Waar [X] woonde, is uit het dossier niet duidelijk. In hun stellingname gaan beide partijen ervan uit dat hij Nederlands ingezetene was.
HR, 12-07-2019, nr. 18/04098
ECLI:NL:HR:2019:1177
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-07-2019
- Zaaknummer
18/04098
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2019:1177, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑07‑2019; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:407
ECLI:NL:PHR:2019:407, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑04‑2019
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1177
Beroepschrift, Hoge Raad, 16‑04‑2019
- Vindplaatsen
V-N 2019/34.5 met annotatie van Redactie
NLF 2019/1812 met annotatie van Nicole Gubbels
BNB 2019/144 met annotatie van P.G.H. ALBERT
FED 2019/132 met annotatie van G.G.M. Snoeks
FutD 2019-1843
Viditax (FutD) 2019071206
NLF 2019/1287 met annotatie van Nicole Gubbels
NTFR 2019/1356 met annotatie van MR. E. ALINK
FutD 2019-1344
Viditax (FutD) 2019051701
Uitspraak 12‑07‑2019
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 18/04098
Datum 12 juli 2019
ARREST
In de zaak van
de ERVEN VAN [X] te [Z] (hierna: belanghebbenden)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 31 augustus 2018, nr. 17/00722, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidenteel hoger beroep van belanghebbenden tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 16/2502) betreffende de aan [X] voor het jaar 2013 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbenden hebben een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 16 april 2019 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep (ECLI:NL:PHR:2019:407).
Belanghebbenden hebben schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van de middelen
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
[X] (hierna: de erflater) heeft op 31 december 2012 de besloten vennootschap [A] B.V. (hierna: de BV) opgericht. In de akte van oprichting is bepaald dat het gestorte aandelenkapitaal € 100 bedraagt. Op dezelfde dag heeft de erflater een bedrag van € 1.500.000 vanaf zijn privébankrekening laten overmaken naar een derdenrekening van de notaris bij wie de BV is opgericht, onder vermelding “Agiostorting [A] B.V.”
2.1.2
Op 21 januari 2013 is € 1.500.000 van die derdenrekening overgemaakt naar een bankrekening van de BV, onder vermelding “Agiostorting inzake oprichting”.
2.1.3
De erflater is eind 2013 overleden.
2.2.1
Voor het Hof was onder meer in geschil of het in 2.1.2 vermelde bedrag bij de erflater in het jaar 2013 tot de rendementsgrondslag als bedoeld in artikel 5.3 Wet IB 2001 behoort.
2.2.2
Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat het op de derdenrekening van de notaris gestorte bedrag op 1 januari 2013 het vermogen van de erflater niet had verlaten.
2.3.1
Tegen dit oordeel komen de middelen op met onder meer de klacht dat het Hof met betrekking tot het op de derdenrekening gestorte bedrag een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 25 van de Wet op het Notarisambt.
2.3.2
Het Hof heeft van belang geacht dat een verplichting tot agiostorting niet blijkt uit de akte van oprichting van de BV en evenmin uit de statuten van de vennootschap of uit een overeenkomst. Voorts heeft het Hof overwogen dat door belanghebbenden in het geding gebrachte stukken, te weten e-mailverkeer met de notaris en een verklaring van de notaris inzake een telefoonnotitie waaruit blijkt dat hij van de belastingadviseur heeft vernomen dat het de bedoeling was agio te storten, niet het oordeel kunnen dragen dat het op de derdenrekening gestorte bedrag het vermogen van de erflater had verlaten.
2.3.3
In artikel 25 van de Wet op het Notarisambt is bepaald, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, dat de notaris bij uitsluiting bevoegd is tot het beheer en de beschikking over de in deze bepaling bedoelde bijzondere rekening (de zogenoemde derden- of kwaliteitsrekening), dat hij ten laste van deze rekening alleen betalingen mag doen in opdracht van een rechthebbende, en dat het vorderingsrecht voortvloeiende uit die bijzondere rekening toebehoort aan de gezamenlijke rechthebbenden.
2.3.4
Met zijn overweging dat degene die gelden op een derdenrekening van de notaris heeft gestort, moet worden geacht rechthebbende tot die gelden te zijn, heeft het Hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat de storting op de derdenrekening van de notaris op zichzelf beschouwd niet meebrengt dat de erflater niet langer als rechthebbende van dat naar die rekening overgemaakte bedrag kon worden aangemerkt. Zo verstaan geeft deze overweging, kennelijk opgenomen ter verwerping van een andersluidende stelling van belanghebbenden, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
2.3.5
Met zijn in 2.3.2 weergegeven overwegingen heeft het Hof verder vastgesteld dat de erflater vóór 1 januari 2013 geen afdwingbare verplichting had aanvaard om het op de derdenrekening van de notaris gestorte bedrag aan de BV te voldoen. Daaruit kon het Hof afleiden dat de erflater op 1 januari 2013 de enige rechthebbende op dat bedrag was, zodat het zijn vermogen op dat moment niet had verlaten. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd, waaraan niet kan afdoen dat enkele weken later, derhalve na de in artikel 5.2 Wet IB 2001 bedoelde peildatum, het op de derdenrekening gestorte bedrag naar een rekening van de BV is overgemaakt.
2.3.6
De middelen falen voor zij opkomen tegen het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel.
2.3.7
Ook voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J.A.C.A. Overgaauw, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2019.
Conclusie 16‑04‑2019
Inhoudsindicatie
Erflater heeft op 31 december 2012 een bv opgericht (hierna: de B.V.). Op diezelfde dag heeft hij een bedrag van € 1.500.000 gestort op de kwaliteitsrekening van de notaris onder de vermelding “Agiostorting de B.V.” Dit bedrag is vervolgens op 21 januari 2013 op de bankrekening van de B.V. gestort. Verder is op de TBS-balans van erflater per 1 januari 2013 een bedrag van € 90.000 opgenomen met de omschrijving “liqmiddelen int sparen”. Naar ’s Hofs oordeel heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat de erflater op 31 december 2012 niet verplicht was tot de storting. Het enkel overmaken van het bedrag op de derdenrekening van de notaris leidt er niet toe dat het bedrag het vermogen van erflater heeft verlaten. De belanghebbenden zijn hiertegen in cassatie gekomen. Zij klagen erover dat het Hof heeft beslist dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat het bedrag van € 1.500.000 het vermogen van de erflater per 1 januari 2013 niet heeft verlaten en dat het Hof heeft beslist dat erflater geacht moet worden rechthebbende tot die gelden te zijn gebleven. De A-G overweegt dat de kwaliteitsrekening gebruikt kan worden voor gelden die bestemd zijn om te worden gestort op aandelen. Op basis van onder meer art. 25 Wet op het notarisambt meent de A-G dat het vorderingsrecht voortvloeiende uit de kwaliteitsrekening toebehoort aan de (gezamenlijke) rechthebbende(n). In de zaak van belanghebbenden heeft de erflater het bedrag van € 1.500.000 onverschuldigd overgemaakt naar de kwaliteitsrekening van de notaris en derhalve is erflater rechthebbende gebleven tot de genoemde som. Naar het oordeel van de A-G maakt het vorderingsrecht op 1 januari 2013 deel uit van de rendementsgrondslag van de erflater. Tevens is in geschil of een som van € 90.000 aan liquide middelen tot de rendementsgrondslag behoort. Ten aanzien van dit geschilpunt heeft het Hof zich aangesloten bij de vaststelling van de Rechtbank dat het genoemde bedrag niet vóór 1 januari 2013 op de rekening van de B.V. is gestort en dat niet aannemelijk is gemaakt dat de B.V. het bedrag vóór 1 januari 2013 in haar kas had. Naar ’s Hofs oordeel is de enkele bedoeling om liquide middelen ter beschikking te stellen niet voldoende om de TBS te doen aanvangen. Belanghebbenden komen in cassatie tegen dit oordeel onder verwijzing naar HR, BNB 2010/190. De A-G is het met het Hof eens dat noch de aangehaalde jurisprudentie, noch de tekst of parlementaire geschiedenis bij art. 3.92 Wet IB 2001 de stelling van belanghebbenden kunnen dragen dat de enkele wil van de erflater om liquide middelen ter beschikking te stellen aan de B.V. de terbeschikkingstelling van die middelen doet aanvangen. De conclusie van A-G Niessen strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbenden ongegrond dient te worden verklaard.
