Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/9.2.1
9.2.1 Bevoegdheid
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS584869:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Ook wel (onzuiver) aangeduid als de 'wilsrechten' uit de overeenkomst, vgl. o.a. T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 584.
De bevoegdheden ontstaan wanneer herstel en vervanging onmogelijk zijn of van de verkoper niet gevergd kunnen worden, dan wei wanneer de verkoper tekort is geschoten in een verplichting als bedoeld in art. 7:21 lid 3 BW (art. 7:22 lid 2 BW). Voor zover daarvan in afd. 7.1.3 BW niet van is afgeweken zijn op beide bevoegdheden de bepalingen van afd. 6.5.5. BW omtrent de ontbinding van een overeenkomst van overeenkomstige toepassing (art. 7:22 lid 3 BW).
Zie Biemans 2009d, par. 6.4.
Vgl. o.a. art. 7:408 BW (opdracht); art. 7:422 lid 2 BW (lastgeving); art. 7:667 e.v. BW (arbeid); art. 7:861 BW (borgtocht); art. 7:228 lid 2, 7:271 e.v. en 7:293 e.v BW (huur); art. 7:367 e.v. BW (pacht). Vgl. art. 7:939 e.v. BW (verzekering).
Vgl. o.a. Wiarda 1937, p. 362 e.v.
Vgl. Hammerstein & Vranken 2003, nr. 15.
Zie hiervóór nr. 195. Vgl. ook art. 7:861 lid 2 BW.
Wel zal bijvoorbeeld bij huur, pacht en bruikleen de verplichting ontstaan om de gehuurde, gepachte of in bruikleen gegeven zaak terug te geven aan de eigenaar.
504. Bij de bevoegdheid om een overeenkomst te beeindigen kan worden onderscheiden tussen de bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden, op te zeggen en te vemietigen.1
Bij rechtsverhoudingen uit wederkerige overeenkomst geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt (art. 6:265 lid 1 BW). Een ontbinding heeft geen terugwerkende kracht (art. 6:269 BW). Zij bevrijdt de partijen van de daardoor getroffen verbintenissen. Voor zover deze reeds zijn nagekomen, blijft de rechtsgrond voor deze nakoming in stand, maar ontstaat voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties (art. 6:271 BW). Op grond van art. 6:270 BW is ook de gedeeltelijke ontbinding van een overeenkomst mogelijk, hetgeen leidt tot een evenredige vermindering van de wederzijdse prestaties in hoeveelheid of hoedanigheid.
Bij koop hebben de consumentenkoper en de verkoper ieder een bijzondere bevoegdheid om te ontbinden. Als het afgeleverde niet aan de overeenkomst beantwoordt, is de consumentkoper bevoegd om de koop te ontbinden (tenzij de afwijking van het overeengekomene, gezien haar geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt) of om de prijs te verminderen in evenredigheid met de mate van afwijking van het overeengekomene (in art. 7:22 lid 1 sub a en sub b BW).2 Het voordeel voor de consumentenkoper om op deze grond te ontbinden is met name dat een schriftelijke ingebrekestelling achterwege kan blijven. Als de koopprijs niet is betaald en in verband daarmee aan de vereisten voor een ontbinding als bedoeld in art. 6:265 BW is voldaan, kan de verkoper van de roerende zaak die niet een registergoed is, de zaak door een tot de koper gerichte schriftelijke verklaring terugvorderen. Door de verklaring wordt de koop ontbonden en eindigt het recht van de koper of zijn rechtsverkrijger (art. 7:39 lid 1 BW, het recht van reclame). Het voordeel voor de verkoper om op deze grond te ontbinden, is dat deze ontbinding goederenrechtelijke werking heeft.3 In het faillissement van de koper (de schuldenaar) kan de curator op grond van art. 7:40 lid 1 BW het rechtsgevolg aan de terugvordering ontnemen door alsnog binnen een daartoe door de verkoper bij diens verklaring te stellen redelijke termijn de koopprijs te betalen of daarvoor zekerheid te stellen. Op grond van art. 7:47 BW zijn art. 7:22 BW en art. 7:39 BW ook van toepassing op de koop van vermogensrechten.4
