie jegens FKP zich niet uitstrekken tot IE rechten en bovendien slechts in uitzonderlijke en in casu niet relevante omstandigheden kunnen worden uitgeoefend. Verder dat met de 2015 overeenkomst uitvoering werd gegeven aan de wetswijziging van 2014 en daarmee de IE rechten zijn overgedragen.
Toelichting
Volgens Russisch recht is FKP een zelfstandige rechtspersoon
De RF heeft in appèl de stellingen van FKP onderschreven en tot de hare gemaakt.2. FKP en RF hebben gemotiveerd gesteld dat FKP een zelfstandige rechtspersoon is, dat zij wordt beheerst door Russisch recht en dat daartegen niet is gegriefd. Daarmee stond in appèl vast dat Russisch recht van toepassing is voor het antwoord op de vraag wie aansprakelijk is voor de schulden van deze entiteiten en of een schuldeiser van de Russische Federatie zich op vermogensbestanddelen van een Russische staatsonderneming kan verhalen.3. Volgens Russisch recht is FKP niet aansprakelijk voor schulden van de RF.4. Voor het antwoord op de vraag of FKP een zelfstandige rechtspersoon is en rechthebbende kan zijn van de IE rechten, kan dan niet als maatstaf worden gehanteerd dat diens positie (exact) moet overeenstemmen met die van een Nederlandse rechthebbende.5.
FKP heeft verder gemotiveerd gesteld dat volgens de statuten van FKP de IE rechten volledig en exclusief aan FKP toekomen6. en dat de UE wet slechts geldt voor zaken in operationeel beheer en niet voor exclusieve rechten zoals de IE-rechten.7.
Bij haar beslissing dat FKP naar Nederlands recht niet (volledig) als rechthebbende is aan te merken (rov 5.16), heeft het hof deze essentiële stellingen ten onrechte niet (kenbaar) bij haar beslissing betrokken.
Bevoegdheden van de Russische Federatie vs FKP
FKP heeft in appèl gemotiveerd gesteld dat de_enige bevoegdheden van de Russische Federatie zijn dat zij toestemming moet geven voor overdracht van goederen in ‘operationeel beheer’, en die onder strikte voorwaarden kan terugnemen van de staatsonderneming.8.
Daarbij geldt een hoge drempel namelijk dat die goederen:
- —
excessief worden gebruikt;
- —
niet worden gebuikt; of
- —
niet voor de doelstelling worden gebruikt.
De bewijslast hiervoor ligt bij de Russische Federatie.9.
Daarmee staan die (sterk geclausuleerde) bevoegdheden van de Russische Federatie er niet aan in de weg om FKP als volledig rechthebbende op de IE rechten aan te merken.10.
Die bevoegdheden kunnen bovendien niet worden uitgeoefend ten aanzien van IE rechten.11. Dientengevolge is er geen doorslaggevende controle door de Russische Federatie: MvA FKP, par 130–131.
Dan is er ook naar Nederlands recht een situatie die op één lijn kan worden gesteld met het zijn van rechthebbende op de IE rechten.12.
Ook deze gemotiveerde essentiële stellingen heeft het hof niet (kenbaar) betrokken in haar onjuiste en/of onbegrijpelijke oordeel dat_FKP naar Nederlands recht niet (volledig) als rechthebbende is aan te merken (rov 5.15 en 5.16).
De 2015 Overeenkomst en overdracht van auteursrechten
's‑Hofs oordeel dat de 2015 overeenkomst geen rechtsovergang tot gevolg heeft gehad en FKP op grond van die overeenkomst geen rechthebbende is geworden (rov 5.16) steunt op diens onjuiste en/of ontoereikend gemotiveerde oordeel dat:
- (i)
FKP niet als rechthebbende op de merken- en auteursrechten geldt; en
- (ii)
tussen partijen vaststaat dat de Russische Federatie de (naar zij begrijpt: ongeclausuleerde) bevoegdheid heeft om het ‘property complex’ inclusief de IE rechten op te kunnen pakken (rov 5.15).
Reeds hiermee kan dit oordeel niet in stand blijven.
Ad ii
's‑hofs oordeel dat ‘tussen partijen vast staat’ dat de Russische Federatie het recht heeft om het property complex als geheel op te pakken is onjuist en/of onbegrijpelijk. Immers, de Russische Federatie en FKP hebben zich tegen een dergelijke veronderstelling verweerd door gemotiveerd te stellen dat:
- —
het operationeel beheer niet van toepassing is op IE rechten: MvA RF par 13 en MvA FKP par. 31, 121, 131, 148;
- —
assimilatieverplichtingen niet voor IE rechten gelden: MvA RF par 14, MvA FKP par 49, 58;
- —
FKP het volle gebruiks- en genotsrecht heeft en jegens eenieder kan handhaven MvA RF par 15, MvA FKP par. 56, 57;
- —
de bevoegdheden van de Russische Federatie ten aanzien van zaken/niet IE rechten afhankelijk zijn van bijzondere en in casu niet relevante omstandigheden; MvA RF par. 17 en 27 en MvA FKP par.54.
Tussen partijen staat verder vast dat het vanaf de 2014 wetswijziging, die terugwerkende kracht had, onmogelijk is om IE rechten in operationeel beheer te houden.13. FKP heeft gemotiveerd gesteld dat de 2015 overeenkomst waarmee de IE rechten aan FKP werden overgedragen is gesloten ter uitvoering van de 2014 wetswijziging.14. Ook dit heeft het hof miskend en ten onrechte niet (kenbaar) in haar beslissing betrokken.
Russische Federatie is nooit rechthebbende op de IE rechten geweest
FKP heeft in appel gemotiveerd gesteld dat FKP de IE rechten nooit in operationeel beheer heeft gehouden. FKP had de Benelux merken ook voor de wetswijziging in 2014 en de 2015 overeenkomst op haar eigen naam als rechthebbende geregistreerd. Daarop kan Hulley cs dan geen beslag leggen.15. Deze essentiële stelling heeft het hof niet in haar beslissing betrokken en onjuist en/of onbegrijpelijk geoordeeld dat de (IE) rechten zich in het voor het verhaal vatbare vermogen van de Russische Federatie bevinden (rov 5.16 -5.19).
FKP is rechthebbende van de auteursrechten; artikel 4 en 8 Auteurswet
II.3. (e) Deze aanvullende klacht richt zich tegen rov 5.18. Hierin heeft het hof ten onrechte en/of zonder toereikende motivering geoordeeld dat FKP zich niet op artikel 4 en 8 Auteursrecht kan beroepen omdat (i) zij als rechtspersoon niet kan worden aangemerkt als maker en (ii) artikel 8 Auteurswet slechts ziet op de relatie tussen de openbaar makende rechtspersoon en de natuurlijke persoon/maker.
Toelichting
Het is niet mogelijk om van origine Russische auteursrechten voor Nederland ‘af te splitsen’ en daar executoriaal beslag op te leggen. Indien zulks al naar Nederlands recht zou moeten worden beoordeeld, dan zou FKP rechthebbende zijn op de auteursrechten van de door haar onder haar eigen naam verhandelde producten: artikel 8 Auteurswet. FKP heeft zich daarbij (ook) beroepen op het bewijsvermoeden van artikel 4 Auteurswet en artikel 15 van de Berner Conventie, zonodig aanvullend op artt 3:109 en 3:119 BW.16.
