Einde inhoudsopgave
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/9.4.3
9.4.3 Toezichtsbevoegdheden van de toezichtsmedewerkers van de AFM
Mr. G.T.J. Hoff, datum 23-02-2011
- Datum
23-02-2011
- Auteur
Mr. G.T.J. Hoff
- JCDI
JCDI:ADS493902:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Zie de Regeling van mandaat, volmacht en machtiging van de AFM (www.afm.nl).
Onder 'functionarissen' van een afdeling van de AFM worden in de Regeling van mandaat, volmacht en machtiging van de AFM verstaan: Bestuurslid, Directeur, Hoofd, Manager, Projectleider, Senior toezichthouder, Senior jurist, Teamleider, Toezichthouder, Jurist, Medewerker, Junior Jurist en Assistent medewerker.
Uitgezonderd zijn slechts de bevoegdheden genoemd in art. 5:18 Awb (onderzoek, opneming en monsterneming van zaken) en art. 5:19 Awb (onderzoek van vervoermiddelen) (art. 1:73 lid 1 Wft). Zie ook art. 5:14 Awb, dat de mogelijkheid biedt om de aan een toezichthouder toekomende toezichtsbevoegdheden te beperken.
Art. 5:13 Awb geeft voor de uitoefening van toezichtsbevoegdheden een specifieke invulling aan art. 3:4 lid 2 Awb waarin het evenredigheidsbeginsel in algemene zin is opgenomen.
Zie Vzngr. Rb. 's-Gravenhage 13 oktober 2008 (LJN: BH2647) voor een geslaagd beroep op het evenredigheidsbeginsel in verband met de uitoefening van de inzagebevoegdheid van art. 5:17 Awb door de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa). In het berechte geval had de NMa de e-mailboxen van een aantal key players van Fortis en Allianz gekopieerd. De voorzieningenrechter oordeelde dat deze werkwijze, mede gelet op de hoeveelheid gegevens, mogelijk tot gevolg heeft gehad dat gegevens zijn gekopieerd die niet vallen binnen doel en onderwerp van het onderzoek. De NMa werd veroordeeld Fortis en Allianz in de gelegenheid te stellen het door de NMa uit te voeren onderzoek van digitale kopieën te laten plaatsvinden in aanwezigheid van hun gemachtigden, zodat die erop kunnen toezien dat gekopieerde gegevens die buiten doel en onderweg) van het onderzoek vallen niet worden onderzocht.
Zie hierover uitvoerig Jansen, diss. (1999). Zie verder ook Leliveld, FR 2007, p. 216-220; Roth, Ondememingsrecht 2009, p. 492-500; Doets/Tillema, Serie OO&R, deel 57(2010), p. 860-869.
Zie Kamerstukken II, 1993-1994, 23 700, nr. 3, p. 142.
Zie Kamerstukken II, 1993-1994, 23 700, nr. 3, p. 141 en Kamerstukken II, 2003-2004, 29 708, nr. 3, p. 41, 45-46.
Zie Kamerstukken II, 1994-1995, 23 700, nr. 5, p. 60.
Zie in deze zin Rb. Rotterdam 7 augustus 2003, AB 2004/92 m.nt. O.J.D.M.L. Jansen (Tavaco/NMa).
Zie het AFM-rapport Ruim een jaar toezicht op marktmisbruik (2007), p. 14-15.
Zie Kamerstukken II, 1993-1994, 23 700, nr. 5, p. 144.