505. Het Burgerlijk Wetboek kent geen algemene, wettelijke regeling voor het opzeggen van overeenkomsten en de rechtsgevolgen daarvan. De bevoegdheid tot opzegging is met name van belang voor duurovereenkomsten, zoals overeenkomsten van huur, pacht, bruikleen, arbeid, opdracht, lastgeving, borgtocht en verbruiklening. Deze regelingen bevatten in de regel dan ook een bepaling omtrent opzegging.5 De geldvorderingen bij huur, pacht, arbeid, opdracht, lastgeving en verbruikleen zijn voor overdracht vatbaar. De niet-geldelijke vorderingen, zoals de vordering tot het ter beschikking stellen en het gebruiken van de zaak (huur, pacht, bruikleen) en de vordering tot het verrichten van werkzaamheden (arbeid, opdracht, lastgeving) zijn daarentegen niet voor afzonderlijke overdacht vatbaar.6 Ook de vordering jegens de borg is als afhankelijk recht en nevenrecht niet voor overdracht vatbaar. De rechtsgevolgen van opzegging zijn verschillend. Als de verbintenis een doorlopende verplichting is, bijvoorbeeld de verplichting om een zaak ter beschikking te stellen en te laten gebruiken of om werkzaamheden te verrichten, bevrijdt de opzegging de partij van deze verbintenis.7 Gaat het echter om een bestaande geldvordering, dan komt de vordering door de opzegging niet te vervallen. Gaat het om een geldvordering uit geldlening, dan wordt deze door de opzegging opeisbaar .8 Voor partijen ontstaat na opzegging geen verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties.9
506. Overeenkomsten kunnen als meerzijdige rechtshandelingen ook vernietigd worden. Een rechtshandeling kan onder meer vernietigd worden als deze is verricht door een handelingsonbekwame (art. 3:32 BW) of een geestelijk gestoorde (art. 3:34 BW); als deze tot stand is gekomen door een wilsgebrek, zoals bedreiging, bedrog en misbruik van omstandigheden (art. 3:44 BW) en dwaling (art. 6:228 BW); als deze is verricht in strijd met een dwingende wetsbepaling en de desbetreffende bepaling uitsluitend strekte tot bescherming van een van de partijen bij een meerzijdige rechtshandeling (art. 3:40 lid 2 BW; zie bijvoorbeeld art. 7:6 BW); in voorkomende gevallen als voor het verrichten van de rechtshandeling de toestemming van een ander ontbrak, bijvoorbeeld de echtgenoot (art. 1:89 lid 1 BW); of als door het verrichten van de rechtshandeling het doel van de rechtspersoon is overschreden (art. 2:7 BW).
Op grond van art. 6:233 BW zijn voorts bedingen in algemene voorwaarden vernietigbaar indien het desbetreffende beding, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijdse kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij; of indien de gebruiker aan de wederpartij niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. Voor natuurlijke personen die niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf ('consumenten') bestaat een zwarte en een grijze lijst (art. 3:236-237 BW) die bedingen bevat die onredelijk bezwarend zijn respectievelijk vermoed worden onredelijk bezwarend te zijn.
De rechtshandeling of het beding wordt vemietigd hetzij door een buitengerechtelijke verklaring, hetzij door een rechterlijke uitspraak (art. 3:49 BW).10 De vernietiging heeft terugwerkende kracht (art. 3:53 lid 1 BW). Door de vernietiging van de rechtshandeling komt met terugwerkende kracht de aan de vordering ten grondslag liggende overeenkomst te vervallen, waardoor ook de vordering met terugwerkende kracht komt te vervallen. Door de vernietiging van een beding in de algemene voorwaarden komt met terugwerkende kracht het beding te vervallen dat de inhoud van de vordering bepaalt, waardoor met terugwerkende kracht de inhoud van de vordering wordt gewijzigd.