Artikel 4 Auteurswet
De stelplicht en bewijslast dat FKP als rechthebbende op de auteursrechten kan worden aangemerkt, rust ingevolge artikel 150 Rv in beginsel op FKP, nu zij zich op de rechtsgevolgen heeft beroepen. Op grond van artikel 4 Auteurswet (Aw) wordt behoudens bewijs van het tegendeel degene die op of in een werk als zodanig is aangeduid voor de maker gehouden. Hiermee wordt een wettelijk bewijsvermoeden gegeven, waartegen tegenbewijs openstaat.
FKP heeft een beroep gedaan op deze bepaling en hiervoor gemotiveerd gesteld dat zij wodka onder de (label)merken onder haar eigen naam op de markt heeft gebracht. Daarop staat zes keer vermeld: haar naam en haar SPI logomerk, op het label aan de voorzijde van de flessen, twee keer met haar naam op het label rond de flessenhals en nog een keer met haar naam en logo bovenop de dop (in het Russisch). De Russische Federatie is niet op de labels en flessen vermeld en brengt de wodka ook niet op de markt. Zij kan dus geen auteursrechten aan de Nederlandse Auteurswet ontlenen.17. Daarmee heeft FKP voldoende gesteld dat zij rechthebbende op de auteursrechten is, temeer omdat het hof er zelf vanuit gaat dat FKP een rechtspersoon is (rov 5.18), daarmee een zelfstandig drager is van rechten en voor wat het vermogensrecht betreft met een natuurlijk persoon gelijk staat. Dit heeft het hof miskend.
Artikel 8 Auteurswet
Volgens de memorie van toelichting wordt met deze bepaling, indien de maker van een werk niet daarop is vermeld, de uitgever of de drukker de bevoegdheid gegeven het auteursrecht uit te oefenen.18. En auteursrecht is een intellectueel eigendomsrecht waarvan de beschermingsomvang zich niet beperkt tot de verhouding openbaar makende rechtspersoon — natuurlijke persoon/maker. Het kan, daarentegen, jegens eenieder worden gehandhaafd. Als auteursrechthebbende mag FKP dan als enige zijn werk openbaar maken en verveelvoudigen (art. 12–14 Aw). Dat mag een ander dus niet. Daarbij handelt FKP als openbaar makende vennootschap voor zichzelf als aangemerkte maker van het werk. Dit heeft het hof miskend.
IV. Derdenbeslag
Deze aanvullende klacht richt zich tegen 5.21. Aldaar heeft het hof ten onrechte en/of zonder toereikende motivering geoordeeld dat, voorzover HVY beoogd mocht hebben executoriaal derdenbeslag onder FKP te leggen op de rechten van intellectuele eigendom, dat beslag niet als (rechtsgeldig gelegd) derdenbeslag kan worden aangemerkt. Zulks in het licht van het verweer van FKP dat niet aan de ter zake (op straffe van nietigheid voorgeschreven) vereisten is voldaan, met name aan het in art. 475 lid 1, sub a Rv gestelde vereiste (bevel aan de derde om het verschuldigde of de zaken onder zich te houden).
Toelichting
In dit oordeel van het hof ligt besloten de beslissing dat derdenbeslag op de rechten van intellectuele eigendom ten laste van de Russische Federatie onder FKP in de gegeven omstandigheden in theorie mogelijk zou zijn (ware het niet dat niet aan de formaliteiten is voldaan), omdat deze rechten zouden behoren tot het vermogen van de Russische Federatie. Derdenbeslag kenmerkt zich immers door het feit dat onder een derde beslag wordt gelegd op vermogensbestanddelen van de debiteur. Voor zover het oordeel van het hof in zoverre voortbouwt op de eerder gegeven beslissing dat de rechten van intellectuele eigendom in het vermogen van de Russische Federatie vallen, kan deze beslissing niet in stand blijven in het licht van hetgeen is aangevoerd in middelonderdelen I t/m III, waaruit volgt dat de rechten van intellectuele eigendom aan FKP toekomen en niet aan de Russische Federatie.
Het oordeel van het hof berust bovendien op een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof miskend heeft dat op grond van het bepaalde in art. 475 Rv derdenbeslag op rechten van intellectuele eigendom niet mogelijk is,19. zodat het oordeel van het hof dat het beslag uitsluitend niet ‘kleeft’ omdat niet aan de formaliteiten is voldaan in zoverre ook niet in stand kan blijven. Voor zover het gerechtshof dit niet zou hebben miskend, is bij gebreke van enige motivering onbegrijpelijk hoe het hof tot het (kennelijke) oordeel is gekomen dat de door HVY beslagen rechten zich in weerwil van het voorgaande in theorie toch zouden kunnen lenen voor derdenbeslag.
V. Restitutierisico
Deze aanvullende klacht richt tegen rov 5.39. Hierin heeft het hof ten onrechte en/of zonder toereikende motivering geoordeeld dat niet valt te verwachten dat HVY gedurende de looptijd van de vernietigingsprocedure een aanzienlijk deel van de in de arbitrale beslissingen toegewezen bedragen (op een andere wijze) zullen kunnen innen, dat een (onherroepelijk) eindarrest in de vernietigingsprocedure nog enige tijd op zich kunnen laten wachten en dat voor zover FKP zich in het kader van de belangenafweging nog beroept op de haar stelling dat zij rechthebbende is ten aanzien van de beslagen rechten en sprake is van immuniteit van executie, die stellingen in de voorgaande overwegingen zijn verworpen.
Toelichting
De beslissing van het hof is bovendien onbegrijpelijk in het licht van door het hof vastgestelde restitutierisico aan de zijde van HVY. De omstandigheden die het hof daartegenover stelt in r.o. 5.36, kunnen de beslissing van het hof niet dragen. Het is de Russische Federatie bekend dat de uitkomst van een belangenafweging, zoals de onderhavige, een beslissing is van feitelijke aard, maar ook een dergelijke beslissing moet aan de minimaal daaraan te stellen motiveringseisen voldoen. De door het hof gegeven beslissing voldoet daar niet aan.
Het hof onderkent in r.o. 5.36 (onder verwijzing naar de beschikking van Uw Raad van 4 december 2020, r.o. 3.20) 20. dat voorshands voldoende aannemelijk is dat tenuitvoerlegging van de arbitrale beslissingen een restitutierisico met zich brengt. De Russische Federatie heeft in feitelijke aanleg uitvoerig betoogd dat HVY een bijna 100%-restitutierisico bieden (en derhalve niet ‘enig restitutierisico’ zoals Uw Raad overwoog in voormelde beschikking van 4 december 2020).21. Aangevoerd is dat:
- a.
dit restitutierisico door HVY wordt erkend. Voor eventuele verhaalsmogelijkheden aan de zijde van de Russische Federatie (en FKP) na vernietiging van de Yukos Awards wordt door HVY verwezen naar de schadevergoedingsvorderingen uit hoofde van de Yukos Awards. De Yukos Awards kunnen restitutierisico echter niet dekken;22.
- b.
HVY geen eigen bedrijfsactiviteiten, bedrijfsmiddelen of vaste activa hebben;23.
- c.
op de formele vestigingsadressen van HVY nog honderden andere vennootschappen zijn gevestigd en de namen van HVY niet bij de door hen aangewezen brievenbussen vermeld staan;24.
- d.
HVY als enige functie hadden het ‘houden’ van de Yukos-aandelen en dat zij thans slechts de daarvoor in de plaats gekomen schadevergoedingsclaims‘houden’, welke claims met de vernietiging van de arbitrale vonnissen door de rechtbank op dit moment non-existent zijn (zie middelonderdeel I);25.
- e.
de Yukos oligarchen achter HVY een complexe en ondoorzichtige structuur hebben opgetuigd waarmee de door hen geïnde gelden ogenblikkelijk ontraceerbaar zullen worden weggesluisd;26.
- f.
