Einde inhoudsopgave
De overeenkomst in het insolventierecht (R&P nr. InsR3) 2012/7.5.3.2
7.5.3.2 Het beoogde gebruik
mr. T.T. van Zanten, datum 14-09-2012
- Datum
14-09-2012
- Auteur
mr. T.T. van Zanten
- JCDI
JCDI:ADS390392:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Onduidelijk is wanneer moet worden geoordeeld dat de onderneming wordt gecontinueerd. Is daarvan reeds sprake indien een enkele opdracht met gebruikmaking van de diensten van een gedeelte van het personeel wordt afgemaakt of moet de onderneming op volle oorlogssterkte draaien, al dan niet met het oog op een verkoop going concern? Ik zou willen aannemen dat aan dit vereiste geen al te hoge eisen mogen worden gesteld en voor de toepassing van art. 37b Fw al snel mag worden aangenomen dat de onderneming wordt voortgezet.
Zie Kamerstukken II, 1999/2000, 27 244, A p. 12.
Zie omtrent de uitleg van het begrip 'onderneming' de vraag van de vaste Commissie voor Justitie uit de Eerste Kamer, Kamerstukken I, 2004/05, 27 244, B, p. 2, en het antwoord van de minister, Kamerstukken I, 2004/05, 27 244, C, p. 2.
Zie § 7.3.3. Vgl. Pres. Rb. Arnhem 24 augustus 1995, KG 1995, 350.
Art. 37b Fw is blijkens haar bewoordingen toepasselijk indien de eerste levensbehoeften van de schuldenaar in het geding zijn of de voortgezette energielevering benodigd is voor het voortzetten van de door de schuldenaar gedreven ondememing.1 Leveranciers van gas en elektriciteit zouden in dit licht na inachtneming van een redelijke termijn wellicht met succes kunnen betogen dat de curator voldoende gelegenheid heeft gehad om een andere leverancier te vinden en daarmee overeenstemming te bereiken, zodat niet langer kan worden gezegd dat zijn leveranties benodigd zijn om de onderneming te continueren. Ook de minister heeft zich in het Nader Rapport naar aanleiding van het Advies van de Raad van State laten ontvallen dat indien de leveranties van de desbetreffende leverancier niet benodigd zijn voor de voortzetting van de onderneming, de regeling van art. 37b Fw niet langer van toepassing zou zijn, hetgeen zijns inziens bijvoorbeeld het geval kon zijn indien de nutsbedrijven hun monopolistische status zouden verliezen.2
Hoe dit ook zij, het vereiste dat de leveranties benodigd moeten zijn om de onderneming te continueren, betekent naar mijn mening dat in ieder geval géén doorleveringsplicht bestaat in het geval dat door de schuldenaar-rechtspersoon géén onderneming wordt gedreven, zoals veelal bij non-profit organisaties die zijn ondergebracht in een vereniging of een stichting het geval is.3 Evenmin bestaat een doorleveringsplicht indien de door de schuldenaar gedreven onderneming niet wordt voortgezet, maar de curator niettemin gedurende enige tijd energie nodig heeft voor het behoud of de afwikkeling van de boedel. In dergelijke situaties zal de curator er dus in de regel niet aan ontkomen eerst de openstaande schuld te betalen. Alleen indien de boedel onvoldoende middelen bevat om de oude schuld te voldoen, terwijl de boedel per saldo bij voortzetting van de leveranties tegen integrale voldoening van het nutsbedrijf zou zijn gebaat, is opschorting mijns inziens ongeoorloofd, zij het dat het nutsbedrijf in dat geval wel uit de nog te realiseren baten dient te worden betaald.4