Gerechtshof Den Haag, 22 december 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2595.
HR, 05-11-2024, nr. 22/04850
ECLI:NL:HR:2024:1573
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-11-2024
- Zaaknummer
22/04850
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1573, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑11‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:834
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2022:2595
ECLI:NL:PHR:2024:834, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 27‑08‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1573
Beroepschrift, Hoge Raad, 03‑11‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0264
NJ 2025/23 met annotatie van N. Rozemond
Uitspraak 05‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Opruiing, meermalen gepleegd, door online plaatsen van Twitterberichten met o.a. tekst “Moge Allah swt de zionisten vernietigen” door gemeenteraadslid (art. 131.1 Sr). 1. Heeft verdachte opgeruid tot het plegen van enig strafbaar feit? 2. Heeft verdachte gehandeld met het voor opruiing vereiste opzet? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2020:2020 en HR:2020:447 m.b.t. beoordeling of uitingen aansporen tot enig strafbaar feit. Bewijsoverwegingen van hof houden over opruiend karakter van tweets in dat verdachte tweets heeft opgesteld in vorm van smeekbede. Die smeekbede heeft betrekking op groep personen met bepaalde politieke overtuiging, te weten: zionisten, en houdt als wens in dat deze groep wordt vernietigd door Allah. Met term ‘vernietigen’ in smeekbede wordt daarbij bedoeld: het op gewelddadige wijze doden. Tweets kunnen groot publiek bereiken. Met plaatsen van deze berichten op Twitter is dan ook tegenover dit publiek algemene wens uitgesproken dat zionisten worden gedood en daarmee ook algemene wens dat strafbare feiten t.a.v. hen plaatsvinden. Hof heeft vervolgens geoordeeld dat, ook al hebben tweets vorm van een aan Allah gerichte smeekbede, sprake is van opruiing a.b.i. art. 131.1 Sr. Daaraan heeft hof ten grondslag gelegd dat uitspreken van wens anderen tot actie kan bewegen en kan bijdragen aan vervulling van die wens, en dat in omstandigheden van dit geval (gelet op context van de in 2018 en 2019 bestaande terroristische dreiging, antisemitische teneur in twitterberichten van verdachte, gebruik van term ‘vernietigen’ en toevoeging van emoticons van vuur en een vuist) in twitterberichten aan publiek wens is uitgesproken die als ophitsend moet worden beschouwd. Dit oordeel is (gelet op wat hof heeft overwogen over inhoud en strekking van tweets en context waarin deze aan publiek zijn gedaan) toereikend gemotiveerd. Dat in tweets opgenomen wens niet rechtstreeks aanspoort tot enig strafbaar feit, doet daaraan niet af. Ad 2. In begrip ‘opruiing’ a.b.i. art. 131.1 Sr ligt opzet besloten. Voor bewezenverklaring van opruiing is daarom ten minste vereist dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn uitingen derden aansporen tot strafbaar gedrag of tot gewelddadig optreden tegen openbaar gezag. Bij oordeel over het voor opruiing vereiste opzet heeft hof in aanmerking genomen dat met gebruik van woord ‘vernietigen’, gelet op wijze waarop dat woord door verdachte is gebruikt in reactie op (nieuws)berichten over gewelddadig conflict tussen Israël en Palestijnen, kans aanmerkelijk is dat lezers van die berichten de uitlatingen van verdachte zouden opvatten als aanmoediging tot plegen van strafbaar feit. Daarbij wordt met gebruiken van openbaar sociaal medium met groot bereik, zoals Twitter, kans vergroot dat iemand daadwerkelijk overgaat tot doen van hetgeen waartoe wordt aangemoedigd. Voor verdachte waren deze omstandigheden kenbaar, maar hij heeft niettemin zijn uitlatingen gedaan via zijn openbare Twitter-account, wetende dat hij ruim 31.000 volgers heeft en zijn tweets konden worden geretweet. Hof heeft verder in zijn oordeel betrokken dat uit dossier volgt dat uitlatingen van verdachte door derden ook daadwerkelijk zijn opgevat als aanmoediging tot plegen van strafbare feiten, waarbij hof kennelijk doelt op waarschuwende reactie die is gevolgd op tweet en die inhoudt dat met die tweet mensen worden aangezet tot plegen van terreurdaden, waarna verdachte zijn uitlatingen niet heeft genuanceerd, maar exact dezelfde uiting heeft herhaald. ‘s Hofs hierop gebaseerde oordeel dat verdachte met doen van zijn uitlatingen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn uitingen derden aansporen tot strafbaar gedrag, is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04850
Datum 5 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 22 december 2022, nummer 22-002930-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
2.1
De cassatiemiddelen komen op tegen de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Het eerste cassatiemiddel richt zich onder meer tegen het oordeel van het hof dat de verdachte door het op Twitter plaatsen van de tenlastegelegde berichten, heeft opgeruid in de zin van artikel 131 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) tot het plegen van enig strafbaar feit. Het tweede cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte heeft gehandeld met het voor opruiing vereiste opzet. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
2.2.1
Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“1. hij op 14 mei 2018 in Nederland in het openbaar, bij geschrift tot enig strafbaar feit heeft opgeruid, door het plaatsen van een bericht en/of reactie op social media te weten op het [twitteraccount 1] met de tekst:
“Vandaag in Palestina weer tientallen jonge mensen door kogels van de zionistische bezettingsmacht vermoord. Het wordt druk in het paradijs”“Moge Allah swt de zionisten vernietigen”
en daarbij emoji’s van een vuist en van vuur te plaatsen.
2. hij op 22 en 23 mei 2018 te ‘s-Gravenhage, althans in Nederland in het openbaar, bij geschrift tot enig strafbaar feit heeft opgeruid, door het plaatsen van een bericht en/of reactie op social media te weten op het [twitteraccount 1] met de tekst:
“May Allah swt destroy the zionists.”.”
2.2.2
Het hof heeft over de bewezenverklaring onder meer overwogen:
“In deze zaak gaat het om (...) door de verdachte op zijn openbaar [twitteraccount 1] geplaatste tweets, namelijk de volgende:
Feit 1 ‑ tweet 14 mei 2018

Feit 2 - tweets 22 en 23 mei 2018


(...)
De (...) tweets zijn als (...) afzonderlijke feiten ten laste gelegd.
Dit twitteraccount van de verdachte had in de periode dat deze tweets zijn geplaatst tenminste ruim 31.000 volgers. De verdachte was in deze tijd raadslid in de gemeente Den Haag.
Aan de tweets is te zien dat de verdachte reageert op berichten over confrontaties tussen Israëli en Palestijnen.
Op het twitteraccount van de verdachte zijn voorts, onder andere, door de verdachte de volgende tweets geplaatst:
Op 12 april 2018:
Een afbeelding van een auto van het merk Landrover met de tekst:
“De Joodse vriend van mijn buurman heeft een nieuwe auto gekocht. Maar hij snapte niet dat ik daarom moest lachten...”
Op 3 juni 2018:
Zeg @fedratiefjoods lukt het een beetje met jullie aangifte? Ik kan niet wachten (emoticons)
Tussen juni en september 2018:
Zojuist interessant artikel gelezen. “Hebben de ‘goeden’ WO2 gewonnen of niet?” Of waren de nazi’s beschermers van de Europese beschaving tegen het (o.a. Amerikaans) zionisme en het communisme van Stalin? Is er sprake van geschiedvervalsing? Iets om over na te denken... (emoticon)
Op 6 juli 2019:

De verdachte heeft verklaard dat de afbeelding in deze laatste een retweet is geweest.
Beoordeling
De verweren
De verdediging heeft gemotiveerd gesteld dat er geen sprake is van opruiing. Met zijn tweets heeft de verdachte uitsluitend en alleen Allah aangeroepen en Hem gevraagd de zionisten respectievelijk de vijanden van de Islam, in overeenstemming met passages uit de Koran, te vernietigen op de dag des oordeels. Dit is geen rechtstreeks oproepen tot een bepaald strafbaar feit. (...)
Bespreking van de tenlastegelegde feiten
Het hof zal de uitingen bespreken en daarbij aandacht besteden aan de context van die uitingen.
Feit 1: Moge Allah swt de zionisten vernietigen, gevolgd door emoticons van een vuist en van vuur
De tweet is opgesteld in de vorm van een smeekbede aan Allah. Met ‘zionisten’ wordt een groep personen met een bepaalde politieke overtuiging aangeduid. Het begrip zionisme is verbonden met de staat Israël, maar antizionisme moet worden onderscheiden van antisemitisme en is daar niet aan gelijk te stellen. In grammaticale zin zijn ‘de zionisten’ in deze zin lijdend voorwerp zodat de smeekbede de wens uit dat de zionisten vernietigd worden door Allah.
Het woord vernietigen in relatie tot personen heeft de betekenis van ‘doden’. De verdediging heeft gesteld dat het woord ook vernietigen in financiële zin kan betekenen of, in deze smeekbede, ook kan betekenen dat de macht van de zionisten wordt vernietigd. Het hof volgt die redenering niet. Om tot een door de verdediging naar voren gebrachte alternatieve betekenis te concluderen moet er context - in de zin van toegevoegde of andere gebruikte woorden - zijn die deze conclusie rechtvaardigt. Van een dergelijke context is geen sprake. Naar het oordeel van het hof is de tweet dan ook een uiting van de wens dat de zionisten gedood worden en wel op een gewelddadige wijze. Vernietigd worden verwijst immers niet naar een vreedzame dood, maar naar een dood door geweld, strijd of een aanslag. In de maatschappelijke context van de jaren 2018 en 2019 is de link naar een aanslag door terroristen snel gelegd. Dat het Arabisch woord voor vernietigen anders moet worden geïnterpreteerd, zoals de verdediging heeft gesteld, doet niet ter zake omdat de tweet in het Nederlands is gesteld.
Een volgende vraag is welke betekenis toekomt aan de vorm waarin de tweet is geplaatst, namelijk een smeekbede. De verdachte heeft gesteld dat het gebed tot Allah gelovigen er bij bepaalt dat Allah degene is die uiteindelijk oordeelt en straft en dat eigenrichting niet mag. De emoticon van het vuur wijst op het eindoordeel, aldus de verdachte.
Het hof acht op dit punt de context mede van belang. De tweet is geplaatst op een openbaar twitteraccount en de verdachte heeft ruim 31.000 volgers. De tweet kon worden geretweet en is ook op die manier verder verspreid, zij het in geringe mate. De verdachte kent uiteraard niet al zijn volgers noch heeft hij enig zicht op de personen bij wie de tweet uiteindelijk terecht komt. Dit betekent dat de verdachte zich met zijn smeekbede heeft gericht tot een publiek, waarvan hij niet weet of ze al dan niet gelovig zijn. De tweet kan daarom niet worden vergeleken met een gebed dat in een moskee wordt uitgesproken door een imam of andere voorganger of in het kader van religieuze activiteiten of tussen gelovigen onderling. Door de smeekbede in een tweet te uiten heeft de uiting meer het karakter van een in het openbaar uitgesproken wens dan het karakter van een openbaar gebed. Daarom is het hof van oordeel dat de vorm waarin de uiting is gedaan, namelijk een smeekbede, niet af doet aan het feit dat de algemene wens wordt uitgesproken dat de zionisten worden gedood. Met dit oordeel sluit het hof aan bij vaste jurisprudentie dat de vraag of een uiting opruiend is niet afhangt van gestelde eventualiteiten of voorwaarden.
Het hof dient zich voorts af te vragen of de uiting rechtstreeks tot een strafbaar feit oproept. De tweet is immers geplaatst als een reactie op een bericht over een gebeurtenis in Palestina en staat daarmee in het kader van iets dat zich buiten de Nederlandse landsgrenzen afspeelt. Het is de vraag of de uiting iemand bereikt die in de Palestijnse gebieden is of dat iemand in Nederland zich aangemoedigd zal voelen om naar de Palestijnse gebieden af te reizen om een aanslag te plegen.
Uitgangspunt is dat de vraag of de opruiing navolging heeft gevonden niet van belang is bij de vraag of de uiting als opruiing kan worden gekwalificeerd. Geoordeeld moet worden of de daad waartoe wordt opgeroepen een strafbaar feit behelst.
Het hof is van oordeel dat het vernietigen van zionisten een strafbaar feit is. In aanmerking genomen wat het hof hiervoor heeft overwogen over de geweldscomponent die besloten ligt in het woord ‘vernietigen’ in relatie tot personen, is het hof van oordeel dat met deze uiting de wens wordt uitgesproken dat strafbare feiten plaatsvinden. Er zijn twee componenten in deze zaak die maken dat het hof van oordeel is dat de uiting oproept tot rechtstreeks strafbare feiten. De eerste component is dat de Nederlander die in het buitenland een moord pleegt onder de Nederlandse jurisdictie valt en een strafbaar feit pleegt naar Nederlands recht. De tweede component is dat de verdachte zich in zijn tweets regelmatig, in al dan niet ‘grappig’ bedoelde zin, antisemitisch uitlaat. Daarmee laat de verdachte zelf de grens tussen antizionisme en antisemitisme vervagen en infecteert zijn wens tot vernietiging van de zionisten wel degelijk ook de Nederlandse samenleving.
Vervolgens vraagt het hof zich af of het uitspreken van de wens dat de zionisten vernietigd worden als opruiing moet worden gekwalificeerd.
Het uitspreken van een wens heeft als gevolg dat het gewenste een positieve lading krijgt. Daardoor kan het uitspreken van een wens anderen tot actie bewegen, anderen kunnen zich geroepen voelen om de een of andere reden bij te dragen aan de vervulling van die wens. De context van terroristische dreiging, zoals dat in 2018 en 2019 het geval was, de antisemitische teneur in de twitterberichten van de verdachte, het gebruik van het woord vernietigen en de toevoeging van de emoticons van vuur en een vuist, brengen het hof tot het oordeel dat de via zijn twitteraccount door de verdachte uitgesproken wens ophitsend is.
Hoe ernstig de gedragingen waar verdachte op reageerde ook zijn, de tweet is niet gerechtvaardigd.
Feit 2: May Allah swt destroy the zionists
Deze tweet is gesteld in het Engels. De inhoud en strekking komt exact overeen met de inhoud en strekking van de tweet die onder feit 1 ten laste is gelegd. Hetgeen het hof omtrent feit 1 heeft overwogen, geldt mutatis mutandis ook voor feit 2.
De tweets zoals die op 22 en 23 mei 2018 zijn geplaatst worden mede bezien in het licht van de op 14 mei 2018 geplaatste tweet, welke is tenlastegelegd als feit 1, en de reacties op die tweet.
Op 16 mei 2018 heeft iemand met het [twitteraccount 2] de volgende reactie op de tweet van de verdachte van 14 mei geplaatst: ‘Dus je roept openlijk op tot moord. Allah moet volgens jou de zionisten vernietigen. Je doet aan sfeermakerij. Je weet dat mensen bereid zijn te sterven voor Allah. Je zet deze mensen aan tot het plegen van terreurdaden. Dat is strafbaar’
De verdachte heeft daarop gereageerd op 20 mei 2018 met: ‘Ik zou zeggen: doe aangifte. #succes’
Hieruit blijkt dat de verdachte werd gewaarschuwd dat zijn tweet mogelijk strafbaar zou kunnen zijn. De verdachte heeft die waarschuwing niet ter harte genomen en zijn uitlatingen niet genuanceerd. Evenmin heeft hij aangegeven dat hij iets anders bedoelde dan kennelijk werd begrepen. Integendeel, op 22 en 23 mei 2018 plaatste de verdachte de onder feit 2 tenlastegelegde tweets waarin hij, in het Engels, exact dezelfde uiting doet. Het hof concludeert dat ook feit 2 opruiend is.
(...)
Opzet van verdachte voor de feiten 1 en 2
Tot slot moet de vraag worden beantwoord of sprake is van opzet. Verdachte heeft verklaard dat het niet zijn bedoeling was om aan te zetten tot een strafbaar feit. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de verdachte ‘vol opzet’ heeft gehad op opruiing, zodat de vraag resteert of de verdachte in voorwaardelijke zin opzettelijk heeft gehandeld. Die vraag beantwoordt het hof bevestigend. Door het gebruik van het woord vernietigen op de wijze als hiervoor vermeld in reactie op (nieuws)berichten die zien op het gewelddadige conflict tussen Israël en de Palestijnen, is de kans dat lezers van die berichten verdachtes uitlatingen zouden opvatten als een aanmoediging tot het plegen van een strafbaar feit aanmerkelijk. Daarbij neemt het hof in aanmerking ‑ zoals hiervoor reeds overwogen ‑ dat het gebruiken van een openbaar social medium met een groot bereik zoals Twitter, de kans vergroot dat iemand daadwerkelijk overgaat tot het doen van hetgeen waartoe wordt aangemoedigd. Die omstandigheden waren voor de verdachte kenbaar. Door de uitlatingen via zijn openbare Twitter te doen, wetende dat hij ruim 31.000 volgers op Twitter had, heeft de verdachte de kans dat iemand zijn uitlatingen zou opvatten als een aanmoediging tot het plegen van een strafbaar feit bewust aanvaard. Dat de uitlatingen ook daadwerkelijk zo door anderen zijn opgevat, vindt bevestiging in
het dossier.
(...)
Conclusie
Het hof oordeelt dat de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen zijn en dat dit strafbare feiten zijn.”
2.3.1
Artikel 131 lid 1 Sr luidt:
“Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie.”
2.3.2
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 131 Sr. Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende begrip ‘opruiing’ is gebruikt in de betekenis die dat begrip heeft in die bepaling.
