Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/8.4.1
8.4.1 De gevolgen van natrekking voor het eigendomsvoorbehoud
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90868:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Art. 18 Pandwet is via de schakelbepaling van art. 70 Pandwet van toepassing op het eigendomsvoorbehoud. Hierna wordt slechts gesproken over het eigendomsvoorbehoud.
Zie ook hoofdstuk 11, paragraaf 11.4.1.
De verwerking moet ook toegestaan zijn. Art. 18 lid 1 Pandwet bepaalt dat verwerking is toegestaan, tenzij partijen anders overeenkomen.
Sagaert & Del Corral 2015, nr. 215; Sagaert 2017, nr. 36.
Sagaert 2017, nr. 37.
Sagaert & Del Corral 2015, nr. 216; Sagaert 2017, nr. 37.
Sagaert & Del Corral 2015, nr. 219.
Art. 72 Voorontwerp omschrijft de hoofdzaak als de zaak die functioneel noodzakelijk is of, in geval van functionele gelijkwaardigheid, het goed dat de waarde van het andere overtreft.
Sagaert & Del Corral 2015, nr. 219.
Het betreft de pandhouder wiens onderpand is vergroot door de natrekking.
De gevolgen van natrekking voor het eigendomsvoorbehoud of een ander zekerheidsrecht van de leverancier wordt geregeld door art. 18 (jo. art. 70) Pandwet.1 Deze bepaling vindt toepassing bij de ‘verwerking’ (lees: bewerking) van zaken tot een ‘nieuw goed’. Dit betreft zowel de gevolgen van natrekking als van zaaksvorming. De wet bepaalt niet wanneer sprake is van ‘verwerking’. Hierdoor lijkt elke samenvoeging van zaken tot één zaak onder het toepassingsbereik van art. 18 Pandwet te vallen, tenzij sprake is van vermenging.
Voor de gevolgen van verwerking maakt de wet een onderscheid tussen het samenvoegen van zaken van één eigenaar (lid 2) en van meerdere eigenaren (lid 3).2
Op grond van het tweede lid wordt de leverancier eigenaar van de eenheidszaak als hij eigenaar was vanalle zaken die zijn samengevoegd tot één zaak.3 Op grond van art. 18 jo. art. 70 Pandwet moet worden aangenomen dat hij een ‘functioneel eigendomsrecht’ verkrijgt.4 Hij wordt met andere woorden eigenaar van de eenheidszaak onder dezelfde voorwaarde als waaronder hij de oorspronkelijke zaak overdroeg aan de koper. Het eigendomsvoorbehoud zet zich als het ware voort op de eenheidszaak. Met deze bepaling beoogt de wetgever ten eerste om de economische activiteit te stimuleren. Door de leverancier zijn zekerheidsrecht niet te ontnemen in geval van natrekking, hoeft hij deze bewerking van zaken niet te verbieden.5 Ten tweede dient deze bepaling ter bescherming de positie van de leverancier. Hij verliest zijn voorrangspositie niet als gevolg van de verwerking van zijn zaken.6
De gevolgen van art. 18 lid 2 Pandwet zijn vergelijkbaar met de situatie in het Nederlandse recht waarin de leverancier eigenaar onder ontbindende voorwaarde is van alle zaken die worden verenigd tot één zaak. Hij is eigenaar onder ontbindende voorwaarde van de eenheidszaak op grond van art. 5:14 lid 1 of 2 BW.
Worden zaken die de leverancier onder eigendomsvoorbehoud heeft geleverd echter verbonden met zaken van de koper of een derde, dan is art. 18 lid 3 Pandwet van toepassing. In dit geval ‘verlengt’ de voorrangspositie zich niet steeds tot de eenheidszaak. Dit is afhankelijk van het concrete geval. Er zijn drie situaties denkbaar onder art. 18 lid 3 Pandwet.
Ten eerste behoudt de leverancier zijn voorbehouden eigendom met betrekking tot de geleverde zaak, indien het fysiek mogelijk en economisch verantwoord is om deze zaak af te scheiden van de eenheidszaak.7 Dit kan worden vergeleken met de situatie in het Nederlandse recht waar geen sprake is van bestanddeelvorming.
Ten tweede kan door natrekking een eenheidszaak ontstaan waarvan men de bestanddelen niet fysiek en economisch verantwoord kan afscheiden. In dat geval moet worden bepaald welke van de verenigde zaken het voornaamste gedeelte van de eenheidszaak is. Het voornaamste gedeelte is de zaak ‘waarmee het andere enkel tot gebruik, versiering of aanvulling verenigd is’ of die de hoogste waarde heeft, zo volgt uit art. 567 en art. 569 BBW.8 Dit is de hoofdzaak in Nederlands juridische termen. Is de onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaak het voornaamste gedeelte van de eenheidszaak, dan heeft het eigendomsvoorbehoud betrekking op de gehele zaak. De voorrangspositie zet zich voort op de eenheidszaak. Rechten van derden op de ‘bestanddelen’ vervallen. Deze derden verkrijgen een vordering uit hoofde van verrijking zonder oorzaak op de leverancier, volgt uit de laatste zin van art. 18 lid 3 Pandwet. Deze vergoedingsplicht is onderworpen aan het dubbele plafond van verrijkingsacties, te weten de verrijking van de één (i.e. de waardevermeerdering van de bezwaarde zaak in het vermogen van de leverancier) en de verarming van de ander (i.e. het verlies van zijn zaak).9
De derde situatie is het spiegelbeeld van de tweede situatie. De zaak van de leverancier wordt een bestanddeel van het voornaamste gedeelte dat eigendom is van een derde. De leverancier verliest zijn voorbehouden eigendom door natrekking. Hij verkrijgt een vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking op de eigenaar van de hoofdzaak ex art. 566 BBW. Dit is een concurrente vordering tijdens het faillissement van deze eigenaar. Daarnaast verkrijgt de leverancier een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking op de schuldeiser die een zekerheidsrecht heeft op de hoofdzaak op grond van art. 18 lid 3 Pandwet.10 De leverancier kan zich dus verhalen op een tweede vermogen.
Kortom, de voorrangspositie van de leverancier zet zich van rechtswege voort op de eenheidszaak, indien geen zaken van derden zijn gebruikt (art. 18 lid 2 Pandwet) of zijn zaak als hoofdzaak wordt aangemerkt bij de vereniging met zaken van derden (art. 18 lid 3 Pandwet). De voorrangspositie vervalt als gevolg van natrekking met een hoofdzaak die eigendom is van een derde (art. 18 lid 3 Pandwet).