HVY geen behoefte hebben aan fondsen om bedrijfsactiviteiten gaande te houden, noodzakelijke investeringen te doen of in het levensonderhoud van de Yukos oligarchen te voorzien;27.
- g.
de executoriale verkoop van de rechten van intellectuele eigendom verstrekkende en onomkeerbare schadelijke gevolgen zal hebben;28.
Uit de achter a. t/m e. vermelde stellingen (waarbij er veronderstellenderwijs van moet worden uitgegaan dat deze juist zijn, nu het hof heeft geoordeeld dat sprake is van een restitutierisico) volgt dat het restitutierisico nagenoeg 100% is, zodat reeds daarom niet, althans niet zonder nadere (in de uitspraak ontbrekende) motivering kan worden ingezien waarom de omstandigheden dat niet te verwachten is dat HVY een aanzienlijk deel van de in de arbitrale beslissingen toegewezen bedragen zullen kunnen innen en dat een onherroepelijk eindarrest in de vernietigingsprocedure nog enige tijd op zich zal laten wachten, de belangenafweging ten gunste van HVY kon laten uitslaan. Die omstandigheden doen immers niet af aan het door het hof aangenomen bijna 100%-restitutierisico, terwijl de omstandigheid dat niet te verwachten is dat niet te verwachten is dat een aanzienlijk deel van de Yukos Awards zal kunnen worden geïncasseerd voor de aanwezigheid van dat restitutierisico ook niet relevant lijkt.
Het hof heeft bovendien verzuimd om bij zijn beslissing (kenbaar) de achter f. en g. vermelde essentiële stellingen bij zijn beslissing te betrekken, zodat het oordeel van het Hof ook in zoverre onbegrijpelijk is.
VI- Veegklacht
Het voorgaande vitieert ook hetgeen het hof heeft overwogen en beslist in r.o. 5.39 t/m 5.41 en het daaraan ontleende dictum.
Conclusie
De Russische Federatie vordert op grond van dit middel de vernietiging van het bestreden Arrest, met zodanige verdere beslissing, mede ten aanzien van de kosten, als de Hoge Raad juist zal achten. Voorts vordert de Russische Federatie dat de toe te wijzen proceskostenvergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente (art. 6:119 BW) daarover, te rekenen vanaf veertien dagen na de datum van het arrest van de Hoge Raad.
Advocaten
22 september 2022
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 22‑09‑2022
In de aanbiedingsbrief d.d. 23 augustus 2022 is abusievelijk verwezen naar het zaaknummer van de rechtbank.
MvA RF par 1.
MvA FKP, par. 66 en 67; zie in dit verband onder meer ook pleitnotities RF eerste aanleg, par. 3.4, 6.3 en 6.4, onder verwijzing naar RF-productie 3 (Franse uitspraken), MvA RF, par. 6–8, 11, 19, 22 en FKP-productie 10 (Muranov) par. 33–57 en 170–200.
MvA FKP, par. 70., FKP-productie 10 (Muranov), par. 170–181.
MvA FKP par 52,, zie hierover ook MvA RF, par. 14 en 15.
MvA FKP, par. 28., FKP-productie 10 (Muranov), par. 64–69, 140–146, en 162–168.
MvA FKP, par. 31. FKP-productie 10 (Muranov), par. 58–62 en 70–95, zie ook MvA RF, par. 18.
MvA FKP par. 54, par 13a en prod 44 Hulley cs. Zie ook MvG Hulley c.s., par 140 achter (i), pleitnotities RF eerste aanleg, par. 7.3 MvA RF, par. 17 en FKP-productie 10 (Muranov), par. 62.
MvA FKP par 54 en FKP Productie 10 (Muranov) par. 62.
MvA FKP par 54 en productie 10 (Muranov) par 58 t/m 63., zie voorts MvA RF, par. 15.
MvA FKP, par. 54. en FKP-productie 10 (Muranov), par. 70–95.
MvA FKP par. 56. En MvA RF, par. 17.
MvA FKP par. 121 en MvA RF par 9.
MvA FKP, par 126 en pleitnota FKP eerste aanleg par 89 t/m 91. dagvaarding FKP, par. 18 en FKP-producties 8A en 8B (blz. 1), en MvA RF par. 9.
MvA FKP, par. 59–62. MvA RF par 5,6, 13.
MvA FKP par. 107.
MvA FKP par 107 en productie 11 daarbij.
TK 1911–1912, 227, nr. 4 (Voorlopig verslag).
Zie in dit verband onder meer pleitnotities FKP in eerste aanleg, par. 34 en 35, pleitnotities FKP in hoger beroep, par. 5–7 en A.I.M. van Mierlo, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 475, aant. 2.1 en 3.1.
ECLI:NL:HR:2020:1952; gerechtshof wijst overigens abusievelijk naar r.o. 4.20 van die beschikking
pleitnotities RF in eerste aanleg, par. 10.3 t/m 10.9 onder meer onder verwijzing naar RF-productie 2A (schorsingsverzoek) hoofdstuk 6.2, herhaald in de memorie van antwoord RF, par. 43
pleitnotities RF eerste aanleg, par. 10.3, memorie van antwoord FKP, par 160
pleitnotities RF eerste aanleg, par. 10.4
pleitnotities RF eerste aanleg, par. 10.5
pleitnotities RF eerste aanleg, par. 10.5
pleitnotities RF eerste aanleg, par. 10.6 en 10.7
pleitnotities RF eerste aanleg, par. 10.8
pleitnotities FKP eerste aanleg, par. 175 en memorie van antwoord FKP par. 161
Beroepschrift 23‑08‑2022
PROCESINLEIDING IN CASSATIE TEVENS VERZOEK OM BEPALING VAN EEN TERMIJN VOOR HET AANVULLEN VAN HET CASSATIEMIDDEL
Eiseres in cassatie:
DE RUSSISCHE FEDERATIE, zetelend te Moskou (‘Russische Federatie’).
De Russische Federatie kiest woonplaats bij Wagemakers Cassatie-advocatuur mr. M.A.M. Wagemakers B.V., gevestigd te Den Haag aan het L. Couperusplein 2 (2514 HP), van welk kantoor de advocaat bij de Hoge Raad mr. M.A.M. Wagemakers door de Haagse deken en daarna door de Russische Federatie is aangewezen om de Russische Federatie als zodanig te vertegenwoordigen in deze cassatieprocedure.
Verweerders in cassatie:
- 1.
HULLEY ENTERPRISES LIMITED, (‘HEL’)
een rechtspersoon naar het recht van Cyprus, gevestigd te Nicosia, Cyprus,
- 2.
VETERAN PETROLEUM LIMITED, (‘VPL’)
een rechtspersoon naar het recht van Cyprus, gevestigd te Nicosia, Cyprus,
- 3.
YUKOS UNIVERSAL LIMITED, (‘YUL’)
een rechtspersoon naar het recht van de Isle of Man, gevestigd te Douglas, Isle of Man,
hierna tezamen: ‘HVY’, gedaagden in eerste aanleg en appellanten in hoger beroep, in beide feitelijke instanties bijgestaan door hun advocaat mr. T.L. Claassens, Blaak 31, 3011 GA te Rotterdam (tom.claassens@loyensloeff.com).
De eiseres in eerste aanleg en (mede) geïntimeerde in hoger beroep is de
RUSSISCHE STAATSONDERNEMING FKP SOJUZPLODOIMPORT, een rechtspersoon naar het recht van de Russische Federatie, gevestigd te Moskou
hierna: ‘de FKP’, in beide feitelijke instanties bijgestaan door haar advocaat mr. J.H.C van Manen, Amstelplein 1, 30e verdieping, 1096 HA te Amsterdam (joris.vanmanen@hoyngrokh.com).