2.4.1
Bij de beoordeling of de door een verdachte gedane uitingen aansporen tot enig strafbaar feit en dus ‘opruiend’ zijn in de zin van artikel 131 Sr, komt betekenis toe aan de inhoud en de strekking van de gedane uitingen in hun onderlinge samenhang bezien, alsmede de context waarin deze uitingen aan het publiek zijn geopenbaard (vgl. HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2020). Niet is uitgesloten dat ook een indirecte aansporing tot enig strafbaar feit kan worden aangemerkt als opruiing (vgl. HR 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:447).
2.4.2
In het begrip ‘opruiing’ als bedoeld in artikel 131 lid 1 Sr ligt opzet besloten. Voor een bewezenverklaring van opruiing is daarom ten minste vereist dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn uitingen derden aansporen tot strafbaar gedrag of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag.
2.5.1
De bewijsoverwegingen van het hof houden over het opruiende karakter van de tweets in de kern het volgende in. De verdachte heeft de in de bewezenverklaring weergegeven tweets opgesteld in de vorm van een smeekbede. Die smeekbede heeft betrekking op een groep personen met een bepaalde politieke overtuiging, te weten: zionisten, en houdt als wens in dat deze groep wordt vernietigd door Allah. Met de term ‘vernietigen’ in de smeekbede wordt daarbij bedoeld: het op een gewelddadige wijze doden. Tweets kunnen een groot publiek bereiken. Met het plaatsen van deze berichten op Twitter is dan ook tegenover dit publiek de algemene wens uitgesproken dat zionisten worden gedood en daarmee ook de algemene wens dat strafbare feiten ten aanzien van hen plaatsvinden.
2.5.2
Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat, ook al hebben de tweets de vorm van een aan Allah gerichte smeekbede, sprake is van opruiing als bedoeld in artikel 131 lid 1 Sr. Daaraan heeft het hof ten grondslag gelegd dat het uitspreken van een wens anderen tot actie kan bewegen en kan bijdragen aan de vervulling van die wens, en dat in de omstandigheden van dit geval ‑ gelet op de context van de in 2018 en 2019 bestaande terroristische dreiging, de antisemitische teneur in de twitterberichten van de verdachte, het gebruik van de term ‘vernietigen’ en de toevoeging van de emoticons van vuur en een vuist ‑ in de twitterberichten aan het publiek een wens is uitgesproken die als ophitsend moet worden beschouwd.
2.5.3
Dit oordeel van het hof is ‑ gelet op wat het hof heeft overwogen over de inhoud en de strekking van de tweets en de context waarin deze aan het publiek zijn gedaan ‑ toereikend gemotiveerd. Dat de in de tweets opgenomen wens niet rechtstreeks aanspoort tot enig strafbaar feit, doet daaraan niet af.
2.6
Het eerste cassatiemiddel faalt in zoverre.
2.7
Bij zijn oordeel over het voor opruiing vereiste opzet heeft het hof het volgende in aanmerking genomen. Met het gebruik van het woord ‘vernietigen’ is, gelet op de wijze waarop dat woord door de verdachte is gebruikt in reactie op (nieuws)berichten over het gewelddadige conflict tussen Israël en de Palestijnen, de kans aanmerkelijk dat lezers van die berichten de uitlatingen van de verdachte zouden opvatten als aanmoediging tot het plegen van een strafbaar feit. Daarbij wordt met het gebruiken van een openbaar sociaal medium met een groot bereik, zoals Twitter, de kans vergroot dat iemand daadwerkelijk overgaat tot het doen van hetgeen waartoe wordt aangemoedigd. Voor de verdachte waren deze omstandigheden kenbaar, maar hij heeft niettemin zijn uitlatingen gedaan via zijn openbare Twitter-account, wetende dat hij ruim 31.000 volgers heeft en zijn tweets konden worden geretweet. Het hof heeft verder in zijn oordeel betrokken dat uit het dossier volgt dat de uitlatingen van de verdachte door derden ook daadwerkelijk zijn opgevat als een aanmoediging tot het plegen van strafbare feiten, waarbij het hof kennelijk doelt op een waarschuwende reactie die is gevolgd op de tweet van 14 mei 2018 en die inhoudt dat met die tweet mensen worden aangezet tot het plegen van terreurdaden, waarna de verdachte zijn uitlatingen niet heeft genuanceerd, maar exact dezelfde uiting heeft herhaald.Het hierop gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte met het doen van zijn uitlatingen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn uitingen derden aansporen tot strafbaar gedrag, is toereikend gemotiveerd. Voor zover het tweede cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.
2.8
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 november 2024.
Conclusie 27‑08‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Veroordeling voormalig raadslid Den Haag voor opruiing door tweets. Cassatiemiddelen over de opruiende aard van de tweets, die volgens de verdachte smeekbedes waren aan Allah, en over het opzet van de verdachte. Beide middelen falen volgens de plv. AG, waarbij hij nader ingaat op de invulling van voorwaardelijk opzet bij opruiing. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/04850
Zitting 27 augustus 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 22 december 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. en 2., telkens "in het openbaar, bij geschrift tot enig strafbaar feit opruien", veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
De zaak
2.
2.1
Het gaat in deze zaak om tweets die door de verdachte op zijn (destijds zo geheten) Twitter-account zijn geplaatst. De verdachte was op dat moment raadslid in de gemeente Den Haag en had een Twitter-account met ten minste 31.000 volgers. In hoger beroep waren vier tweets aan de orde, die als drie afzonderlijke feiten (telkens: opruiing tot enig strafbaar feit) waren ten laste gelegd. Het hof heeft de vierde tweet als niet-opruiend beoordeeld en de verdachte van dat feit (feit 3) vrijgesproken. In cassatie gaat het daarom nog slechts om de strafbaarheid van de eerste drie tweets.
2.2
De door de verdachte geplaatste tweets zijn als afbeelding opgenomen in het op rechtspraak.nl gepubliceerde arrest.1.In de eerste tweet, geplaatst op 14 mei 2018 (feit 1), waren de teksten opgenomen “Vandaag in Palestina weer tientallen jonge mensen door kogels van de zionistische bezettingsmacht vermoord. Het wordt druk in het paradijs” en “Moge Allah swt de zionisten vernietigen”. In de tweede en derde tweet, geplaatst op 22 mei 2018 respectievelijk 23 mei 2018 (feit 2), stond telkens de tekst “May Allah swt destroy the zionists”.
2.3
De in cassatie naar voren gebrachte middelen hebben beide betrekking op de bewijsvoering. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof het door en namens de verdachte gevoerde verweer - kort gezegd inhoudende dat zijn uitlatingen uitsluitend voor Allah bestemd waren - ontoereikend gemotiveerd zou hebben verworpen. Het tweede middel is gericht tegen de bewijsvoering van het opzet. Na het weergeven van de bewezenverklaring en bewijsvoering ga ik nader op de middelen in.
Bewezenverklaring en bewijsvoering
Bewezenverklaring
3.
3.1
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:
“1.hij op 14 mei 2018 in Nederland in het openbaar, bij geschrift tot enig strafbaar feit heeft opgeruid, door het plaatsen van een bericht en/of reactie op social media te weten op het [twitteraccount 1] met de tekst:
"Vandaag in Palestina weer tientallen jonge mensen door kogels van de zionistische bezettingsmacht vermoord. Het wordt druk in het paradijs"
"Moge Allah swt de zionisten vernietigen"
en daarbij emoji's van een vuist en van vuur te plaatsen.
2.hij op 22 en 23 mei 2018 te 's-Gravenhage, althans in Nederland in het openbaar, bij geschrift tot enig strafbaar feit heeft opgeruid, door het plaatsen en van een bericht en/of reactie op social media te weten op het [twitteraccount 1] met de tekst:
"May Allah swt destroy the zionists."
3.2
Het hof heeft in het arrest de hieronder weergegeven bewijsoverweging opgenomen. De overwegingen over feit 3 heb ik in deze weergave weggelaten:
“De feiten
In deze zaak gaat het om drie door de verdachte op zijn openbaar [twitteraccount 1] geplaatste tweets, namelijk de volgende:
Feit 1 – tweet 14 mei 2018

Feit 2 - tweets 22 en 23 mei 2018


(…)
Dit twitteraccount van de verdachte had in de periode dat deze tweets zijn geplaatst tenminste ruim 31.000 volgers. De verdachte was in deze tijd raadslid in de gemeente Den Haag.
Aan de tweets is te zien dat de verdachte reageert op berichten over confrontaties tussen Israëli en Palestijnen.
Op het twitteraccount van de verdachte zijn voorts, onder andere, door de verdachte de volgende tweets geplaatst:
Op 12 april 2018:
Een afbeelding van een auto van het merk Landrover met de tekst:
“De Joodse vriend van mijn buurman heeft een nieuwe auto gekocht. Maar hij snapte niet dat ik daarom moest lachten…”
Op 3 juni 2018:
Zeg @fedratiefjoods lukt het een beetje met jullie aangifte? Ik kan niet wachten (emoticons)
Tussen juni en september 2018:
Zojuist interessant artikel gelezen. “Hebben de ‘goeden’ WO2 gewonnen of niet?” Of waren de nazi’s beschermers van de Europese beschaving tegen het (o.a. Amerikaans) zionisme en het communisme van Stalin? Is er sprake van geschiedvervalsing? Iets om over na te denken… (emoticon)
Op 6 juli 2019:

De verdachte heeft verklaard dat de afbeelding in deze laatste een retweet is geweest.
Beoordeling
De verweren
De verdediging heeft gemotiveerd gesteld dat er geen sprake is van opruiing. Met zijn tweets heeft de verdachte uitsluitend en alleen Allah aangeroepen en Hem gevraagd de zionisten respectievelijk de vijanden van de Islam, in overeenstemming met passages uit de Koran, te vernietigen op de dag des oordeels. Dit is geen rechtstreeks oproepen tot een bepaald strafbaar feit. Voorts had de verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke vorm, op het aanzetten tot een concreet strafbaar feit. Tot slot meent de verdediging dat artikel 10 van het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) een veroordeling in de weg staat. De verweren zullen in het navolgende worden besproken.
Bespreking van de tenlastegelegde feiten
Het hof zal de uitingen bespreken en daarbij aandacht besteden aan de context van die uitingen.
Feit 1: Moge Allah swt de zionisten vernietigen, gevolgd door emoticons van een vuist en van vuur
De tweet is opgesteld in de vorm van een smeekbede aan Allah. Met ‘zionisten’ wordt een groep personen met een bepaalde politieke overtuiging aangeduid. Het begrip zionisme is verbonden met de staat Israël, maar antizionisme moet worden onderscheiden van antisemitisme en is daar niet aan gelijk te stellen. In grammaticale zin zijn ‘de zionisten’ in deze zin lijdend voorwerp zodat de smeekbede de wens uit dat de zionisten vernietigd worden door Allah.
Het woord vernietigen in relatie tot personen heeft de betekenis van ‘doden’. De verdediging heeft gesteld dat het woord ook vernietigen in financiële zin kan betekenen of, in deze smeekbede, ook kan betekenen dat de macht van de zionisten wordt vernietigd. Het hof volgt die redenering niet. Om tot een door de verdediging naar voren gebrachte alternatieve betekenis te concluderen moet er context - in de zin van toegevoegde of andere gebruikte woorden - zijn die deze conclusie rechtvaardigt. Van een dergelijke context is geen sprake. Naar het oordeel van het hof is de tweet dan ook een uiting van de wens dat de zionisten gedood worden en wel op een gewelddadige wijze. Vernietigd worden verwijst immers niet naar een vreedzame dood, maar naar een dood door geweld, strijd of een aanslag. In de maatschappelijke context van de jaren 2018 en 2019 is de link naar een aanslag door terroristen snel gelegd. Dat het Arabisch woord voor vernietigen anders moet worden geïnterpreteerd, zoals de verdediging heeft gesteld, doet niet ter zake omdat de tweet in het Nederlands is gesteld.
Een volgende vraag is welke betekenis toekomt aan de vorm waarin de tweet is geplaatst, namelijk een smeekbede. De verdachte heeft gesteld dat het gebed tot Allah gelovigen er bij bepaalt dat Allah degene is die uiteindelijk oordeelt en straft en dat eigenrichting niet mag. De emoticon van het vuur wijst op het eindoordeel, aldus de verdachte.
Het hof acht op dit punt de context mede van belang. De tweet is geplaatst op een openbaar twitteraccount en de verdachte heeft ruim 31.000 volgers. De tweet kon worden geretweet en is ook op die manier verder verspreid, zij het in geringe mate. De verdachte kent uiteraard niet al zijn volgers noch heeft hij enig zicht op de personen bij wie de tweet uiteindelijk terecht komt. Dit betekent dat de verdachte zich met zijn smeekbede heeft gericht tot een publiek, waarvan hij niet weet of ze al dan niet gelovig zijn. De tweet kan daarom niet worden vergeleken met een gebed dat in een moskee wordt uitgesproken door een imam of andere voorganger of in het kader van religieuze activiteiten of tussen gelovigen onderling. Door de smeekbede in een tweet te uiten heeft de uiting meer het karakter van een in het openbaar uitgesproken wens dan het karakter van een openbaar gebed. Daarom is het hof van oordeel dat de vorm waarin de uiting is gedaan, namelijk een smeekbede, niet af doet aan het feit dat de algemene wens wordt uitgesproken dat de zionisten worden gedood. Met dit oordeel sluit het hof aan bij vaste jurisprudentie dat de vraag of een uiting opruiend is niet afhangt van gestelde eventualiteiten of voorwaarden.
Het hof dient zich voorts af te vragen of de uiting rechtstreeks tot een strafbaar feit oproept. De tweet is immers geplaatst als een reactie op een bericht over een gebeurtenis in Palestina en staat daarmee in het kader van iets dat zich buiten de Nederlandse landsgrenzen afspeelt. Het is de vraag of de uiting iemand bereikt die in de Palestijnse gebieden is of dat iemand in Nederland zich aangemoedigd zal voelen om naar de Palestijnse gebieden af te reizen om een aanslag te plegen.
Uitgangspunt is dat de vraag of de opruiing navolging heeft gevonden niet van belang is bij de vraag of de uiting als opruiing kan worden gekwalificeerd. Geoordeeld moet worden of de daad waartoe wordt opgeroepen een strafbaar feit behelst.
Het hof is van oordeel dat het vernietigen van zionisten een strafbaar feit is. In aanmerking genomen wat het hof hiervoor heeft overwogen over de geweldscomponent die besloten ligt in het woord ‘vernietigen’ in relatie tot personen, is het hof van oordeel dat met deze uiting de wens wordt uitgesproken dat strafbare feiten plaatsvinden. Er zijn twee componenten in deze zaak die maken dat het hof van oordeel is dat de uiting oproept tot rechtstreeks strafbare feiten. De eerste component is dat de Nederlander die in het buitenland een moord pleegt onder de Nederlandse jurisdictie valt en een strafbaar feit pleegt naar Nederlands recht. De tweede component is dat de verdachte zich in zijn tweets regelmatig, in al dan niet ‘grappig’ bedoelde zin, antisemitisch uitlaat. Daarmee laat de verdachte zelf de grens tussen antizionisme en antisemitisme vervagen en infecteert zijn wens tot vernietiging van de zionisten wel degelijk ook de Nederlandse samenleving.
Vervolgens vraagt het hof zich af of het uitspreken van de wens dat de zionisten vernietigd worden als opruiing moet worden gekwalificeerd.
Het uitspreken van een wens heeft als gevolg dat het gewenste een positieve lading krijgt. Daardoor kan het uitspreken van een wens anderen tot actie bewegen, anderen kunnen zich geroepen voelen om de een of andere reden bij te dragen aan de vervulling van die wens. De context van terroristische dreiging, zoals dat in 2018 en 2019 het geval was, de antisemitische teneur in de twitterberichten van de verdachte, het gebruik van het woord vernietigen en de toevoeging van de emoticons van vuur en een vuist, brengen het hof tot het oordeel dat de via zijn twitteraccount door de verdachte uitgesproken wens ophitsend is.
Hoe ernstig de gedragingen waar verdachte op reageerde ook zijn, de tweet is niet gerechtvaardigd.
Feit 2: May Allah swt destroy the zionists
Deze tweet is gesteld in het Engels. De inhoud en strekking komt exact overeen met de inhoud en strekking van de tweet die onder feit 1 ten laste is gelegd. Hetgeen het hof omtrent feit 1 heeft overwogen, geldt mutatis mutandis ook voor feit 2.
De tweets zoals die op 22 en 23 mei 2018 zijn geplaatst worden mede bezien in het licht van de op 14 mei 2018 geplaatste tweet, welke is tenlastegelegd als feit 1, en de reacties op die tweet.
Op 16 mei 2018 heeft iemand met het [twitteraccount 2] de volgende reactie op de tweet van de verdachte van 14 mei geplaatst: ‘Dus je roept openlijk op tot moord. Allah moet volgens jou de zionisten vernietigen. Je doet aan sfeermakerij. Je weet dat mensen bereid zijn te sterven voor Allah. Je zet deze mensen aan tot het plegen van terreurdaden. Dat is strafbaar’
De verdachte heeft daarop gereageerd op 20 mei 2018 met: ‘Ik zou zeggen: doe aangifte. #succes’
Hieruit blijkt dat de verdachte werd gewaarschuwd dat zijn tweet mogelijk strafbaar zou kunnen zijn. De verdachte heeft die waarschuwing niet ter harte genomen en zijn uitlatingen niet genuanceerd. Evenmin heeft hij aangegeven dat hij iets anders bedoelde dan kennelijk werd begrepen. Integendeel, op 22 en 23 mei 2018 plaatste de verdachte de onder feit 2 tenlastegelegde tweets waarin hij, in het Engels, exact dezelfde uiting doet. Het hof concludeert dat ook feit 2 opruiend is.