Partij(en)
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
mr. R.E.C.M. Niessen
Advocaat-Generaal
Conclusie van 16 april 2019 inzake:
Nr. Hoge Raad: 18/04098 | De erven van [X] |
Nr. Gerechtshof: 17/00722 Nr. Rechtbank: BRE 15/2502 | |
Derde Kamer B | tegen |
Inkomstenbelasting/premie volksverz. 2013 | Staatssecretaris van Financiën |
1. Procesverloop
1.1
Aan [X]1.(hierna: erflater) is een aanslag in de IB/PVV2.voor het jaar 2013 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning3.van € 9.732 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen4.van € 86.527.
1.2
De Inspecteur5.heeft de aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, gehandhaafd.
1.3
De erfgenamen van erflater (hierna: belanghebbenden) hebben beroep tegen de uitspraak op bezwaar ingesteld bij de Rechtbank6.. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een bedrag berekend naar een box 1-inkomen van € 8.311 en een box 3-inkomen van € 15.664.7.
1.4
De Inspecteur heeft hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank ingesteld bij het Hof8.. Belanghebbenden hebben een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof heeft het hoger beroep van de Inspecteur gegrond en het incidenteel hoger beroep van belanghebbenden ongegrond verklaard. Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een bedrag berekend naar een box 1-inkomen van € 8.311 en een box 3-inkomen van € 75.664.9.
1.5
Belanghebbenden hebben tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris10.heeft een verweerschrift ingediend. Ten slotte hebben belanghebbenden een conclusie van repliek genomen. De Staatssecretaris heeft geen conclusie van dupliek ingediend.
1.6
Het geschil in cassatie betreft de vraag wat tot de rendementsgrondslag van box 3 behoort voor het jaar 2013. Meer in het bijzonder de vragen:
i) of het bedrag van € 1.500.000 dat erflater vóór 1 januari 2013 heeft overgemaakt van zijn privébankrekening naar een kwaliteitsrekening van de notaris, tot de rendementsgrondslag behoort; en
ii) of de liquide middelen ten bedrage van € 90.000 tot de rendementsgrondslag behoren of onder de terbeschikkingstellingsregeling vallen.
2. De feiten en oordelen van feitelijke instanties
De feiten
2.1
Voor zover van belang voor het geding in cassatie heeft het Hof de volgende feiten vastgesteld:
2.6.
Op 31 december 2012 heeft erflater [A] B.V. (hierna: de vennootschap) opgericht. Het gestort aandelenkapitaal van de vennootschap bedraagt € 100. Bestuurder van de vennootschap is [B]11.. De akte van oprichting behoort tot de gedingstukken.
2.7.
Op 31 december 2012 heeft erflater onder de vermelding “Agiostorting [A] B.V.” een bedrag van € 1.500.000 gestort vanaf zijn privébankrekening op een derdenrekening van de notaris. Op 21 januari 2013 is eenzelfde bedrag onder de vermelding “Agiostorting inzake oprichting” vanaf genoemde derdenrekening gestort op de bankrekening van de vennootschap. In de oprichtingsakte van de vennootschap is geen vermelding met betrekking tot een agiostorting opgenomen.
Hof
2.2
Ten aanzien van de vraag of het bedrag van € 1.500.000 op 1 januari 2013 tot de rendementsgrondslag van box 3 behoort, heeft het Hof bevestigend geoordeeld op grond van de volgende overwegingen:
4.4.3.
Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur ter zitting van de Rechtbank niet uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft prijsgegeven zijn stelling dat het bedrag van € 1.500.000 per 1 januari 2013 het vermogen van erflater niet heeft verlaten. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat de Inspecteur tot zijn uitlating is gekomen op basis van een stelling die door de Rechtbank aan de Inspecteur is voorgehouden die schijnbaar waar zou zijn, door het gebruik van de woorden “als dat zo is”.
4.4.4.
Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat het bedrag van € 1.500.000 het vermogen van erflater op 1 januari 2013 niet heeft verlaten. De Inspecteur heeft naar het oordeel van het Hof aannemelijk gemaakt dat erflater op 31 december 2012 niet tot storting van dat bedrag verplicht was. Van een agiostorting blijkt niets uit de oprichtingsakte en de statuten van de vennootschap, noch uit een overeenkomst. E-mailverkeer met de notaris, alsook de schriftelijke verklaring van de notaris dat zich in zijn dossier een telefoonnotitie bevindt waaruit blijkt dat de belastingadviseur heeft aangegeven dat het de bedoeling was om agio te storten, acht het Hof onvoldoende om te kunnen oordelen dat op 31 december 2012 een agiostorting heeft plaatsgehad. Het enkel overmaken van het bedrag van € 1.500.000 op de derdenrekening van de notaris leidt er niet toe dat het bedrag het vermogen van erflater heeft verlaten. Het Hof is verder van oordeel dat degene die gelden heeft gestort op een derdenrekening van de notaris moet worden geacht rechthebbende tot die gelden te zijn. Het Hof verwijst in dit kader naar artikel 25 van de Wet op het notarisambt en de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 1993-1994, 23 706, nr. 3, blz. 10).12.
2.3
Met betrekking tot de vraag of de liquide middelen tot de rendementsgrondslag van box 3 behoren, heeft het Hof zich aangesloten bij de overwegingen van de Rechtbank. De Rechtbank heeft als volgt overwogen:
4.12.
De rechtbank is van oordeel dat de enkele bedoeling om liquide middelen ter beschikking te stellen in de zin van artikel 3.92, eerste lid, van de Wet IB niet voldoende is om de terbeschikkingstelling te doen aanvangen. Daarvoor is vereist dat de BV ook daadwerkelijk de beschikking heeft over de liquide middelen. Het genoemde bedrag is niet vóór 1 januari 2013 (en evenmin in de loop van 2013) op de rekening van [A] BV gestort. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat [A] BV het bedrag vóór 1 januari 2013 in haar kas had. De inspecteur heeft de liquide middelen daarom terecht tot het box 3 vermogen gerekend.
4.13.
Met betrekking tot het beroep op het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank als volgt. Voor in rechte te beschermen vertrouwen als hier bedoeld is meer vereist dan de enkele omstandigheid dat de inspecteur gedurende een aantal jaren bij het vaststellen van de aanslag op een bepaald punt de aangifte heeft gevolgd. Omstandigheden die de indruk wettigen dat het volgen van de aangiften berustte op een bewuste standpuntbepaling door de inspecteur en met volledigheid en juistheid van de relevante gegevens, zijn niet gebleken. Met betrekking tot het beroep op het vertrouwensbeginsel in relatie tot de liquide middelen komt daar nog het volgende bij. De rechtbank stelt vast dat de inkomsten uit de terbeschikkingstelling van de liquide middelen voor het eerst zijn aangegeven in de aangifte 2013. Uit de correspondentie tussen belanghebbenden en de inspecteur naar aanleiding van de aangifte 2013 volgt dat de inspecteur zich van meet af aan op het standpunt heeft gesteld dat belanghebbenden de terbeschikkingstelling van de liquide middelen niet aannemelijk hebben gemaakt. Uit het enkele feit dat de inspecteur heeft nagelaten om de inkomsten uit de terbeschikkingstelling in verband met de liquide middelen in box 1 te corrigeren, kunnen belanghebbenden dan naar het oordeel van de rechtbank niet het in rechte te honoreren vertrouwen afleiden dat toch sprake is van terbeschikkingstelling van de liquide middelen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.
Het beroep in cassatie
2.4
De belanghebbenden klagen in het eerste cassatiemiddel erover dat:
het Hof heeft beslist dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat het bedrag van € 1,5 mln. het (box III) vermogen van erflater op 1 januari 2013 niet heeft verlaten en dat belanghebbende niet verplicht was tot de agiostorting van € 1,5 mln. op de op 31 december 2012 uitgegeven aandelen in [A] B.V. en dit bedrag daarmee behoort tot de rendementsgrondslag van het (box III)- vermogen van erflater op 1 januari 2013.
