Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VIII.1
VIII.1 Inleiding
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS597485:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de methode Koppejan met nadere verwijzingen Van Bemmelen 1966.
De vergelijking tussen beide is afkomstig van J.M. Reijntjes, annotatie bij: HR 13 december 2011, NJ 2012, 299.
Zie HR 13 december 2011, NJ 2012, 299, m.nt. Reijntjes.
Hfdst. VI, i.h.b. § 10.
Zie voor interessante rechtsvragen ABRvS 11 februari 2015, AB 2015, 145, m.nt. Van der Vorm (Bibob); ABRvS 1 juni 2016, JB 2016, 149 (VOG). Zie daarnaast over de Wet Bibob en de onschuldpresumptie Van der Vorm 2016, p. 213-228. Ook over in het bestuurlijk sanctierecht bestaande praktijk boetebesluiten openbaar te maken leven vragen, zie Doorenbos 2007; Pfaeltzer 2014.
Zoals het onderzoek naar het functioneren van tegenspraak in het opsporingsonderzoek van Salet 2015.
Zie § IV.2.4.2. Zie wel op die manier over racial profiling DeAngelis 2014 en over het gebruik van dwangmiddelen op grond van louter ‘aanwijzingen’ van een terroristisch misdrijf wel Hirsch Ballin 2008. Om dezelfde reden onbesproken blijven grootschalig DNA-onderzoek (waarover op grond van de onschuldpresumptie kritisch Heerema 2005) en de strafbeschikking (zie wel Crijns 2002).
Zie § IV.2.4; § VI.5.1.
Daaronder schaar ik bijvoorbeeld het dilemma waarvoor de rechter zich gesteld ziet in het kader van het 12 Sv-beklag tegen een haalbaarheidssepot. Kan hij oordelen dat een veroordeling haalbaar is, zonder de verdachte als schuldige te bejegenen? Ook denk ik aan de vraag of de strafrechter bij zijn beslissing op de vordering benadeelde partij mag vaststellen dat de verdachte een niet-tenlastegelegd feit heeft begaan (zo HR 29 mei 2012, NJ 2014, 398, m.nt. Cleiren). Zie voorts de opslag van DNA-profielen van vrijgesproken verdachten, waarover kritisch op basis van de onschuldpresumptie Campbell 2010; Duker 2014.
Dat en waarom het hier een aspect van de bewijsdimensie betreft dat raakvlak heeft met de behandelingsdimensie kwam aan bod in voornamelijk § III.3.2 en § V.6. In § VII.3 is de Nederlandsrechtelijke uitwerking in onder meer art. 271 lid 2 Sv besproken.
Ten tijde van de provobeweging en protesten tegen het Amerikaanse Vietnambeleid waren de vele, vaak vergunningloze demonstraties in Amsterdam de hoofdstedelijke politie een doorn in het oog. De plaatselijke hoofdinspecteur, ene Koppejan, besloot daarop te reageren door demonstranten aan te houden en ze aan de gemeentegrens op straat te zetten. Eer de terugwandeling was voltooid, zouden de demonstraties ook ten einde zijn. Dit bespaarde de politie een hoop gedoe, voorkwam escalatie en de demonstranten hadden de gevolgen van hun buitenwettelijk handelen direct gevoeld. De methode leidde in de rechtswetenschap tot wisselende reacties. Zowel de staande als de zittende magistratuur keurde de methode evenwel af.1 Veertig jaar later is deze geschiedenis weer actueel wanneer het Openbaar Ministerie het ‘weekendje weg’ lanceert.2 Het Openbaar Ministerie kondigde aan onruststokers in het uitgaansleven voortaan tot maandagmorgen in verzekering te stellen. Ook over deze inventie liepen de meningen nogal uiteen. Opnieuw doorstond het beleid het oordeel van de strafrechter niet.3
De wens van politie en justitie om snel en kordaat op strafbaar gedrag te reageren, is van alle tijden, zo illustreren beide voorbeelden nog maar eens. In beide gevallen staat die wens echter met de behandelingsdimensie van het vermoeden van onschuld op gespannen voet. In dit hoofdstuk wordt besproken hoe die behandelingsdimensie in het Nederlandse strafproces functioneert. In hoofdstuk IV is uitgebreid uiteengezet wat onder de behandelingsdimensie van de onschuldpresumptie dient te worden verstaan. Uitgangspunt is dat de onschuldpresumptie verbiedt iemand van wie de schuld nog niet in de daarvoor bestemde procedure is vastgesteld te behandelen als schuldige. Die betekenis vond in het internationale recht dat op de presumptie van onschuld betrekking heeft in grote lijnen bevestiging.4 In dit hoofdstuk kan daarom het verbod op bejegening als schuldige als vertrekpunt worden gekozen. Waar de internationale rechtspraak afwijkt van het theoretisch concept of waar een Nederlandse praktijk waarschijnlijk daadwerkelijk strijdig is met het verdragsrecht, is dat uiteraard expliciet vermeld.