(…)
Opzet van verdachte voor de feiten 1 en 2
Tot slot moet de vraag worden beantwoord of sprake is van opzet. Verdachte heeft verklaard dat het niet zijn bedoeling was om aan te zetten tot een strafbaar feit. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de verdachte ‘vol opzet’ heeft gehad op opruiing, zodat de vraag resteert of de verdachte in voorwaardelijke zin opzettelijk heeft gehandeld. Die vraag beantwoordt het hof bevestigend. Door het gebruik van het woord vernietigen op de wijze als hiervoor vermeld in reactie op (nieuws)berichten die zien op het gewelddadige conflict tussen Israël en de Palestijnen, is de kans dat lezers van die berichten verdachtes uitlatingen zouden opvatten als een aanmoediging tot het plegen van een strafbaar feit aanmerkelijk. Daarbij neemt het hof in aanmerking – zoals hiervoor reeds overwogen – dat het gebruiken van een openbaar social medium met een groot bereik zoals Twitter, de kans vergroot dat iemand daadwerkelijk overgaat tot het doen van hetgeen waartoe wordt aangemoedigd. Die omstandigheden waren voor de verdachte kenbaar. Door de uitlatingen via zijn openbare Twitter te doen, wetende dat hij ruim 31.000 volgers op Twitter had, heeft de verdachte de kans dat iemand zijn uitlatingen zou opvatten als een aanmoediging tot het plegen van een strafbaar feit bewust aanvaard. Dat de uitlatingen ook daadwerkelijk zo door anderen zijn opgevat, vindt bevestiging in het dossier.
De vrijheid van meningsuiting
(…)
Conclusie
Het hof oordeelt dat de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen zijn en dat dit strafbare feiten zijn”
Het eerste middel
4.
4.1
Het middel is als gezegd gericht tegen het oordeel van het hof dat de berichten die de verdachte op Twitter heeft geplaatst niet uitsluitend gericht waren aan Allah, maar een opruiend karakter hadden.
4.2
Om te beginnen geldt dat door de stellers van het middel niet wordt aangewezen aan welke onderdelen van de hier weergegeven argumenten het hof ontoereikend gemotiveerd voorbij zou zijn gegaan. Mij lijkt de strekking van het hetgeen ter zitting door en namens de verdachte is aangevoerd, voor zover in cassatie nog van belang, te zijn dat (i) de verdachte met zijn tweets slechts Allah aanriep en (ii) dat de oproep tot “vernietigen” moet worden opgevat als een oproep die betrekking heeft op een door Allah te verrichten daad, zoals op de zogenoemde “dag des Oordeels”. Een en ander mondt uit in de stelling dat de tweets niet gelezen moeten worden als een aan mensen gerichte oproep tot het “vernietigen” van “zionisten” door het plegen van een of meer strafbare feiten, maar als een aan Allah gerichte smeekbede.
4.3
Vervolgens worden in de schriftuur, na het weergeven van enkele passages uit het arrest, artikel 6 Grondwet en 9 EVRM geciteerd en een parallel getrokken met onder meer het zogenoemde Eweida-arrest van het EHRM en het Van Dijke-arrest van de Hoge Raad.2.Waarna wordt gesteld dat het strafbaar achten van de tweets in strijd zou zijn met art. 9 EVRM. Bij dit onderdeel van (de toelichting op) het middel moet worden aangetekend dat ter zitting van het hof geen beroep is gedaan op de door deze artikelen beschermde grondrechten, noch op de in de schriftuur genoemde arresten. Bij het hof heeft de verdediging slechts een verweer gevoerd toegesneden op art. 10 EVRM, op welk verweer het hof ook heeft gereageerd. Ten aanzien van de wijze waarop het hof dit verweer heeft verworpen worden in cassatie geen klachten naar voren gebracht (terwijl evenmin wordt aangeduid waarom de door het hof aangenomen rechtvaardiging voor de inbreuk op art. 10 EVRM niet ook zou gelden voor de gestelde inbreuk op art. 9 EVRM).3.Ik lees in hetgeen ter zitting wel is aangevoerd ook niet de stelling dat de uitlatingen, te weten dat zionisten moeten worden vernietigd, kenbaar in direct verband stonden met de geloofsopvatting van de verdachte, met name niet dat hij deze uitlatingen mocht doen juist omdat hij moslim is of dat deze uitlatingen een onderdeel zouden vormen van de Islamitische geloofsbelijdenis. In zoverre behelst hetgeen nu voor het eerst in cassatie naar voren wordt gebracht meer dan slechts een achteraf gegeven juridische ‘vertaling’ van het ter zitting gevoerde verweer en moet hier reeds daarom aan worden voorbijgegaan.
4.4
Aan het eind van de toelichting op het middel wordt ten slotte nog “[v]olledigheidshalve” de klacht geformuleerd dat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom de tekst “Vandaag in Palestina weer tientallen jonge mensen door kogels van de zionistische bezettingsmacht vermoord. Het wordt druk in het paradijs” - oftewel het eerste deel van de eerste tweet - als opruiing zou moeten worden beschouwd.
Juridisch kader
4.5
De tenlastelegging in deze zaak is toegesneden op art. 131 Sr.4.Ten laste gelegd en bewezen verklaard is dat de verdachte heeft opgeruid tot “enig strafbaar feit”, zonder dat deze feiten nader zijn geconcretiseerd. Als uitgangspunt heeft daarom te gelden dat “[b]ij de beoordeling of de door een verdachte gedane uitingen aansporen tot enig strafbaar feit en dus ‘opruiend’ zijn in de zin van artikel 131 Sr, (…) betekenis toe[komt] aan de inhoud en de strekking van de gedane uitingen in hun onderlinge samenhang bezien, alsmede de context waarin deze uitingen aan het publiek zijn geopenbaard.”5.Daarbij geldt dat het, afhankelijk van deze omstandigheden, niet is uitgesloten dat ook een indirecte aansporing tot enig strafbaar feit kan worden aangemerkt als opruiing.6.Het is aan de feitenrechter om die onderlinge samenhang en context bij zijn beoordeling te betrekken. Dit oordeel kan in cassatie, gelet de sterke verwevenheid met vaststellingen en waarderingen van feitelijke aard, slechts op begrijpelijkheid en terughoudend worden getoetst.7.
Beoordeling van het middel
4.6
Het hof heeft bij de beoordeling of de door de verdachte gedane uitingen opruien tot enig strafbaar feit het tweede deel van de eerste tweet en de volledige tekst van de tweede en derde tweet (die een exacte vertaling zijn van het tweede deel van de eerste tweet) centraal gesteld.
4.7
Het heeft ten aanzien van deze teksten allereerst geoordeeld dat met het begrip “zionisten” een “groep personen met een bepaalde politieke overtuiging” wordt aangeduid en dat “vernietigen” duidt op een “niet-vreedzame dood”. Deze oordelen, waarin als oordeel besloten ligt dat het gaat om een door enig misdrijf teweeggebrachte dood - althans wanneer begaan in de (rechts)sfeer van het profane -, worden in cassatie niet bestreden. (Evenmin wordt in cassatie de strijd aangebonden met hetgeen het hof overweegt over de rechtsmacht.)
4.8
Dat neemt echter niet weg dat het hof terecht voorop heeft gesteld dat de smeekbede ‘grammaticaal’ de wens uit dat de zionisten vernietigd worden door Allah en niet door personen die daardoor een strafbaar feit zouden plegen.
4.9
In dit verband is het goed om er nog eens op te wijzen dat opruiing meerdere vormen kan aannemen, die verschillen in de mate waarin een ander direct wordt aangespoord een strafbaar feit te plegen.8.In de rechtspraak van de Hoge Raad en feitenrechters zijn bijvoorbeeld te vinden:
- een directe opdracht van de verdachte aan anderen, bv. “Hé kijk goed naar deze gasten, als jullie ze zien he, rellen oude. (… ) benen breken (…) Rellen zeg ik tegen jullie.”;9.
- een vraag van de verdachte aan anderen, bv. om films aan te leveren waarop strafbare feiten te zien zijn;10.
- een uitnodiging van de verdachte aan anderen om met hem mee te doen, bv. om met zijn allen langzaam te rijden op de snelweg;11.
- een stelling van de verdachte dat een feit moet gebeuren zonder duidelijk te maken wie dit kan of moet doen, bv. “Mark Rutte moet ter dood veroordeeld worden. Hij moet hartstikke dood gemaakt worden”;12.
- een zeer positieve weergave van het strafbare feit door de verdachte, bv. (onder andere) op een zodanige wijze verheerlijken van geweld, martelaarschap en strijd van een terroristische organisatie dat iemand ertoe gebracht kan worden deel te nemen aan de gewapende strijd in Syrië.13.
De in deze zaak ten laste gelegde uitlating gaat taalkundig echter nog verder dan de meest indirecte aansporing door juist wel expliciet een ander aan te spreken, namelijk Allah, die niet een strafbaar feit in de zin van art. 131 Sr kan plegen.
4.10
In de literatuur zijn dergelijke uitlatingen ook wel aangemerkt als grensgevallen. In navolging van Buruma heeft Nieuwenhuis betoogd dat uitlatingen “over de verschrikkelijke toorn van het Opperwezen” niet zonder meer opruiing opleveren, maar dat dit anders kan zijn als dergelijke leerstukken worden verbonden met concrete gebeurtenissen of personen.14.Buruma spreekt in dit verband over “verkapte fatwa’s” die wel strafbaar zijn.15.
4.11
Ik zou de uitlatingen die in deze zaak aan de orde zijn ook willen kwalificeren als een dergelijk grensgeval. Het aanroepen van een goddelijke entiteit om anderen te straffen die in de ogen van de gelovige wel, maar in de ogen van anderen wellicht niet, zondig zijn, is niet ongebruikelijk en roept niet op zichzelf al het gevaar op waartegen art. 131 Sr wil beschermen. Voor het oordeel dat een dergelijke uitlating toch anderen aanspoort tot strafbare feiten zal voldoende grond moeten bestaan. Die grond zal in mijn ogen in het voorkomende geval ook voldoende concreet moeten zijn om te voorkomen dat op grond van te algemene noties over een geloof tot het oordeel wordt gekomen dat sprake is van strafbare opruiing.
4.12
Het hof heeft, anders dan de rechtbank, nogal wat redeneerstappen nodig om tot het oordeel te komen dat in dit geval toch sprake is van opruiing. Niet iedere stap is in mijn ogen even overtuigend. Onder andere is mij niet zonder meer duidelijk waar het hof op doelt met de overweging dat in “de maatschappelijk context van de jaren 2018 en 2019 (...) de link naar een aanslag door terroristen snel [is] gelegd”.
4.13
Uiteindelijk acht ik echter het oordeel van het hof in de kern niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Deze motivering houdt samengevat in:
(i) dat het de verdachte is die een wens heeft uitgesproken. Ik wijs er daarbij op dat de verdachte het bepalen van het lot van de zionisten niet aan Allah heeft overgelaten, maar zelf uitspreekt dat vernietiging op zijn plaats is;
(ii) dat in de wens het woord ‘vernietigen’ is gebruikt in relatie tot een specifieke groep personen, met toevoeging van de emoji’s van vuur en een vuist;
(iii) dat in de Twitter-berichten van de verdachte een antisemitische teneur is te ontdekken;
(iv) dat de wijze van openbaar maken, namelijk via een Twitter-account met een grote en mogelijk diverse groep volgers, afbreuk doet aan het karakter van een smeekbede aan Allah;
(v) dat het uitspreken van een wens tot gevolg heeft dat het gewenste een positieve lading krijgt, waardoor anderen zich geroepen kunnen voelen, om de een of andere reden, bij te dragen aan de vervulling van die wens;
(vi) dat de onder feit 2 tenlastegelegde tweets mede moeten worden bezien in het licht van de onder feit 1 tenlastegelegde tweet, zodat sprake is van (de kracht van de) herhaling.
4.14
Het eerste middel faalt voor zover het betrekking heeft op de teksten “Moge Allah swt de zionisten vernietigen” (feit 1) en “May Allah swt destroy the zionists” (feit 2).
4.15
Ook de hiervoor onder 4.4 genoemde klacht moet naar het mij voorkomt falen. Het hof heeft aan deze zin geen afzonderlijke overweging gewijd en ik wil ook nog wel met de steller van het middel meegaan in zijn opvatting dat deze zin op zichzelf niet zonder meer als opruiend kan worden beschouwd. Het opruiend karakter moet evenwel niet op zichzelf, maar in onderlinge samenhang met de rest van de uiting worden beoordeeld. Gelet op het feit dat deze zin integraal onderdeel uitmaakt van de tweet waarin ook de hiervoor besproken zin was opgenomen, zoals zichtbaar is in de als bewijsmiddel opgenomen afbeelding van die tweet, meen ik dat het hof niet tot een nadere motivering was gehouden. Ook in zoverre faalt het middel.
Het tweede middel
5.
5.1
Het tweede middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat de verdachte opzet had om op te ruien. In (de toelichting op) het middel lees ik de volgende deelklachten.
5.2
Allereerst wordt geklaagd dat de overwegingen van het hof innerlijk tegenstrijdig zouden zijn, omdat het hof enerzijds heeft overwogen dat de verdachte geen “zicht” heeft gehad op de personen die zijn tweet onder ogen zouden krijgen, terwijl het tevens heeft geoordeeld dat de kans aanmerkelijk is dat de lezers van zijn tweet deze zouden opvatten als een aanmoediging tot het plegen van een strafbaar feit.
5.3
Vervolgens wordt gesteld dat de motivering van het hof tekort zou schieten in het licht van hetgeen ter zitting met betrekking tot het opzet is aangevoerd. Hierbij wordt gewezen op een onderdeel van het ter zitting gevoerde pleidooi waarin een zestal reacties die onder de tweets van de verdachte zouden zijn geplaatst, waarvan de strekking kort gezegd zou zijn dat in deze reacties de berichten van de verdachte niet als gericht aan personen, maar als gericht aan Allah worden beschouwd. Het gegeven dat er kennelijk zes mensen zijn die de uiting van de verdachte inderdaad als een tot Allah gerichte smeekbede opvatten zou, zo begrijp ik het middel, een contra-indicatie opleveren voor de opvatting dat de kans aanmerkelijk is dat de tweets van de verdachte wel als aanmoediging tot het plegen van een strafbaar feit door mensen kon worden opgevat, en aan dit onderdeel van het verweer zou het hof onvoldoende gemotiveerd zijn voorbijgegaan.
5.4
Het voorgaande zou volgens de stellers van het middel temeer gelden omdat het hof in zijn bewijsmotivering maar één Twitter-reactie noemt van iemand die de uiting van de verdachte wel als “strafbaar” en aanzettend tot terreurdaden aanmerkt (zie voor die reactie de hiervoor weergegeven bewijsoverweging). Uit de reactie van de verdachte op dit bericht (“Ik zou zeggen: doe aangifte. #succes”) zou dan bovendien weer “volgen dat verdachte in de volle overtuiging verkeerde zich niet schuldig te hebben gemaakt aan enig strafbar feit”.
5.5
Ten slotte wordt door de stellers van het middel nog gewezen op een ander argument dat ter zitting naar voren is gebracht. Dit argument houdt in dat de verdachte elders in een conversatie op twitter onder een bericht waarin iemand schrijft dat “niemand het recht heeft om anderen pijn te doen” zou hebben gereageerd met de woorden “nobody is claiming that”. Deze uitlating zou - zo begrijp ik - steun bieden aan de stelling dat de verdachte niet daadwerkelijk geweld propageerde en ook deze “contra-indicatie” zou het hof, volgens de stellers van het middel, onvoldoende gemotiveerd hebben gepasseerd.
Juridisch kader
5.6
In het begrip opruiing ligt een opzetvereiste besloten. Dit omvat mede voorwaardelijk opzet.16.De vraag is vervolgens waar een verdachte precies voorwaardelijk opzet op moet hebben.17.Gaat het er om dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardt dat derden zijn uiting “opvatten als een aanmoediging” om strafbare feiten te plegen (zoals het hof aan het begin en aan het eind van de motivering tot uitgangspunt lijkt te nemen)? Of wordt vereist dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardt dat derden “daadwerkelijk overgaan” tot het begaan van de strafbare feiten waartoe hij wordt aangemoedigd (zoals het hof in het midden van de overweging over het opzet tot uitgangspunt neemt)?
5.7
Tussen beide hiervoor geschetste en door het hof afwisselend tot uitgangspunt genomen varianten bestaat een gat, zo komt mij voor. Ik merk dan ook op dat zich ook nog een tussenvariant laat denken, waarbij vereist wordt dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardt dat bij derden het voornemen postvat (of: de wil ontstaat) om de strafbare feiten waartoe wordt aangemoedigd te gaan uitvoeren. Deze variant verschilt van het “daadwerkelijk overgaan” tot strafbare feiten omdat niet vereist is dat de aanmerkelijke kans moet bestaan dat mensen daadwerkelijk tot strafbare gedragingen - het plegen, pogen of voorbereiden van een strafbaar feit, met inbegrip van de deelnemingsvormen - zullen overgaan. Ik benadruk hierbij wel dat we steeds spreken over ‘kansen op’; of die kansen zich hebben verwezenlijkt doet niet ter zake.18.
