NJB 2025/194:Tenuitvoerlegging buitenlandse gevangenisstraf. Vervroegde/voorwaardelijke invrijheidsstelling. Een in België opgelegde gevangenisstraf wordt in Nederland tenuitvoergelegd. Volgens de Belgische regeling kan een veroordeelde die één derde van de straf heeft uitgezeten, in aanmerking komen voor vervroegde of voorwaardelijke invrijheidsstelling. Volgens de Nederlandse regeling kan dat pas nadat de veroordeelde twee derde van de straf heeft uitgezeten. De Nederlandse minister kan echter op de voet van art. 6:2:10 lid 4 Sv beslissen om de Belgische regeling toe te passen. In dit geval weigert de minister dat te doen. In dit civiele kort geding oordeelt het hof dat de Staat hierdoor niet onrechtmatig handelt. Hoge Raad: 1. Goed gedrag. Als de omstandigheden die in de beslissingsstaat (België) aanleiding kunnen geven tot vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling uitsluitend of hoofdzakelijk zijn gelegen in de wijze waarop de tenuitvoerlegging van de straf verloopt (met name waar het gaat om het gedrag van de veroordeelde tijdens de detentie), zal in beginsel geen aanleiding zal bestaan voor toepassing van art. 6:2:10 lid 4 Sv. 2. Toetsingsmoment. Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat de minister op het moment dat hij positief beslist over de erkenning van de buitenlandse rechterlijke uitspraak, tevens beslist over de toepassing van art. 6:2:10 lid 4 Sv. De wet laat ook toe dat de minister later (nogmaals) hierover beslist. 3. Toereikende rechtsbescherming. De veroordeelde heeft met de mogelijkheid van een gratieverzoek en de gang naar de burgerlijke rechter toereikende mogelijkheden om de toepassing van art. 6:2:10 lid 4 Sv te bewerkstelligen.