2.5
Verder werpen belanghebbenden op dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de Inspecteur zijn standpunt, dat het onderhavige bedrag het vermogen van de erflater per 1 januari 2013 heeft verlaten, ter zitting van de Rechtbank niet uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft prijsgegeven.
2.6
Ten slotte stellen belanghebbenden in het kader van dit middel dat het Hof onterecht voorbij is gegaan aan art. 2.14, lid 2 Wet IB 200113., dat regelt:
Voorzover vermogensbestanddelen inkomen, al dan niet vrijgesteld, uit werk en woning of uit aanmerkelijk belang genereren, worden zij niet in aanmerking genomen voor de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen.
2.7
Als tweede cassatiemiddel voeren belanghebbenden aan dat het Hof ten onrechte heeft beslist dat belanghebbende na de agiostorting van € 1.500.000 op de op 31 december 2012 uitgegeven aandelen in [A] B.V. moet worden geacht rechthebbende tot die gelden te zijn (gebleven).
2.8
Het derde en laatste middel van belanghebbenden keert zich ertegen dat het Hof heeft beslist dat de liquiditeiten van € 90.000 behoren tot de rendementsgrondslag van erflater op 1 januari 2013. Belanghebbenden verwijzen hierbij naar jurisprudentie over de aanvang van de terbeschikkingstelling van onroerende zaken en doen een beroep op het vertrouwensbeginsel.
3 Beschouwing en behandeling van de middelen ten aanzien van de overboeking naar de kwaliteitsrekening van de notaris van € 1.500.000
3.1
Hierna zal ik achtereenvolgens aandacht besteden aan de wettelijke grondslag van de kwaliteitsrekening, het legitieme gebruik van een dergelijke rekening, de vermogensrechtelijke aspecten van de kwaliteitsrekening en de vraag wie rechthebbenden zijn tot de gelden die op de kwaliteitsrekening zijn gestort.
3.2
Daaraan voorafgaande merk ik nog op dat ’s Hofs oordeel dat de Inspecteur zijn standpunt dat de storting van € 1.500.000 door erflater op de kwaliteitsrekening van de notaris zijn vermogen op 1 januari 2013 niet had verlaten, niet had prijsgegeven, van feitelijke aard is en niet onbegrijpelijk en derhalve in cassatie onaantastbaar is.
De wettelijke grondslag van de kwaliteitsrekening
3.3
De wettelijke grondslag voor de kwaliteitsrekening van een notaris is te vinden in art. 25 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna). De eerste vier leden van dit artikel luiden:
1 De notaris is verplicht bij een financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen een of meer bijzondere rekeningen aan te houden op zijn naam met vermelding van zijn hoedanigheid, die uitsluitend bestemd zijn voor gelden, die hij in verband met zijn werkzaamheden als zodanig onder zich neemt. Gelden die aan de notaris in verband met zijn werkzaamheden als zodanig ten behoeve van derden worden toevertrouwd, moeten op die rekening worden gestort. De bovenbedoelde financiële onderneming voegt de over de gelden gekweekte rente toe aan het saldo van de bijzondere rekening. […]
2 De notaris is bij uitsluiting bevoegd tot het beheer en de beschikking over de bijzondere rekening. Hij kan aan een onder zijn verantwoordelijkheid werkzame persoon volmacht verlenen. Ten laste van deze rekening mag hij slechts betalingen doen in opdracht van een rechthebbende.
3 Het vorderingsrecht voortvloeiende uit de bijzondere rekening behoort toe aan de gezamenlijke rechthebbenden. Het aandeel van iedere rechthebbende wordt berekend naar evenredigheid van het bedrag dat te zijnen behoeve op de bijzondere rekening is gestort. De notaris of, indien het een gezamenlijke rekening als bedoeld in het eerste lid, zesde volzin betreft, iedere notaris, is verplicht een tekort in het saldo van de bijzondere rekening terstond aan te vullen, en hij is ter zake daarvan aansprakelijk, tenzij hij aannemelijk kan maken dat hem ter zake van het ontstaan van het tekort geen verwijt treft.
4 Een rechthebbende heeft voor zover uit de aard van zijn recht niet anders voortvloeit, te allen tijde recht op uitkering van zijn aandeel in het saldo van de bijzondere rekening. Is het saldo van de bijzondere rekening niet toereikend om aan iedere rechthebbende het bedrag van zijn aandeel uit te keren, dan mag de notaris aan de rechthebbende slechts zoveel uitkeren als in verband met de rechten van de andere rechthebbenden mogelijk is. In dat geval wordt het saldo onder de rechthebbenden verdeeld naar evenredigheid van ieders aandeel, met dien verstande dat, indien een notaris zelf rechthebbende is, hem slechts wordt toegedeeld hetgeen overblijft, nadat de andere rechthebbenden het hun toekomende hebben ontvangen.
3.4
De MvT14.bij dit artikel (destijds opgenomen onder art. 22) bevat onder meer de volgende passage:15.
Aangezien notarissen doorgaans grote sommen geld van derden tijdelijk onder zich hebben ter doorbetaling aan andere partijen, wordt tevens een regeling voorgesteld die beoogt deze bedragen buiten het eigen vermogen van de notaris te houden en te vrijwaren van verhaal door zijn schuldeisers. Het gaat hier om een bescherming van de financiële belangen van de cliënten, die erop moet kunnen vertrouwen dat de bij de notaris gestorte gelden tenslotte ook terecht komen bij degeen voor wie ze bestemd zijn.
Volgens artikel 22 is de notaris verplicht een bijzondere bankrekening aan te houden, waarop uitsluitend gelden kunnen en moeten worden gestort, die hij in verband met zijn werkzaamheden tijdelijk onder zich neemt. Wanneer zodanige gelden abusievelijk op een andere rekening van de notaris zijn gestort, moeten deze door hem onverwijld naar de bijzondere rekening worden overgemaakt. Ten laste van deze rekening mogen slechts betalingen worden gedaan in opdracht van een rechthebbende op de op die rekening gestorte gelden. Het vorderingsrecht dat voortvloeit uit deze bijzondere rekening behoort toe aan de gezamenlijke rechthebbenden op de gelden. Zij vormen de deelgenoten van een gemeenschap, welke bestaat uit het vorderingsrecht op de bank uit hoofde van het tegoed van de bij die bank geopende rekening. De verdere regeling is ontleend aan de Wet giraal effectenverkeer, die ten aanzien van onder een bank berustende effecten van cliënten eenzelfde juridische constructie kent in de vorm van zogenaamde verzameldepots. Rechthebbenden kunnen hun aandeel van de bijzondere rekening opeisen. Het tegoed op de rekening valt buiten het vermogen van de notaris en blijft dus buiten zijn eventueel faillissement.
Gebruik van de kwaliteitsrekening van de notaris
3.5
Belanghebbenden hebben verklaard dat het ten tijde van de oprichting van de vennootschap de bedoeling was om € 1.500.000 agio te storten. Omdat de vennootschap nog niet over een bankrekening beschikte op het moment van oprichting, is het bedrag overgemaakt naar de kwaliteitsrekening van de notaris. Bij deze girale betalingsopdracht is de volgende omschrijving toegevoegd: “Agiostorting [A] B.V.”
3.6
Over het gebruik van de kwaliteitsrekening schrijven Waaijer en Melis (voetnoten zijn weggelaten):16.
De bijzondere rekeningen zijn uitsluitend bestemd voor gelden die de notaris in verband met zijn werkzaamheden als zodanig onder zich neemt. Wanneer is daarvan nog sprake? Het belang van de vraag is evident. Uitsluitend voor gelden die de notaris in verband met zijn werkzaamheden als zodanig onder zich neemt, wordt de positie van rechthebbende verworven. Rechthebbende wordt men in ieder geval indien sprake is van wettelijke werkzaamheden èn de notaris in samenhang met die wettelijke werkzaamheden het geldverkeer pleegt te verrichten (vergelijk art. 16 Wna). In ieder geval dus bij het geldverkeer dat betrekking heeft op registergoederen en de overdracht van aandelen op naam.