5.8
In de jurisprudentie van de Hoge Raad heb ik op de hiervoor beschreven vraag geen sluitend antwoord gevonden.19.In een wat ouder arrest overwoog de Hoge Raad dat onder (vol) opzet in de context van het delict opruiing wordt begrepen “het opzet anderen tot [de] strafbare feiten op te wekken”.20.In een nog ouder arrest is het ook wel omschreven als “het willens en wetens aanhitsen tot strafbare feiten”.21.Deze overwegingen verleggen het onderwerp van de vraag naar wanneer iemand is “opgewekt” dan wel succesvol is “aangehitst”. Het lijkt mij op zichzelf voorstelbaar dat van succesvol opwekken kan worden gesproken indien iemand in wezen nog niet een strafbare gedraging heeft begaan (maar hiertoe wel een vast voornemen heeft opgevat). Maar net zo goed verdedigbaar is dat hierin gelezen moet worden dat opzet moet bestaan op het daadwerkelijk plaatsvinden van de bewuste gedragingen.
5.9
De dominante opvatting in de literatuur lijkt mij te zijn dat vereist wordt dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardt dat (een) derde(n) daadwerkelijk overgaat tot het begaan van strafbare feiten.22.In eerdere conclusies is die lijn ook verdedigd.23.Dat men er ook anders over kan denken, blijkt evenwel uit hetgeen Janssens en Nieuwenhuis schrijven. Zij stellen dat wordt vereist dat de verdachte “willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn uitlating derden zou kunnen bewegen” tot het begaan van strafbare feiten (mijn cursivering). Deze opvatting impliceert dat de aanmerkelijke kans op een kans (dat anderen iets zouden kunnen gaan doen) moet worden aanvaard, hetgeen vanzelfsprekend een lichter criterium is dan de aanmerkelijke kans dat de uitlating derden zal bewegen tot het begaan van strafbare feiten. Een bruikbaar, onderscheidend criterium levert dit naar mijn smaak niet op.
5.10
Alles afwegende meen ik daarom dat de strengste lijn, dus dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans moet aanvaarden dat derden door zijn uiting worden bewogen tot het daadwerkelijk begaan van strafbare feiten, de beste papieren heeft. Voor de door mij nog genoemde ‘tussenvariant’ geldt dat, hoewel deze mij lijkt te passen binnen de bestaande jurisprudentie, ik uiteindelijk geen aanknopingspunten zie waarom die lijn zou moeten worden verkozen, terwijl ik bovendien mijn aarzelingen heb bij de praktische hanteerbaarheid.
Beoordeling van het middel
5.11
Bij mijn beoordeling van het middel stel ik voorop dat het middel geen rechtsklacht bevat en/of een klacht over (de begrijpelijkheid van) de door het hof aangelegde maatstaf in de hiervoor bedoelde zin (dus: de aanmerkelijke kans dat anderen het “opvatten als aanmoediging” versus de aanmerkelijke kans dat anderen “daadwerkelijk overgaan” tot strafbare feiten). Zelf zie ik ook niet in waarom het feit dat het hof beide afwisselend noemt onbegrijpelijk zou zijn, omdat het opvatten als aanmoediging noodzakelijkerwijs voorafgaat aan het daadwerkelijk overgaan. Dat het hof niet expliciet de naar het mij voorkomt juiste maatstaf voorop heeft gesteld maakt de motivering voorts niet op zichzelf reeds onbegrijpelijk, zou ik menen.
5.12
Wat vervolgens de eerstgenoemde klacht betreft, zie ik de innerlijke tegenstrijdigheid die de stellers van het middel zien, niet. Het feit dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte geen zicht heeft op wie de tweets allemaal onder ogen zouden krijgen, staat niet op gespannen voet met het oordeel dat de lezers van die tweet het als een aanmoediging zouden kunnen opvatten tot het plegen van een strafbaar feit. Integendeel, zou ik menen. Het feit dat de verdachte niet al zijn lezers kan kennen omdat zijn tweets een zeer groot bereik hadden - hetgeen inherent is aan het feit dat hij een openbaar Twitter-account heeft met meer dan 31.000 volgers - maakt juist dat de verdachte niet heeft kunnen aannemen dat geen van zijn volgers tot het plegen van een strafbaar feit zou worden bewogen.
5.13
Ook de tweede klacht moet naar het mij voorkomt falen. Het feit dat een zestal personen de uiting van de verdachte niet als een aansporing tot het plegen van een strafbaar feit heeft opgevat, staat als zodanig niet eraan in de weg dat op basis van de strekking van de uitlating en in de gegeven context de kans aanmerkelijk is dat één of meer anderen hierdoor wel worden bewogen tot het begaan van strafbare feiten. Het hof heeft immers vastgesteld dat de kans om te beginnen zeer groot is dat een bericht, geplaatst op een Twitter-account als dat van de verdachte, een zeer groot publiek bereikt. Dit gegeven vergroot de kans op uiteenlopende interpretaties waardoor het feit dat sommigen de tekst niet als aanzettend tot strafbare feiten aanmerken niet zoveel zegt. Het hof heeft in zijn overweging over het opzet de context nog verder ingevuld door erop te wijzen dat de verdachte zijn uitlatingen heeft gedaan als reactie op berichten die zien op het gewelddadige conflict tussen Israël en de Palestijnen. Het mede hierop gebaseerde oordeel van het hof dat de kans aanmerkelijk was dat (een) lezer(s) van de tweets tot het plegen van strafbare feiten zouden overgaan, acht ik niet onbegrijpelijk.
5.14
Dat het hof in de bewijsmotivering (slechts) één twitterreactie opvoert van iemand die in de tweets een aansporing tot het plegen van strafbare feiten zegt te lezen maakt het voorgaande niet anders, alleen al omdat - zo is een feit van algemene bekendheid - niet iedereen die dergelijke aansporingen wel ter harte neemt, hiervan tevens in het openbaar kond doet op een sociaal medium. Dat de verdachte deze persoon blijkens de vaststellingen van het hof “succes” heeft gewenst met het doen van aangifte is tevens niet zonder meer op te vatten als ervan blijk gevend dat de verdachte vorenbedoelde aanmerkelijke kans niet zou hebben aanvaard. Zo heeft het hof deze reactie klaarblijkelijk niet opgevat en dit bij uitstek feitelijke oordeel acht ik evenmin onbegrijpelijk.
5.15
De laatste klacht, ten slotte, stuit af op het feit dat als gezegd voor het misdrijf opruiing het opzetvereiste mede voorwaardelijk opzet omvat.
5.16
Het middel faalt.
Afronding
6.
6.1
Beide middelen falen.
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑08‑2024
EHRM 15 januari 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0115JUD004842010 (Eweida t. Verenigd Koninkrijk) en HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9368.
Over de overeenkomsten en verschillen van deze rechtvaardigingsgronden: A.L. Jansen en A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 29-31, en A. Nieuwenhuis, ’Vrijheid van godsdienst en de grens tussen radicale en strafbare uitlatingen’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2015, p. 8-11.
AG Hofstee geeft in zijn conclusie van 3 december 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1235, randnummers 35-60, een overzicht van de totstandkoming van en de rechtspraak over het bestanddeel ‘opruien tot enig strafbaar feit’.
HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2020, rov. 3.4.
HR 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:447, rov. 3.5.2.
Vgl., na een uitgebreide inventarisatie van de relevante rechtspraak van de HR daaromtrent, toenmalig AG Bleichrodt in zijn conclusie van 13 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:941, onder 50. Vgl. tevens, in de context van groepsbelediging (art. 137c Sr), HR 16 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:589, rov. 2.5.2.
Gerechtshof Amsterdam 30 oktober 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2698.
Gerechtshof Den Haag 14 februari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:217.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 april 2024. ECLI:NL:GHARL:2024:2933.
Gerechtshof Den Haag 13 november 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2207.
HR 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:447. rov. 3.4.2.
A. Nieuwenhuis, ’Vrijheid van godsdienst en de grens tussen radicale en strafbare uitlatingen’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2015, p. 11-14.
Y. Buruma, ‘Moslimradicalisme en het strafrecht”, DD 2005/16, p. 267 en 268.
Zo wordt algemeen aangenomen. Zie J.W. Fokkens in Noyon/Langemeijer/Remmelink, art. 131 Sr, aant. 1 (actueel tot en met 1 augustus 2019) en A.L. Janssens en A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 309, met een beroep op HR 29 mei 2001, ECLI:NL:HR:2011:AB1818, dat gaat over voorwaardelijk opzet op het bestanddeel “in het openbaar”. Vgl. voorts de conclusie van AG Keulen van 16 februari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:141, onder 30 en de conclusie van toenmalig AG Wortel voor het arrest van 29 mei 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB1818.
Ik laat het opzet voor zover dat niet raakt aan de door derden al dan niet te verrichten gedragingen - zoals het opzet op de openbaarheid - hier buiten beschouwing. Eveneens laat ik buiten beschouwing de figuur waarin het opruien betrekking heeft op gewelddadig gedrag tegen het openbaar gezag.
Vgl. J. de Hullu en P.H.P.M.C. van Kempen, Materieel Strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 84.
Duidelijk is wel dat indien wordt bewezen dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat uitingen het publiek tot het begaan van strafbare feiten zouden bewegen, dit de toets in cassatie kan doorstaan. Vgl. HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2020, tweede middel (art. 81.1 RO; waarbij het hof overigens daarnaast tevens heeft overwogen dat het erom gaat of “anderen de tekst in de oproep zouden opvatten als een aansporing om voornoemde strafbare feiten te plegen”). Daarmee is niet zonder meer gezegd dat dit voor het mindere ook geldt.
Zie HR 28 november 1967, NJ 1968/132.
Zie HR 9 maart 1903, W 7898.
Vgl. J.W. Fokkens in Noyon/Langemeijer/Remmelink, art. 131 Sr, aant. 1 en 4 (actueel tot en met 1 augustus 2019). Ten Voorde stelt in T&C dat het opzet gericht moet zijn “op alle bestanddelen van het delict, waartoe wordt opgeruid”. Die opvatting lijkt mij voor situaties als de onderhavige zaak, waarin de delicten niet in de tenlastelegging zijn gespecificeerd, te betekenen dat ten minste voorwaardelijk opzet zou moeten bestaan op de feitelijke gedragingen die en/of het gevolg dat door de verdachte in zijn uitlating als wenselijk wordt/worden gepresenteerd.
Zie de conclusie van toenmalig AG Wortel voor een arrest van 29 mei 2001 (ECLI:NL:PHR:2001:AB1818), onder 5: strafbaarheid ontstaat “indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn uitlatingen anderen tot strafbaar gedrag of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag zullen bewegen”. AG Keulen citeert deze conclusie in zijn conclusie van 16 februari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:141, onder 30.
Beroepschrift 03‑11‑2023
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 22/04850
Betekening aanzegging: 26 september 2023
Cassatieschriftuur
Inzake:
[verdachte]
wonende te [woonplaats],
verdachte,
advocaten: R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo
dossiernummer: D20230349
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te Den Haag d.d. 22 december 2022, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 131 Sr, art. 359 en 415 Sv, art. 6 Grondwet en artikel 9 EVRM en wel om het navolgende:
Aan verdachte is onder feit 1 tenlastegelegd dat hij (verkort zakelijk weergegeven) op 14 mei 2018 te 's‑Gravenhage, althans in Nederland in het openbaar, bij geschrift en/of bij afbeelding tot enig strafbaar feit en/of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag heeft opgeruid, door het plaatsen en/of delen van een bericht en/of reactie op social media te weten op het Twitteraccoumt ([twitteraccount 1]) met de tekst:
‘Vandaag in Palestina weer tientallen jonge mensen door kogels van de zionistische bezettingsmacht vermoord. Het wordt druk in het paradijs’
‘Moge Allah swt de zionisten vernietigen’
en/of daarbij twee emoji's/afbeeldingen van een vuist en/of van vuur te plaatsen.
Onder feit 2 is verdachte tenlastegelegd dat hij (verkort zakelijk weergegeven) in de periode van 22 en 23 mei 2018 in Nederland in het openbaar, bij geschrift en/of bij afbeelding tot enig strafbaar feit en/of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag heeft opgeruid, door het plaatsen en/of delen van een bericht en/of reactie op social media te weten op het Twitteraccount ([twitteraccount 1]) met de tekst:
‘May Allah swt destroy the Zionists.’
Door verdachte en de verdediging is aangevoerd dat (zeer verkort weergegeven) er geen sprake is van opruiing als bedoeld in art. 131 Sr; de verdachte met de uitlatingen uitsluitend en alleen Allah heeft aangeroepen en Hem gevraagd de zionisten respectievelijk de vijanden van de Islam, in overeenstemming met passages uit de Koran, te vernietigen op de dag des oordeels hetgeen geen rechtstreeks oproepen tot een bepaald strafbaar feit is.
In het arrest heeft het hof het verweer verworpen. Het hof heeft daartoe overwogen/geoordeeld dat (verkort zakelijk weergegeven) om tot een door de verdediging naar voren gebrachte alternatieve betekenis te concluderen moet er context — in de zin van toegevoegde of andere gebruikte woorden — zijn die deze conclusie rechtvaardigt; van een dergelijke context geen sprake is; naar het oordeel van het hof de tweet dan ook een uiting van de wens is dat de zionisten gedood worden en wel op een gewelddadige wijze; vernietigd worden immers niet naar een vreedzame dood verwijst, maar naar een dood door geweld, strijd of een aanslag; in de maatschappelijke context van de jaren 2018 en 2019 de link naar een aanslag door terroristen snel is gelegd; de vorm waarin de uitlatingen is geplaatst daar niet aan af doet gelet op de context; de uitlatingen geplaatst zijn op een openbaar twitteraccount; de uitlatingen daarom niet kunnen worden vergeleken met een gebed dat in een moskee wordt uitgesproken door een imam of andere voorganger of in het kader van religieuze activiteiten of tussen gelovigen onderling; door de smeekbede in een tweet te uiten heeft de uiting meer het karakter van een in het openbaar uitgesproken wens dan het karakter van een openbaar gebed heeft; de uiting rechtstreeks tot een strafbaar feit oproept te weten het vernietigen van zionisten; de uiting rechtstreeks tot een strafbaar feit oproept.
Bewezen is verklaard dat verdachte zich aan het tenlastegelegde schuldig heeft gemaakt door het in het Nederland en Engels uiten van de woorden:
‘Moge Allah de zionisten vernietigen’.
Een dergelijke verzuchting/bede kan gelijk worden gesteld aan het tot God bidden dat de oorlog in Oekraïne of de Gazastrook wordt beëindigd of dat zondaars/abortusartsen/homoseksuelen door God zullen worden gestraft en in de hel zullen belanden maar behelst niet een tot een persoon of personen gerichte aansporing een bepaald strafbaar feit te plegen. Dat de tweets niet in een moskee zijn geuit maar op twitter doet niet af aan het feit dat de uitlatingen nog steeds niet rechtstreeks tot een strafbaar feit oproepen. Een verzuchting/bede gericht aan een hogere macht roept nog steeds niet andere personen dan die hogere macht op tot het plegen van enig strafbaar feit.
Gelet hierop is de verwerping van het verweer/bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
Toelichting
1.1
Aan verdachte is onder feit 1 en 2 tenlastegelegd, dat:
- ‘1.
hij op of omstreeks 14 mei 2018 te 's‑Gravenhage, althans in Nederland in het openbaar, bij geschrift en/of bij afbeelding tot enig strafbaar feit en/of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag heeft opgeruid, door het plaatsen en/of delen van een bericht en/of reactie op social media te weten op het Twitteraccoumt ([twitteraccount 1]) met de tekst:
‘Vandaag in Palestina weer tientallen jonge mensen door kogels van de zionistische bezettingsmacht vermoord. Het wordt druk in het paradijs’
‘Moge Allah swt de zionisten vernietigen’
en/of daarbij twee emoji's/afbeeldingen van een vuist en/of van vuur te plaatsen.
- 2.
hij op één of meer tijdstippen in de periode van 22 en 23 mei 2018 te 's‑Gravenhage, althans in Nederland in het openbaar, bij geschrift en/of bij afbeelding tot enig strafbaar feit en/of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag heeft opgeruid, door het plaatsen en/of delen van een bericht en/of reactie op social media te weten op het Twitteraccount ([twitteraccount 1]) met de tekst:
‘May Allah swt destroy the zionists.’’
1.2
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 28 november 2022 is onder meer gerelateerd:
‘De verdachte legt op vragen van het hof een verklaring af, inhoudende:
(…)
Het was een oproep naar mijn schepper voor gerechtigheid en bescherming tegen het kwaad.
(…)
U zegt mij dat ik zeg dat ik Allah aanroep, maar dat ik praat over vernietiging van de Zionisten en vijanden van de islam, terwijl ik zojuist sprak over gerechtigheid. U vraagt mij waarom ik heb gekozen voor deze bewoordingen. Het woord ‘vernietigen’ hoeft niet te betekenen fysieke vernietiging in de zin van vermoorden of lichamelijk letsel toebrengen. Het kan ook betekenen dat een bepaalde groep niet meer de macht heeft of een bepaalde positie kwijtraakt. In de Islam is dit een normale bewoording. Bij verkeerde dingen vraag je om leiding, bij ernstigere zaken vraag je Allah om vernietiging, waarmee ik mijn schepper aanroep om die personen in de hel te laten belanden. U vraag mij of ik zoiets ook zou zeggen tegen iemand die iets echt fout doet. Nee, niet tegen personen direct. Als iemand de verkeerde kant op dreigt te gaan, vraag je wat er aan de hand is en vraag je Allah om leiding en hulp. In dit geval ging het om een institutie en een beweging. Het Zionisme is een staatsvorm die niets goeds teweeg brengt.
