Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VIII.5.3
VIII.5.3 Waardering
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS598640:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 30 oktober 2014, nr. 17888/12 (Shvydka/Oekraïne).
Zie ook punt 4.7 van de door de Hoge Raad gevolgde conclusie over art. 14e lid 5 Sr van A-G Harteveld voor HR 15 april 2014, NJ 2015, 235, m.nt. Vellinga-Schootstra.
Van Sliedregt 2015, p. 22.
Cijfers daarover zijn zeldzaam. In Criminaliteit en Rechtshandhaving 2001, p. 130 wordt uit een steekproef van 7.000 appelen waarbij in eerste aanleg straf was opgelegd een vrijspraakpercentage van 7,6% gerapporteerd. Daar moet bij worden aangetekend dat de steekproef alleen betrekking had op gevallen waarin hoger beroep was ingesteld. Dat geeft aan dat aangewende rechtsmiddelen met regelmaat kans maken, maar niet dat in 7,6% van alle strafopleggingen die de rechter in eerste aanleg uitspreekt, de appelrechter anders zou oordelen.
Zie daarover § IV.3.2.4.
Zie de memorie van toelichting bij het conceptvoorstel ‘Wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de dadelijke tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen’, geraadpleegd via: www.rijksoverheid.nl. In de MvT wordt nog als bijkomende reden genoemd dat daardoor meer gedetineerden aan hun resocialisatie kunnen beginnen, maar dat argument vervult een bijrol. Vgl. Van Sliedregt 2015, p. 15.
Zie bijv. Kamerstukken II 2014-15, 34 086, nr. 7, p. 48: “Voor de geloofwaardigheid van het strafrechtssysteem en het vertrouwen in de rechtsstaat is het van groot belang dat een strafrechtelijke beslissing zo snel mogelijk wordt uitgevoerd. Hierdoor ontstaat een heldere en nauwe relatie tussen het plegen van een delict, de berechting en de straf.”
Zie daarover eerder § VIII.3.2.
De verdragsconformiteit van ons wetboek lijkt mij te zijn gebaat bij de beslissing het conceptwetsvoorstel tot dadelijke tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen niet door te zetten. De rechtspraak van het EHRM maakt weliswaar duidelijk dat onmiddellijke executie van punitieve sancties niet categorisch in strijd is met artikel 6 lid 2 EVRM, maar daarbij moet wel sprake blijven van een proportionele afweging van de betrokken belangen. Bij die afweging is onder meer van belang of de tenuitvoerlegging ongedaan kan worden gemaakt. Of executie van gevangenisstraf binnen de door het Hof genoemde reasonable limits zou vallen, laat zich slechts raden. In de richting van EVRM schending wijst onder meer dat het Hof het recht op (een effectief) hoger beroep als neergelegd in art. 2P7 EVRM geschonden achtte waar de verdachte zijn gevangenisstraf reeds voor de behandeling in hoger beroep volledig had moeten ondergaan.1 Weliswaar ging het in de door het EHRM op grond van artikel 6 lid 2 EVRM beoordeelde zaken om punitieve sancties waarover nog geen rechter zich had gebogen, maar daar staat tegenover dat in het conceptwetsvoorstel automatisch, dus zonder belangenafweging, een veel zwaardere en onherstelbare sanctie zou worden geëxecuteerd. Als dat binnen redelijke grenzen blijft, is het de vraag wat daar eigenlijk buiten valt.
Dat ligt anders voor de inmiddels dadelijk uitvoerbare sanctiemodaliteiten. Op voorhand is daarvan niet te verwachten dat zij in het algemeen treden buiten de reasonable limits die het EHRM bedoelt. Dat daaraan een rechterlijke belangenafweging voorafgaat, de voorwaardelijke sancties en vrijheidsbeperkende maatregelen in het algemeen minder ingrijpend van aard zijn, de appelrechter een opheffingsmogelijkheid heeft en steeds een afweging moet worden gemaakt tussen het maatschappelijk veiligheidsbelang en het belang van de betrokkene, zal het EHRM gunstiger stemmen.2
Ook het voorstel voorlopige hechtenis mogelijk te maken bij een veroordeling tot minimaal 1 jaar gevangenisstraf als alternatief voor de dadelijke uitvoerbaarheid van gevangenisstraffen, is Straatsburg-proof. Het Hof pleegt klachten over voorlopige hechtenis te beoordelen op grond van artikel 5 EVRM. De in die rechtspraak heersende interpretatie van artikel 5 lid 1 sub a EVRM brengt mee dat een veroordeling in eerste aanleg voor vrijheidsbeneming voldoende grond vormt.
Voor zover dadelijke tenuitvoerlegging met het EVRM verenigbaar is, rest de vraag of Nederland die ondergrens moet willen opzoeken. In haar kritiek op het voorstel tot dadelijke tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen concludeert Van Sliedregt dat meer nog dan het verdragsrecht van artikel 6 lid 2 EVRM, de ‘spirit’ van de onschuldpresumptie met het voorstel geweld wordt aangedaan.3 Die ‘spirit’, de grondslagen onder de behandelingsdimensie, vertonen grote gelijkenis met de grondgedachten waarop artikel 557 lid 1 Sv is gestoeld.