Zie ook Werkwijze Autoriteit Financiële Markten met betrekking tot het inzien en kopiëren van digitale gegevens (www.afm.nl). In deze werkwijze wordt door de AFM duidelijkheid gegeven over de wijze waarop door haar gebruik gemaakt zal worden van haar inzagebevoegdheid met betrekking tot digitale gegevens. Daarbij wordt een onderscheid aangebracht tussen het maken van een forensic image en het maken van een kopie van een digitaal opgeslagen bestand of een selectie uit een groter bestand. Het bijzondere aan een forensic image is namelijk dat daarbij een integrale kopie wordt gemaakt van een opslagmedium, waardoor de AFM tevens inzage kan verkrijgen in de digitale bestanden waartoe de onder toezicht gestelde geen toegang (meer) heeft (zoals verwijderde bestanden), de historie van bestanden (bijvoorbeeld eerdere bestanden) en de digitale omgeving van bestanden (bijvoorbeeld de status daarvan). Omdat het in art. 5:17 lid 2 Awb voorkomende begrip 'kopie' impliceert dat degene wiens gegevens zijn gekopieerd, daarna over exact dezelfde gegevens beschikt als de AFM en omdat als gevolg van het maken van een forensic image dit niet meer het geval is, zijn bepaalde procedureafspraken vereist. Het doel hiervan is dat de onder toezicht gestelde op eenzelfde wijze als de toezichthouder toegang kan verkrijgen tot de (al dan niet verwijderde) gekopieerde bestanden. De werkwijze voorziet bovendien in het desverzocht verwijderen van privégegevens en geprivilegieerde gegevens (zoals correspondentie van en met advocaten) uit digitale kopieën, zodat deze gegevens buiten het onderzoek van de AFM zullen blijven. Ten slotte voorziet de werkwijze in informatieverstrekking door de AFM over uit te voeren gerichte zoekacties in het digitale materiaal. Zie bijvoorbeeld Vzngr. Rb. Rotterdam 20 april 2010 (LIN: BM4487).
Zie Kamerstukken II, 1993-1994, 23 700, nr. 3, p. 145.
De AFM heeft op de voet van art. 1:72 lid 1 Wft bij aanwijzingsbesluit bepaalde bij haar werkzame toezichtsmedewerkers aangewezen die belast zijn met het toezicht op de naleving van de bij en krachtens de Wet op het financieel toezicht gestelde regels.1 Met dit toezicht zijn onder meer belast de functionarissen van het competentiecentrum Securities Market Surveillance. De ftmctionarissen2 van Securities Market Surveillance zijn primair verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie door uitgevende instellingen (zie § 9.2.2). Op grond van het aanwijzingsbesluit van de AFM kunnen de toezichtsmedewerkers van de AFM aangemerkt worden als `toezichthouder' in de zin van art. 5:11 Awb, met als gevolg dat zij — behoudens twee uitzonderingen3 — beschikken over alle in titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht aan een toezichthouder toegekende toezichtsbevoegdheden.
Ten aanzien van de in titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen toezichtsbevoegdheden geldt dat het gebruik dat daarvan kan worden gemaakt, genormeerd wordt door het evenredigheidsbeginsel van art. 5:13 Awb.4 Het evenredigheidsbeginsel houdt in dat van de toezichtsbevoegdheden door een toezichtsmedewerker slechts gebruik gemaakt mag worden voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.5 In dit evenredigheidsbeginsel liggen de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en zorgvuldigheid mede besloten. Zo dient evenredigheid te bestaan tussen het doel van het toezicht enerzijds en de daartoe gebezigde middelen anderzijds, in het bijzonder wat de zwaarte van die middelen betreft (proportionaliteit). Uit deze norm vloeit verder voort dat de toezichtsmedewerker zijn bevoegdheid op de voor de uitgevende instelling minst belastende wijze dient uit te oefenen (subsidiariteit). Ten slotte fungeert art. 5:13 Awb als grondslag voor de formulering van zorgvuldigheidsvereisten. Wordt het toezicht eenmaal uitgeoefend, dan dient dat toezicht ook deugdelijk te geschieden. Het is bovendien een eis van zorgvuldigheid dat een toezichtsmedewerker bij de uitoefening van een hem verleende bevoegdheid aan de uitgevende instelling de reden meedeelt waarom hij van zijn bevoegdheid gebruik maakt. Ook is het een eis van zorgvuldigheid dat de toezichtsmedewerker in beginsel niet van een hem toegekende bevoegdheid gebruik zal mogen maken als de uitgevende instelling reeds te kennen heeft gegeven vrijwillig medewerking te zullen verlenen.