U zegt dat ik heb geschreven dat Allah de Zionisten moge vernietiging en niet bijvoorbeeld ‘het Zionisme’. Ja, daarmee bedoel ik iedereen die zich daaronder schaart. Het is aan Allah om mijn gebed te horen en ik kan niet in zijn voetsporen treden door uit te leggen hoe hij dat zou doen.
(…)
U, oudste raadsheer, vraagt mij hoe u het moet zien als terroristen aanslagen plegen en daarbij de naam van Allah aanroepen. Ik doe dat niet en ik ben ook geen expert op dat gebied, dus ik snap deze vraag niet zo goed. Dit lijkt me een suggestieve vraag. U, oudste raadsheer, zegt dat u niet wil suggereren dat alle moslims terroristen zijn. U zegt enkel te reageren op mijn antwoord dat in de Islam geen plek is voor aanslagen, maar dat sommige moslims wel aanslagen plegen. Ja, dat is triest en verwerpelijk.
(…)
U, voorzitter, zegt terug te gaan naar het plaatsen van de tweets en vraagt mij of u het moet begrijpen als een gebed. Het is een smeekbede in de vorm van een gebed. Ik roep mijn schepper aan om hulp.
(…)
Het heeft niets te maken met oproepen tot geweld. Sterker nog, ik leg het in handen van Allah, de schepper. Ik wil voorkomen dat mensen denken dat ze iets moeten gaan doen. Allah moet iets gaan doen. Dat heb ik nu gevraagd.
(…)
De raadsman merkt op dat hij de vraag van de voorzitter niet zo goed begrijpt. De voorzitter zegt dat de tekst zelf niet zozeer vraagt om gerechtigheid, maar om vernietiging. De raadsman reageert dat er in de tekst expliciet wordt benoemd dat het in de handen van Allah wordt gelegd. De voorzitter zegt dat Allah wordt aangeroepen als een van degenen die dat kan doen. De verdachte zegt dat het alleen naar Allah is gericht. De voorzitter zegt dat dan ook geschreven had kunnen worden dat het alleen Allah is die gerechtigheid brengt. De verdachte zegt dat dat er ook staat. De raadsman zegt dat hij graag van de voorzitter hoort waar in de berichten staat dat iemand anders dan Allah wordt opgeroepen. De voorzitter zegt dat dat er niet staat, er staat dat Allah wordt aangeroepen om gerechtigheid te brengen en te vernietigen. Zo lezende is het niet een preek dat het alleen Allah kan zijn of mag zijn die mag vernietigen. De verdachte zegt dat hij die interpretatie subjectief vindt. De voorzitter zegt dat het geen interpretatie is, maar dat er gekeken wordt naar de tekst.
De raadsman zegt dat het in eerste aanleg ook zo fout ging. Hij zegt dat in de tweet staat ‘may Allah’ en ‘moge Allah’ met toevoeging van ‘swt’, betekenende, ‘de verhevene’. De raadsman vraagt hoe iemand dan uit dat tekstbericht halen dat niet alleen Allah, maar ook andere mensen iets moeten doen. De voorzitter zegt dat dat ook niet in de tekst staat en dat zij daar nu nog geen visie op heeft en dat zij enkel precies probeert te weten te komen wat de verdachte bedoelde met de tekst. De verdachte zegt dat hij meer een stelling hoorde, maar als dat als vraag was bedoeld, dan kan hij antwoorden. De voorzitter zegt dat het helder is wat hij bedoelde: het in handen leggen van Allah. De verdachte zegt dat het wat hem betreft maar voor één uitleg vatbaar is.
(…)
De voorzitter zegt dat het hof het zo begrijpt dat de verdachte, met zijn Tweet de zaak in handen van Allah wilde leggen. De verdachte zegt dat dat klopt, en dat hij de zaak in de handen van alleen Allah wilde leggen.
(…)
U, raadsman, vraagt of mijn woordkeuze voor vernietiging gerelateerd is aan het gebruik van het woord vernietigen in de Koran. Ja absoluut, de Koran is een belangrijk boek. Ik heb het daaruit overgenomen. U vraagt wat Allah met het woord vernietigen bedoelt zoals het in de Koran staat. Dat is een theologische vraag die ik slechts met mijn beperkte kennis kan beantwoorden. Vernietigen hoeft niet perse te betekenen het doden of vermoorden van mensen, maar ook hen ontheffen uit een positie waarin zij kwaad kunnen doen. De dag des oordeels is ook een belangrijk aspect van de Islam. Er is geen verschil in mensen die aanslagen plegen. Op de dag des oordeels moeten zij zich verantwoorden voor hun daden. De zwaarste bestraffing is de hel, het vuur.
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota en vult deze als volgt aan.
(…)
Een tweet zou niet genoeg moeten zijn voor een veroordeling. U wilt niet weten wat voor effect dat zou hebben, ‘moge Allah’ en een gebruikelijke term onder moslims. Als u dit zou veroordelen, zou u eigenlijk het woord wegnemen van de moslims. Moge Allah hen wat aandoen, zodat ze het niet zelf gaan doen of laten doen. Voor moslims is dit een heel duidelijk verhaal: het ligt in de handen van Allah, dus niet zelf iets gaan doen. Voor niet-moslims kan ik me niet voorstellen dat zij zich aangesproken voelen.
(…)
Ik heb verschillende telefoontjes gehad van Imams. Het vrijdaggebed eindigt doorgaans met smeekbedes, waarin Allah wordt aangeroepen om de aanslagplegers — het uitschot van de Islam — te vernietigen.
(…)’
1.3
In de betreffende pleitnota is onder meer aangevoerd:
‘2.1. Het bestanddeel strafbaarheid in art. 131 Sr
De wetgever heeft met de delictsomschrijving van art. 131 lid 1 Sr de strafbaarheid van de door een verdachte gedane uitingen willen toespitsen op de bedoeling die de verdachte daarmee had, het aanzetten tot enig strafbaar feit of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag. Hierbij gaat het om strafbare feiten naar Nederlands recht, waarbij uit de Memorie van Toelichting duidelijk wordt dat de wetgever in het bijzonder aan misdrijven heeft gedacht (immers, de oorspronkelijke memorie op art. 131 e.v. Sr was getiteld ‘Verlokking tot misdrijf).
De door de verdachte gebezigde bewoordingen of gebruikte geschriften of afbeeldingen dienen rechtstreeks aan te sporen tot enig strafbaar feit wil sprake zijn van opruiing. Die beperking van de strafbaarheid is noodzakelijk en wordt geproefd in de door de Hoge Raad aanvaarde formule dat er een duidelijke relatie dient te bestaan tussen de opruiende woorden en een strafbaar gesteld feit. Het uitbrengen van woorden die de gedachte aan een strafbaar feit kunnen wekken is, zonder dat de opzet bij de spreker ook gericht is op het inderdaad doen opkomen van die gedachte, is niet als opruiing strafbaar.2 Op de opzet van cliënt zal in paragraaf 3 uitgebreider worden ingegaan.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden omschrijft opruiing in 2019 als volgt:
‘Het bij anderen opwekken van de gedachte aan het plegen van een strafbaar feit, het trachten de mening te vestigen dat dit feit wenselijk of noodzakelijk is en het opwekken van het verlangen om dat feit te bewerkstelligen’.3
De Hoge Raad stelt het echter in datzelfde jaar in de u ongetwijfeld welbekende Contextzaak nog scherper:
‘Samenvattend wijst de (oudere) rechtspraak van de Hoge Raad uit dat van ‘opruien’ sprake is wanneer tot iets wordt aangespoord, opgehitst of aangezet, ongeacht of dat in hartstochtelijke of in bezadigde bewoordingen is verpakt en ongeacht of de opruiing afhankelijk wordt gesteld van voorwaarden of eventualiteiten. Dat het moet gaan om opruiing tot ‘enig strafbaar feit’ brengt mee dat uit de strekking van de bewezenverklaarde uitingen rechtstreeks een bepaald strafbaar feit moet kunnen worden aangewezen waartoe is aangezet of aangespoord. De strekking van de uitingen moet dus zodanig zijn dat uitvoering van de gedragingen waartoe zij aansporen een strafbaar feit oplevert, althans dat die gedragingen niet denkbaar zijn zonder dat zij met een strafbaar feit gepaard gaan. Zo nodig wijst de Hoge Raad op grónd van de feitelijke vaststellingen van de feitenrechter zelf het feit aan waartoe wordt opgeruid.’4
Het is dus aan uw Hof, gelet op bovenstaande om te bepalen hoe de tweets geïnterpreteerd moeten worden, waarbij kritisch dient te worden gekeken naar de bedoeling van de verdachte en of er rechtstreeks tot een strafbaar feit wordt opgeroepen.
2.2. De inhoud en betekenis van de tweets
Het gaat om de volgende drie tweets:
- ‘1.
Op 14 mei 2018 plaatste cliënt twee zogenoemde ‘tweets’ die als volgt luidden:
‘Vandaag in Palestina weer tientallen jonge mensen door kogels van de zionistische bezettingsmacht vermoord. Het wordt druk in het paradijs’
en
‘Moge Allah swt de zionisten vernietigen’,
gepaard een vuist- en vuur-emoji.
- 2.
Op 22 en 23 mei 2018 deelde cliënt vervolgens, eveneens op Twitter, de volgende tekst:
‘May Allah swt destroy the zionists’.
- 3.
Op 5 januari 2019 komt daar een laatste tweet bij, wederom vergezeld door een vuur-emoji:
‘May Allah swt guide or destroy the enemies of Islam’’.
De vraag die zich dan voordoet is wat de letterlijke betekenis is van de woorden alsook hoe deze in samenhang kunnen worden bezien, mede gelet op hun context? We hebben in ieder geval telkens aan het begin van de tweet de woorden:
‘May Allah swt’.
Even ter informatie, swt betekent Subhanahu wa ta'ala, wat een omschrijving is die men gebruikt na het noemen van Allah om aan te duiden dat Allah de geprezene en verhevene is. ‘May’ of in het Nederlands, ‘Moge’ is een aanvoegende wijs van mogen, en betekent ‘toestemming vragen’, en indien met een Goddelijke benaming erachter dient men het te zien als een oproep tot die God om iets te bewerkstelligen of iets aan hem te vragen. Bijvoorbeeld als een familielid ziek is en je zegt:
‘Moge God hem beter maken’.
Niemand zal dan overigens denken dat je zelf van plan bent diegene beter te maken, of een dokter oproept dat te doen.
Voorts ligt de kern van het probleem, waarvoor we hier vandaag zijn, of het woordje ‘vernietigen’ de smeekbede anders maakt en er toch voor zorgt dat het hier gaat om opruiing. Vernietigen duidt op ongedaan maken of afbreken. Dit is nog redelijk nietszeggend indien men niet meer weet van de woorden die eromheen staan. Het gaat hier om een dubbelzinnig woord. De betekenis van het woord in de zin:
‘Het Hof vernietigt het vonnis van de rechtbank’
is heel anders dan ‘Russische troepen vernietigen Oekraïense’.
Dus moet men kijken naar het geheel. De woorden die om vernietiging heen staan zijn ‘moge Allah’ en ‘de Zionisten’ of ‘de vijanden van de islam’. Dan rijst de vraag wat Allah zou doen / moeten doen volgens cliënt met de Zionisten? Daarvoor dient men te kijken naar de context: de Koran (of ruimer het Islamitische geloof). Op diverse plaatsen in het Boek wordt gesproken over het lot van hen die als onrechtplegers worden gezien, waaronder de volgende passages:
(…)
‘Verily, those who disbelieve, if they had all that is in the earth, and as mach again therewith
to ransom themselves thereby from the torment on the Day of Resurrection, it would never be
accepted of them, and theirs would be a painful torment.’
Soera Al-Ma'idah, Ayah 36
(…)
‘Consider not that Allah is unaware of that which the Zalimun (wrong-doers, etc.) do, but He
gives them respite up to a Day when the eyes willstare in horror.’
Soera Ibrahim, Ayah 42
Kort en goed wacht deze onrechtplegers volgens de Islamitische geloofsovertuiging een eeuwig oordeel in de hel, na de oordeelsdag van Allah.
De woorden van deze uitingen beziend, wordt dus niet meer of minder gedaan dan het aanspreken van Allah om met de vijanden van de Islam om te gaan met als zwaartepunt de dag des Oordeels, in dezen vernietigen in de hel. Zoals ook door de tweemaal door cliënt gebruikte vuur-emoji wordt er in deze smeekbede kracht bijgezet, zoals cliënt zelf ook verklaarde, door te suggereren naar de straf voor ‘vijanden van de Islam’ die Allah volgens het Islamitische geloof bewaart voor het hiernamaals — het hellevuur. Dit is overigens niet anders dan wat in de Tora of in de Bijbel wordt beschreven.
Wat cliënt dus concreet — onmiskenbaar — doet is driemaal de wens of smeekbede uiten dat zijn God de zionisten, of meer algemeen de vijanden van de Islam, zal vernietigen. Aan de laatste tweet voegt cliënt overigens een niet irrelevante nuancering toe: moge Allah de vijanden van de Islam vernietigen of leiden. Door in zijn tweets de wens of smeekbede te uiten dat Allah ofwel deze onrechtplegers moge vernietigen, ofwel hen leiden — op de juiste weg — legt cliënt klaarblijkelijk het lot van die personen in de handen van Allah en derhalve ten enenmale niet — juist niet, zou ik zeggen — in die van de mens. Hierbij is van belang dat het een gemeen gebruik is van de moslims om het lot in handen van Allah te leggen en daarbij smeekbedes te bezigen.
Voor steun in deze interpretatie wijst de verdediging op een tweetal reacties van kennelijk gelijkgezinde twitteraars op de berichten van cliënt:
- —
[Twitteraar 1]:
‘Ameen broeder. De tijd van deze hoogmoedige verderfzaaiers op Aarde zal zeker komen. Hun verblijfplaats zal de HEL zijn Insha Allah. Moge ALLAH de zionisten vernietigen en vernederen!’
- —
[Twitteraar 2]:
‘Ameen. We prayforPalestinian.’
Verder is nog relevant dat de smeekbede, gericht aan Allah, ziet op de zionisten en meer in het algemeen, maar wel in het verlengde daarvan, ongelovigen — ten aanzien van wie niet geldt dat geweldgebruik gelegitimeerd wordt geacht in de Koran. Bovendien spreekt de smeekbede over het leiden óf vernietigen en daarmee legt cliënt, als gezegd, het lot in handen van zijn God; laat zich op geen enkel moment uit over de Jihad, Harnas of daaraan gerelateerde bewegingen; en uit de reacties op elk van de tweets blijkt evident dat geen enkele lezer zich geroepen voelt uitvoering te geven aan enige vernietigingsactie.
Bovendien, bij onduidelijkheid over de (al dan niet letterlijke) interpretatie van een gebruikte tekst — wat hier naar de mening van de verdediging niet zou mogen spelen — kan de bedoeling van verdachte achter de tweet geheel terzijde worden geschoven en zonder meer tot een veroordeling worden gekomen, wat ook blijkt uit de uitspraak van rechtbank Rotterdam d.d. 19 december 2019: een Facebookbericht waarin werd opgeroepen het slachtoffer ‘op een flinke wijze in zijn gezicht [te] spugen’ werd niet als opruiend beschouwd omdat die uitdrukking in de moedertaal van de verdachte ook een figuurlijke bedoeling kon hebben. ‘Na ampel beraad komt de rechtbank tot het oordeel dat aldus niet buiten elke redelijke twijfel is komen vast te staan dat de verdachte heeft opgewekt tot het beledigen van de aangever’, aldus de rechtbank.5 Ook in de onderhavige casus hebben we van doen met de oproep tot, of het afroepen van, een vernietiging die een onbestemd karakter draagt, namelijk één die dient te worden voltrokken door een hogere macht.
Kortom, uit een letterlijke, (historisch) contextuele en teleologische interpretatie kan het niet anders zijn dan dat Cliënt met zijn tweets enkel en alleen heeft opgeroepen tot zijn God en die gevraagd om de vijanden van de Islam, in overeenstemming met passages uit de Koran, te vernietigen op de dag des Oordeels, althans en in ieder geval kan dit in alle redelijkheid worden uitgesloten.
Aan het voormelde kan en mag niet afdoen, de eventuele wansmakelijkheid of immoraliteit van de tweets. Uw Hof waakt de jure niet over de morele grenzen, die afhankelijk zijn van de omgeving en opvoeding en derhalve voor een ieder ongelijk kunnen zijn. Uw Hof waakt over de grenzen van de wet.
(…)
Maar is het nu zo dat de uitvoering van de smeekbedes onmiskenbaar en noodzakelijkerwijs11 gepaard gaan met één of meerdere strafbare feiten? Het antwoord luidt volmondig nee. Verre van dat, zou ik juist willen zeggen. Het oordeel van Allah kan — door hen die daarin geloven — zonder enige actie te ondernemen worden afgewacht, en van hen mag overigens worden verondersteld dat zij bekend zijn met smeekbeden en de betekenis daarvan. Voor niet-moslims geldt in principe hetzelfde. Zij lezen dat verdachte het allemaal laat in handen van Allah. Bovendien geldt voor de niet-moslims dat zij zich überhaupt niet aangesproken of aangespoord zullen voelen door de in de tweets van cliënt geuite wens. Verder geldt dat verdachte niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de interpretatie van de argeloze lezer.