Bestreden arrest
de Russische Federatie stelt cassatieberoep in tegen het arrest, gewezen op 28 juni 2022 van het Gerechtshof te Den Haag (het ‘hof’), in de zaak met zaaknummer 200.292.064/01 tussen de Russische Federatie en de FKP als geïntimeerden en HVY als appellanten (het ‘Arrest’).
Verschijningsdatum voor HVY en de FKP
HVY en de FKP worden opgeroepen om ten laatste op vrijdag 16 december 2022, om 10.00 uur 's ochtends, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad, te verschijnen op de zitting van de enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad in diens gebouw aan het Korte Voorhout 8 te Den Haag. De enkelvoudige civiele kamer behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden om 10.00 uur 's ochtends.
Middel van cassatie
De Russische Federatie voert tegen het Arrest het volgende middel van cassatie aan:
schending van het recht en/of verzuim van vormen die op straffe van nietigheid in acht moeten worden genomen, doordat het hof recht heeft gedaan op de wijze als in het dictum van het Arrest is omgeschreven en op de gronden die in het lichaam van het Arrest zijn vermeld, zulks op de volgende, mede in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen gronden.
I. Klachten tegen 's hofs rov. 5.5: verval van (de exequaturs voor) de Yukos Awards1. door het HR-arrest van 5 november 2021
1.1.
Ten onrechte en/of zonder toereikende motivering heeft het hof in rov. 5.5 het in rov. 5.4 samengevatte betoog van de Russische Federatie en de FKP verworpen. Dit betoog hield — kort gezegd — in dat met de vernietiging door de Hoge Raad in zijn arrest van 5 november 20212. van de arresten van hof Den Haag van 25 september 2018 en 18 februari 2020, ook de daarbij uitgesproken vernietiging door hof Den Haag van het rechtbankvonnis van 20 april 2016 ongedaan is gemaakt. Daarmee herleefde, aldus dit betoog van de Russische Federatie en de FKP, de vernietiging van de Yukos Awards in het dictum van de rechtbank en/of vervielen, ingevolge art. 1062 lid 4 Rv, de op basis van deze vernietigde arresten van hof Den Haag op 28 april 2020 door de Haagse voorzieningenrechter aan HVY verleende exequaturs van rechtswege.
1.2.
Zie voor dat betoog van de Russische Federatie en de FKP: RF-Akte d.d. 11 februari 2022 (met prod. 4 en 5), op voorhand aan het hof, HVY en de FKP toegezonden; RF-Pleitnota II, hoofdstuk 1, en FKP-Pleitnota II, § 2, waarin dit ‘preliminaire’ verweer van de Russische Federatie integraal is overgenomen. De daartegen door HVY aangevoerde argumenten (bij Akte, § 14 e.v., d.d. 11 februari 2022) waren uitsluitend gebaseerd op de leer inzake de ‘partiële werking’ van een vernietiging in cassatie. Zie voor de weerlegging van die argumenten van HVY m.n. RF-Pleitnota II, § 1.1–1.16, waarbij uiteraard de genoemde leer als zodanig niet is bestreden.
1.3.
Op zich is juist, zoals het hof in rov. 5.5 (3e t/m 7e volzin) overweegt, dat:
- (i)
de Rechtbank Den Haag de Yukos Awards heeft vernietigd wegens het ontbreken van een geldige arbitrageovereenkomst;
- (ii)
het Hof Den Haag vervolgens in zijn arrest van 18 februari 2020 de tegen dat vonnis gerichte grieven gegrond heeft verklaard;
- (iii)
dat de Hoge Raad in zijn eindarrest van 5 november 2021 de cassatieklachten over het ontbreken van een geldige arbitrageovereenkomst heeft verworpen en slechts middelonderdeel 1 gegrond heeft bevonden;3. en
- (iv)
het Hof Amsterdam in de vernietigingsprocedure na verwijzing alsnog zal moeten oordelen over de vernietigingsgrond ‘strijd met de openbare orde’ vanwege het door HVY in de arbitrage gepleegd bedrog.
1.4.
Het oordeel van het hof in de 8e volzin van rov. 5.5, onder verwijzing naar art. 1066 lid 1 Rv, dat ‘voor een lopende vernietigingsprocedure het uitgangspunt geldt dat deze de tenuitvoerlegging [van het daarin bestreden arbitrale vonnis] niet schorst’, kan echter rechtens niet, althans niet zonder nadere hier ontbrekende motivering, zijn verwerping dragen van het hierboven onder 1.1 en 1.2 bedoelde betoog van de Russische Federatie en de FKP.
Immers, art. 1066 lid 1 Rv bepaalt:
‘De [loutere indiening van een] vordering tot vernietiging [van een arbitraal vonnis] schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis niet.’
In deze tegen de Yukos Awards gerichte vernietigingsprocedure is echter, anders dan het hof met zijn verwijzing naar art. 1066 lid 1 Rv lijkt te impliceren, niet slechts door de Russische Federatie een ‘vordering tot vernietiging’ ingesteld. Die vordering is immers door de rechtbank ook toegewezen in haar vonnis van 20 april 2016. Weliswaar heeft vervolgens hof Den Haag in zijn arrest van 18 februari 2020 dat rechtbankvonnis vernietigd, maar de Hoge Raad heeft in zijn arrest van 5 november 2021 de vernietiging door het hof van dit rechtbankvonnis in het dictum van zijn eindarrest weer vernietigd en dus ongedaan gemaakt. Aangezien de Hoge Raad bij die vernietiging geen andersluidend (aanvullend, corrigerend, o.i.d.) oordeel ter zake heeft gegeven, heeft hier rechtens te gelden dat de vernietiging door de rechtbank van de Yukos Awards is herleefd. De Persrechter van de Hoge Raad heeft desgevraagd dan ook terecht aan de media bevestigd dat na het wijzen van het arrest ‘geen betalingsverplichting’ (meer) bestond.4.
1.5.
Daaraan doet niet af dat de door de rechtbank ten aanzien van de Yukos Awards aanvaarde vernietigingsgrond, door het hof is verworpen, noch dat de tegen dat oordeel van het hof gerichte cassatieklachten zijn verworpen. Het dictum van het eindarrest van het hof van 18 februari 2020, waarbij het dictum van het rechtbankvonnis van 20 april 2016 (met de vernietiging van de Yukos Awards) is vernietigd, is zelf immers integraal door de Hoge Raad vernietigd. Díe vernietiging van het dictum heeft geen ‘partiële werking’.5. Hierbij is te bedenken dat indien het hof niet, zoals door de Hoge Raad onherroepelijk is vastgesteld, ten onrechte het beroep van de Russische Federatie op art. 1065 lid 1 sub e Rv op een formele grond had verworpen maar eerst — naar behoren — inhoudelijk de betreffende bedrogverwijten ten aanzien van HVY's procedeerwijze in de arbitrage had onderzocht, het hof het rechtbankvonnis niet reeds had kunnen/mogen vernietigen. Immers, bij gegrondbevinding van dat beroep van de Russische Federatie op ‘strijd met de openbare orde’ had het hof het rechtbankvonnis — met de vernietiging van de Yukos Awards — ‘onder verbetering van gronden’ moeten bekrachtigen.
1.6.
Op overeenkomstige gronden als hierboven uiteengezet, is ook onjuist, althans ontoereikend gemotiveerd, 's hofs oordeel in rov. 5.5, slotzin, dat ‘verval van rechtswege ex art. 1062 lid 4 Rv’6. van de — ingevolge de door de Hoge Raad vernietigde arresten van 25 september 2018 en 18 februari 2020 op 28 april 2020 verleende — exequaturs in deze situatie niet aan de orde is. Immers, de vernietiging van de Yukos Awards door de rechtbank is herleefd en de grondslag waarop de exequaturs zijn verleend (het hofarrest van 18 februari 2020), is vernietigd.
