Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IV.2.2
IV.2.2 Geen rechtsvermoeden in technische zin
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS602079:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Stolwijk 2007, p. 16. Vgl. in dezelfde zin ook bijv. Weigend 2014, p. 287.
Stuckenberg 1998, p. 447 e.v; Tophinke 2000, p. 172 e.v.; Stuckenberg 2014, p. 305 e.v.
Wróblewski 1974, p. 47 e.v.
In de civielrechtelijke literatuur wordt nog wel eens onderscheid gemaakt tussen onweerlegbare vermoedens en ficties. De term fictie wordt dan gereserveerd voor vermoedens, die niet waar zijn en dat ook niet kunnen zijn, terwijl onweerlegbare vermoedens in de regel juist wél empirisch juist zijn, zie bijv. Hartkamp 1991, p. 868; Asser 2004, p. 90-91. Het onderscheid is hier verder niet relevant en beide worden dan ook als synoniemen gebruikt.
Zij worden mede daarom anders dan de weerlegbare vermoedens niet tot het bewijsrecht gerekend, zie Giesen 2001, p. 67; Asser 2004, p. 88 en 90; Pitlo/Rutgers & Krans 2014, p. 56-57. Vgl. ook Wróblewski 1974, p. 69.
Zo ook Stuckenberg 2014, p. 305.
Vgl. bijv. Jörg, ‘Art. 29 Sv’, in: Melai/Groenhuijsen,aant. 18.5, die vermoedens van daderschap en omkering van bewijslast aanduidt als “broer en zus”. Historisch hebben rechtsvermoedens sinds Alciatus zo gefunctioneerd, zo bleek in § II.5.2. Noodzakelijk is dat niet. In het hierna in de hoofdtekst gegeven voorbeeld zou de negatieve conditie ook kunnen zijn dat degene die een goed onder zich neemt, niet ouder dan vijftig jaar is. Dan zegt het vermoeden niets over de bewijslast, maar over de door het vermoeden geraakte personen.
Art. 3:118 lid 3 BW bepaalt bijvoorbeeld: “Goede trouw wordt vermoed aanwezig te zijn; het ontbreken van goede trouw moet worden bewezen.”
§ II.6.
Zo ook Tophinke 2000, p. 189-190. Vgl. voorts Henrion 2006, p. 919-920.
“De praesumptio innocentiae is geen feitelijk vermoeden, maar een rechtsvermoeden”, zo stelt Stolwijk in zijn afscheidsrede.1 Ook van een rechtspresumptie in technische zin is echter geen sprake. De in vooral Duitstalige literatuur ondernomen exercities om de onschuldpresumptie te karakteriseren als rechtsvermoeden, zijn vruchteloos gebleken.2 Zij bieden blijkens het navolgende namelijk nauwelijks verklaring voor het huidige functioneren van de onschuldpresumptie.
Op het eerste oog lijkt van een rechtspresumptie eerder sprake dan van een praesumptio hominis. Anders dan die laatste zeggen rechtspresumpties namelijk niet noodzakelijk of primair iets over de empirische werkelijkheid. Deze rechtsvermoedens zijn eerst en vooral rechtsregels met een normatief karakter.3 In zoverre past de onschuldpresumptie bij deze (veelal wettelijke) vermoedens natuurlijk beter, want het vermoeden van onschuld is weliswaar vaak empirisch onwaarschijnlijk, maar ontegenzeggelijk wel een rechtsnorm.