Wat indien van de notaris wordt verlangd een notariële akte op te maken, ofschoon dat geen noodzakelijke voorwaarde is om de beoogde rechtshandeling tot stand te brengen, en in verband daarmee gelden onder de notaris worden gestort? Denk aan de overdracht van een onderneming waarin zich geen bestanddelen bevinden die levering bij notariële akte eisen. Of aan de bijstand bij een verdeling van een nalatenschap, waarin zich geen boedelbestanddelen bevinden die levering bij notariële akte eisen, waarvoor de notaris niettemin een notariële akte opmaakt. Ook in deze gevallen is sprake van wettelijke werkzaamheden en handelt de notaris mijns inziens dus als zodanig. Die cliënten kan de bescherming van art. 25 Wna niet worden onthouden, gezien het vertrouwen dat zij ook in dergelijke gevallen in de notaris mogen stellen. Dat heeft mijns inziens ook te gelden voor op aandelen te storten gelden ten behoeve van een ten overstaan van een notaris op te richten B.V. of N.V. In dat geval zie ik als voorwaardelijk rechthebbenden de toekomstig aandeelhouder enerzijds en de B.V. in oprichting anderzijds.
Wordt de notaris ingeschakeld uitsluitend om geldverkeer via zijn derdengeldrekening te laten lopen, dan is dus sprake van oneigenlijk en mogelijk onrechtmatig gebruik van die rekening.
De wetgever houdt blijkens art. 24 lid 1 Wna overigens wel rekening met het beheer van gelden van derden dat niet valt onder de reikwijdte van art. 25 Wna. Welke situaties de wetgever hier precies voor ogen heeft gehad, is niet duidelijk. Ik denk hier aan abusievelijk op een verkeerde rekening gestorte gelden.
3.7
Bij een storting door een aandeelhouder op zijn aandeel in een bv is de tussenkomst van de notaris niet verplicht. Gezien de wettelijke taken van de notaris bij onder meer de oprichting van een bv17.en de uitgifte of overdracht van een aandeel in een bv18.kan, met Waaijer en Melis, een storting op bij de oprichting van een bv uit te geven aandelen worden geacht verband te houden met de werkzaamheden van een notaris.
3.8
Gelden die aan de notaris in verband met zijn werkzaamheden als zodanig worden toevertrouwd moeten op basis van de wettelijke regeling voor de kwaliteitsrekening, op die rekening worden gestort. Vereist is dat de storting van de gelden strekt ‘ter doorbetaling aan derden’ die als rechthebbenden daarop een vorderingsrecht kunnen uitoefenen, aldus de MvT.19.Vertaald naar de storting op aandelen schrijven Waaijer en Melis20.dat het moet gaan om ‘op aandelen te storten gelden’. De kwaliteitsrekening kan derhalve gebruikt worden voor gelden die bestemd zijn om te worden gestort op aandelen en waarop de vennootschap aanspraak kan maken.21.
Tot wiens vermogen behoort het vorderingsrecht voortvloeiende uit de kwaliteitsrekening?
3.9
Hoewel de notaris als enige bevoegd is tot het beheer van en de beschikking over de kwaliteitsrekening22., behoort het vorderingsrecht voortvloeiende uit deze rekening niet tot het vermogen van de notaris. Dit vorderingsrecht behoort toe aan de (gezamenlijke) rechthebbende(n).23.
3.10
Het aandeel van iedere rechthebbende wordt berekend naar evenredigheid van het bedrag dat te zijnen behoeve op de bijzondere rekening is gestort.24.Een rechthebbende heeft voor zover uit de aard van zijn recht niet anders voortvloeit, te allen tijde recht op uitkering van zijn aandeel in het saldo van de bijzondere rekening.25.
3.11
De positie van de rechthebbenden op het saldo van een kwaliteitsrekening is ook uiteengezet door de HR in zijn arrest [C ] / [D] :26.
[…] Voormeld arrest27.heeft voorts voor de wetgever de aanleiding gevormd om in art. 25 van de nieuwe Wet op het Notarisambt een regeling te treffen voor de algemene notariële kwaliteitsrekening. Blijkens deze bepaling is de notaris als lasthebber van de gerechtigden tegenover de kredietinstelling bij uitsluiting bevoegd tot het beheer en de beschikking over de bijzondere rekening. Rechthebbenden op het saldo van de bijzondere rekening zijn degenen ten behoeve van wie gelden op die rekening zijn bijgeschreven, onder de voorwaarden die in hun onderlinge verhouding nader gelden. Tussen deze rechthebbenden geldt met betrekking tot die gelden een gemeenschap als bedoeld in art. 3:166 lid 1 BW.
Met het in de vorige alinea overwogene strookt het ook bij een bijzondere notariële kwaliteitsrekening aan te nemen dat de gezamenlijke rechthebbenden deelgenoot zijn in een gemeenschap als bedoeld in art. 3:166 lid 1 BW. De deelgenoten hebben bij de verdeling van deze gemeenschap een voorwaardelijk recht op toedeling van de door de notaris beheerde vordering op de kredietinstelling. Wordt een van de deelgenoten failliet verklaard, dan brengt het beginsel dat de curator vermogensrechtelijk dezelfde positie inneemt als de gefailleerde ten opzichte van zijn wederpartij had of zou hebben gehad, mee dat het voorwaardelijk recht dat aan de deelgenoot toekwam in diens faillissement valt.
3.12
Het vorderingsrecht voortvloeiende uit de kwaliteitsrekening behoort derhalve tot het vermogen van de rechthebbende(n).
De rechthebbenden tot de gelden die op de kwaliteitsrekening zijn gestort
3.13
De rechthebbenden tot het saldo van een kwaliteitsrekening zijn bijvoorbeeld de koper en verkoper die een overeenkomst hebben gesloten met het doel een onroerende zaak over te dragen tegen de betaling van een koopsom. De bank van de kopende partij zal de koopsom overmaken naar de kwaliteitsrekening van de notaris. De verdeling van het vorderingsrecht voortvloeiende uit de kwaliteitsrekening tussen de rechthebbenden wordt in een dergelijk geval bepaald aan de hand van de door hen gesloten overeenkomst.
3.14
Zo oordeelde het hof Den Haag in een zaak omtrent de rendementsgrondslag en de gelden op een kwaliteitsrekening dat vast was komen te staan dat de verkoper de onroerende zaak niet langer in eigendom had en hij daarvoor in de plaats een vorderingsrecht had verkregen met betrekking tot de door de koper op de kwaliteitsrekening gestorte koopsom. Dit vorderingsrecht moest derhalve tegen de waarde in het economische verkeer in aanmerking worden genomen voor de box 3-rendementsgrondslag van de verkoper.28.De HR verwierp het beroep in cassatie tegen dit oordeel onder verwijzing naar art. 81 Wet RO.29.
3.15
In de zaak van belanghebbenden heeft erflater op 31 december 2012 een bedrag van € 1.500.000 blijkens de door het Hof vastgestelde en in cassatie niet betwiste feiten onverschuldigd overgemaakt naar de kwaliteitsrekening van de notaris. Zie tevens r.o. 4.4.4 van de aangevallen uitspraak, geciteerd in onderdeel 2.2. De uitspraak van het Hof impliceert dat de B.V. geen aanspraak kon maken op het op de rekening van de notaris overgemaakte bedrag.30.
3.16
Derhalve is erflater rechthebbende gebleven tot de genoemde som.
3.17
Gezien de vastgestelde feiten en de zojuist getrokken conclusie is de meergenoemde som per 1 januari 2013 niet ter beschikking gesteld in de zin van art. 3.92 Wet IB 2001 en vormt zij niet een tot het aanmerkelijk belang van erflater behorend recht, doch maakt het vorderingsrecht op die datum deel uit van zijn rendementsgrondslag.
3.18
Dus falen de klachten van belanghebbenden die zijn vervat in de middelen 1 en 2, welke zijn genoemd in onderdelen 2.4 t/m 2.7.
4 Beschouwing en behandeling van het middel ten aanzien van de liquide middelen van € 90.000
4.1
Het derde middel betreft de kwalificatie van de bij de twee partijen bekende som van € 90.000 (zie onderdeel 2.8).
