Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/6.3:6.3 Conclusie
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/6.3
6.3 Conclusie
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS454590:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk is de chronologie van het vertrouwen als dimensie van het vertrouwensbeginsel besproken. Het onderscheid tussen prospectief en retrospectief vertrouwen kan ten eerste ook weer in de sleutel worden gezet van de omschrijving van het doel van rechtshulp. Waar het gaat om het verlenen van bijstand op een hoofdonderdeel van de strafprocedure door de ene staat – met als doel het vergemakkelijken, vervolledigen, eerlijker maken dan wel mogelijk maken van een afgeronde strafrechtelijke procedure in de andere staat – is de toekomstige gebeurtenis of de gebeurtenis in het verleden een aan een bepaalde vorm van rechtshulp inherent onderdeel waar het vertrouwen zich op richt. In dat geval is de werking van het vertrouwen meer formeel van aard en sterk.
Waar het gaat om andere aspecten en die aspecten de randvoorwaarde van interstatelijke samenwerking raken, te weten dat de gerechtvaardigde belangen van de justitiabele worden gerespecteerd, daar kan onder bepaalde omstandigheden worden afgeweken van de lijn dat een gebeurtenis in het verleden niet wordt getoetst dan wel dat niet wordt vooruitgelopen op een gebeurtenis in de toekomst. De wijze waarop daarvan wordt afgeweken verschilt. Bij retrospectief vertrouwen (of eigenlijk: wantrouwen) zal simpelweg sprake zijn van toetsing door bijvoorbeeld de rechter die daar dan aanvullende informatie over vraagt of getuigen over hoort. Bij prospectief ‘wantrouwen’ zal eerder sprake zijn van het (doen) stellen van voorwaarden en garanties. Die garanties zullen het vertrouwen doorgaans eerder doen toenemen naarmate zij concreter zijn: de abstracte toezegging dat niet zal worden gefolterd, geeft in het algemeen minder aanleiding om op die toezegging af te gaan, dan de concrete toezegging dat de diplomatieke vertegenwoordiger van de aangezochte staat dagelijks in de gelegenheid zal worden gesteld om een gedetineerde te bezoeken. Ook in dit geval gaat het echter nog steeds om prospectief vertrouwen dat die (concretere) toezegging wordt nageleefd.
Dit brengt mij op het laatste punt. Zowel prospectief als retrospectief vertrouwen kan zijn gericht op gedragingen, beweringen en de nakoming van verplichtingen. Bij prospectief vertrouwen ligt het accent doorgaans op het laatste. Het gaat veelal om het vertrouwen dat een verplichting wordt nagekomen, al zal daar soms een toezegging (een bewering) aan vooraf zijn gegaan en bestaat het nakomen van een verplichting in veel gevallen uit een gedraging. Bij retrospectief vertrouwen heeft het vertrouwen vaak een meer feitelijk karakter: wat is er gebeurd en spoort dat met wat wordt beweerd? Ook dan zal de achtergrond vaak een verplichting of rechtsnorm zijn, maar die heeft dan veel meer het karakter van toetssteen voor hetgeen is gebeurd of wordt beweerd dan van het object van vertrouwen. De dimensie van het object van het vertrouwen, vertrouwen op gedragingen, beweringen of verplichtingen, wordt in het volgende hoofdstuk uitgediept.
Inzicht in deze dimensie van het vertrouwensbeginsel zorgt ervoor dat de wetgever bij het sluiten van verdragen en het opstellen van wetgeving zich nauwkeuriger bewust is van de temporele aard van voorwaarden en weigeringsgronden en dat hij mogelijke problemen of fricties kan ondervangen door duidelijk te maken welke toetsing mogelijk is, welke garanties kunnen worden gevraagd en desgevraagd moeten worden verleend en welke stukken op voorhand bij een verzoek moeten worden gevoegd om toetsing mogelijk te maken, risico’s te verkleinen en aldus de rechtshulp van meet af aan soepeler te laten verlopen.
In een concrete zaak kan de verdediging nauwkeuriger inzetten op hetgeen nodig is om de rechten van de betrokkene veilig te stellen. Bij retrospectieve aspecten is het principieel mogelijk om tot toetsing over te gaan en kan de verdediging bijvoorbeeld de rechter daartoe uitlokken door met gedegen argumenten te komen en die in verband te brengen met het doel van de rechtshulpverlening. Als de bescherming van de rechten van verdachte vervolgens voldoende gewicht in de schaal leggen, is denkbaar dat de rechter het uitgangspunt van vertrouwen en niet-toetsing terzijde schuift. Bij prospectieve aspecten zal de winst met name zijn te behalen in het (doen) verkrijgen van aanvullende garanties. Dit vertaalt zich ook in het aanspreken van de juiste instantie; de rechter zal doorgaans niet zelf garanties bedingen, maar eventueel wel de minister daartoe aanzetten. Uiteraard kan de minister ook uit eigen beweging garanties vragen, al dan niet daartoe aangezet door de verdediging. Op vergelijkbare wijze weet de (al dan niet) toetsende instantie, in het bijzonder de rechter, beter wat hij eventueel kan betekenen in een concrete zaak en voor welke onmogelijkheden hij zich gesteld ziet. De minister kan inschatten wat (mogelijk) van hem wordt gevraagd. Indien hij daartoe aanleiding ziet, kan hij proactief garanties bedingen, bijvoorbeeld op een wijze die diplomatiek minder gevoelig ligt, en problemen voor zijn.