II. Klachten tegen 's hofs rov. 5.14 t/m 5.19: de FKP is zelf de (volledige) rechthebbende op de litigieuze merk- en auteursrechten, althans op die rechten kan geen verhaal gezocht worden voor op de Russische Federatie gepretendeerde vorderingen
II.1.
Als door de Russische Federatie en de FKP7. ingeroepen en door het hof (rov. 5.11) niet afgewezen (dus minst genomen hypothetisch vaststaand) uitgangspunt geldt dat de FKP een zelfstandige rechtspersoon is met een eigen, van dat van de Russische Federatie afgescheiden vermogen en aldus bevoegd is om drager te zijn van (eigen) rechten en verplichtingen en om zelfstandig in rechte op te treden. Zie hiertoe o.a. Rb-rov. 4.10.1, alsmede artt. 10:118 en 119 BW (NL) naast de artt. 48, 113 en 126 RBW. De twee laatstgenoemde artikelen bepalen — onbetwist8. — dat het vermogen van een FKP niet kan worden uitgewonnen ter voldoening van vorderingen van derden op de Russische Federatie als oprichter/eigenaar van die FKP.
II.2.
Voorts heeft als door de Russische Federatie en de FKP ingeroepen,9. door de rechtbank aanvaard (rov. 2.12–2.14) en door het hof niet afgewezen (dus minst genomen hypothetisch vaststaand) uitgangspunt te gelden (i) dat sinds 12 maart 2014, met werking vanaf 1 oktober 2014, art. 1127 lid 3 RBW bepaalt — kort gezegd — dat intellectuele rechten (zoals o.a. merk- en auteursrechten) geen voorwerp van ‘economie jurisdiction’ of ‘operative management’ (meer) kunnen zijn, (ii) dat op grond van die BW-wijziging de regering van de Russische Federatie op 12 februari 2015 het besluit (‘Decree No. 117’)10. heeft genomen dat de Russische Federatie aan de FKP bij overeenkomst (kort gezegd) de volledige exclusieve IE-rechten ten aanzien van de litigieuze wodkamerken moet overdragen en (iii) dat de zojuist bedoelde overeenkomst11. daadwerkelijk op 15 mei 2015 dienovereenkomstig is gesloten, met daarin de volledige overdracht van de wodkamerken en alle daaraan gerelateerde auteursrechten; enkele bepalingen van deze overeenkomst zijn weergegeven in Rb-rov. 2.14 en 2.15 resp. in rov. 5.12 van 's hofs arrest.
II.3.
In het licht van de onder II.1 en II.2 hierboven weergegeven (minst genomen hypothetisch vaststaande) uitgangspunten zijn onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd 's hofs oordelen:
- (a)
in rov. 5.14: dat de Russische Federatie en de FKP ‘niet (voldoende concreet en onderbouwd) hebben gesteld dat de omstandigheid dat de gestelde overdracht in 2015 plaatsvond en de huidige statuten van de FKP pas in 2019 zijn vastgesteld in (dit) goederenrechtelijk opzicht van belang is (in die zin dat de 2015-overeenkomst los van de statuten zou moeten worden beoordeeld)’ en dat het hof daarom — kort gezegd — ‘de beoordeling naar Nederlands (goederen)recht’ van die door de Russische Federatie en de FKP gestelde overdracht van deze merk- en auteursrechten ‘plaatsvindt met inachtneming van het samenstel van beide regelingen’ (lees: de 2015-overeenkomst en de 2019-statuten).
- (b)
in rov. 5.15: dat hoewel (i) de bewoordingen van de 2015-overeenkomst op zichzelf beschouwd wijzen op een algehele overdracht van [deze wodka-gerelateerde] IE-rechten door de Russische Federatie aan de FKP en (ii) de FKP het volle gebruiks- en genotsrecht over deze rechten heeft en deze ook tegenover eenieder kan handhaven, daartegenover staat — ‘naar tussen partijen vaststaat’, aldus het hof — dat de Russische Federatie op grond van de genoemde statutaire bepalingen12. het recht heeft om het ‘property complex’ van de FKP (waaronder alle IE-rechten) als geheel op te pakken en te verkopen (…) en tevens het recht heeft om door FKP zonder haar toestemming met derden gesloten transacties over de vervreemding van (IE-)rechten (met derdenwerking) te vernietigen.
- (c)
in rov. 5.16: dat de bovenbedoelde verkoop- en vernietigingsbevoegdheid van de Russische Federatie ten aanzien van de litigieuze IE-rechten van de FKP eraan in de weg staat om de rechtspositie van de FKP naar Nederlands (goederen)recht gelijk te stellen met die van (volledig) rechthebbende op de merken- en auteursrechten. Immers, aldus het hof, bij gebruikmaking van die bevoegdheden door de Russische Federatie verliest de FKP haar bevoegdheid om de IE-rechten te exploiteren. Nu naar Nederlands goederenrecht een vervreemder zich dergelijke bevoegdheden niet kan voorbehouden, kan een daartoe strekkende overeenkomst geen geldige overdrachtstitel zijn, zodat naar Nederlands (goederen)recht de 2015-overeenkomt geen rechtsovergang tot gevolg heeft gehad en de FKP dus op grond daarvan geen rechthebbende is geworden, net zo min als zij dat vóór de 2015-overeenkomst als operationeel beheerder was. Daarom moet het er in dit kort geding, aldus het hof, voor worden gehouden dat de (IE-)rechten zich in het voor verhaal van HVY's vorderingen vatbare vermogen van de Russische Federatie bevinden (idem rov. 5.22) en dat de FKP die niet als (volledig) rechthebbende exploiteert (idem rov. 5.18 en 5.19).
- (d)
in rov. 5.17: dat uit het voorgaande (a t/m c) volgt dat, voor zover de FKP zich al als bezitter van de merkenrechten op het vermoeden van art. 3:119 lid 2 BW zou kunnen beroepen, in dit kort geding het tegendeel voldoende aannemelijk is geworden.
- (e)
in rov. 5.18: dat de FKP, die blijkens het voorgaande (a t/m c) zowel voor als na de 2015-overeenkomst niet kan worden aangemerkt als (volledig) auteursrechthebbende, zich als rechtspersoon niet jegens HVY op art. 4 Aw kan beroepen en evenmin op art. 8 Aw, aangezien dat artikel alleen geldt tussen de openbaarmakende rechtspersoon en de natuurlijke persoon/maker, althans dat een op art. 4 of 8 Aw gebaseerd inroepbaar vermoeden in het licht van rov. 5.15 en 5.16 weerlegd is te achten.
II.4. Toelichting op en uitwerking van de klachten onder III.3
Algemeen
De Russische Federatie kan inderdaad uit hoofde van bepaalde wetten en, in het verlengde daarvan, soms ook de statuten invloed uitoefenen op staatsondernemingen zonder aandelenkapitaal, hoewel dat naar Russisch (en dus ook Nederlands) recht zelfstandige rechtspersonen met een eigen vermogen zijn. Het Nederlandse rechtspersonenrecht is uiteraard anders vormgegeven dan het Russische maar ook hier geldt dat de staat (als wetgever en aandeelhouder) de bevoegdheid heeft (via een aandelenoverdracht) een staatsonderneming in haar geheel over te dragen en om (wettelijk of statutair) te laten vastleggen dat sommige besluiten instemming vergen van de aandeelhouder en, zo nodig, kunnen worden teruggedraaid.