4.2
De Rechtbank heeft ten aanzien van dit geschilpunt vastgesteld dat op de TBS-balans van erflater op 1 januari 2013 een bedrag van € 90.000 als bezitting is opgenomen met de omschrijving “liqmiddelen int sparen”.31.Het Hof heeft dit overigens niet vastgesteld.
4.3
Het Hof heeft zich aangesloten bij de vaststelling van de Rechtbank, die is verweven in een rechtsoordeel, dat het genoemde bedrag niet vóór 1 januari 2013 op de rekening van de B.V. is gestort en dat niet aannemelijk is gemaakt dat de B.V. het bedrag vóór 1 januari 2013 in haar kas had.32.
4.4
De belanghebbenden laten deze vaststellingen onbestreden.
4.5
Op basis van de in onderdeel 4.6 geciteerde jurisprudentie, stellen de belanghebbenden dat de toerekening van een vermogensbestanddeel aan box 1 of box 3 in beginsel afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige.
4.6
Over de aanvang van de terbeschikkingstelling van een onroerende zaak, heeft de HR als volgt geoordeeld:33.
3.3.1.
Artikel 3.92, lid 1, aanhef en letter a, Wet IB 2001 bepaalt dat onder een werkzaamheid mede moet worden verstaan het rendabel maken van vermogensbestanddelen - daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen - voor zover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking worden gesteld aan een vennootschap waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon, een aanmerkelijk belang heeft. Ingevolge artikel 3.94 Wet IB 2001 - welk artikel in zijn bewoordingen aansluit bij artikel 3.8 Wet IB 2001 - is resultaat uit een werkzaamheid het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden behaald met een werkzaamheid. Ingevolge artikel 3.95 Wet IB 2001 is bij de bepaling van het resultaat een aantal bepalingen inzake winst uit onderneming van overeenkomstige toepassing, waaronder de bepaling inzake de jaarwinst (artikel 3.25 Wet IB 2001).
3.3.2.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.92 Wet IB 2001 blijkt dat aan de keuze van de wetgever voor een regeling voor het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen in gelieerde verhoudingen twee - in elkaars verlengde liggende - uitgangspunten ten grondslag liggen. Zie Kamerstukken II 2000/01, 27 466, nr. 3, blz. 17:
'In de eerste plaats is beoogd een grotere mate van gelijkheid te bereiken in de fiscale behandeling van belastingplichtigen die een onderneming voor eigen rekening drijven enerzijds en belastingplichtigen die een onderneming drijven door tussenkomst van een besloten vennootschap anderzijds. In de tweede plaats is beoogd onwenselijke vormen van belastingarbitrage tegen te gaan.'
Oogmerk van de regeling is 'de zaken die in het vermogen niet primair de rol van belegging vervullen maar die (eventueel middellijk) dienstig zijn aan een gedreven (...) onderneming (...) niet als belegging, maar transparant in het ondernemingsregime te behandelen' (Kamerstukken II 2000/01, 27 466, nr. 3, blz. 2). Ter toelichting op artikel 3.92 Wet IB 2001 is bij de parlementaire behandeling (Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, blz. 501) voorts het volgende opgemerkt:
'(...) het resultaat ter zake van de terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen [wordt] bepaald als ware die terbeschikkingstelling een onderneming. Daardoor worden zowel bij de vennootschap als bij de aanmerkelijkbelanghouder de lasten en de baten bepaald aan de hand van het winstregime. Dit brengt met zich dat de waarde van het gebruik van de vermogensbestanddelen bij de vennootschap ten laste van het resultaat kan worden gebracht en datzelfde bedrag bij de aanmerkelijkbelanghouder wordt belast.'
3.3.3.
Uit de hiervoor in 3.3.2 aangehaalde passages uit de parlementaire stukken moet worden afgeleid dat de wetgever met de invoering van artikel 3.92 Wet IB 2001 onder meer heeft beoogd wat betreft de winstberekening een vergelijkbare behandeling te bewerkstelligen van enerzijds de ondernemer die ten behoeve van zijn onderneming een vermogensbestanddeel heeft aangeschaft en anderzijds de aanmerkelijkbelanghouder (of een met hem verbonden persoon) die een door hem in privé aangeschaft vermogensbestanddeel aan zijn vennootschap ter beschikking stelt. Een enge opvatting van het begrip 'terbeschikkingstelling', zoals door het middel bepleit, doet onvoldoende recht aan deze bedoeling. Immers, indien artikel 3.92 Wet IB 2001 pas van toepassing wordt op het moment waarop het desbetreffende vermogensbestanddeel in gebruik wordt gegeven, bestaat in dit opzicht een verschil ten opzichte van de situatie waarin de belastingplichtige een vermogensbestanddeel aanschaft met de bedoeling dit in zijn onderneming aan te wenden, omdat in het laatste geval doorgaans het desbetreffende vermogensbestanddeel op het moment van de aanschaf als bestanddeel van het ondernemingsvermogen zal moeten worden aangemerkt. Door deze discrepantie zouden met name met betrekking tot het bedrag waarvoor het ter beschikking gestelde vermogensbestanddeel op de balans zou worden opgenomen alsmede met betrekking tot de schulden aanzienlijke verschillen kunnen ontstaan naar gelang sprake is van het drijven van een onderneming danwel van terbeschikkingstelling van een vermogensbestanddeel aan een gelieerde vennootschap. Anderzijds is in aanmerking te nemen dat het begrip 'ter beschikking stellen' niet geheel op één lijn kan worden gesteld met het begrip 'bestemmen tot', aangezien tweezijdigheid inherent is aan eerstgenoemd begrip.
Gelet op dit een en ander moet worden geoordeeld dat in gevallen waarin een onroerende zaak wordt aangeschaft met de gezamenlijke bedoeling van de belastingplichtige en een met hem gelieerde vennootschap om die zaak in gebruik te geven aan die vennootschap en de zaak voor dat gebruik gereed wordt gemaakt, van terbeschikkingstelling in de zin van artikel 3.92, lid 1, Wet IB 2001 sprake is op het moment waarop deze onroerende zaak is aangeschaft. Indien die gezamenlijke bedoeling niet in een overeenkomst is neergelegd, kan niettemin sprake zijn van terbeschikkingstelling, mits in dat geval de aanschaf en het gereedmaken zijn geschied onder zodanige omstandigheden dat, indien de (toekomstige) gebruiker ervan een niet-gelieerde persoon zou zijn geweest, met deze omtrent die aanschaf en het gereedmaken voorafgaand afstemming zou hebben plaatsgevonden. Voorts kan bij de aanschaf van een onroerende zaak van terbeschikkingstelling slechts sprake zijn indien van het moment van de aanschaf af geen andere aanwending van de onroerende zaak plaatsvindt.
4.7
Noch dit oordeel over de terbeschikkingstelling van aangeschafte vermogensbestanddelen, noch de tekst van of parlementaire geschiedenis bij art. 3.92 Wet IB 2001 kunnen de stelling van belanghebbenden dragen dat de enkele wil van de erflater om liquide middelen ter beschikking te stellen aan [A] B.V. de terbeschikkingstelling van die middelen doet aanvangen.
4.8
Voor zover belanghebbenden zich ook ten aanzien van de storting van € 1.500.000 op dit standpunt beroepen, geldt hetzelfde.
4.9
Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel van belanghebbenden kan niet slagen, aangezien het door het Hof overgenomen oordeel van de Rechtbank (zie r.o. 4.13, geciteerd in onderdeel 2.3) niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en voor het overige als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk in cassatie onaantastbaar is.
4.10
Het middel genoemd in onderdeel 2.8 faalt eveneens.
5. Conclusie
De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbenden ongegrond dient te worden verklaard.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑04‑2019
Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
Hierna: box 1 – inkomen.
Hierna: box 3 – inkomen.
Belastingdienst/Kantoor [P] .
Rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 6 september 2017, nr. BRE 16/2502, ECLI:NL:RBZWB:2017:5809, FutD 2017-2398, m.nt. redactie, NLF 2017/2327, m.nt. Gubbels, NTFR 2017/2680, m.nt. Bekker.
Hof Den Bosch.