Naar haar aard en betekenis strekt de behandelingsdimensie zich uit over vrijwel alle fasen en facetten van de strafrechtspleging. Daarom kan niet uitgebreid worden stilgestaan bij elk aspect van de strafrechtspleging waarvan ooit is beweerd dat de onschuldpresumptie zich daartoe op noemenswaardige wijze verhoudt. Een aantal aspecten van het strafproces die de lezer hier wellicht besproken zou verwachten, blijft bijgevolg buiten beschouwing. Dat heeft deels te maken met de afbakening van het onderzoek. Omdat het om strafrechtelijk-juridisch onderzoek gaat, blijven bestuursrechtelijke procedures met een ‘strafrechtelijk tintje’, zoals de VOG-procedure en de Bibob-procedure, buiten beschouwing.5 Een onderwerp als tunnelvisie in de opsporing leent zich meer voor criminologisch onderzoek.6 Andere onderwerpen komen niet in aanmerking omdat hun vermeende spanning met de onschuldpresumptie mijns inziens berust op een onjuist begrip van dat beginsel. Zo zijn data mining en racial profiling zeer actuele en juridisch problematische fenomenen, maar dienen bezwaren daartegen niet op de onschuldpresumptie te worden gefundeerd.7 Het vermoeden van onschuld betekent immers niet dat iedereen als volstrekt onschuldige moet worden behandeld en schrijft ook geen verdenkingsgraad voor.8 Daarnaast ontbreken sommige specifieke (detail)kwesties omdat de leesbaarheid van dit boek niet een nog ruimere selectie van onderwerpen verdroeg.9 De houding van de strafrechter tijdens de berechting komt ten slotte niet aan bod, omdat deze in het vorige hoofdstuk al is behandeld als aspect van de bewijsdimensie.10
Ik volsta daarom met een thematische bespreking van een vijftal grote onderwerpen. Daarbij wordt uitputtende behandeling op detailniveau vermeden. Het gaat er hierna om te analyseren in hoeverre de behandelingsdimensie in verschillende aspecten van het Nederlandse strafproces is ingebed en daarin gewicht krijgt. Vanuit dat perspectief worden achtereenvolgens besproken: publiciteit in strafzaken (§ 2), het stelsel van dwangmiddelen (§ 3), sanctiebeslissingen die (mede) worden gebaseerd op feiten waarvoor de verdachte niet is of wordt veroordeeld (§ 4), executie van niet-onherroepelijke sancties (§ 5) en schadevergoeding voor door strafvorderlijk optreden geleden schade (§ 6). Deze thema’s dekken in elk geval vrijwel alle strafrechtelijke casusposities die in de hoofdstukken over het verdragsrecht werden onderscheiden en volgens mij ook de belangrijkste Nederlandse discussies. In zoverre ontstaat een breed en representatief beeld van het functioneren van de behandelingsdimensie binnen de Nederlandse strafrechtspleging. De aanpak brengt wel mee dat de lezer wellicht de indruk krijgt dat het Nederlandse strafprocesrecht met het beginsel op alle fronten frictie vertoont. Dat is natuurlijk niet zo. Juist de meest interessante kwesties, die waarbij het potentieel schuurt, zijn uitgelicht.