(…)
Evenwel blijkt uit reacties op de tweet dat de meeste mede-Twitteraars zijn tweets inderdaad aanzien voor een smeekbede waarin cliënt vraagt naar zijn God:
- —
[mede-Twitteraar 1]:
‘Uiteindelijk staan we allemaal voor het laatste oordeel! En dan is het aan God en aan Jezus om zijn volgelingen vrij te pleiten!’
- —
[mede-Twitteraar 2]:
‘Dag meneer [verdachte], u doet een smeekbede zie ik. Mijn vraag zou zijn: waarom doet Allah niets? Waarom grijpt hij niet in? Allah gaat geen zionisten vernietigen. (…)’
- —
[mede-Twitteraar 3]:
‘Zo blij dat dit soort mafkezen hopen dat God het voor hen zal oplossen. Een beetje als blijven bellen naar een niet bestaand telefoonnummer met een dringend verzoek.’
- —
[mede-Twitteraar 4]:
‘Een geruststelling. Allah doet niets want hij bestaat niet. Als hij wel zou bestaan zou het niet zo'n zooitje zijn in de wereld.’
- —
[mede-Twitteraar 5]:
‘Laat die domme Palestijnen het dan ook alleen aan Allah overlaten. Als dat (verzonnen) figuur machtig was, hoefje zelf niet te vechten. (…)’
- —
[mede-Twitteraar 6]:
‘Die maagden in het paradijs krijgen het nog druk. Moge Allah als hij ook op Twitter zit de hufters van Hamas straffen voor wat ze hun volk aandoen. De Zionisten hadden een mooi feest in Jeruzalem vandaag.’
Zojuist uiteengezette interpretatie zou anders worden — zo heeft een enkele uitspraak geleerd — als naast een smeekbede diverse andere uitlatingen zijn gedaan (zoals onder meer het rechtstreeks oproepen tot deelname aan de Jihad) waardoor die smeekbede wordt besmet door en meegezogen met de context van de overige uitlatingen en daarmee bezien in haar geheel een opruiende karakter krijgt. Of, welwillend gezien, indien de aard van het medium een andere zou zijn geweest, zoals bijvoorbeeld op een medium ((besloten) Facebookgroep, zoals bijvoorbeeld in de contextzaak) waar radicale ideeën worden gepredikt en ook de boventoon voeren, en waarbij diegene die de uitlating heeft gedaan — en gelijkgestemden in die Facebookgroep — geweld in de naam van de Islam verheerlijken, waardoor de smeekbede op het in dat geval betreffende social media-account in een ander daglicht komt te staan.
Dit speelt evenwel niet in casu. Cliënt heeft juist volstaan met sec de smeekbede, en daarbij als gezegd het in handen van Allah gelegd, verder geen uitlatingen gedaan die het tegendeel zouden kunnen suggereren, op het medium Twitter en wel als reactie op een heftig bericht. Het is in deze dan ook geen vooropgezette uitlating geweest als wel in de snelheid van Twitter een reagerende uitlating.
Van feiten en omstandigheden die maken dat de smeekbedes in weerwil van de grammaticale interpretatie alsnog moeten worden gezien als opruiend is simpelweg niet gebleken.
Reeds op grond van déze beoordeling dient de vraag of de door cliënt getweete reacties een opruiend karakter hebben derhalve te stranden.
2.3. Rechtstreeks oproepen tot het plegen van een strafbaar feit
Voorts strandt de bewezenverklaring ook op het volgende. Namelijk, afgezien van de vraag of er überhaupt mensen worden opgeroepen iets te doen, is een tweede vereiste voor een bewezenverklaring dat het ‘iets’ waartoe wordt opgeroepen rechtsreeks een bepaald strafbaar feit moet betreffen. In dit verband zij verwezen naar een aantal overwegingen van AG Hofstee in de Contextzaak.
(…)
Het is hier waar de schoen wringt. De verdediging heeft — werkelijk waar — het hoofd gebroken over het antwoord op de vraag welk strafbaar feit het Openbaar Ministerie dan voor ogen heeft gehad bij het opstellen van de tenlastelegging — en zo bleek hetzelfde te gelden voor de rechtbank —, doch is het aan hen (het Openbaar Ministerie), vide de aangehaalde jurisprudentie, om aan te wijzen en te bewijzen dat uit de strekking van de uitingen rechtstreeks tot een bepaald misdrijf is aangezet of aangespoord. Het vernietigen van Zionisten of het Zionisme, zeker gezien ook nog eens de dubbelzinnigheid van het woord, is dusdanig onbestemd dat onmogelijk een concreet misdrijf kan worden aangewezen. Overigens is niet alleen het woord vernietigen dubbelzinnig maar dit geldt ook voor Zionisten, zeker nu dit laatste geen ras, maar een politieke beweging betreft en daarmee zeker niet wordt gedoeld op de Joden.
De overweging van de rechtbank, inhoudende dat de term ‘vernietigen’ voor wat betreft het aanzetten tot strafbare feiten voldoende feitelijk is, overtuigt, bij gebrek aan een nadere motivering dan wel een begin van concretisering welke strafbare feiten dan bedoeld zou kunnen worden, allerminst.
Hier kan niet aan afdoen dat de wetgever geen scherpe juridische grens heeft gesteld in die zin dat specifieke strafbare feiten bij naam moeten worden genoemd, daar blijkens de eerder aangehaalde jurisprudentie nog altijd wél noodzakelijk is dat een herkenbare omschrijving wordt gegeven van een specifiek aan te wijzen materieel feit. Er moet dus kennelijk worden opgeruid tot iets dat in de voorstelling die ervan gegeven wordt als een concreet strafbaar feit herkend kan worden.
Als gezegd de verdediging tast in dezen in het duister en het vonnis heeft geen licht kunnen brengen in dezen.
(…)
Ten slotte zij nogmaals opgemerkt dat het volstrekt onjuist is om te beweren dat kritiek, ook de meest scherpe, op een maatschappelijke toestand kan worden uitgelegd als opruiing. Het verkondigen van een theorie, het uiten van kritiek op overheidsdaden alsook het doen van een smeekbede aan willekeurig welke god — zoals in casu — kan niet als een strafbaar feit worden aangemerkt indien het niet mede gepaard gaat met een opzettelijk aansporen tot één of meer handelingen die de strafwet raakt.
(…)’
1.4
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard, dat:
- ‘1.
hij op 14 mei 2018 in Nederland in het openbaar, bij geschrift tot enig strafbaar feit heeft opgeruid, door het plaatsen van een bericht en/of reactie op social media te weten op het Twitteraccoumt ([twitteraccount 1]) met de tekst:
‘Vandaag in Palestina weer tientallen jonge mensen door kogels van de zionistische bezettingsmacht vermoord. Het wordt druk in het paradijs’
‘Moge Allah swt de zionisten vernietigen’
en daarbij twee emoji's van een vuist en vuur te plaatsen.
- 2.
hij op 22 en 23 mei 2018 te 's‑Gravenhage, althans in Nederland in het openbaar, bij geschrift tot enig strafbaar feit heeft opgeruid, door het plaatsen en van een bericht en/of reactie op social media te weten op het Twitteraccount ([twitteraccount 1]) met de tekst:
‘May Allah swt destroy the Zionists.’’
1.5
In het arrest heeft het hof onder meer overwogen/geoordeeld:
‘Het hof zal de uitingen bespreken en daarbij aandacht besteden aan de context van die uitingen.
Feit 1: Moge Allah swt de zionisten vernietigen, gevolgd door emoticons van een vuist en van vuur
De tweet is opgesteld in de vorm van een smeekbede aan Allah. Met ‘zionisten’ wordt een groep personen met een bepaalde politieke overtuiging aangeduid. Het begrip zionisme is verbonden met de staat Israël, maar antizionisme moet worden onderscheiden van antisemitisme en is daar niet aan gelijk te stellen. In grammaticale zin zijn ‘de zionisten’ in deze zin lijdend voorwerp vernietigd worden door Allah.
Het woord vernietigen in relatie tot personen heeft de betekenis van ‘doden’. De verdediging heeft gesteld dat het woord ook vernietigen in financiële zin kan betekenen of, in deze smeekbede, ook kan betekenen dat de macht van de zionisten wordt vernietigd. Het hof volgt die redenering niet. Om tot een door de verdediging naar voren gebrachte alternatieve betekenis te concluderen moet er context — in de zin van toegevoegde of andere gebruikte woorden — zijn die deze conclusie rechtvaardigt. Van een dergelijke context is geen sprake.
Naar het oordeel van het hof is de tweet dan ook een uiting van de wens dat de zionisten gedood worden en wel op een gewelddadige wijze. Vernietigd worden verwijst immers niet naar een vreedzame dood, maar naar een dood door geweld, strijd of een aanslag. In de maatschappelijke context van de jaren 2018 en 2019 is de link naar een aanslag door terroristen snel gelegd.
Dat het Arabisch woord voor vernietigen anders moet worden geïnterpreteerd, zoals de verdediging heeft gesteld, doet niet ter zake omdat de tweet in het Nederlands is gesteld.
Een volgende vraag is welke betekenis toekomt aan de vorm waarin de tweet is geplaatst, namelijk een smeekbede. De verdachte heeft gesteld dat het gebed tot Allah gelovigen er bij bepaalt dat Allah degene is die uiteindelijk oordeelt en straft en dat eigenrichting niet mag. De emoticon van het vuur wijst op het eindoordeel, aldus de verdachte.
Het hof acht op dit punt de context mede van belang. De tweet is geplaatst op een openbaar twitteraccount en de verdachte heeft ruim 31.000 volgers. De tweet kon worden geretweet en is ook op die manier verder verspreid, zij het in geringe mate. De verdachte kent uiteraard niet al zijn volgers noch heeft hij enig zicht op de personen bij wie de tweet uiteindelijk terecht komt. Dit betekent dat de verdachte zich met zijn smeekbede heeft gericht tot een publiek, waarvan hij niet weet of ze al dan gelovig zijn. De tweet kan daarom niet worden vergeleken met een gebed dat in een moskee wordt uitgesproken door een imam of andere voorganger of in het kader van religieuze activiteiten of tussen gelovigen onderling. Door de smeekbede in een tweet te uiten heeft de uiting meer het karakter van een in het openbaar uitgesproken wens dan het karakter van een openbaar gebed. Daarom is het hof van oordeel dat de vorm waarin de uiting is gedaan, namelijk een smeekbede, niet af doet aan het feit dat de algemene wens wordt uitgesproken dat de zionisten worden gedood. Met dit oordeel sluit het hof aan bij vaste jurisprudentie dat de vraag of een uiting opruiend is niet afhangt van gestelde eventualiteiten of voorwaarden.
Het hof dient zich voorts af te vragen of de uiting rechtstreeks tot een strafbaar feit oproept. De tweet is immers geplaatst als een reactie op een bericht over een gebeurtenis in Palestina en staat daarmee in het kader van iets dat zich buiten de Nederlandse landsgrenzen afspeelt. Het is de vraag of de uiting iemand bereikt die in de Palestijnse gebieden is of dat iemand in Nederland zich aangemoedigd zal voelen om naar de Palestijnse gebieden af te reizen om een aanslag te plegen. Uitgangspunt is dat de vraag of de opruiing navolging heeft gevonden niet van belang is bij de vraag of de uiting als opruiing kan worden gekwalificeerd. Geoordeeld moet worden of de daad waartoe wordt opgeroepen een strafbaar feit behelst.
Het hof is van oordeel dat het vernietigen van zionisten een strafbaar feit is. In aanmerking genomen wat het hof hiervoor heeft overwogen over de geweldscomponent die besloten ligt in het woord ‘vernietigen’ in relatie tot personen, is het hof van oordeel dat met deze uiting de wens wordt uitgesproken dat strafbare feiten plaatsvinden. Er zijn twee componenten in deze zaak die maken dat het hof van oordeel is dat de uiting oproept tot rechtstreeks strafbare feiten. De eerste component is dat de Nederlander die in het buitenland een moord pleegt onder de Nederlandse jurisdictie valt en een strafbaar feit pleegt naar Nederlands recht. De tweede component is dat de verdachte zich in zijn tweets regelmatig, in al dan niet ‘grappig’ bedoelde zin, antisemitisch uitlaat. Daarmee laat de verdachte zelf de grens tussen antizionisme en antisemitisme vervagen en infecteert zijn wens tot vernietiging van de zionisten wel degelijk ook de Nederlandse samenleving.
Vervolgens vraagt het hof zich af of het uitspreken van de wens dat de zionisten vernietigd worden als opruiing moet worden gekwalificeerd.
Het uitspreken van een wens heeft als gevolg dat het gewenste een positieve lading krijgt. Daardoor kan het uitspreken van een wens anderen tot actie bewegen, anderen kunnen zich geroepen voelen om de een of andere reden bij te dragen aan de vervulling van die wens. De context van terroristische dreiging, zoals dat in 2018 en 2019 het geval was, de antisemitische teneur in de twitterberichten van de verdachte, het gebruik van het woord vernietigen en de toevoeging van de emoticons van vuur en een vuist, brengen het hof tot het oordeel dat de wens ophitsend is.
Hoe ernstig de gedragingen waar verdachte op reageerde ook zijn, de tweet is niet gerechtvaardigd.
Feit 2: May Allah swt destroy the zionists
Deze tweet is gesteld in het Engels. De inhoud en strekking komt exact overeen met de inhoud en strekking van de tweet die onder feit 1 ten laste is gelegd. Hetgeen het hof omtrent feit 1 heeft overwogen, geldt mutatie mutandis ook voor feit 2.
De tweets zoals die op 22 en 23 mei 2018 zijn geplaatst worden mede bezien in het licht var de op 14 mei 2018 geplaatste tweet, welke is tenlastegelegd als feit 1, en de reacties op die tweet.
Op 16 mei 2018 heeft iemand met het twitteraccount [twitteraccount 2] de-volgende reactie op de tweet van de verdachte van 14 mei geplaatst:
‘Dus je roept openlijk op tot moord. Allah moet volgens jou de zionisten vernietigen. Je doet aan sfeermakerij. Je weet dat mensen bereid zijn te sterven voor Allah. Je zet deze mensen aan tot het plegen van terreurdaden. Dat is strafbaar’.
De verdachte heeft daarop gereageerd op 20 mei 2018 met:
‘Ik zou zeggen: doe aangifte, ‘succes’:’
Hieruit blijkt dat de verdachte werd gewaarschuwd dat zijn tweet mogelijk strafbaar zou kunnen zijn. De verdachte heeft die waarschuwing niet ter harte genomen en zijn uitlatingen niet genuanceerd. Evenmin heeft hij aangegeven dat hij iets anders bedoelde dan kennelijk werd begrepen. Integendeel, op 22 en 23 mei 2018 plaatste de verdachte de onder feit 2 tenlastegelegde tweets waarin hij, in het Engels, exact dezelfde uiting doet. Het hof concludeert dat ook feit 2 opruiend is.’
1.6
Het bewezenverklaarde is door het hof gekwalificeerd als:
‘Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
in het openbaar, bij geschrift tot enig strafbaar feit opruien.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
in het openbaar, bij geschrift tot enig strafbaar feit opruien.’
1.7
Van belang is onder meer dat art. 6 Grondwet bepaalt:
- ‘1.
leder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
- 2.
De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.’
1.8
Art. 9 EVRM bepaalt:
- ‘1.
Everyone has the right to freedom of thought, conscience and religion; this right includes freedom to change his religion or belief and freedom, either alone or in community with others and in public or private, to manifest his religion or belief, in worship, teaching, practice and observance.
- 2.
Freedom to manifest one's religion or beliefs shall be subject only to such limitations as are prescribed by law and are necessary in a democratic society in the interests of public safety, for the protection of public order, health or morals, or for the protection of the rights and freedoms of others.’
1.9
Tijdens de parlementaire behandeling van de grondwetsherziening van 1983 die leidde tot de vaststelling van artikel 6 Grondwet is er weliswaar van uitgegaan dat de betekenis van het woord ‘belijden van godsdienst en levensovertuiging’ ruim uitgelegd dient te worden: niet alleen het huldigen van een overtuiging wordt door het artikel beschermd, maar ook het zich daarnaar gedragen.1. De vrijheid van godsdienst beschermt enkel de handelingen die ‘op zichzelf’ aan te merken zijn ‘als een praktische toepassing van de godsdienst of overtuiging’ van de betrokkene, dat wil zeggen als gedragingen waardoor deze ‘naar objectieve maatstaven een directe uitdrukking geeft aan zijn godsdienst of levensovertuiging’. De vrijheid van godsdienst in artikel 6 Grondwet en artikel 9 EVRM ziet in principe enkel op uitingen die een directe uitdrukking vormen van een godsdienstige overtuiging, dat wil zeggen: algemeen als zodanig (h)erkende en (h)erkenbare godsdienstige praktijken.2. In het Eweida-arrest heeft het EHRM onder meer in meer algemene zin overwogen, dat een handeling die onderdeel vormt van een godsdienstige praktijk in een algemeen (h)erkende vorm weliswaar al prima facie onder artikel 9 EVRM valt, maar dat daarnaast ook nog andere handelingen onder de reikwijdte van artikel 9 EVRM vallen mits er sprake is van een voldoende nauwe en directe verbinding tussen de handeling en de onderliggende godsdienst.3. Uitlatingen uit christelijk-orthodoxe en islamitische hoek, in de zin dat homoseksualiteit zondig is, konden mede gezien de vrijheid van godsdienst door de beugel.4.