Hof Den Bosch 31 augustus 2018, nr. 17/00722, ECLI:NL:GHSHE:2018:3682, FutD 2018/2408, m.nt. redactie, NLF 2018/2385, m.nt. Gubbels, Vp-bulletin 2019/4, m.nt. Rebbens & Tubben.
De staatssecretaris van Financiën.
Zij is één van de erfgenamen/belanghebbenden.
Voetnoot A-G: zie het citaat opgenomen in onderdeel 3.4 van deze conclusie.
Wet inkomstenbelasting 2001.
Memorie van toelichting.
B.C.M. Waaijer & J.C.H. Melis, De Notariswet, Deventer: Kluwer 2019, par. 22.2.2.
Art. 2:196 BW.
Zie onderdeel 3.4.
Zie onderdeel 3.6.
Zie ook A.H.G. Wilod Versprille, ‘Storting op aandelen via de notariële kwaliteitsrekening’, WPNR 2018/7205: “Hoewel de notaris niet verplicht is om op storting toe te zien mag de kwaliteitsrekening worden gebruikt om storting op aandelen te accepteren.”
HR 12 januari 2001, nr. C99/091HR, ECLI:NL:HR:2001:AA9441 (concl. A-G Bakels), NJ 2002, 371, m.nt. H.J. Snijders, r.o. 3.3.
Voetnoot A-G: HR 3 februari 1984, nr. 12219, ECLI:NL:HR:1984:AG4750, NJ 1984/752, m.nt. W.M. Kleijn.
Hof Den Haag 12 december 2017, nr. 17/00530, ECLI:NL:GHDHA:2017:4135, V-N 2018/18.1.3.
HR 29 juni 2018, nr. 18/00206, ECLI:NL:HR:2018:1035, V-N 2018/51.7, m.nt. Redactie Vakstudie Nieuws.
Ik merk hierbij op dat een dergelijke aanspraak van de B.V. ook niet is ontstaan vanwege een wettelijk voorschrift of eenzijdige rechtshandeling van erflater. Zie met betrekking tot de eenzijdige rechtshandelingen C. Spierings, De eenzijdige rechtshandeling (Onderneming en recht nr. 89), Deventer: Wolters Kluwer 2016.
R.o. 2.8.
R.o. 4.5.5 van het Hof en r.o. 4.12 van de Rechtbank.
HR 22 januari 2010, nr. 08/00327, ECLI:NL:HR:2010:BF2227, BNB 2010/190.
Beroepschrift 16‑04‑2019
Edelhoogachtbaar College,
Aan het beroep liggen de volgende — zo nodig in onderlinge samenhang te beschouwen — middelen van cassatie ten grondslag:
1. Cassatiemiddelen
Als middelen van cassatie dragen wij voor:
1.1. Grief I
Schending, althans verkeerde toepassing van het Nederlandse recht, in het bijzonder van artikel 5.3 lid 2 letter e van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2013; hierna: Wet IB 2001) en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) inzake het motiveringsvereiste, doordat het Hof heeft beslist dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat het bedrag van € 1,5 mln. het (box III) vermogen van erflater op 1 januari 2013 niet heeft verlaten en dat belanghebbende niet verplicht was tot de agiostorting van € 1,5 mln. op de op 31 december 2012 uitgegeven aandelen in [A] B.V. en dit bedrag daarmee behoort tot de rendementsgrondslag van het (box III)-vermogen van erflater op 1 januari 2013.
1.2. Grief II
Schending, althans verkeerde toepassing van het Nederlandse recht, in het bijzonder van artikel 25 van de Wet op het notarisambt en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) inzake het motiveringsvereiste, doordat het Hof heeft beslist dat belanghebbende na de agiostorting van € 1,5 mln. (zijnde de gelden) op de op 31 december 2012 uitgegeven aandelen in [A] B.V. moet worden geacht rechthebbende tot die gelden te zijn (gebleven).
1.3. Grief III
Schending, althans verkeerde toepassing van het Nederlandse recht, in het bijzonder van artikel 5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2013; hierna: Wet IB 2001), en/of artikel 3.92 Wet Inkomstenbelasting 2001 en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) inzake enerzijds in strijd met de genoemde wettelijke bepalingen en anderzijds het motiveringsvereiste, doordat het Hof heeft beslist dat de liquiditeiten ad € 90.000 behoren tot de rendementsgrondslag van het (box III)-vermogen van erflater op 1 januari 2013.
2. Toelichting cassatiemiddelen
2.1. Toelichting grief I
In onderdeel 4.4.4. van haar uitspraak is het Hof van oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat het bedrag van € 1.500.000 het vermogen van erflater op 1 januari 2013 niet heeft verlaten. De Inspecteur heeft naar het oordeel van het Hof aannemelijk gemaakt dat erflater op 31 december 2012 niet tot storting van dat bedrag verplicht was. Van een agiostorting blijkt niets uit de oprichtingsakte en de statuten van de vennootschap, noch uit een overeenkomst. E- mailverkeer met de notaris, alsook de schriftelijke verklaring van de notaris dat zich in zijn dossier een telefoonnotltle bevindt waaruit blijkt dat de belastingadviseur heeft aangegeven dat de storting was bestemd als agiostorting, acht het Hof onvoldoende om te kunnen oordelen dat op 31 december 2012 een agiostorting heeft plaatsgehad. Het enkel overmaken van het bedrag van € 1,5 mln. op de derdenrekening van de notaris leidt er niet toe dat het bedrag het vermogen van erflater heeft verlaten.
Over de interpretatie van de feiten omtrent de storting van het agio door het Hof wensen wij het volgende op te merken.
2.1.1. Grondslag storting 1,5 mln.
Het Hof had zich dienen af te vragen waarom erflater een storting op de derdengeldrekening van de notaris heeft gedaan. Erflater heeft een dergelijke storting gedaan om juist te laten zien dat deze middelen zijn vermogen hebben verlaten met de uitdrukkelijke intentie van erflater een agiostorting te doen op de uit geven aandelen in [A] B.V. Dit blijkt zowel uit de e-mail en de verklaring omtrent de telefoonnotitie, als uit de feitelijk gang van zaken met betrekking tot het gestorte bedrag dat immers na korte tijd ook daadwerkelijk als agiostorting in de B.V. is terecht gekomen.
Illustratief is in dit verband het interview van [G] met vragen aan de inspecteur zoals weergegeven in het proces verbaal van de Rechtbank op pagina 2, als bijlage 1 bijgevoegd. Haiverwege pagina 2 is dit interview vermeld. In de eerste alinea is het standpunt van de inspecteur verwoord dat nooit sprake is geweest van een agiostorting. Wanneer [G] de inspecteur vervolgens de twee bankafschriften toont, zie de bijlagen onder 2 en 3, dan is het bedrag van € 1,5 mln. vanaf dat moment (31 december 2012) van de B.V. aldus de Inspecteur. Vervolgens memoreert de inspecteur zijn standpunt dat de storting van 1,5 mln. tot het box III vermogen behoort wanneer fraus legis aan de orde is. Zonder de toepassing van fraus legis is de Inspecteur het met de Rechtbank eens (nadat [G] dit de inspecteur heeft voorgehouden) dat de enige kwalificatiemogelijkheden van de storting ad € 1,5 mln. zijn en dat de storting dient te worden beschouwd als:
- —
een tbs-vordering in de zin van artikel 3.92 Wet inkomstenbelasting 2001
- —
een informele kapitaalstorting, danwel
- —
een agiostorting.
Het oordeel dat de € 1,5 mln. het vermogen van erflater niet zouden hebben verlaten en dat hij nog gewoon de beschikkingsmacht over deze gelden zou hebben is feitelijk onjuist en maakt het oordeel van het gerechtshof onbegrijpelijk.
2.1.2. Prijsgeven standpunt inspecteur
Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur ter zitting van de Rechtbank niet uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn stelling heeft prijsgegeven dat het bedrag van de agiostorting ad € 1,5 mln. per 1 januari 2013 het (box III) — vermogen van erflater niet heeft verlaten (onderdeel 4.4.3. van de uitspraak). Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat de Inspecteur tot zijn uitlating is gekomen op basis van een stelling die door de Rechtbank aan de Inspecteur is voorgehouden die schijnbaar waar zou zijn, door het gebruik van de woorden ‘als dat zo is’.