Het hof meent — kort gezegd — dat die specifieke rol van de Russische staat uit hoofde van wet en statuten meebrengt dat naar Nederlands goederenrecht de eigen, volle exclusieve IE-rechten van een staatsonderneming moeten worden ‘geassimileerd’ tot rechten die in het vermogen vallen van de Russische Federatie zelf. Zulks, in diametrale tegenstelling tot wat de Russische Federatie en de FKP in overeenstemming met de Russische wetgeving met de overdracht ingevolge de 2015-overeenkomst hebben beoogd.
Dat ‘assimilatie oordeel’ — gewezen in kort geding — is onjuist en onbegrijpelijk. Het miskent dat assimilatie terughoudend moet worden toegepast en dat daarbij op functionele wijze moet worden aangesloten bij doel en strekking van de buitenlandse regeling. Dat oordeel is bovendien onverenigbaar met artt. 10:118 en 119 BW). Dat oordeel wijkt voorts af van vaste rechtspraak. Rechters in o.m. Nederland en Frankrijk hebben talloze beslagen opgeheven die ten laste van de Russische Federatie zijn gelegd op vermogensrechten van soortgelijke rechtspersonen zonder aandelen. Zij hebben deze vermogensrechten altijd erkend als rechten van die staatsondernemingen zelf en die nimmer met ‘assimilatie argumenten’ terzijde geschoven.13.
Het oordeel is ook strijdig met een (bindende) uitspraak van de Nederlandse bodemrechter:14.
‘FKP verkreeg (…) uitsluitend recht de merken te gebruiken, te exploiteren, in eigen naam te registreren en in eigen naam in rechte te handhaven (…) De USSR en de Russische Federatie zijn nooit rechthebbende van de merken geweest (…)’15.
(i) Ad (a)
De Russische Federatie (en de FKP) behoefde(n) rechtens niet afzonderlijk ‘concreet en onderbouwd’ te stellen dat het verschil in totstandkomingsdatum tussen de 2015-overeenkomst (FKP-prod. 8) en de FKP-statuten (2019; HVY-prod. 44) ‘in goederenrechtelijk opzicht van belang’ is. Volgens haar (hen) mist dit verschil namelijk zodanig belang. De ingevolge Decree No. 117 gesloten 2015-overeenkomst moet immers volgens haar (hen) allereerst in het licht van de RBW-wijziging van maart/oktober 2014 worden beschouwd, nu daarbij (in art. 1227 RBW) de mogelijkheid dat IE-rechten onder ‘operationeel beheer’ vallen, definitief zowel voor oude als nieuwe gevallen is uitgesloten.16. Derhalve kunnen ook de voor die rechtsfiguur geldende regels niet langer geacht worden te gelden voor deze door de Russische Federatie welbewust ingevolge Decree No. 117 volledige en onbeperkt aan de FKP overgedragen IE-rechten. Het hof licht ook in het geheel niet toe waarom het van oordeel is dat naar Nederlands goederenrecht de goederenrechtelijke positie van de FKP ten aanzien van de (‘voor zover nog nodig’) volledig aan haar door de Russische Federatie overgedragen onbeperkt IE-rechten mede aan de hand van haar statuten zou moeten worden bepaald. Het oordeel van het hof volgt niet uit de tekst of strekking van art. 3:84 lid 3 BW of 4.8bis BVIE. Het oordeel is bovendien te rijmen met de zelfstandige rechtspersoonlijkheid van de FKP en haar van de Russische Federatie afgescheiden vermogen (artikel 10:118 en 10:119 BW).
(ii) Ad (b)
In de door het hof in rov. 5.13 geciteerde artikelen 14 en 24 sub 1 van de FKP-statuten van 2019 (ook wel als ‘charter’ aangeduid) valt bovendien niet te lezen (net zo min als in de andere artikelen hiervan) dat, zoals het hof niettemin in rov. 5.15 overweegt en in rov. 5.16 zelfs tot kern van zijn beslissingen maakt, de Russische Federatie het recht of de bevoegdheid zou hebben ‘om het ‘property complex’ van de FKP (waaronder alle IE-rechten) als geheel op te pakken en te verkopen’ respectievelijk ‘om door de FKP zonder toestemming van de Russische Federatie met derden gesloten transacties over de vervreemding van (IE-)rechten met derdenwerking te vernietigen.’
(iii) Ad (c)
Hetgeen het hof in rov. 5.16 naar aanleiding van deze slechts beweerdelijk uit art. 14 en 24 sub 1 van de FKP-statuten voor de Russische Federatie voortvloeiende bevoegdheden overweegt, namelijk dat deze ‘beperkingen’ zo ver gaan dat zij — vermoedelijk (impliciet) getoetst aan art. 3:84(3) BW — in de weg staan aan (kort gezegd) een geldige rechtsovergang van de IE-rechten op de FKP, kan dan ook rechtens geen stand houden; deze consequentie geldt evenzo voor de op dit oordeel voortbouwende oordelen van rov. 5.17 t/m 5.19, 5.22 en 5.34.
(iv) Ad (a-c)
Aan de bovenstaande klachten doet uiteraard niet af dat de Russische Federatie, op grond van art. 296 lid 2 RBW (vgl. Rb-rov 4.10.5; voetnoot 18), ten aanzien van door haar in ‘operationeel beheer’ aan (o.a.) een FKP toevertrouwde zaken het recht heeft om dergelijke zaken in slechts drie uitzonderlijke situaties van de ‘beheerder’ op te vorderen. Niet alleen geldt dit recht namelijk indien — kort gezegd — die zaken overbodig zijn of de beheerder die niet gebruikt dan wel misbruikt, maar bovendien geldt dit recht vanaf oktober 2014 niet meer ten aanzien van rechten, zoals die in deze procedure centraal staan.
Evenmin doet aan bovenstaande klachten af dat art. 21 lid 3 van de Unitary Enterprises Wet (HVY-prod. 43; vgl. Rb-rov. 4.10.7, voetnoot 27)17. een vernietigingsmogelijkheid kent voor door zo'n staatsonderneming zonder de volgens haar statuten vereiste toestemming van de Russische Federatie gesloten transacties; die wettelijke resp. statutaire regeling ziet immers niet op een door de Russische Federatie bij de 2015-overeenkomst voorbehouden bevoegdheid. Die overeenkomst heeft dus geen door art. 3:84 lid 3 BW verboden strekking.18.
(v)
Het bovenstaande klemt temeer omdat:
- —
zowel de Unitary Enterprises Wet in art. 2.1 lid 6 en 11 lid 1, in lijn met de 2015-overeenkomst, net als de artt. 5, 7, 11 sub a, 14 (slot) en 15 sub c van de 2019-statuten van de FKP, bevestigen dat de FKP eigen (niet van de Russische Federatie afhankelijke) burgerlijke rechten, waaronder IE-rechten, kan hebben en heeft;
- —
gelet op de artt. 2.2, 20 en 4.8 bis BVIE, mede in het licht van de artt. 3:109 en 119 BW, er geen goede grond is om, zoals het hof hier heeft gedaan, de aan de FKP ingevolge de 2015-overeenkomst toekomende IE-rechten, welke door haar (of haar rechtsvoorgangster) conform het BVIE zijn geregistreerd, in de praktijk worden uitgeoefend en gehandhaafd, en door Nederlandse bodemrechters19. zijn erkend, via ‘assimilatie’, in strijd met hun Russische origine, van hun rechtskracht te ontdoen.20. Immers, dit soort ‘assimilatie’ moet, voor zover al vereist in het licht van de drie genoemde BVIE-bepalingen — anders dan het hof hier ten onrechte en/of ontoereikend gemotiveerd heeft gedaan — plaatsvinden op functionele wijze, gezien de Russische origine en overdraagbaarheid van deze rechten, met het accent op de punten van overeenstemming (in plaats van die van verschil) vanuit ‘een oogpunt van rechtvaardigheid en doelmatigheid’.21.
