Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IV.4.1.6:IV.4.1.6 Proportionaliteit
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IV.4.1.6
IV.4.1.6 Proportionaliteit
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS602081:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Groenewegen 2005, p. 13; Barak 2012, p. 342.
Vgl. Barak 2012, p. 348 e.v.
Zo bijv. Keijzer 1987, p. 246; Firster 1988, p. 84-85; Groenhuijsen 2000, p. 96; Weigend 2014, p. 296.
Vgl. Stevens 2008; Stevens 2009; Stevens 2013. Dat is alleen anders waar de met een beslissing gepaard gaande verbale communicatie, zoals de motivering van die beslissing, in die afweging inzicht geven.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ten slotte moeten inbreuken op vrijheidsrechten proportioneel zijn aan het gediende doel. Dat is een betrekkelijke vage eis, want de belangen die tegen elkaar moeten worden afgewogen zijn dikwijls volstrekt onvergelijkbaar en bovendien is de maatstaf sterk waarde geladen.1 Het gewicht van de ene kant van de proportionaliteitsweegschaal bepalen onder meer het legitieme doel, de waarschijnlijkheid dat de handeling dat doel zal bereiken en de positieve gevolgen die het bereiken van dat doel heeft. Zwaarwegend voor de andere kant van de weegschaal zijn bijvoorbeeld de mate van beperking van de rechten van het individu en de negatieve gevolgen die deze beperking heeft.2 Het moge duidelijk zijn dat een afweging daartussen niet wetenschappelijk of exact is, maar afhangt van sociale en politieke waarden binnen het desbetreffende rechtssysteem. Eén van die waarden is de presumptie van onschuld. Betoogd is wel dat deze gewicht in de schaal legt aan de zijde van het in zijn rechten getroffen individu.3 Voor zover daarmee wordt bedoeld dat de tegen de betrokkene gerezen verdenking geen gewicht in de schaal mag leggen, lijkt mij dat uit een verbod op bejegening als schuldige niet af te leiden. Echter, het verbod de verdachte als schuldige te bejegenen, betekent wel dat diens rechten op bijvoorbeeld een goede naam en reputatie, op fysieke vrijheid en op eigendom niet achteloos mogen worden beperkt. Zolang de betrokkene niet is veroordeeld zijn diens rechten serieus te nemen en mag bij een proportionaliteitsafweging zijn schuld niet als vaststaand gegeven worden beschouwd. In zoverre legt de onschuldpresumptie inderdaad gewicht in de schaal. Deze brengt aldus niet mee dat de verdenking bij de belangenafweging moet worden genegeerd, maar wel dat de mogelijke onschuld van de verdachte daarbij altijd óók een rol moet blijven spelen. Hiervoor geldt evenwel hetzelfde als voor de subsidiariteit: óf de onschuldpresumptie in die afwegingen wordt betrokken is nauwelijks controleerbaar, zodat het vooral een aan de afwegende autoriteit gerichte instructienorm met tamelijk abstracte waarde blijft. 4