1.10
Art. 131 Sr stel strafbaar:
- ‘1.
Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie.
- 2.
Indien het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.’
1.11
Van opruiing als bedoeld in art 131 Sr is sprake indien uit feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat voldoende duidelijk is dat datgene waartoe wordt opgeroepen zou worden uitgevoerd, een strafbar feit oplevert.5. Bij de beoordeling of de door een verdachte gedane uitingen aansporen tot enig strafbaar feit en dus ‘opruiend’ zijn in de zin van art. 131 Sr, komt betekenis toe aan de inhoud en de strekking van de gedane uitingen in hun onderlinge samenhang bezien, alsmede de context waarin deze uitingen aan het publiek zijn geopenbaard6. (rov. 3.4) In zijn conclusies van 19 december 2019 is A-G Hofstee uitvoerig ingegaan op de wetsgeschiedenis van art. 131 Sr.7. Hij heeft onder meer geconstateerd dat het geweld in Syrië en de aantrekkingskracht die de in dat conflict acterende terroristische organisaties op sommigen in Nederland hebben, ook het politieke debat over terrorismebestrijding door middel van het strafrecht heeft doen versterken, maar dat uit het parlementaire debat als heersende opvatting naar voren is gekomen dat het vergoelijken, bagatelliseren of verheerlijken van geweld niet per definitie ook ‘opruiend’ is in de zin van art. 131 en art. 132 Sr.8. Voorts is hij ook ingegaan op de eis wanneer sprake is van ‘enig’ misdrijf zoals bedoeld in art. 131 Sr. Beslissend is door de Hoge Raad geacht of de tenlastegelegde en bewezenverklaarde uitingen naar hun strekking tot een bepaalde daad of gedraging aanzetten die bij de feitelijke uitvoering daarvan een strafbaar feit zou opleveren.9. Dat het moet gaan om opruiing tot ‘enig strafbaar feit’ brengt mee dat uit de strekking van de bewezenverklaarde uitingen rechtstreeks een bepaald strafbaar feit moet kunnen worden aangewezen waartoe is aangezet of aangespoord. De strekking van de uitingen moet dus zodanig zijn dat uitvoering van de gedragingen waartoe zij aansporen een strafbaar feit oplevert, althans dat die gedragingen niet denkbaar zijn zonder dat zij met een strafbaar feit gepaard gaan. Zo nodig wijst volgens hem de Hoge Raad op grond van de feitelijke vaststellingen van de feitenrechter zelf het feit aan waartoe wordt opgeruid.10.
1.12
Bewezen is verklaard dat verdachte zich aan het tenlastegelegde opruiing schuldig heeft gemaakt door het in het Nederland en Engels uiten van de woorden:
‘Moge Allah de zionisten vernietigen’.
Een dergelijke verzuchting/bede kan/moet gelijk worden gesteld aan het tot God bidden dat de oorlog in Oekraïne of de Gazastrook wordt beëindigd of dat zondaars/ abortusartsen/ homoseksuelen door God zullen worden gestraft en in de hel zullen belanden maar behelst niet een tot een persoon of personen gerichte aansporing een bepaald strafbaar feit te plegen. Zo heeft voormalig CU fractieleider Segers wel aangevoerd dat kinderen op orthodox-Christelijke scholen mogen leren dat homo's in de hel zullen branden en daarmee kennelijk niet van mening was dat die leraren zich aan opruiing tot het plegen de doodslag op homo's schuldig maakten.11. Een korte blijk op het internet leert dat het Christelijke geloof zelfs aparte ‘wraakpsalmen’ kent waarin God wordt aangeroepen om de vijanden van zijn volk te straffen.12. Het zingen van zo'n wraakpsalm wordt kennelijk ook niet aangemerkt als opruiing in de zin van art. 131 Sr. Dat de tweets niet in een moskee zijn geuit maar op twitter doet overigens ook niet af aan het feit dat de uitlatingen nog steeds niet rechtstreeks of indirect tot een strafbaar feit oproepen. Een verzuchting/bede gericht aan een hogere macht roept nog steeds niet andere personen dan die hogere macht op tot het plegen van enig strafbaar feit. Uitlatingen over de verschrikkelijke toorn van het Opperwezen vormen nog geen opruiing of bedreiging.13. Het strafbaar achten van zo'n uitlating is voorts in strijd met art. 9 EVRM. Gelet hierop getuigt het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting althans is dat oordeel onbegrijpelijk en/of is de verwerping van het verweer/bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
1.13
Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat zonder nadere redengeving die ontbreekt ook niet is in te zien waarom de mededeling dat ‘in Palestina weer tientallen jonge mensen door kogels van de zionistische bezettingsmacht’ zijn vermoord en dat de vermoorde personen in het paradijs zullen komen zodat het druk wordt in het paradijs als opruiing kan worden beschouwd.
Middel II
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 131 Sr alsmede 359 en 415 Sv, en wel om het navolgende:
Aan verdachte is onder feit 1 tenlastegelegd dat hij (verkort zakelijk weergegeven) op 14 mei 2018 te 's‑Gravenhage, althans in Nederland in het openbaar, bij geschrift en/of bij afbeelding tot enig strafbaar feit en/of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag heeft opgeruid, door het plaatsen en/of delen van een bericht en/of reactie op social media te weten op het Twitteraccoumt ([twitteraccount 1]) met de tekst:
‘Vandaag in Palestina weer tientallen jonge mensen door kogels van de zionistische bezettingsmacht vermoord. Het wordt druk in het paradijs’
‘Moge Allah swt de zionisten vernietigen’
en/of daarbij twee emoji's/afbeeldingen van een vuist en/of van vuur te plaatsen.
Onder feit 2 is verdachte tenlastegelegd dat hij (verkort zakelijk weergegeven) in de periode van 22 en 23 mei 2018 in Nederland in het openbaar, bij geschrift en/of bij afbeelding tot enig strafbaar feit en/of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag heeft opgeruid, door het plaatsen en/of delen van een bericht en/of reactie op social media te weten op het Twitteraccount ([twitteraccount 1]) met de tekst:
‘May Allah swt destroy the zionists.’
Door de verdediging is onder meer aangevoerd dat verdachte (verkort zakelijk weergegeven) niet het voorwaardelijk opzet heeft gehad op te ruien en dat verdachte de kans daarop ook niet bewust heeft aanvaard.
In het arrest heeft het hof het tenlastegelegde bewezen verklaard en het verweer verworpen. In het arrest heeft het hof onder meer vastgesteld dat verdachte de uitlatingen heeft geplaatst op twitter maar ook dat verdachte (verkort zakelijk weergegeven) juist niet wist of enig zich heeft gehad op de personen bij wie de tweets uiteindelijk terecht zouden komen. Dat is in strijd met het oordeel van het hof, dat verdachte bewust de kans heeft aanvaard dat (het niet anders kan zijn dan dat) lezers van die berichten verdachtes uitlatingen zouden opvatten als een aanmoediging tot het plegen van een strafbaar feit zodat de verwerping van het verweer/bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed. Hetgeen het hof heeft vastgesteld duidt eerder op (bewuste) schuld maar niet op opzet.
Ook het oordeel van het hof, dat uitlatingen van verdachte door anderen zijn opgevat als een aanmoediging tot het plegen van een strafbaar feit schiet te kort in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, te weten dat verdachte door onvrede en boosheid de berichten heeft geplaatst maar daarbij juist de boodschap heeft verspreid:
‘ik snap het onrecht, maar vertrouw op Allah’
zodat ook de mensen die wellicht zelf iets slechts willen doen met de geplaatste berichten daarvan worden afgehouden en ook uit reacties van lezers direct volgt dat deze de uitlatingen hebben opgevat in de zin die verdachte daaraan heeft willen geven, te weten een aan een hogere macht gerichte smeekbede, getuige de reacties:
- —
[mede-Twitteraar 1]:
‘Uiteindelijk staan we allemaal voor het laatste oordeel! En dan is het aan God en aan Jezus om zijn volgelingen vrij te pleiten!’
- —
[mede-Twitteraar 2]:
‘Dag meneer [verdachte], u doet een smeekbede zie ik. Mijn vraag zou zijn: waarom doet Allah niets? Waarom grijpt hij niet in? Allah gaat geen zionisten vernietigen. (…)’
- —
[mede-Twitteraar 3]:
‘Zo blij dat dit soort mafkezen hopen dat God het voor hen zal oplossen. Een beetje als blijven bellen naar een niet bestaand telefoonnummer met een dringend verzoek.’
- —
[mede-Twitteraar 4]:
‘Een geruststelling. Allah doet niets want hij bestaat niet. Als hij wel zou bestaan zou het niet zo'n zooitje zijn in de wereld.’
- —
[mede-Twitteraar 5]:
‘Laat die domme Palestijnen het dan ook alleen aan Allah overlaten. Als dat (verzonnen) figuur machtig was, hoefje zelf niet te vechten. (…)’
- —
[mede-Twitteraar 6]:
‘Die maagden in het paradijs krijgen het nog druk. Moge Allah als hij ook op Twitter zit de hufters van Hamas straffen voor wat ze hun volk aandoen. De Zionisten hadden een mooi feest in Jeruzalem vandaag.’
De omstandigheid dat (kennelijk slechts) één persoon verdachte heeft bericht dat verdachte anderen zou aanzetten tot het plegen van terreurdaden en dat verdachte (nadien, na het plaatsen van de tweede tweet) daarop die persoon succes heeft gewenst met het doen van aangifte doet daar niet aan af nu hieruit bezwaarlijk anders kan volgen dat verdachte in de volle overtuiging verkeerde zich niet schuldig te hebben gemaakt aan enig strafbaar feit. Daar komt nog bij dat uit de datum van de reactie van verdachte ook niet volgt dat verdachte van de tweet van de reageerder op de hoogte was voor het plaatsen van de 2e tweet.
Voorts heeft het hof ten onrechte niet gerespondeerd op het verweer/uitdrukkelijk door argumenten onderbouwde standpunt dat het dossier een contra-indicatie bevat van het voorwaardelijk opzet, te weten de reactie van verdachte op het bericht van 6 januari van [mede-Twitteraar 7] inhoudende dat dat niemand het recht heeft om anderen pijn te doen op basis van religie: nobody is claiming that.
Op grond van het bovenstaande is de verwerping van het verweer/bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
Toelichting:
2.1
Aan verdachte is onder feit 1 en 2 tenlastegelegd, dat:
- ‘1.
hij op of omstreeks 14 mei 2018 te 's‑Gravenhage, althans in Nederland in het openbaar, bij geschrift en/of bij afbeelding tot enig strafbaar feit en/of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag heeft opgeruid, door het plaatsen en/of delen van een bericht en/of reactie op social media te weten op het Twitteraccoumt ([twitteraccount 1]) met de tekst:
‘Vandaag in Palestina weer tientallen jonge mensen door kogels van de zionistische bezettingsmacht vermoord. Het wordt druk in het paradijs’
‘Moge Allah swt de zionisten vernietigen’
en/of daarbij twee emoji's/afbeeldingen van een vuist en/of van vuur te plaatsen.
- 2.
hij op één of meer tijdstippen in de periode van 22 en 23 mei 2018 te 's‑Gravenhage, althans in Nederland in het openbaar, bij bij geschrift en/of bij afbeelding tot enig strafbaar feit en/of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag heeft opgeruid, door het plaatsen en/of delen van een bericht en/of reactie op social media te weten op het Twitteraccount ([twitteraccount 1]) met de tekst:
‘May Allah swt destroy the Zionists.’’
2.2
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 28 november 2022 is onder meer gerelateerd:
‘De verdachte legt op vragen van het hof een verklaring af, inhoudende:
(…)
Het was een oproep naar mijn schepper voor gerechtigheid en bescherming tegen het kwaad.
(…)
U zegt mij dat ik zeg dat ik Allah aanroep, maar dat ik praat over vernietiging van de Zionisten en vijanden van de islam, terwijl ik zojuist sprak over gerechtigheid. U vraagt mij waarom ik heb gekozen voor deze bewoordingen. Het woord ‘vernietigen’ hoeft niet te betekenen fysieke vernietiging in de zin van vermoorden of lichamelijk letsel toebrengen. Het kan ook betekenen dat een bepaalde groep niet meer de macht heeft of een bepaalde positie kwijtraakt. In de Islam is dit een normale bewoording. Bij verkeerde dingen vraag je om leiding, bij ernstigere zaken vraag je Allah om vernietiging, waarmee ik mijn schepper aanroep om die personen in de hel te laten belanden. U vraag mij of ik zoiets ook zou zeggen tegen iemand die iets echt fout doet. Nee, niet tegen personen direct. Als iemand de verkeerde kant op dreigt te gaan, vraag je wat er aan de hand is en vraag je Allah om leiding en hulp. In dit geval ging het om een institutie en een beweging. Het Zionisme is een staatsvorm die niets goeds teweeg brengt.
(…)
Het is aan Allah om mijn gebed te horen en ik kan niet in zijn voetsporen treden door uit te leggen hoe hij dat zou doen.
(…)
U, oudste raadsheer, vraagt mij hoe u het moet zien als terroristen aanslagen plegen en daarbij de naam van Allah aanroepen. Ik doe dat niet en ik ben ook geen expert op dat gebied, dus ik snap deze vraag niet zo goed. Dit lijkt me een suggestieve vraag. U, oudste raadsheer, zegt dat u niet wil suggereren dat alle moslims terroristen zijn. U zegt enkel te reageren op mijn antwoord dat in de Islam geen plek is voor aanslagen, maar dat sommige moslims wel aanslagen plegen. Ja, dat is triest en verwerpelijk.
(…)
U, voorzitter, zegt terug te gaan naar het plaatsen van de tweets en vraagt mij of u het moet begrijpen als een gebed. Het is een smeekbede in de vorm van een gebed. Ik roep mijn schepper aan om hulp.
(…)
Het heeft niets te maken met oproepen tot geweld. Sterker nog, ik leg het in handen van Allah, de schepper. Ik wil voorkomen dat mensen denken dat ze iets moeten gaan doen. Allah moet iets gaan doen. Dat heb ik nu gevraagd.
(…)
Juist door onvrede en boosheid heb ik dit bericht geplaatst. Maar ook juist naar die mensen zeg ik: ik snap het onrecht, maar vertrouw op Allah. Ook de mensen die wellicht zelf iets slechts willen doen wil ik met de drie geplaatste berichten daarvan af houden. Wij mogen geen eigenrichting plegen.
(…)
U zegt mij dat ik in het interview heb gezegd dat er jongens, zijn die een oproep van mij zouden opvolgen. Dat klopt. Met 50.000 tot 80.000 volgers ken je ze niet allemaal. Daarom kies ik mijn woorden ook, om deze mensen niet te triggeren, maar de zaak in handen van Allah te leggen. Als ik enkel een filmpje zou plaatsen met de tekst ‘vreselijk’, dat zou je met veel fantasie opruiing kunnen noemen. Daarom heb ik ook gekozen voor deze woorden: leg het in handen van Allah. Als iedereen altijd rekening moet houden met hoe mensen dingen kunnen opvatten, kun je niets meer op social media plaatsen.
(…)
U, jongste raadsheer, vraagt of ik de reacties op mijn tweets lees. In het begin deed ik dat wel, maar ik ben er mee gestopt. Het is niet te doen. Sporadisch lees ik nog wel eens reacties.
(…)
Ik lees niet alles en laat me niet leiden door de reacties.
(…)
U, raadsman, vraagt mij of ik de berichten wel gelezen heb. Nee ik heb ze niet gelezen. Ik heb later pas gelezen dat mensen het interpreteren als oproepen tot geweld. Ik heb ook nooit bedacht dat mijn berichten konden worden uitgelegd als een oproep tot geweld. Wat mij betreft was er dus geen risico. Ik kan me niet voorstellen dat anderen dan kwaadwi11enden uit mijn berichten een oproep tot-geweld kunnen halen.
U, oudste raadsheer, zegt mij dat ik op het bericht van [twitteraccount 2] van 16 mei 2018, waarin staat dat ik openlijk oproep tot moord, heb gereageerd dat ze dan aangifte moeten doen. Ik zeg ook niet dat ik nooit reageer op berichten, maar zelden. Dit bericht was voor mij zo evident bedoeld om mij verdacht te maken, ik voelde enige behoefte op deze manier te corrigeren.
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota en vult deze als volgt aan.
(…)
Mijn, cliënt heeft niet bewust de aanmerkelijke kans willens en wetens aanvaard dat iemand geweld zou gaan gebruiken of een strafbaar feit zou plegen. Dat heb ik nog nergens uit het dossier kunnen afleiden. Sterker nog, mijn cliënt reageert op het bericht van 6 januari van [mede-Twitteraar 7] dat niemand het recht heeft om anderen pijn te doen op basis van religie: nobody is claiming that. Dit is een contra — indicatie dat mijn cliënt de bedoeling heeft gehad dat iemand geweld zou gebruiken. U moet niet met te grote stappen over het wilselement heenstappen.
Heeft u voldoende inzicht gehad in de bedoeling van cliënt? U vraagt of hij stil heeft gestaan bij de mogelijke opruiende werking van zijn berichten. Hij zegt dat hij dat niet gedaan heeft, dat hij de berichten uit emotie heeft geplaatst. Over die bedoeling heeft de verdachte consistent verklaard. Hij zegt herhaaldelijk dat hij niet heeft stilgestaan bij mogelijke gevolgen.
