Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/6.1
6.1 Retrospectief vertrouwen
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS458207:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dat is vooral het geval wanneer de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging wordt gevolgd en de straf in beginsel niet wordt omgezet.
In Rb Amsterdam 16 december 2002, LJN AF2767, is een dergelijke situatie aan de orde. Daar wordt de foltering echter wel aangenomen, maar leidt die niet tot niet-ontvankelijkheid, maar slechts tot bewijsuitsluiting. In deze casus is van aangenomen vertrouwen juist geen sprake; de verwijzing dient vooral als voorbeeld van een situatie waarin een dergelijke vraag aan de orde komt.
Inherente verdeling van onderdelen van het strafproces
Allereerst kan bij retrospectief vertrouwen weer worden gekeken naar de hoofdonderdelen van bepaalde vormen van rechtshulp die uit de aard der zaak bij een bepaalde staat zijn ondergebracht. Heel duidelijk is het retrospectieve karakter bij het vertrouwen gericht op de berechting, veroordeling en soms1 strafoplegging die tot een overdracht van de executie van een straf aanleiding geeft. In zekere zin vergelijkbaar is de uitlevering ter executie van een straf: ook daar is er een (in het verleden uitgesproken) veroordeling in de vreemde staat. Hier kan ook een hybride vorm van rechtshulp, tussen overdracht van strafvervolging en overdracht van executie in, worden genoemd: de onttrekking aan het verkeer bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, aanhef en onder 4, Sr na een eerdere vervolging in het buitenland.
De opsporing en vervolging voorafgaande aan een overdracht van strafvervolging in de overdragende staat vormen ook een voorbeeld. Zowel formeel als materieel kan sprake zijn van een zekere werking van het vertrouwensbeginsel gericht op iets in het verleden. Als voorbeeld van op het verleden gericht vertrouwen in formele zin, kan worden gedacht aan de bepalingen in artikel 552gg Sv en artikel 26 EVOS: processen-verbaal en dergelijke afkomstig uit een andere staat hebben dezelfde bewijskracht als vergelijkbare Nederlandse stukken. Van op het verleden gericht vertrouwen in materiële zin kan sprake zijn bij de beoordeling van het verweer dat de verdachte voor overdracht in de overdragende staat is gemarteld.2
Ten slotte kan worden gedacht aan de opsporing op verzoek van een andere staat in het kader van kleine rechtshulp. Als de resultaten daarvan in de verzoekende staat worden gebruikt, richt het vertrouwen zich op opsporingshandelingen die in het verleden hebben plaatsgevonden. Ten tijde van de berechting met gebruikmaking van de resultaten van een dergelijk verzoek is derhalve sprake van retrospectief vertrouwen. Maar op een eerder moment, ten tijde van het verzoek zelf waarmee de verzoekende staat het rechtshulptraject initieerde, was er juist sprake van prospectief vertrouwen, gericht wederom op de opsporing in de aangezochte staat. Op basis hiervan kan worden gezegd dat het verzoek in de voorfase en de eventuele toetsing in de fase na afloop communicerende vaten kunnen zijn. Aan een verzoek kunnen flankerende garanties of bijkomende verzoeken worden verbonden die een zekere waarborg geven en die ook de latere toetsing kunnen vergemakkelijken. Denk aan de voorwaarde dat een doorzoeking alleen mag plaatsvinden in het bijzijn van een raadsman van de verdachte of dat een opsporingsambtenaar uit de verzoekende staat die doorzoeking mag bijwonen. Een dergelijke werkwijze kan in de plaats komen van een toetsing achteraf, maar kan ook juist nauw daarmee zijn verbonden.