Een voor de onder toezicht gestelde uitgevende instelling praktische regel is nog dat de toezichtsmedewerker van de AFM zich bij de uitoefening van zijn toezichtstaak desgevraagd zal dienen te legitimeren (art. 5:12 Awb).
Hierna zullen de onderscheiden toezichtsbevoegdheden waarover de toezichtsmedewerkers van de AFM kunnen beschikken bij het uit te oefenen toezicht op de naleving van de openbaarmakingsplicht door uitgevende instellingen de revue passeren.6 In deze studie blijft buiten beschouwing de bevoegdheid van een toezichtsmedewerker van de AFM in beginsel "elke plaats" te betreden (art. 5:15 Awb).
(i) Inlichtingenbevoegdheid
Een toezichtsmedewerker van de AFM is bevoegd inlichtingen van een ieder te vorderen (art. 5:16 Awb). Deze inlichtingen kunnen zowel mondeling als schriftelijk worden gevorderd en verstrekt. Vooral bij een dergelijke algemene inlichtingenbevoegdheid zal de normering van het evenredigheidsbeginsel van art. 5:13 Awb zich doen gelden, zodat inlichtingen slechts door een toezichtsmedewerker mogen worden ingewonnen voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor de vervulling van zijn taak. Meer concreet zal dit betekenen dat aan de uitgevende instelling de reden zal moeten worden meegedeeld waarom de inlichtingen worden gevraagd.7 Het betekent ook dat de kring van personen van wie inlichtingen kunnen worden gevraagd beperkt is tot de personen die betrokken zijn bij de activiteiten waarop toezicht wordt uitgeoefend.8 In elk concreet geval zal moeten worden beoordeeld of daarvan sprake is.9 Voor een vergaande bevoegdheidsuitoefening jegens derden zal — voor zover geen verband bestaat met de activiteiten waarop door de AFM krachtens de Wet op het financieel toezicht wordt toegezien — op grond van het evenredigheidsbeginsel in de regel geen plaats zijn.
Een toezichtsmedewerker van de AFM zal zich in beginsel hebben te verstaan met het bestuur van de uitgevende instelling dat immers belast is met de naleving van de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie of met degenen die door het bestuur tot het verstrekken van inlichtingen aan de toezichthouder gemachtigd zijn (zie § 7.2). Aan de andere kant moet ingezien worden dat de wetgever de medewerkingsplicht van art. 5:20 Awb niet heeft beperkt tot een specifieke kring van personen die aan een uitgevende instelling is verbonden. Deze medewerkingsplicht geldt immers voor "een ieder". De enige beperking op de inlichtingenbevoegdheid wordt gevormd door het evenredigheidsbeginsel van art. 5:13 Awb. Het is om die reden dat wordt aangenomen dat in beginsel van een ruimere kring van personen dan de (civielrechtelijke) vertegenwoordigers van een onderneming inlichtingen kunnen worden gevorderd, mits uiteraard voldaan wordt aan het criterium van betrokkenheid bij de activiteiten waarop door de AFM moet worden toegezien.10
Het gevolg van de ruime reikwijdte van de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie zal zijn dat de door de toezichtsmedewerkers van de AFM gevorderde inlichtingen een zeer breed terrein kunnen bestrijken, waarvan geen onderwerp bij voorbaat uitgesloten lijkt te zijn. Zie ook hoofdstuk 6 van deze studie voor een ten aanzien van het begrip 'koersgevoelige informatie' opgestelde staalkaart.