De onschuldpresumptie verlangt onder meer openheid en onzekerheid gedurende de procedure. Als daaronder ook de appel- en cassatiefase worden verstaan, past het niet goed wanneer de aanwending van rechtsmiddelen geen reële correctiemogelijkheid meer biedt. Dat heeft bovendien onbedoeld tot mogelijk neveneffect dat de appelrechter daardoor wordt beïnvloed.
Daarnaast strekt de behandelingsdimensie er in het verlengde van de bewijsdimensie toe te voorkomen dat onschuldigen in materiële zin worden bestraft. Nu is te hopen dat daadwerkelijk onschuldigen in de overgrote meerderheid van de gevallen in eerste aanleg reeds worden vrijgesproken, maar een als curiosum negeerbare zeldzaamheid is het allerminst wanneer een in eerste aanleg veroordeelde in latere instantie alsnog vrijuit gaat.4 Aan het betoog van Van Sliedregt kan nog worden toegevoegd dat de onschuldpresumptie tevens het gezag van het rechterlijk oordeel waarborgt. Op die grond verzet het beginsel zich vooral tegen buitenprocedurele bejegening als schuldige. Hoger beroep en cassatie kunnen weliswaar leiden tot tegenstrijdige rechterlijke oordelen, maar normaal gesproken zijn die rechtsmiddelen voor eenieder te beschouwen als een controlemechanisme dat de inhoudelijke kwaliteit van de procedure versterkt.5 Het is de vraag of die gedachte het nog wint waar uit die controle blijkt dat een reeds ondergane straf niet had hoeven worden ondergaan. Dan komt die beslissing immers als mosterd na de maaltijd.
In principiële zin gelden bovengenoemde bezwaren ook voor de dadelijke uitvoerbaarheid van voorwaardelijke modaliteiten en vrijheidsbeperkende maatregelen. Van de dadelijke tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf is daarnaast echter de noodzaak tamelijk onduidelijk. Het tegenover de onschuldpresumptie gestelde belang is dat een snellere en meer zekere tenuitvoerlegging wordt verkregen die de geloofwaardigheid van het strafrechtssysteem versterkt.6 Welbeschouwd gaat het er dus primair om schuldigen sneller te straffen, waarvoor de executie van achteraf onterechte straffen de te betalen prijs is. De gedachte dat beter tien schuldigen hun straf ontsnappen dan dat één onschuldige wordt gestraft, is daarin ver te zoeken.
Bij de wel ingevoerde vormen van dadelijke tenuitvoerlegging vindt steeds een belangenafweging plaats waarbij de rechter het gevaar voor herhaling dient af te wegen tegen de belangen van het betrokken individu. In materiële zin heeft dat veel weg van een vrijheidsbeperkend dwangmiddel dat wordt gebaseerd op gevaar voor recidive. De gedragsaanwijzing van het Openbaar Ministerie uit artikel 509hh Sv strekt in dat opzicht tot voorbeeld en is in het licht van de onschuldpresumptie onproblematisch. Zolang dwangmiddelen als de gedragsaanwijzing en bijvoorbeeld de voorwaardelijke schorsing van de voorlopige hechtenis in deze fase onvoldoende bestaan of worden benut, is begrijpelijk dat relatief milde sancties dadelijk en dus onherstelbaar uitvoerbaar zijn.
Dat neemt niet weg dat het vanuit de onschuldpresumptie bezien minder fraai is niet-onherroepelijke sancties te executeren. Het onderscheid tussen de dadelijke tenuitvoerlegging van een sanctie en de toepassing van een dwangmiddel is feitelijk misschien niet groot, maar symbolisch reëel. Opvallend aan de jonge wetsgeschiedenis over voorgestelde en aangenomen vormen van dadelijke tenuitvoerlegging is dat aan die symboliek waarde wordt gehecht, maar niet ten gunste van het vermoeden van onschuld. De stelling dat de dadelijke tenuitvoerlegging de geloofwaardigheid van het strafrecht baat, is een terugkerende. Dat heeft niet telkens louter betrekking op de feitelijke effectiviteit van strafrechtelijk optreden, maar juist ook op de symboliek van snelle en daadkrachtige strafrechtelijke reactie op onwenselijk gedrag.7 Die symboliek schuurt met de eveneens in belangrijke mate symbolische onschuldpresumptie die staat voor voorzichtige, door voortdurende zelftwijfel gekenmerkte, procedurele zorgvuldigheid, waarbij ten voordele van de verdachte ook met onwaarschijnlijke mogelijkheden en scenario’s steeds rekening moet worden gehouden tot de verdachte onherroepelijk is veroordeeld.
Het symbolische dat met dadelijke tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf werd nagestreefd, wordt met het alternatief van een nieuwe grond voor voorlopige hechtenis weer prijsgegeven. Tegen voorlopige hechtenis na veroordeling in eerste aanleg bestaat bezien vanuit de onschuldpresumptie op zichzelf minder bezwaar. In vergelijking met de dadelijk ten uitvoer te leggen bijzondere sancties ontbreekt het echter aan een duidelijk belang dat de rechter daarmee dient na te streven. In dat opzicht laat de nieuwe grond zich goed plaatsen in de ontwikkeling van de gronden voor voorlopige hechtenis. Net als bij de ernstig geschokte rechtsorde en de behandeling door middel van snelrecht ontbreekt een duidelijk tegen de vrijheid van het niet-onherroepelijk veroordeelde individu af te wegen belang.8