Op pagina 3 van het proces-verbaal heeft het Hof hierover het volgende opgemerkt: ‘Hof: In geschil is of het bedrag van de agiostorting het vermogen van erflater op 1 januari 2013 heeft verlaten. In dat kader houdt het Hof de Inspecteur een passage uit het proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank voor, met de volgende tekst die de inspecteur verklaarde in antwoord op vragen van de rechtbank: ‘U houdt mij voor dat volgens een rekeningafschrift van de Rabobank op 21 januari 2013 een bedrag van €1.500.000 aan agiostorting op de bankrekening van de B.V. is bijgeschreven en dat het bedrag op 31 december 2012 is overgemaakt van de rekening van [X] naar de derdenrekening bij de notaris. Als dat zo is, dan is het bedrag vanaf dat moment van de BV.’. Rechtbank Zeeland-West-Brabant bij monde van confronteerde de inspecteur met deze feiten uit het dossier die de inspecteur kennelijk niet kende, maar waarvan hij ter plekke toegaf dat als dat waar is — en het is waar-, dat dan het bedrag vanaf dat moment van de B.V. is, zie ook bijlage 1. De inspecteur stelt bij het Hof desondanks ineens dat deze uitlating onder voorbehoud van het aan het licht komen van nieuwe feiten is gedaan. Maar nieuwe feiten hebben zich in deze casus niet voorgedaan! De verwarring die door het plotselinge voorbehoud van de inspecteur is ontstaan wordt door het Hof meegaand met de inspecteur opgelost door de stelling dat op basis van artikel 25 van de Wet op het notarisambt erflater het geld te zijner beschikking stond en dus altijd zou kunnen opeisen en het voorbehoud van de inspecteur de storting om deze reden het vermogen van erflater niet heeft verlaten.
De storting is niet opgeëist door erflater zoals blijkt uit de feiten. Met deze liquiditeiten zijn onder andere landbouwgronden verworven. Met andere woorden het geld is gebruikt waarvoor erflater het had bestemd en om welke reden hij dit op de derdenrekening heeft gestort en heeft laten doorstorten naar de in januari 2013 beschikbaar gekomen bankrekening van [A] BV. Dit maakt het voorbehoud van de inspecteur omtrent nieuwe feiten een loze opmerking.
Het Hof neemt de overboeking van € 1,5 mln. als zodanig in onderdeel 2.7 van haar uitspraak op als vaststaand feit. In onderdeel 4.4.4 van de uitspraak concludeert het Hof desondanks dat deze € 1,5 mln. het vermogen van erflater op 1 januari 2013 niet heeft verlaten en velt daarmee een onbegrijpelijk oordeel, nu deze gelden niet langer erflater, maar de B.V. toekomen.
Artikel 25 van de Wet op het notarisambt is ingevoerd om de gelden die op een derdenrekening worden gestort buiten de boedel van de notaris te houden bij een eventueel faillissement van de notaris. De storting op een dergelijke rekening geschiedt om de betaling aan een ander zeker te stellen, juist met de bedoeling om het uit het vermogen van degene die de storting doet te doen overgaan op dat van die desbetreffende derde, in casu van het vermogen van erflater naar dat van de B.V. Storting van een agioreserve via de derdenrekening van de notaris is een gangbare praktijk om de storting van agio te formaliseren. Keren we de redenatie van de inspecteur en het Hof eens om. Dan zouden overeengekomen agiostortingen nog teniet gedaan kunnen worden na storting op de derdenrekening zonder dat afstempeling van aandelen volgens artikel 4.13 lid 1 letter b Wet inkomstenbelasting 2001 aan de orde is.
In bovenstaand kader verwijzen wij uw Raad naar uw arrest van 29 juni 2018, nr. 18/00206, ECLI:HR:2018:1035. Het betrof in casu de vraag of de inspecteur terecht een vordering van € 400.000 als onderdeel van het box III vermogen van belanghebbende in aanmerking heeft genomen. In concreto was het de bedoeling dat een geldbedrag aan belanghebbende uit hoofde van een vastgoedtransactie zou worden betaald maar dat nog niet was geschied vanwege een beslaglegging op dit tegoed. In casu was de conclusie van het Hof dat dit bedrag terecht was opgenomen in de heffing van box III óndanks het beslag op de gelden onder de notaris. Uw Raad heeft op basis van artikel 81RO gecasseerd en het beroep van belanghebbende ongegrond verklaart. De conclusie in de situatie van belanghebbende is dat de liquiditeiten ad € 1,5 mln. zijn vermogen op 31 december 2012 hebben verlaten en beschikbaar zijn gesteld aan de B.V. in de vorm van agio maar in leder geval als feitelijke storting op uitgegeven aandelen op 31 december 2012. Na storting op de derdenrekening bij de notaris was de B.V. de rechthebbende op deze gelden en niet erflater.
2.1.3. Rangorderegeling
Het Hof gaat met zijn uitspraak over de beschikbaarheid van de liquiditeiten op 1 januari 2013 ten gunste van erflater voorbij aan de rangorderegeling van artikel 2.14 lid 2 van de Wet inkomstenbelasting 2001. De heffing van box III wordt op basis van deze bepaling uitgesloten indien vermogensbestanddelen inkomen uit werk en woning of uit aanmerkelijk belang genereren. In lid 3 letter b en letter c van artikel 2.14 Wet inkomstenbelasting 2001 zijn antimisbruikbepalingen opgenomen om het zogenaamde boxhoppen tegen te gaan.
Door de storting van € 1,5 mln. op de derdenrekening van de notaris op 31 december 2012, het doorstorten van dit bedrag op de bankrekening van de B.V. op 21 januari 2013 en de aanschaf van bedrijfsmiddelen met dit bedrag later in de tijd blijkt dat dit geldbedrag was geoormerkt om als agio te worden gestort van de op 31 december 2012 uitgegeven aandelen in [A] B.V. De agiostorting maakt deel uit van het box II vermogen van erflater op 31 december 2012 hetgeen de toepassing van de regels van box III uitsluit op basis van de rangorderegeling.
2.2. Toelichting grief II
De verwarring die door het plotselinge voorbehoud van de inspecteur is ontstaan wordt door het Hof meegaand met de inspecteur opgelost door de stelling dat op basis van artikel 25 van de Wet op het notarisambt erflater het geld te zijner beschikking stond en dus altijd zou kunnen opeisen en het voorbehoud van de inspecteur de storting om deze reden het vermogen van erflater niet heeft verlaten. Dit oordeel betekent volgens het Hof dat degene die gelden heeft gestort op een derdenrekening van de notaris moet worden geacht rechthebbende tot die gelden te zijn. Het Hof verwijst in dit kader eveneens naar de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 1993–1994, 23 706, nr. 3, blz. 10).
2.2.1. Wie is rechthebbende?
Cruciaal is in dit verband wie als rechthebbende op de gelden die op de derdenrekening zijn gestort kan worden aangemerkt. Het hof gaat ervanuit dat dit erflater is. De B.V. bestond op 31 december 2012 en had een bestuurder. Dit was niet erflater. Zowel het bestuur van de B.V. als de notaris waren op de hoogte van het feit dat er een agiostorting ten behoeve van de B.V. had plaatsgevonden op 31 december 2012 die om de eenvoudige reden dat de B.V. nog geen eigen bankrekening had, tijdelijk werd gestald op de derdenrekening van de notaris. Als erflater al het geld zou hebben willen terugvorderen —quod non— dan is duidelijk dat de notaris geenszins terstond tot overmaking op diens rekening zou overgaan. Zoals hiervoor opgemerkt laat de erflater met de storting van € 1,5 mln. zien dat deze gelden zijn vermogen hebben verlaten en dit geld heeft bestemd als agio te storten. Het ligt dan veeleer voor de hand dat de notaris de B.V. als rechthebbende zou aanmerken. Zo hij al enige twijfel zou hebben gehad zou hij toch zeker de bestuurder hebben benaderd en die zou stellig verklaren dat de B.V. de rechthebbende op de gelden was.
