Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/5.5:5.5 Samenvatting en conclusies
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/5.5
5.5 Samenvatting en conclusies
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS575954:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk is onderzocht hoe de voorwaarden voor kwalificatie als 'recht' in de zin van art. 79 RO ten aanzien van rechtersregelingen nader ingevuld kunnen worden. Gebleken is daarbij dat de invulling van deze voorwaarden niet steeds eenduidig is. Vooral de eis van 'toepasbaarheid als rechtsregel' is in dit verband problematisch, aangezien deze min of meer dwingt tot een inhoudelijke toetsing van een rechtersregeling, die uiteindelijk pas in cassatie definitief zal kunnen plaatsvinden. Tot dat moment zal echter onduidelijkheid kunnen bestaan over de status van die regeling. Ook het antwoord op de vraag of een rechtersregeling 'behoorlijk bekendgemaakt' is, zal bij de huidige stand van zaken (deels) afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval.
Deze situatie is onwenselijk, gelet op het karakter van de binding aan rechtersregelingen die tot het 'recht' van art. 79 RO behoren. Dit type rechtersregeling wordt immers gekenmerkt door een binding die reeds voorafgaand aan toepassing daarvan door de rechter ontstaat. Daarbij past dat de bijbehorende criteria formeel van aard zijn en zo weinig mogelijk ruimte laten voor twijfel over de concrete invulling daarvan.1
Het zou dan ook aanbeveling verdienen dat, althans op termijn, de wetgever een aantal zaken met betrekking tot rechtersregelingen in de wet regelt.2 Ten aanzien van bestuurlijke beleidsregels is dit immers uiteindelijk ook gebeurd. Dit is te meer de aangewezen weg, nu de vragen die in dit verband spelen (deels) keuzes van rechtspolitieke aard vergen, die uiteindelijk niet door de rechter gemaakt zullen kunnen worden.3 De herziening van de Wet RO is in dit opzicht zeker een gemiste kans te noemen. Tal van belangrijke vragen zijn hierbij immers in het midden gebleven. Ik noem hier de vraag welk orgaan precies bevoegd is tot vaststelling van rechtersregelingen, de wijze waarop de besluitvorming daaromtrent dient plaats te vinden, de afbakening van onderwerpen die zich lenen voor (bindende) rechtersregelingen en de wijze waarop publicatie dient plaats te vinden.
In een toekomstige wettelijke regeling zouden voorts de juridische status van (bepaalde) rechtersregelingen en de voorwaarden voor het bereiken van die status kunnen worden vastgelegd. Hierbij kunnen in eerste instantie de door de Hoge Raad reeds ontwikkelde criteria waaronder een rechtersregeling recht in de zin van art. 79 RO kan vormen, tot uitgangspunt worden genomen. De wetgever zou echter ook een stapje verder kunnen gaan en de criteria waarvan de invulling in de huidige situatie problematisch is, verder kunnen 'formaliseren'.
Ik denk hierbij met name aan de eis van behoorlijke bekendmaking en de eis dat een rechtersregeling zich naar inhoud en strekking moet lenen voor toepassing als rechtsregel. De bekendmakingseis zou in die zin geformaliseerd kunnen worden, dat in de wet wordt vastgelegd op welke wijze - via welk medium of welke media, en op welke termijn - een rechtersregeling bekendgemaakt dient te worden, wil deze tot binding kunnen leiden. Naast plaatsing in de Staatscourant (die ook nu reeds als behoorlijke bekendmaking geldt) zou hierbij gedacht kunnen worden aan publicatie via de website www.recht-spraak.nl. De eis dat een rechtersregeling 'toepasbaar als rechtsregel' moet zijn, zou gezien de (zeer) geringe zelfstandige waarde daarvan, wellicht zelfs geheel kunnen vervallen.
Tot slot kan geconcludeerd worden dat vooralsnog een aanzienlijk deel van de thans bestaande rechtersregelingen niet voor het etiket 'recht in de zin van art. 79 RO' in aanmerking zal komen. Dit wordt in de eerste plaats veroorzaakt door het feit dat in veel gevallen rechtersregelingen niet - althans niet op 'behoorlijke wijze' - bekendgemaakt worden. Van de rechtersregelingen die aan deze eis wél voldoen zijn de meeste afkomstig van privaatrechtelijke instellingen als de Kring van Kantonrechters of de NVvR, die beide niet als bevoegd orgaan voor vaststelling kunnen worden beschouwd. Vooralsnog lijken dus met name de verschillende (landelijke en plaatselijke) rolreglementen aan alle eisen voor recht in de zin van art. 79 RO te voldoen. Zeker niet uitgesloten is echter dat in de toekomst meer rechtersregelingen aan deze eisen zullen voldoen. Zoals in § 4.4.5 al is betoogd, moet immers ook met betrekking tot andere vormen van rechterlijke beleidsruimte zelfbinding door rechters in beginsel mogelijk worden geacht. Denkbaar is derhalve dat bestaande rechtersregelingen als het liquidatietarief of het rapport Voor-werk II - bijvoorbeeld op initiatief van de Raad voor de rechtspraak - op enig moment door de afzonderlijke gerechten zelf (althans door het bevoegde orgaan binnen die gerechten) worden vastgesteld. Alsdan zullen ook deze regelingen als bindend voor de rechter en als recht in de zin van art. 79 RO kunnen worden beschouwd.