- —
zoals door de Russische Federatie o.a. in haar MvA § 18, 27 en 36 is benadrukt maar door het hof niet (althans niet kenbaar) is verdisconteerd, het instituut van FKP's als staatondernemingen zonder ‘aandelen’ teruggaat tot de sovjettraditie. De door het hof als te ver gaand ‘gewraakte’ bevoegdheden van de Russische Federatie zouden, voor zover al praktisch relevant, ook in Nederland zeer wel denkbaar zijn bij een vennootschap met slechts één aandeelhouder, zoals bijv. de Staat als enig aandeelhouder van Schiphol, EBN, Holland Casino, NS e.d. Het hof had hier dan ook moeten onderscheiden tussen het ‘property complex’ van de FKP, inclusief haar eigen zelfstandige IE-rechten, en de FKP als ‘property’ van de Russische Federatie.
III. Subsidiaire klachten tegen rov. 5.34: de door HVY beslagen IE-rechten vallen onder de volkenrechtelijk aan de Russische Federatie toekomende immuniteit van executie
III.1.
In rov. 5.34 verwerpt het hof op onjuiste en/of ontoereikend gemotiveerde gronden het — subsidiaire — beroep van de Russische Federatie en de FKP op de voor de door HVY beslagen IE-rechten geldende immuniteit van executie.22. Volgens het hof faalt dat beroep omdat:
- (i)
het ‘bij de merken- en auteursrechten gaat om vermogensrechten die gericht zijn op de commerciële exploitatie van alcoholische dranken;
- (ii)
deze rechten uit de aard der zaak bestemd zijn voor andere dan publieke doeleinden, namelijk voor de bevordering van de commerciële verkoop van de merken voorziene waren, en
- (iii)
niet in geschil is dat de FKP op grond van art. 25d van haar 2019-charter (= statuten) jaarlijks 25% van haar nettowinst aan het budget van de Russische Federatie moet afstaan, terwijl het restant wordt aangewend voor haar eigen instandhouding en kosten.
Hieruit leidt het hof vervolgens af dat de Russische Federatie en de FKP niet voldoende hebben betwist dat de opbrengsten voor het overgrote deel een niet-publieke bestemming hebben en dat daarmee deze IE-rechten — in de zin van art. 19 sub c van het VN-Verdrag inzake immuniteit — in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik [door de Staat]23. voor andere dan niet-commerciële doeleinden.
III.2.
Ervan uitgaande — conform de zgn. Herfst-arresten en het Samruk-arrest van de Hoge Raad24. — dat art. 19, inclusief de onder c bedoelde uitzondering, van het VN-Verdrag inzake staatsimmuniteit, op basis van art. 13a Wet AB, het in Nederland geldende volkenrechtelijk gewoonterecht weergeeft, dat de in deze hoofdregel bedoelde immuniteit van executie niet slechts geldt voor aan een staat toebehorende goederen die een ‘onmiddellijke’ publieke bestemming hebben, en dat de stelplicht en bewijslast voor het geheel ontbreken van een publieke bestemming ligt bij de (pretense) crediteur/beslaglegger, heeft het hof met zijn hier bestreden oordeel in rov. 5.34 miskend:
- (a)
dat de Russische Federatie de door HVY beslagen IE-rechten nooit zelf heeft gebruikt en dat die ook nooit voor gebruik door haarzelf zijn beoogd, laat staan voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden. Immers, deze IE-rechten zijn steeds en uitsluitend gebruikt door de FKP (of haar rechtsvoorgangers). Ten aanzien van deze rechten is derhalve niet voldaan aan de hierboven (slot van III.1) gecursiveerde voorwaarde voor de toepasselijkheid van de onder c van artikel 19 VN bedoelde uitzondering op immuniteit.
- (b)
dat weliswaar het ‘onmiddellijke’ gebruik van deze IE-rechten door de FKP op een commercieel doel is gericht — de bevordering van de verkoop van de betreffende alcoholische waren die met behulp van deze IE-rechten worden verhandeld — maar dat zulks niet, laat staan zonder nadere door HVY aangedragen en bewezen stellingen, geldt voor de door de FKP jaarlijks verplicht aan het budget van de Russische Federatie afgedragen 25% van haar nettowinst. Daarvan moet immers vooralsnog rechtens worden aangenomen dat die afdracht juist voor niet-commerciële overheidsdoeleinden is en zal blijven worden gebruikt. Deze IE-rechten hadden derhalve minst genomen in zoverre als immuun voor executie moeten worden aangemerkt.
- (c)
dat bovendien ook voor het (75%) restant van de nettowinst van de FKP niet, althans niet zonder nadere motivering, had mogen worden aangenomen dat dit onder de gewoonterechtelijke parallel van de c-uitzondering van art. 19 VN-Verdrag valt. Immers, dit ‘restant’ blijft — mede blijkens de door het hof in rov. 5.34 aangehaalde verklaring ter zitting van de FKP — tezamen met al het overige vermogen van de FKP binnen de FKP zelf. Daarmee blijft het — althans in 's hofs visie (zie o.a. rov. 5.16, 5.19, 5.20 en 5.22) — onderdeel van het vermogen van de Russische Federatie uitmaken en wordt het geheel ingezet voor de instandhouding en de kosten van de FKP, derhalve met als enige ‘publieke eindbestemming’ het (ook in de toekomst kunnen blijven) afdragen van winsten aan het budget van de Russische Federatie.
Verzoek en voorbehoud over aanvulling van het middel
Het instellen van het rechtsmiddel cassatie vergt van de rechtszoekende het inschakelen van een cassatieadvocaat.25. De Russische Federatie heeft — lang voordat de bestreden uitspraak is gewezen — serieus gepoogd een cassatieadvocaat te vinden. Daartoe zijn vergeefs een groot aantal cassatieadvocaten benaderd. Sommige advocaten hebben geen redenen opgegeven waarom zij deze zaak niet ter hand zouden kunnen nemen. Anderen hebben aangegeven de zaak niet op te willen pakken uit vrees voor reputatieschade of vanwege een conflicterend belang. In geen enkel geval is de zaak geweigerd omdat deze kansloos zou zijn of omdat geen overeenstemming zou kunnen worden bereikt over de contractuele voorwaarden.
De Russische Federatie heeft vervolgens op 9 juni 2022 de Haagse deken verzocht om zo snel mogelijk een cassatieadvocaat aan te wijzen op de voet van artikel 13 Advocatenwet. Dat verzoek is dus ingediend voordat de in deze procesinleiding bestreden uitspraak op 28 juni 2022 werd gewezen. De deken heeft het verzoek pas afgewezen op 22 juli 2022. Volgens haar geldt het fundamentele recht dat een ieder zich tot de rechter moet kunnen wenden niet voor ‘een vreemde mogendheid, (…) die — door eigen toedoen — verwikkeld is in een conflict met Oekraïne’.26. Volgens de deken zouden er ‘morele en ethische bezwaren’ bestaan tegen het behartigen van belangen van de Russische Federatie.27.
De Russische Federatie heeft op 1 augustus 2022 over deze afwijzing beklag gedaan bij het Hof van Discipline. Het Hof van Discipline heeft het beklag in zijn beslissing van 18 augustus j.l. gegrond verklaard (Bijlage 1). Het oordeelde daartoe dat ‘een ieder toegang tot de rechter moet kunnen hebben’.28. Het hof heeft de andersluidende opvatting van de deken verworpen omdat die onverenigbaar is met ons rechtsbestel.