Inhoud van het rechtshulpverzoek
Ook de meeste aspecten van het verzoek zijn retrospectief van aard. Denk aan beweringen omtrent de feiten, de herkomst van het verzoek, de authenticiteit en oorsprong van stukken als het vonnis en het aanhoudingsbevel, het bestaan van bepaalde uitzonderingssituaties, maar ook aan de vraag of een verzoek wellicht is gedaan met een discriminatoir oogmerk en daarom zou moeten worden geweigerd. Op het eerste gezicht zijn die eerste voorbeelden – de feiten, de herkomst van het verzoek, de authenticiteit en oorsprong van stukken als het vonnis en het aanhoudingsbevel, het bestaan van bepaalde uitzonderingssituaties – niet zo goed vergelijkbaar met het laatste, het verzoek gedaan met een discriminatoir oogmerk. Bij die eerste voorbeelden gaat het om beweringen zijdens de verzoekende staat, terwijl het bij dat laatste gaat om wat juist niet wordt gezegd. Bij nadere beschouwing kan echter ook van dat laatste voorbeeld worden gezegd dat het om een bewering gaat, zij het een impliciete: in beginsel zegt een staat die een rechtshulpverzoek doet uitgaan impliciet dat hij dat doet met een legitiem motief. Het voorbeeld van het verzoek met een discriminatoir oogmerk, komt zo bezien vrij dicht in de buurt van en zou zelfs een specialis kunnen worden genoemd van de generalis dat een verzoekende staat met een verzoek tot uitdrukking brengt (een legitiem) belang te hebben bij dat verzoek.
Voorwaarden en weigeringsgronden
Ook veel andere voorwaarden of weigeringsgronden zijn retrospectief van aard. De instemming van de veroordeelde, noodzakelijk voor bepaalde vormen van overdracht van executie en voor het volgen van de verkorte procedure bij uitlevering, kan als voorbeeld worden genoemd. Sommige voorwaarden hebben een gemengd karakter. Te wijzen valt op de dubbele strafbaarheid, maar ook op bijvoorbeeld de vervolgbaarheid. In het verzoek wordt een omschrijving van de feiten gegeven en aangegeven welke strafbepalingen daarop van toepassing zijn. Vaak worden die bepalingen zelf meegestuurd. Het uitgangspunt dat dat overzicht juist is en de bepalingen inderdaad van toepassing zijn, is deels retrospectief. Het gaat immers om feiten die in het verleden liggen en hetgeen daarover wordt gezegd. Maar tegelijkertijd loopt het oordeel dat de autoriteiten van de verzoekende staat geven over de strafbaarheid en vervolgbaarheid van het feit vooruit op het aldaar door de rechter te geven oordeel daarover. Afhankelijk van de nog te volgen procedure in de verzoekende staat na uitlevering ter executie van een straf kan dat ook worden gezegd over de vraag of het vonnis kan worden ten uitvoer gelegd.
Indien in de vreemde staat een rechtshulprechter betrokken is geweest bij de uitvoering van het verzoek, en hij een oordeel heeft gegeven over bepaalde voorwaarden die aan het verzoek worden gesteld en bijvoorbeeld de verdere rechtmatigheid van die uitvoering, dan zou vertrouwen dat gebaseerd wordt op dat oordeel ook retrospectief zijn, in die zin dat het zich baseert op een in het verleden gegeven oordeel.
Voltooide versus dreigende mensenrechtenschendingen
In hoofdstuk 11 zal de mensenrechtelijke dimensie van het vertrouwensbeginsel zelfstandig worden belicht, maar hier kan al wel worden gewezen op het belangrijke onderscheid tussen voltooide schendingen en dreigende schendingen. Dat onderscheid hangt sterk samen met de hier behandelde retro- of prospectiviteit van het vertrouwen. Retrospectief is bijvoorbeeld de beoordeling van mensenrechtenschendingen in de vorm van voltooide foltering (art. 3 EVRM), waarbij de vraag of de foltering heeft plaatsgevonden jegens de verdachte in verband met de zaak waarvoor rechtshulp wordt verzocht van groot belang zal blijken te zijn, of door een voltooide schending van het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM). Vooral bij dat laatste is steeds sterk de vraag of een schending daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en ook niet meer reparabel is (indien de schending wel reparabel is dan kent het daarmee samenhangende vertrouwensbeginsel weer sterk prospectieve kanten, aangezien het dan gaat om het herstel dat in de andere staat in de toekomst nog dient plaats te vinden).