Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/3.5.8.3
3.5.8.3 Uitoefening van andermans vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS591845:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor derdenbeslag, art. 477a lid 5 Rv, en zie daarover M.v.T. Inv., Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 178. Wordt bijvoorbeeld beslag gelegd op een vordering uit hoofde van een huur- of arbeidsovereenkomst, dan is de sector kanton bevoegd.
Zie bijvoorbeeld art. 1:12 lid 2 BW, op grand waarvan de woonplaats van de bewindvoerder bepalend is voor de bevoegdheid van de rechter, tenzij de wederpartij ten tijde van het instellen van de rechtsvordering tegen de betrokkene het bewind kende noch behoorde te kennen (art. 1:439 en 1:440 BW). Zie Asser/De Boer 1 * 2010, nr. 1166. Vgl. T.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 468.
Vgl. Rb. Rotterdam 19 februari 1982, S&S 1982/76, in welke zaak een cessionaris door subrogatie gesplitste vorderingen overgedragen had gekregen en bij de rechtbank een samengevoegde vordering instelde.
Zie HR 6 maart 2007, NJ 2007, 157.
Zie art. 1:449 lid 1 BW.
Zie HR 14 januari 1983, NJ 1983, 597 (Peeters q.q./Gatzen), m.nt. BW.
Zie HR 15 april2003, NJ 2003, 377. Vgl. HR 12 maart 1996, NJ 1996, 479, waarin de Hoge Raad oordeelde dat de curator kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 552b lid 1 Rv.
Immateriële schade door de ouders geleden komt niet voor vergoeding in aanmerking. Uit HR 2 juli 2002, LJN AE2642 valt af te leiden dat op grond van art. 6:107 lid 1 BW wel voor vergoeding in aanmerking komt de verplaatste schade, de kosten die door de ouders ten behoeve van het minderjarige slachtoffer zijn gemaakt en die het kind hypothetisch ook zelf zou kunnen hebben gemaakt als het een derde had ingeschakeld, zoals kosten van verpleging, therapie of geneesmiddelen. Zie T&T Sr, art. 36f Sr, sub a.
Om dezelfde reden kan de schuldenaar deze bedingen aan hem tegenwerpen. Zie hierna nr. 554 en 565. Vgl. Van Achterberg 1999, nr. 17 (fine); Verdaas 2008a, nr. 435 en 437; H.J. Snijders 2007, art. 1020, aant. 7, met verdere literatuurverwijzingen.
Vgl. hierover H.J. Snijders 2007, art. 1020, aant. 7, met verdere literatuur- en jurisprudentieverwijzingen. Zie o.a. Rb. 's-Hertogenbosch 28 juni 1996, kenbaar uit HR 11 december 1998, NJ 1999, 34; en Hof 's-Gravenhage 24 maart 1998, S&S 1998,91.
Zie HR 8 december 1989, NJ 1990, 498 (Werkhoven Engels/De Bever), m.nt. JBMV; de noot van Vranken (sub 2c) onder het arrest en de conclusie van A-G Asser (nt. 24) voor het arrest. Anders: H.J. Snijders 2007, art. 1020, aant. 7, p. 89, die schrijft dat een arbitrageovereenkomst aangegaan door een middellijk vertegenwoordiger ten behoeve van zijn principaal, de principaal niet bindt, nu de principaal geen partij is bij de overeenkomst. Het is dan echter de vraag of de schuldeiser, nadat de procesbevoegde derde de arbitrageprocedure heeft gevoerd, aan de uitkomst van de arbitrage is gebonden, en zo ja, waarom.
Zie HR 3 december 1937, NJ 1938, 352, m.nt. EMM; HR 17 juni 1938, NJ 1939, 495, m.nt. PS; en HR 8 december 1989, NJ 1990,498 (Werkhoven Engels/De Bever), m.nt. JBMV. Vgl. HR 11 december 1931, NJ 1932, 168, W. 12384. Zie ook hiervoor nr. 131 en 136-137.
Eerst indien het verweer van de wederpartij daartoe aanleiding geeft, zal de lasthebber dienen te stellen en zo nodig dienen te bewijzen dat hij uit hoofde van lastgeving bevoegd is in eigen naam ten behoeve van de stille cessionaris de overeenkomst aan te gaan. Zie HR 26 november 2004, NJ 2005, 41 (Haantjes/Damstra).