Op donderdag 18 augustus 2022 heeft de deken alsnog een advocaat aangewezen. Enkel omdat de termijn de dinsdag daarop al zou verstrijken heeft deze advocaat gezien zijn drukke agenda geweigerd deze zaak op te pakken. Vrijdagmiddag 19 augustus 2022 heeft de deken daarom een andere advocaat een ‘dwingende aanwijzing’ gegeven (Bijlage 2). Het betreft de advocaat die deze procesinleiding indient.
Er zijn toen aanstonds forse inspanningen betracht om binnen enkele dagen een middel op te stellen. De tijd was echter onvoldoende om omvangrijke processtukken en alle relevante literatuur en rechtspraak zorgvuldig te bestuderen. Indien — in dit bijzondere geval — onverkort wordt vastgehouden aan de regel dat alle cassatieklachten, conform alle daaraan te stellen eisen, op straffe van verval moeten zijn opgenomen in de uiterlijk op de laatste dag van de betreffende cassatietermijn in te dienen procesinleiding,29. dan zou daarmee — in dit bijzondere geval — het recht op een eerlijk proces en op een effectieve toegang tot de rechter, in de kern worden aangetast.30. De Russische Federatie verzoekt daarom een termijn te stellen van vier weken waarbinnen het cassatiemiddel kan worden uitgebreid, aangevuld of aangepast.
Conclusie
De Russische Federatie verzoekt u een termijn te stellen van vier weken voor aanpassing, uitbreiding of aanvulling van het cassatiemiddel.
De Russische Federatie vordert voorts op grond van dit middel de vernietiging van het Arrest, met zodanige verdere beslissing, mede ten aanzien van de kosten, als de Hoge Raad juist zal achten. Voorts vordert de Russische Federatie dat de toe te wijzen proceskostenvergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente (art. 6:119 BW) daarover, te rekenen vanaf veertien dagen na de datum van het arrest van de Hoge Raad.
Advocaat
23 augustus 2022
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 23‑08‑2022
Met deze tussen partijen gebruikelijke aanduiding worden de 3×2 arbitrale vonnissen bedoeld zoals vermeld in rov. 2.7 van het rechtbankvonnis van 27 oktober 2020, door het hof ‘de arbitrale beslissingen’ genoemd (rov. 3.6).
Dit arrest van de Hoge Raad is dus pas gewezen ruim na het op 27 oktober 2020 in eerste aanleg gewezen kortgedingvonnis en ook nadat de Russische Federatie en de FKP op 27 juli 2021 hun respectieve MvA's hadden genomen. Van strijd met de tweeconclusieregel is echter geen sprake, nu op deze optie al in de MvA's (RF, § 2–4 en FKP, § 18–20) was geanticipeerd, het een nieuwe ontwikkeling betrof, en HVY bij hun akte voor appelpleidooi de rechtsstrijd hierover voorbehoudloos hebben aanvaard.
Zie RF-Akte van 11 februari 2022, nrs. 2.1–2.3.
Verwezen wordt naar de in voetnoot 3 van de RF-Akte van 11 februari 2022 genoemde literatuur. Naast de MvA II 1985/'86, 18454, p. 41 (bij de oude, hier toepasselijke Arbitragewet) worden t.a.p. passages genoemd uit werken van P. Sanders, A.J. van den Berg, H.J. Snijders en G.J. Meijer. Zie voorts o.a. HR 18 mei 2018, NJ 2019/127, rov. 3.2, voor de herleving van een rechtbankdictum dat door een door de Hoge Raad vernietigd hofdictum vernietigd was.
Zie o.a. RF-Pleitnota, § 1.1–1.3; RF-MvA, § 11; RF-Pleitnota II, § 2.2; FKP-Dagv., § 23–28; FKP-Pleitnota I, § 46 FKP-MvA, § 66 e.v., voetnoot 39; FKP-Pleitnota II, § 49 e.v. en § 62.
Zie vonnis, rov. 4.10.9.
Zie o.a. RF-Pleitnota I, § 6.5, 7.1 e.v.; MvA, § 26, voetnoot 31; RF-Pleitnota II, § 2.2; FKP-Dagv, § 16 e.v.; FKP-Pleitnota I, § 54–55, 63 e.v., 88, 131; FKP-MvA, § 119 e.v. 131; FKP-Pleitnota II, § 32.
Zie o.a. FKP-prod. 7.
Zie o.a. FKP-prod. 8.
In rov. 5.13 heeft het hof uitsluitend en slechts gedeeltelijk de artikelen 14 en 24 van deze statuten geciteerd. Zie overigens HVY-prod. 44.
Zie de uitspraken die zijn overgelegd als Producties RF-3A, 3B, 3C, 3D, 3E, 3F,
Dat het een uitspraak betreft in een zaak tussen (deels) andere partijen staat niet aan de toepassing van de afstemmingsregel in de weg. Zie HR 7 januari 2011, NJ 2011/304.
Rechtbank Den Haag 16 juni 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:6053 (FKP/Spirits), rov. 4.4.1–4.4.3
De Russische Federatie en de FKP hebben op de ‘terugwerkende kracht’ van deze regeling gewezen; zie bijv. RF-MvA, § 13, voetnoot 17, 37; RF-Pleitnota II, § 2.2 en FKP-Pleitnota I, § 56; FKP-MvA, § 120 e.v.; Het hof heeft daarover niet anders geoordeeld.
Kurzynsky II (HVY-prod. 65) verwijst hiervoor naar art. 20 UE-wet in § 43, voetnoot 39, en in § 54 naar art. 18 van die wet.
Zie ook FKP-MvA, § 114 (jo. RF-MvA, § 1) waarin gewezen wordt op de terughoudendheid waarmee deze bepaling moet worden toegepast; vgl. HR 19 mei 1995, NJ 1996/119 (rov. 3.6), m.nt. Kleijn.
Zie Rechtbank Den Haag 16 juni 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:6053 (FKP/Spirits), rov. 4.4.1–4.4.3. Zie voorts HR 24 januari 2020, NJ 2020/59 (Spirits/FKP).
Zie o.a. FKP-MvA, § 48 e.v. (jo. RF-MvA, § 1).
Zie HR 14 december 2001, NJ 2002/241 en HR 26 augustus 2003, NJ 2004/549.
Zie voor dit immuniteitsberoep: FKP-Dagv. § 29–32; RF-Pleitnota I, § 3.3 (ondersteuning FKP-stellingen); FKP-Pleitnota I, § 192–196; RF-MvA § 1 (overneming FKP-MvA) en § 38–42; FKP-MvA § 134–149; RF-Pleitnota II, § 2.1 (overneming FKP-Pleitnota II, § 59). Dit immuniteitsberoep is subsidiair, omdat de Russische Federatie — met de FKP — primair betoogt (zie ook onderdeel II hierboven) dat de door HVY beslagen IE-rechten geheel aan de FKP en dus niet aan haar toebehoren, ook niet in ‘bloot eigendom’.
Het hof laat deze gecursiveerde woorden weg in zijn weergave van art. 19 sub c VN-Verdrag.
HR 30 september en 14 oktober 2016, NJ 2017/190-192 resp. HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2103.
Zie Hof van Discipline Den Haag 18 augustus 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:132, rov. 4.13.
Hof van Discipline Den Haag 18 augustus 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:132, rov. 3.5.
Hof van Discipline Den Haag 18 augustus 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:132, rov. 4.11 en 4.13.