In dit verband verwijst belanghebbende naar het bijgevoegde artikel te vinden op de website van de Stichting tot bevordering der notariële wetenschap van 20 mei 2006 met noot van Prof. Mr. W.M. Kleijn, zie bijlage 4. Uw Raad heeft in het arrest van 12 januari 2001, RvdW 2001, 29/JOR 2001/50, m.nt. […] en […]/NJ2002, 371, m.nt. H.J. Snijders ([C]/[D]) gesproken over het bestaan van een deelgenootschap waarbij de koper rechthebbende is onder ontbindende voorwaarde van het tot stand komen van de transactie en de verkoper rechthebbende onder opschortende voorwaarde van het tot stand komen van de transactie.
In casu is door de oprichting van de B.V. op 31 december 2012 het recht voor deze B.V. ontstaan op de agiostorting van € 1,5 mln. en de plicht van de notaris tot doorstorting van dit bedrag op de later geopende bankrekening van de B.V.
2.3. Toelichting grief III alsmede grief I
In de onderdelen 4.5.1 en volgende doet het Hof uitspraak inzake de vraag of het bedrag ad € 90.000 ter beschikking is gesteld aan [A] B.V. op 1 januari 2013 danwel behoort tot de grondslag van het box III vermogen van erflater.
Hierover hebben wij de volgende opmerkingen.
2.3.1. Artikel 3.92 Wet inkomstenbelasting 2001
Het hierboven genoemde artikel rekent vermogensbestanddelen welke door de aanmerkelijk belang aandeelhouder vanuit privé ter beschikking worden gesteld aan de B.V. tot het vermogen van het resultaat uit overige werkzaamheden. Hiermee wordt voorkomen dat de B.V. kosten tegen de waarde In het economische verkeer in aftrek brengt en de aandeelhouder via de heffing van box III het forfaitair rendement geniet en hierover belasting betaalt. Het gaat om een vermogensbestanddeel dat binnen de onderneming van in casu [A] B.V. wordt aangewend.
Bij de bepaling van de resultaten uit de ter beschikking stelling zijn de wettelijke bepalingen van goed koopmansgebruik via artikel 3.95 Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing en in beginsel dus ook de vermogensetiketteringsregels. Weliswaar zijn de etiketteringsregels in het kader van de tbs-regeling als zodanig niet aan de orde, omdat de vraag of dit regime in werking treedt louter afhankelijk is van het antwoord op de vraag of er ter beschikking wordt gesteld of niet. Uit de jurisprudentie van uw Raad omtrent de aanvang van het tbs-regime blijkt evenwel dat niet het moment van aanvang van de feitelijke ter beschikkingstelling bepalend is, maar de bedoeling van partijen met betrekking tot de aanwending van het desbetreffende vermogensbestanddeel. De vraag of een vermogensbestanddeel tot het ondernemingsvermogen (tbs-vermogen) dan wel tot het privévermogen (box III) van een belastingplichtige behoort, is in beginsel dan ook afhankelijk van de wil van de belastingplichtige (en de B.V.). Belanghebbende heeft de liquiditeiten ad € 90.000 tot het resultaatsvermogen gerekend per 1 januari 2013, omdat hij deze middelen bestemd heeft voor de B.V. en de B.V. deze middelen ook wenst te ontvangen. De financiën zijn later in het jaar daadwerkelijk in de onderneming van [A] B.V. aangewend.
Subsidiair geldt dit eveneens voor de gestorte middelen in de agioreserve ad € 1,5 mln. Als wordt betoogd dat dit geldbedrag het vermogen van erflater niet zou hebben verlaten, dan is duidelijk dat het de wil van erflater was dit bedrag ter beschikking te stellen aan de B.V. en dus onder de tbs-regeling en niet in box 3 fiscaal verantwoord diende te worden. Dit bedrag is Immers binnen zeer korte tijd aangewend voor investeringen in grond ten behoeve van de onderneming. Genoegzaam is door belanghebbende aangetoond dat de voorbereidingen voor deze investeringshandelingen al liepen in het laatste kwartaal van 2012 doch zeer zeker op het moment van de agiostorting zelf.
In het besluit van 1 december 2008, nr. CPP2008/520M, Stcrt. 2008, 243 (BNB 2009/33; V-N 2009/2.7) nam de staatssecretaris het standpunt in dat artikel 3.92 pas van toepassing is op het moment dat de vermogensbestanddelen daadwerkelijk aan de B.V. ter beschikking worden gesteld. De Hoge Raad oordeelde dit standpunt onjuist (HR 22 januari 2010, nr. 08/00327, BNB 2010/190 (V-N 2010/6.19), en HR 22 januari 2010, nr. 09/00654, BNB2010/192 (V-N 2010/6.20)). Als een onroerende zaak wordt aangeschaft met de gezamenlijke bedoeling van de belastingplichtige en een met hem gelieerde vennootschap om die zaak in gebruik te geven aan die vennootschap en de zaak voor dat gebruik gereed wordt gemaakt, is van terbeschikkingstelling in de zin van artikel 3.92 sprake op het moment waarop deze onroerende zaak is aangeschaft. Het is niet vereist dat die gezamenlijke bedoeling in een overeenkomst is neergelegd. Als een dergelijke overeenkomst ontbreekt, kan niettemin van meet af aan sprake zijn van terbeschikkingstelling, mits de aanschaf en het gereedmaken zijn geschied onder zodanige omstandigheden dat, indien de (toekomstige) gebruiker ervan een niet gelieerde persoon zou zijn geweest, met deze over die aanschaf en het gereedmaken voorafgaand afstemming zou hebben plaatsgevonden.
2.3.2. Voorkomen dubbele belasting
In de onderdelen 6.7.6. en 6.10.4, zie bijlage 5, van het op 19 april 2016 ingediende beroepschrift bij de Rechtbank merkt belanghebbende op dat er sprake is van dubbele belastingheffing wanneer het standpunt van de inspecteur wordt gevolgd en de agiostorting van € 1,5 mln. en de € 90.000 liquiditeiten als box III bezittingen dienen te worden verantwoord.
Erflater stort € 1,5 mln. op de notariële derdenrekening om te laten zien dat dit geld zijn vermogen heeft verlaten met als doel het storten van agio op uit te geven aandelen. De liquiditeiten ad € 90.000 worden per 1 januari 2013 in de tbs-balans in de aangifte opgenomen, zie bijlage 5. Vervolgens worden deze middelen renderend ingezet binnen de B.V. en leiden aldus in 2013 tot heffing van Vpb. Het tevens belasten in box 3 leidt dan tot dubbele heffing.
2.4. Vertrouwensbeginsel
In onderdeel 4.5.3 van haar uitspraak merkt het Hof op dat belanghebbenden mede een beroep hebben gedaan op het vertrouwensbeginsel. Zij hebben gesteld dat de Inspecteur de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2012 van erflater heeft gevolgd. In die aangifte had erflater het tbs-vermogen verantwoord en een aanmerkelijk belang aangegeven. De Inspecteur heeft het beroep van belanghebbenden op het vertrouwensbeginsel verworpen evenals het Hof in haar uitspraak. Voor een nadere toelichting op het beroep op het vertrouwensbeginsel verwijzen wij u naar pagina 16, 17 20 en 21 van het beroepschrift aan de Rechtbank van 19 april 2016, zie bijlage 6.
Belanghebbende is van mening dat de wijzigingen welke in 2012 in de fiscale positie van belanghebbende hebben plaatsgevonden structureel en ingrijpend zijn te noemen en gevolgen hadden voor de fiscale positie per 1 januari 2013. Door de oprichting van de B.V. werd erflater aanmerkelijk belanghouder en is de tbs-regeling van toepassing geworden op de bestanddelen die voor deze wijziging tot de grondslag van zijn box III vermogen behoorden. Een dergelijke wijziging mag niet aan de aandacht van de inspecteur ontsnappen en had moeten leiden tot vragen.
3. Conclusie:
Op grond van het voorgaande mogen wij uw Raad in overweging geven, de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch, waarvan beroep in cassatie, te vernietigen, en zelf in de zaak te voorzien.
Gegeven de conclusie verzoekt belanghebbende om een proceskostenvergoeding vast te stellen in het kader van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht alsmede om vergoeding van het betaalde griffierecht.
Met verschuldigde hoogachting,