163. Als de stille cedent inningsbevoegd is, al dan niet na een partiële stille cessie, is het de vraag of daardoor de bevoegdheid van de rechter verandert. Het antwoord luidt ontkennend.
Indien een procesbevoegde derde ten aanzien van andermans vordering in rechte nakoming vordert, verandert de absoluut of relatief bevoegde rechter in beginsel niet.1 De persoon van de procesbevoegde derde speelt in beginsel geen rol. Op dit uitgangspunt bestaan in voorkomende gevallen wettelijke uitzonderingen.2 Ook is goed verdedigbaar dat onder het begrip eiser in art. 109 Rv de formele procespartij dient te worden verstaan; hij treedt immers op als eiser. Als art. 98 tot en met 108 Rv geen bevoegde rechter aanwijzen, is derhalve de rechter van de woonplaats van de procesbevoegde derde bevoegd. De gedaagde (de schuldenaar) wordt hierdoor niet onredelijk benadeeld. Bij een stille cessie zou om die reden de rechtbank van de woonplaats van de procesbevoegde stille cedent bevoegd blijven.
164. Bij een partiële cessie kan de stille cedent in een procedure nakoming eisen van beide deelvorderingen, dus van zijn eigen deelvordering en de stil gecedeerde deelvordering. Van de ene deelvordering zal hij nakoming eisen als schuldeiser; van de andere deelvordering als lasthebber. Het totaal van de beide vorderingen dient beslissend te zijn voor de bevoegdheid van de rechter, ongeacht of de stille cedent de vorderingen in verschillende hoedanigheden indient. Dient de stille cedent als lasthebber in eigen naam en als schuldeiser een samengestelde vordering in, dan is de rechtbank op grond daarvan bevoegd.3
165. Na de overgang van de vordering kan de nieuwe schuldeiser geen gebruik maken van een bijzondere rechtsgang. Het is de vraag of de inningsbevoegde cedent gebonden is aan de rechtsgang die de stille cessionaris zou dienen te volgen, als nieuwe schuldeiser, of dat hij een aan hem gegeven bijzondere procesgang kan blijven volgen tot het moment van mededeling.
Is aan de schuldeiser een bijzondere procesgang gegeven, dan kan de procesbevoegde derde van deze bijzondere rechtsgang gebruik maken. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de bewindvoerder een onder bewind gestelde schadevergoedingsvordering van een slachtoffer van een misdrijf mag indienen in de strafprocedure.4 De bevoegdheid van de bewindvoerder eindigt als de rechthebbende (het slachtoffer) overlijdt en daardoor ook het bewind eindigt.5 De curator is bevoegd om ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers een zogenaamde Peeters/Gatzen-vordering (art. 6:162 BW)6 in te stellen in het strafproces.7 Ook de ouders van een minderjarig slachtoffer kunnen zich op grond van art. 51c Sv als wettelijke vertegenwoordigers voegen namens hun kind voor de rechtstreeks door het kind geleden schade.8 Uit deze uitspraken volgt meer in het algemeen dat aan een inningsbevoegde derde de bevoegdheid toekomt om zich te voegen in het strafproces. Hetzelfde geldt naar mijn mening voor andere procedures. Een curator van een gefailleerde advocaat kan betaling vorderen van een openstaande advocatendeclaratie in de daarvoor aangewezen bijzondere rechtsgang.
Uit het voorgaande volgt in beginsel dat de procesgang van de stille cessionaris beslissend zou moeten zijn. Hij is immers de schuldeiser. Daaruit zou volgen dat na de stille cessie de stille cedent niet langer gebruik zou kunnen maken van een bijzondere procesgang waarop hij als schuldeiser aanspraak kon maken. Die uitkomst is naar mijn mening niet wenselijk. Zolang de stille cedent krachtens lastgeving bevoegd blijft om de vordering te innen, dient hij gebruik te kunnen maken van de bijzondere procesgang die hem ook als schuldeiser was gegeven. Een andere opvatting zou in voorkomende gevallen kunnen lei den tot de noodzaak om mededeling te doen van de stille cessie, om aan te geven dat niet langer van een bepaalde rechtsgang gebruik kan worden gemaakt. Dit dient geen redelijk doel. Begint de stille cessionaris na mededeling een procedure, dan is hij aangewezen op de normale procesgang.