Deze rechtsvermoedens worden klassiek ingedeeld in twee categorieën: weerlegbare (praesumptiones iuris) en onweerlegbare (praesumptiones iuris ac de iure). Onweerlegbare vermoedens of ficties4 lijken sterk op materiële rechtsregels.5 Wanneer een bepaald grondfeit is vastgesteld, geldt een ander, vermoed feit als bewezen, ongeacht of dit met de werkelijkheid overeenstemt. Er is geen omstandigheid die de werking ervan uitsluit en dus geen ruimte voor bewijs van het tegendeel. De onschuldpresumptie heeft evident wel zo’n negatieve voorwaarde. Iemand wordt namelijk slechts voor onschuldig gehouden totdat of tenzij het tegendeel is bewezen.6
Met weerlegbare rechtsvermoedens is de onschuldpresumptie derhalve beter vergelijkbaar. Weerlegbare rechtsvermoedens zijn normen met een conditionele structuur. Zij hebben vaak een positieve conditie en een negatieve conditie. De positieve conditie is het grondfeit, de omstandigheid die moet worden vastgesteld voordat het vermoeden intreedt. De negatieve conditie is een omstandigheid die het vermoeden beëindigt. Dikwijls fungeert tegenbewijs of tegendeelbewijs als negatieve conditie. Dan functioneert het vermoeden als een de bewijslast verdelend mechanisme.7 Treedt de positieve conditie op en de negatieve niet, dan geldt het vermoede feit als waar. De grondslag voor zo’n vermoeden kan zijn gelegen in de empirische of logische waarschijnlijkheid ervan, maar dat hoeft nadrukkelijk niet. Van belang is voorts dat de consequenties van het voor waar houden van het vermoede feit niet door het vermoeden zelf worden beschreven. Een vermoeden is in zoverre een incomplete norm. De consequenties van het vermoeden moeten buiten het vermoeden worden gezocht.
Een hypothetisch voorbeeld dat op gespannen voet zou staan met de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie ter verduidelijking: denkbaar is een vermoeden dat hij die een goed dat aan een ander toebehoort onder zich neemt (positieve conditie), wordt vermoed dat te doen met een oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (gevolgtrekking), tenzij het tegendeel wordt bewezen (negatieve conditie). Zo’n vermoeden zegt niets over de waarschijnlijkheid dat het vermoeden empirisch ‘waar’ is. Doorgaans zal dat in het gegeven voorbeeld zelfs niet zo zijn (denk aan huur, bruikleen enz.). Het vermoeden schrijft ook niet voor wát de consequenties zijn van de gevolgtrekking. Daarvoor moet men nog steeds te rade in artikel 310 Sr. Het vermoeden is louter een ondersteunende norm die het bewijs van oogmerk vergemakkelijkt. Daarvoor is het onder zich nemen voldoende, terwijl voor aanname van het tegendeel (géén oogmerk) bewijs noodzakelijk is.
Is de onschuldpresumptie zo’n weerlegbaar rechtsvermoeden in technische zin? Een eerste in het oog springend verschil is dat voor de onschuldpresumptie de positieve conditie niet direct duidelijk is. Rechtsvermoedens zonder aanwijsbaar grondfeit komen echter wel meer voor.8 Belangrijker is dat karakterisering als een rechtsvermoeden in technische zin nauwelijks kan verklaren dat zoveel betekenis aan de onschuldpresumptie tegenwoordig wordt toegekend. Een rechtsvermoeden van onschuld geeft zelf immers in het geheel niet aan wat de consequenties van die ‘onschuld’ moeten zijn. Enkel valt uit de negatieve conditie op te maken dat de bewijslast niet op de verdachte rust, maar op de overheid die belang bij vaststelling van het tegendeel heeft. Dat verklaart waarom de oorspronkelijk als bewijslastmechanisme functionerende regel als ‘vermoeden’ te boek is komen te staan, zo bleek in hoofdstuk II.9 De onschuldpresumptie stelt evenwel tevens eisen aan de kwaliteit van het schuldbewijs, aan de wijze waarop de waarheidsvinder tot dat schuldbewijs komt en hoe een vermoed ‘onschuldige’ moet worden behandeld. De tegenwoordige inhoud en werking van het beginsel laten zich met typering als rechtspresumptie derhalve niet afdoende verklaren.10