Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 juni 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1881.
HR, 12-11-2024, nr. 22/02243
ECLI:NL:HR:2024:1635
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-11-2024
- Zaaknummer
22/02243
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Politierecht (V)
Materieel strafrecht (V)
Internationaal publiekrecht (V)
Staatsrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1635, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑11‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:789
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2022:1881
ECLI:NL:PHR:2024:789, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 27‑08‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1635
- Vindplaatsen
Uitspraak 12‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Medeplegen lokaalvredebreuk bij pensioenfonds tijdens demonstratie (art. 138.1 Sr). Verweer strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van strafvervolging met art. 10 en 11 EVRM. Om redenen vermeld in HR:2024:1623 slaagt klacht. HR doet zaak zelf af door verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Samenhang met 22/02234, 22/02235, 22/02236, 22/02237, 22/02240, 22/02241 en 22/02242.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02243
Datum 12 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 13 juni 2022, nummer 20-003034-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafbaarverklaring van het bewezenverklaarde, de strafbaarverklaring van de verdachte daarvoor en de strafoplegging, tot ontslag van de verdachte van alle rechtsvervolging, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de verwerping van het verweer dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van de strafvervolging met de artikelen 10 en 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.2
Het cassatiemiddel slaagt in zoverre. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 22/02236, ECLI:NL:HR:2024:1623. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen door de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Gelet op de beslissing die hierna volgt, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over de strafbaarverklaring van het bewezenverklaarde, de strafbaarverklaring van de verdachte daarvoor en de strafoplegging;
- ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 november 2024.
Conclusie 27‑08‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Huisvredebreuk (art. 138 Sr). Demonstratierecht (art. 11 EVRM). 'Sit-in' bij pensioenfonds. 1. Falende klacht over aanvulling bewijsmiddel na bevestiging vonnis. 2. Is verweer dat strekt tot ontslag van alle rechtsvervolging met beroep op demonstratierecht toereikend gemotiveerd verworpen? AG verwijst naar conclusie in samenhangende zaak 22/02236 (PHR:2024:769). Conclusie strekt tot partiële vernietiging en tot ontslag van alle rechtsvervolging.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02243
Zitting 27 augustus 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 13 juni 2022 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, waarbij de verdachte is veroordeeld wegens het “wederrechtelijk in het besloten lokaal vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijderen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen”, bevestigd met uitzondering van de opgelegde straf en met verbetering van de overwegingen over de strafbaarheid van het bewezenverklaarde. Het hof heeft de verdachte veroordeeld zonder oplegging van een straf of maatregel.1.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 22/02234, 22/02235, 22/02236, 22/02237, 22/02240, 22/02241 en 22/02242. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Namens de verdachte heeft W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
4. Het eerste middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring. In de kern bezien wordt aangevoerd dat de verdachte onvoldoende duidelijk is aangeduid in het bewijsmiddel in het door het hof bevestigde vonnis, terwijl de latere aanvulling met bewijsmiddelen door het hof in strijd is met het oordeel van het hof dat het vonnis in eerste aanleg wat betreft de bewijsmotivering wordt bevestigd.
5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
“op 17 juni 2021 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met anderen, in het besloten lokaal, te weten een bedrijfspand bij APG Pensioenfonds in gebruik, wederrechtelijk aldaar vertoevende zich met zijn mededaders, niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd”.
6. Het bevestigde vonnis houdt als bewijsmiddel in:
“De inhoud van:
a. het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] d.d. 17 juni 2021 met fotobijlage […]”.
7. Het hof heeft het vonnis in eerste aanleg bevestigd met uitzondering van de opgelegde straf en met verbetering van de overwegingen over de strafbaarheid van het bewezenverklaarde. Het hof heeft zijn uitspraak op 12 oktober 2022 aangevuld met bewijsmiddelen. Deze bewijsmiddelen houden in:
“1.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 juni 2021 (pg. 1 t/m 3), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3]:
Op 17 juni 2021, bevonden wij ons in het hoofdkantoor van het APG Pensioenfonds, gelegen te Heerlen. Wij waren in voornoemd gebouw aanwezig vanwege een demonstratie van de actiegroep “Extinction Rebellion”. Zij hadden met 8 personen de lobby van het gebouw bezet en weigerden deze te verlaten. Wij hoorden dat de beveiliging van het gebouw de demonstranten toesprak en wij hoorden dat hij hen mededeelde dat zij het gebouw moesten verlaten. Wij hoorden dat hij hen vorderde het gebouw te verlaten. Wij zagen dat alle demonstranten bleven zitten of staan na de vordering. Ik, [verbalisant 3], deelde hen mede dat zij nu de laatste kans kregen om aan deze vordering te voldoen, dat zij, indien zij niet aan de vordering voldeden, zich strafbaar maakten aan huisvredebreuk en door de politie aangehouden zouden worden. Ik, [verbalisant 3], had hen dit eerder op de dag ook al duidelijk gemaakt dat zij onrechtmatig in het gebouw aanwezig waren en uitgelegd wat de consequenties zouden zijn van het niet voldoen aan de vordering om het gebouw te verlaten. Wij, verbalisanten, zagen dat niemand opstond of aanstalten maakte om te vertrekken.
