NJB 2025/937
Aanhoudingsverzoek en aanwezigheidsrecht van verdachte die niet naar Nederland kon komen vanwege het niet kunnen voldoen aan een door de staat voor visumverlening vereiste garantstelling, art. 6 EVRM: de Hoge Raad herhaalt het toepasselijke kader uit HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737 in iets andere bewoordingen. In casu kon het hof oordelen dat ‘inmiddels het moment was gekomen dat het strafvorderlijk en maatschappelijk belang – het belang dat de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige behandeling van de zaak – zwaarder weegt dan het belang van de verdachte bij het uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht’.
HR 22-04-2025, ECLI:NL:HR:2025:658
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22 april 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, T.B. Trotman, R. Kuiper
- Zaaknummer
22/04043
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:658, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑04‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:164, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑02‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 23‑02‑2023
- Wetingang
(art. 6 EVRM)
Essentie
Aanhoudingsverzoek en aanwezigheidsrecht van verdachte die niet naar Nederland kon komen vanwege het niet kunnen voldoen aan een door de staat voor visumverlening vereiste garantstelling, art. 6 EVRM: de Hoge Raad herhaalt het toepasselijke kader uit HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737 in iets andere bewoordingen. In casu kon het hof oordelen dat ‘inmiddels het moment was gekomen dat het strafvorderlijk en maatschappelijk belang – het belang dat de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige behandeling van de zaak – zwaarder weegt dan het belang van de verdachte bij het uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht’.