166. Door de overgang van de vordering gaan de procesrechtelijke bedingen en overeenkomsten als nevenrechten op de stille cessionaris. Het is de vraag of de inningsbevoegde stille cedent zich daarop kan beroepen. Het antwoord luidt bevestigend.
Omdat de derde andermans recht uitoefent, kan hij een beroep doen op de toepasselijke bedingen, zoals arbitrage- en forumkeuzebedingen. Deze bedingen en overeenkomsten bepalen immers nader de inhoud van de vordering.9 Dat geldt óók voor derdenbeslag. De beslaglegger maakt de vordering van de geëxecuteerde te gelde en kan zich derhalve beroepen op bijvoorbeeld een arbitragebeding. Omdat de stille cedent de vordering uitoefent, kan hij bij de uitoefening (inning) van de stil gecedeerde vordering ook op de daaraan verbonden nevenrechten een beroep doen.
167. Het is voorts de vraag of de stille cedent dergelijke bedingen ook in eigen naam ten behoeve van de stille cessionaris kan aangaan.
Een beheersbevoegde derde zal bevoegd zijn om dergelijke bedingen zelf overeen te komen en bestaande bedingen te wijzigen, als dit dienstig kan zijn aan een goed beheer van de vordering.10 De pandhouder en beslaglegger zijn hiertoe alleen bevoegd als zij daarvoor (bij voorbaat) toestemming hebben gekregen van de schuldeiser (de pandgever dan wel de geëxecuteerde). De stille cedent kan hiertoe bevoegd zijn krachtens lastgeving. Is hierover in de lastgeving niets bepaald, en kan het aangaan van bedingen zoals een arbitragebeding of forumkeuzebeding dienstig zijn aan een goed beheer van de vordering, dan is de stille cedent naar mijn mening bevoegd om deze bedingen in eigen naam aan te gaan.
Als de derde (bevoegdelijk) dergelijke bedingen in naam van de schuldeiser aangaat, wordt de schuldeiser partij bij het desbetreffende beding en is hij hieraan rechtstreeks gebonden. De rechtshandeling van de derde – het aangaan van de overeenkomst – kan aan de schuldeiser worden toegerekend. De procesbevoegde derde is vervolgens aan het beding gebonden, omdat hij de vordering van de schuldeiser uitoefent en de bedingen mede de inhoud van de vordering bepalen.11
Ook als de derde het beding (bevoegdelijk) in eigen naam aangaat, is de schuldeiser aan het beding gebonden. De overeenkomst bepaalt nader de inhoud van de vordering. Door het aangaan van de overeenkomst oefent de derde het recht van de schuldeiser uit, namelijk het recht om diens vordering te wijzigen. Door de wijziging van de vordering bewerkstelligt de derde rechtstreeks rechtsgevolgen voor de schuldeiser, zonder dat sprake is van toerekening.12 Zou het gaan om een overeenkomst die betrekking heeft op de vordering als zodanig (als goed), bijvoorbeeld een koopovereenkomst, dan zou van de uitoefening van andermans recht geen sprake zijn. De derde die de overeenkomst in eigen naam aangaat, bindt dan alleen zichzelf.
Kan een misverstand bestaan of de derde bij het aangaan van de overeenkomst (alleen) pro se handelt of (ook) in hoedanigheid, zoals een deelgenoot, dan dient hij bij het aangaan van de overeenkomst zijn hoedanigheid kenbaar te maken op dezelfde als waarop dit geldt voor het procederen.13
De beheersbevoegde stille cedent kan in eigen naam ten behoeve van de stille cessionaris procesrechtelijke overeenkomsten aangaan waardoor de stil gecedeerde vordering wordt gewijzigd. Omdat de stille cedent daardoor het recht van de stille cessionaris wijzigt, bewerkstelligt hij rechtstreeks rechtsgevolgen voor de stille cessionaris, zonder dat sprake is van toerekening (onmiddellijke vertegenwoordiging). Hij hoeft daarbij zijn hoedanigheid van lasthebber niet kenbaar te maken.14 Het door de stille cedent in eigen naam aangegane beding wordt een nevenrecht bij de stil gecedeerde vordering. De stille cedent is als inningsbevoegde derde aan dit beding gebonden.