Vervolgens werden de volgende verdachten (hieronder bij achternaam genoemd) aangehouden ter zake van huisvredebreuk:
- [betrokkene 1] op 17 juni 2021
- [betrokkene 2] op 17 juni 2021
- [betrokkene 3] op 17 juni 2021
- [verdachte] op 17 juni 2021
- [betrokkene 4] op 17 juni 2021
- [betrokkene 5] op 17 juni 2021
- [betrokkene 6] op 17 juni 2021
- [betrokkene 7] op 17 juni 2021
2.
Het proces-verbaal van aanhouding d.d. 17 juni 2021 (pg. 5-6), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5]:
Op 17 juni 2021 hielden wij te Heerlen als verdachte aan:
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedatum] 1990”.
8. Bij de beoordeling van het middel zou ik om te beginnen willen opmerken dat de verdachte inderdaad niet voldoende duidelijk is aangeduid in het bewijsmiddel dat is genoemd in het door het hof bevestigde vonnis en dat door het hof (in uitgewerkte vorm) in zijn aanvulling als bewijsmiddel 1 is opgenomen. In dat bewijsmiddel komt slechts de achternaam van de verdachte voor en geen andere personalia van de verdachte.
9. De steller van het middel betoogt echter vervolgens dat de aanvulling door het hof met bewijsmiddel 2, waarin de verdachte wel volledig is aangeduid, in strijd is met de uit het arrest blijkende beslissing van het hof dat het vonnis in eerste aanleg voor wat betreft de bewijsmotivering wordt bevestigd. Dat lijkt mij onjuist. De bevestiging van een vonnis op grond van art. 423 Sv betreft immers slechts de beslissingen in dat vonnis en niet de gronden waarop die beslissingen rusten. Die gronden kunnen – ondanks de bevestiging van een vonnis – worden aangevuld of verbeterd.2.
10. Het hof heeft in zijn arrest gronden verbeterd (de overwegingen over de strafbaarheid van het bewezenverklaarde) en dit sluit niet uit dat de bewijsvoering later nog wordt aangevuld met bewijsmiddelen in een aanvulling als bedoeld in art. 365a lid 2 Sv.3.Weliswaar zou het de inzichtelijkheid in de bedoeling van het hof ten goede zijn gekomen als het hof in zijn arrest (dat kennelijk is bedoeld als een verkort arrest) had aangegeven dat het door de rechtbank gebezigde bewijsmiddel later zo nodig zal worden vervangen door uitgewerkte bewijsmiddelen in een aanvulling met bewijsmiddelen als bedoeld in art. 365a lid 2 Sv, maar ontoelaatbaar is die aanvulling ook zonder die mededeling niet.
11. Daarbij komt dat de verdachte ook kennelijk geen belang bij cassatie heeft. Niet ter discussie staat immers dat het hof na terugwijzing het extra bewijsmiddel met verdere gegevens van de verdachte alsnog zou kunnen aanvullen. De bewezenverklaring is na aanvulling met dat bewijsmiddel toereikend gemotiveerd.
12. Het middel faalt.
Het tweede middel
13. Het tweede middel klaagt over de verwerping van het verweer dat strekt tot ontslag van alle rechtsvervolging en over het oordeel dat het bewezenverklaarde strafbaar is.
14. Het middel slaagt en de Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen. Voor de redenen daarvoor verwijs ik graag naar mijn conclusie van vandaag in de samenhangende zaak 22/02236 (ECLI:NL:PHR:2024:769).4.
Slotsom
15. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen.
16. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 20 juni 2022. Dit brengt mee dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Gelet op de beslissing die ik hierna voorstel, kan de Hoge Raad mijn inziens volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.5.Ook verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafbaarverklaring van het bewezenverklaarde, de strafbaarverklaring van de verdachte daarvoor en de strafoplegging, tot ontslag van de verdachte van alle rechtsvervolging, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑08‑2024
HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0256, NJ 2011/294, m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 2.8.2. Zie ook J.J.I. de Jong, ‘De techniek van het bevestigen en vernietigen van het vonnis waarvan beroep’, TPWS 2019/25.
Vgl. HR 28 augustus 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3862, r.o. 2.3.
Ten opzichte van de samenhangende zaak bevat de schriftuur in de voorliggende zaak een extra deelklacht (onder 35-37). Omdat wat mij betreft het middel al slaagt, laat ik deze extra deelklacht onbesproken.
Vgl. HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.3.