De wettelijke regeling van de inlichtingenbevoegdheid sluit uiteraard niet uit dat in de dagelijkse toezichtspraktijk door de AFM veelal op een informele wijze contact wordt gezocht met uitgevende instellingen om toelichting te krijgen op bepaalde feiten of gebeurtenissen, al dan niet naar aanleiding van berichten in de media of ontwikkelingen in de markt. Onder het motto 'vragen staat vrij' benadert de AFM op een regelmatige basis uitgevende instellingen. Zoals de AFM11 zelf stelt:
"Regelmatig ontstaat de situatie waarbij de AFM van mening is dat er (waarschijnlijk) een publicatieplicht of meldingsplicht is ontstaan, nog voordat de instelling de publicatie of de melding verricht. Het gaat dan vaak om situaties waarbij de AFM vermoedt dat de instelling zich nog niet bewust is van de ontstane plicht. Veelal zoekt de AFM dan telefonisch contact om instellingen om uitleg van de situatie te vragen, eventueel te wijzen op de mogelijke plicht en, indien gewenst, dit nader te bespreken."
(ii) Inzage in zakelijke gegevens en bescheiden
Minstens zo belangrijk voor het toezicht als de inlichtingenbevoegdheid is de bevoegdheid van de toezichtsmedewerkers van de AFM om inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden (art. 5:17 lid 1 Awb). De vordering tot inzage zal in eerste instantie gericht zijn tot de uitgevende instelling. Omdat de inzagebevoegdheid — evenals de inlichtingenbevoegdheid van art. 5:16 Awb — geen beperkingen kent ten aanzien van de kring van personen jegens wie deze bevoegdheid kan worden uitgeoefend, is denkbaar dat ook derden — zoals bijvoorbeeld de externe accountant van de uitgevende instelling — daarmee geconfronteerd kunnen worden.12 Onder 'gegevens en bescheiden' als bedoeld in art. 5:17 Awb worden niet alleen fysieke stukken verstaan, maar ook gegevens die in elektronische bestanden zijn opgeslagen.13 De inzagebevoegdheid heeft overigens slechts betrekking op zakelijke gegevens en bescheiden. Gegevens en bescheiden van persoonlijke aard vallen daar dus buiten. De toezichtsmedewerker mag van de zakelijke gegevens en bescheiden kopieën maken (art. 5:17 lid 2 Awb). Gegevens die in geautomatiseerde bestanden zijn vastgelegd, kunnen daartoe ook worden overgenomen op diskettes of andere gegevensdragers. De uitgevende instelling is verplicht de toegangscode tot deze bestanden te verstrekken en het mogelijk te maken dat door de toezichtsmedewerker apparatuur wordt aangesloten om gegevens te printen of over te zetten op USB sticks, DVD's, diskettes of andere gegevensdragers.14 De toezichtsmedewerker kan tegen afgifte van een schriftelijk bewijs de zakelijke gegevens en bescheiden voor een korte tijd meenemen naar zijn eigen kantoor om daar kopieën te maken (art. 5:17 lid 3 Awb). Wanneer dit de voorkeur heeft van de belanghebbende en de faciliteiten daarvoor aanwezig zijn, zullen de kopieën echter ter plaatse moeten worden gemaakt.15
Uit deze omschrijving van de aan de toezichtsmedewerkers van de AFM toekomende inzagebevoegdheid blijkt dat een nauw verband bestaat met de inlichtingenbevoegdheid waarover de AFM eveneens beschikt. Het pregnante verschil tussen beide toezichtsbevoegdheden is dat de inzagebevoegdheid betrekking heeft op reeds bestaande, vastgelegde gegevens. Uitoefening van de inzagebevoegdheid heeft tot gevolg dat de uitgevende instelling de ter inzage gevorderde gegevens alleen behoeft te tonen aan de toezichtsmedewerker van de AFM. Om die reden dienen deze gegevens of gegevensverzamelingen min of meer concreet omschreven te worden bij uitoefening van de inzagebevoegdheid. Dit alles ligt wezenlijk anders bij de uitoefening van de inlichtingenbevoegdheid door de AFM. In dat geval zal door de AFM van de uitgevende instelling of van aan haar verbonden functionarissen gevorderd worden dat zij antwoord geven op de gestelde vragen, hetgeen betekent dat de daarvoor benodigde gegevens door betrokkene(n) zelf vergaard dienen te worden.