(…)’
2.3
In de betreffende pleitnota is onder meer aangevoerd:
‘3. De intentie van de verdachte op het tenlastegelegde feit
Indien uw Hof onverhoopt van oordeel is dat er sprake is van opruiing — en wei in die zin dat zou worden opgeruid tot een concreet strafbaar feit — dan is de vervolgvraag of sprake is van opzet daarop bij cliënt. Mij dunkt dat, gezien de bestendige jurisprudentie ter zake, geen twijfel kan bestaan over het gegeven dat de in art. 131 Sr bedoelde gedragingen slechts strafbaar kunnen zijn indien er opzettelijk is gehandeld. Dat ligt immers ook besloten in het werkwoord ‘opruien’.
De Hoge Raad heeft in oude jurisprudentie het scherp gesteld door te overwegen dat in het woord opruien ligt opgesloten het opzet, dat is het willens en wetens ‘aanhitsen’ tot strafbare feiten.12 Blijkens de wetgeschiedenis is het opzetvereiste overigens ook uitdrukkelijk aan bod gekomen, waarbij de strekking is dat de opzet een onmisbaar bestanddeel van de wettelijke bepaling van opruiing uitmaakt. Meer interessant en daarmee de relevante kaders aangevend, was de mededeling van de toenmalige minister:
‘De term ‘opruit’ pleegt door de rechterlijke macht zeer omzichtig te worden gehanteerd. Bewezen moet worden dat de wil van den dader op het in het leven roepen van datgene, wat hij aanprijst, gericht was.’13
Met andere woorden: het is niet al een gegeven, enkel omdat uw Hof het eerste verweerpunt zou pareren en van oordeel zou zijn dat de tenlastegelegde uitingen een opruiend karakter zouden hebben, die aanzetten tot een bepaald misdrijf dat de opzet van cliënt daarop gericht was en daarmee dat deze uitingen strafbaar zijn. Opzet van de verdachte enerzijds en het opruiende karakter van zijn uitingen anderzijds dienen van elkaar te worden onderscheiden14 en zijn cumulatieve vereisten voor een bewezenverklaring. Weliswaar hoeft degene die opruit niet te weten dat strafbaar is waartoe hij aanzet, doch moet het opzet wel gericht zijn op alle bestanddelen van het delict, waartoe wordt opgeruid.15
Welnu, evident is dat van vol opzet geen sprake is; redengevend bewijs daartoe ontbreekt simpelweg. Cliënt is ook consequent en consistent geweest in deze: hij heeft nimmer de opzet gehad om mensen aan te zetten dan wel te bewegen tot het plegen van strafbare feiten, aldus verdachte. Zijn intentie was, ingegeven door zijn geloofsovertuiging, om het juist in handen te leggen van Allah. Met andere woorden niet zijn lezers, niet de mensen, maar God wordt verzocht hier recht te doen. Het is voor de Moslim een standaardgebruik om smeekbedes uit te spreken en daarmee Allah te vragen of smeken om te handelen.
Hoewel de strekking van de uitlatingen op Twitter de hiervoor door de verdediging uiteengezette intentie slechts bevestigen, meent niettemin het Openbaar Ministerie op de voet van voorwaardelijk opzet deze bedoeling te vertroebelen. Zij gaat als het ware voor cliënt bepalen wat zijn bedoeling of intentie is geweest en daarmee op de stoel van de verdachte zitten — maar deze insteek vindt geen steun in het recht! Immers, het kan en mag niet zo zijn dat het begrip ‘opzet’ dusdanig wordt opgerekt dat de scheidslijn tussen opzet en bewuste schuld vervaagt.
Hetzelfde geldt overigens voor de rechtbank in eerste aanleg, die voorwaardelijk opzet aanneemt op grond van het feit dat de uitlatingen op Twitter zijn gedaan en dat mensen op Twitter het hebben opgevat als aanmoediging tot het plegen van strafbare feiten. Dat een kans bestaat dat bepaalde personen dit zo zouden opvatten, wil ik nog wel aannemen, maar reden voordat deze aanmerkelijk is zie ik simpelweg niet. De rechtbank heeft door de kans afhankelijk te stellen van één van de resultaten de aanmerkelijke kans aan cliënt toegerekend en niet in aanmerking genomen dat veel anderen het heel anders hebben opgevat en dat het uiteindelijk toch nog steeds gaat om de bedoeling van cliënt — en niet — de interpretatie van de argeloze lezer. Let wel, het toerekenen van voorwaardelijk opzet op deze manier mag niet In ons strafrecht.16
Om deze reden ziet de verdediging zich genoodzaakt wat uitgebreider in te gaan op het aspect van het voorwaardelijk opzet.
Voor het aannemen van voorwaardelijk opzet dient aan drie vereisten te worden voldaan.17 Eerste vereiste is dat de dader zich bewust moet zijn geweest van het risico op het intreden van het gevolg (het zogeheten kenniselement). Ten tweede is vereist dat de kans dat het gevolg optreedt aanmerkelijk dient te zijn (het zgn. risico-element), en tot slot geldt dat de dader die kans willens en wetens heeft aanvaard dan wel voor lief of op de koop toe heeft genomen (het wilselement).
3.1. Kenniselement
Voor wat betreft het kenniselement zij opgemerkt dat, als gezegd, de uitlating de strekking heeft van een smeekbede en deze ook als zodanig door de meeste personen is opgevat (vide de eerder aangehaalde reacties). Bij gebrek aan andere omstandigheden kan op voorhand niet worden gesteld dat het uiten van een smeekbede, zelfs als daar het (dubbelzinnige) woord ‘vernietigen’ in staat, naar algemene ervaringsregels leidt tot het gevolg dat thans door het Openbaar Ministerie wordt geschetst, namelijk het door de lezer plegen van enig misdrijf.
Cliënt heeft onweersproken gesteld dat hij is uitgegaan van het feit dat het gevolg niet zou intreden. Integendeel. Cliënt was daar in het geheel niet mee bezig, daar zijn handelen een reactie betrof op een heftig incident dat actueel was in het nieuws. Dus zelfs als u vindt dat hij die kans had moeten in zien, is enkel sprake van onbewuste schuld, een geval van onachtzaamheid.
3.2. Aanmerkelijke kans
De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept ‘is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht’, aldus de Hoge Raad.18
In casu is van essentieel belang wat de strekking van de uitlatingen is geweest. Ook al zou uw rechtbank onverhoopt menen dat deze opruiend van karakter zijn, dan nog geldt bij een grammaticale interpretatie dat cliënt het lot van het Zionisme in handen legt van God (Allah). In dezen zij verwezen naar hetgeen onder paragraaf 2 is gesteld en vermeld. Cliënt had niet hoeven te vermoeden dat een smeekbede aan het adres van Allah zou kunnen leiden tot een valse interpretatie, laat staan dat de kans hiertoe aanmerkelijk is te achten. Zeker nu het forum in dezen Twitter is en niet een medium waar radicale ideeën de boventoon voeren.
3.3. Wilselement
Naar de mening van de verdediging strandt de zaak in ieder geval bij het wilselement. Daarbij geldt namelijk de cruciale vraag — als uw Hof de wetenschap en de aanmerkelijke kans meent te kunnen aannemen — of cliënt willens én wetens die kans heeft aanvaard. Met andere woorden, verdachte heeft (al dan niet kort) stilgestaan bij de vraag of het gevolg zou kunnen intreden en heeft vervolgens dit op de koop toegenomen.
Bestendige jurisprudentie heeft uitgewezen dat het enkele feit dat bij de verdachte de wetenschap aanwezig was van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal optreden niet voldoende is.
Nog altijd is de wil van de verdachte leidend. Teneinde de wil van cliënt in dezen te kunnen achterhalen is hij zelf bij uitstek degene die daarover iets wezenlijks kan verklaren. Zijn verklaring dient dan ook als uitgangspunt te gelden, tenzij deze in alle redelijkheid kan worden uitgesloten.
In dit verband is van belang het HIV-arrest, waarin de Hoge Raad zich kritisch heeft uitgelaten over het wilselement. Hij heeft in voornoemd arrest als volgt overwogen:
(…)
Welnu, de verklaring van cliënt geeft nu juist wél voldoende inzicht omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan. Cliënt is, als gezegd, consequent en consistent waar het aankomt op zijn gedachtegang ten tijde van het plaatsen van de tweets. Hij heeft vandaag ook weer herhaald dat het een reactie was op de heftige berichten op social media in de snelheid van social media. Hij heeft niet stilgestaan bij de mogelijke gevolgen, daar hij in zijn perceptie het lot in handen van God heeft gelegd en evident niet in handen van de mensen. Hij heeft niet eens de tijd gehad of genomen om stil te staan bij de vraag of een ander gevolg dan bedoeld zou kunnen intreden, laat staan dat hij deze willens en weten heeft aanvaard. Daarmee is de kous af. Mitsdien komt men niet toe aan de feitelijke omstandigheden van het geval. Maar zelfs al zou dat wel het geval zijn dan vermag de verdediging niet in te zien waarom deze omstandigheden — juist in samenhang met de aard van de gedraging bezien — hetgeen de verdachte over zijn gedachtegang heeft verklaard zouden logenstraffen.
Hierbij is van cruciaal belang dat ziende de uitlatingen, en gezien hetgeen uit de bewijsmiddelen blijkt omtrent de wijze waarop cliënt die heeft gedaan, het er alles van heeft dat cliënt deze woorden niet heeft gesproken met het vooropgestelde doel mensen te bewegen actie te ondernemen, doch als gezegd en hier herhaald het in handen van Allah te laten, hetgeen een goed gebruik is onder de moslims en haar basis vindt in de Koran.
Uit de uitlatingen zelf kan dan ook niet, althans niet zonder meer, het tegendeel van hetgeen cliënt heeft verklaard aangaande zijn gedachtegang worden gedestilleerd, waarbij niet relevant zou zijn dat cliënt de wetenschap zou hebben-quod non — van het feit dat de kans aanmerkelijk was dat het gevolg zou intreden. Bewezen zou moeten worden — in weerwil van hetgeen cliënt bij herhaling heeft verklaard — dat hij daarbij stil heeft gestaan en deze kans willen en wetens heeft aanvaard. Hiertoe ontbreekt elk redengevend bewijs.
Hierbij is van belang dat cliënt het heeft gelaten bij deze drie smeekbedes, en deswege niet eerder of later dan wei in de tijdlijn van het twitterbericht door eventuele andere uitlatingen ook maar een begin van suggestie heeft gewekt dan wel willen geven dat de uitlatingen anders dan als een smeekbede moeten worden beschouwd.
Laat staan dat kan worden bewezen dat het opzet gericht is op (alle bestanddelen van) het delict waartoe wordt opgeruid. Hierbij is ook van belang dat de smeekbede gericht is tegen de ‘zionisten’, zijnde een voornamelijk in Israël fungerende politieke beweging c.q. ideologie, die een onafhankelijke Joodse Staat al dan niet ten koste van de Palestijnse Staat nastreeft. De smeekbede regardeert dan ook niet specifieke personen, tegen wie al eerder geweld pleegt te worden toegepast.’
2.4
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard, dat:
- ‘1.
hij op 14 mei 2018 in Nederland in het openbaar, bij geschrift tot enig strafbaar feit heeft opgeruid, door het plaatsen van een bericht en/of reactie op social media te weten op het Twitteraccoumt ([twitteraccount 1]) met de tekst:
‘Vandaag in Palestina weer tientallen jonge mensen door kogels van de zionistische bezettingsmacht vermoord. Het wordt druk in het paradijs’
‘Moge Allah swt de zionisten vernietigen’
en daarbij twee emoji's van een vuist en vuur te plaatsen.
- 2.
hij op 22 en 23 mei 2018 te 's‑Gravenhage, althans in Nederland in het openbaar, bij geschrift tot enig strafbaar feit heeft opgeruid, door het plaatsen en van een bericht en/of reactie op social media te weten op het Twitteraccount ([twitteraccount 1]) met de tekst:
‘May Allah swt destroy the zionists.’’
2.5
In het arrest heeft het hof onder meer overwogen/geoordeeld:
‘‘Het hof zal de uitingen bespreken en daarbij aandacht besteden aan de context van die uitingen.
Feit 1: Moge Allah swt de zionisten vernietigen, gevolgd door emoticons van een vuist en van vuur
De tweet is opgesteld in de vorm van een smeekbede aan Allah. Met ‘zionisten’ wordt een groep personen met een bepaalde politieke overtuiging aangeduid. Het begrip zionisme is verbonden met de staat Israël, maar antizionisme moet worden onderscheiden van antisemitisme en is daar niet aan gelijk te stellen. In grammaticale zin zijn ‘de zionisten’ in deze zin lijdend voorwerp vernietigd worden door Allah.
(…)
Het hof acht op dit punt de context mede van belang. De tweet is geplaatst op een openbaar twitteraccount en de verdachte heeft ruim 31.000 volgers. De tweet kon worden geretweet en is ook op die manier verder verspreid, zij het in geringe mate. De verdachte kent uiteraard niet al zijn volgers noch heeft hij enig zicht op de personen bij wie de tweet uiteindelijk terecht komt. Dit betekent dat de verdachte zich met zijn smeekbede heeft gericht tot een publiek, waarvan hij niet weet of ze al dan niet gelovig zijn. De tweet kan daarom niet worden vergeleken met een gebed dat in een moskee wordt uitgesproken door een imam of andere voorganger of in het kader van religieuze activiteiten of tussen gelovigen onderling. Door de smeekbede in een tweet te uiten heeft de uiting meer het karakter van een in het openbaar uitgesproken wens dan het karakter van een openbaar gebed. Daarom is het hof van oordeel dat de vorm waarin de uiting is gedaan, namelijk een smeekbede, niet af doet aan het feit dat de algemene wens wordt uitgesproken dat de zionisten worden gedood. Met dit oordeel sluit het hof aan bij vaste jurisprudentie dat de vraag of een uiting opruiend is niet afhangt van gestelde eventualiteiten of voorwaarden.
(…)
Feit 2: May Allah swt destroy the zionists
Deze tweet is gesteld in het Engels. De inhoud en strekking komt exact overeen met de inhoud en strekking van de tweet die onder feit 1 ten laste is gelegd. Hetgeen het hof omtrent feit 1 heeft overwogen, geldt mutatie mutandis ook voor feit 2. .
De tweets zoals die op 22 en 23 mei 2018 zijn geplaatst worden mede bezien in het licht var de op 14 mei 2018 geplaatste tweet, welke is tenlastegelegd als feit 1, en de reacties op die tweet.
Op 16 mei 2018 heeft iemand met het twitteraccount [twitteraccount 2] de-volgende reactie op de tweet van de verdachte van 14 mei geplaatst:
‘Dus je roept openlijk op tot moord. Allah moet volgens jou de zionisten vernietigen. Je doet aan sfeermakerij. Je weet dat mensen bereid zijn te sterven voor Allah. Je zet deze mensen aan tot het plegen van terreurdaden. Dat is strafbaar’
De verdachte heeft daarop gereageerd op 20 mei 2018 met:
‘Ik zou zeggen: doe aangifte, ‘succes’:’
Hieruit blijkt dat de verdachte werd gewaarschuwd dat zijn tweet mogelijk strafbaar zou kunnen zijn. De verdachte heeft die waarschuwing niet ter harte genomen en zijn uitlatingen niet genuanceerd. Evenmin heeft hij aangegeven dat hij iets anders bedoelde dan kennelijk werd begrepen. Integendeel, op 22 en 23 mei 2018 plaatste de verdachte de onder feit 2 tenlastegelegde tweets waarin hij, in het Engels, exact dezelfde uiting doet. Het hof concludeert dat ook feit 2 opruiend is.’
2.6
Ten aanzien van het opzet heeft het hof overwogen/geoordeeld:
‘Opzet van verdachte voor de feiten 1 en 2
Tot slot moet de vraag worden beantwoord of sprake is van opzet. Verdachte heeft verklaard dat het niet zijn bedoeling was om aan te zetten tot een strafbaar feit. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de verdachte ‘vol opzet’ heeft gehad op opruiing, zodat de vraag resteert of de verdachte in voorwaardelijke zin opzettelijk heeft gehandeld. Die vraag beantwoordt het hof bevestigend. Door het gebruik van het woord vernietigen op de wijze als hiervoor vermeld in reactie op (nieuws}berichten die zien op het gewelddadige conflict tussen Israël en de Palestijnen, is de kans dat lezers van die berichten verdachtes uitlatingen zouden opvatten als een aanmoediging tot het plegen van een strafbaar feit aanmerkelijk. Daarbij neemt het hof in aanmerking — zoals hiervoor reeds overwogen — dat het gebruiken van een openbaar social medium met een groot bereik zoals Twitter, de kans vergroot dat iemand daadwerkelijk overgaat tot het doen van hetgeen waartoe wordt aangemoedigd. Die omstandigheden waren voor de verdachte kenbaar. Door de uitlatingen via zijn openbare Twitter te doen, wetende dat hij ruim 31.000 volgers op Twitter had, heeft de verdachte de kans dat iemand zijn uitlatingen zou opvatten als een aanmoediging tot het plegen van een strafbaar feit bewust aanvaard. Dat de uitlatingen ook daadwerkelijk zo door anderen zijn opgevat, vindt bevestiging in het dossier.’
2.7
‘Opruien’ in de zin van art. 131, eerste lid, Sr vereist (ten minste voorwaardelijk) opzet op dat opruien als zodanig.14. Hierin onderscheidt art. 131 Sr zich van art. 132 Sr waarin het niet nodig is dat de verdachte (ten minste voorwaardelijk) opzettelijk opruit; diens opzet moet slechts zijn gericht op het verspreiden, openlijk tentoonstellen, aanslaan of met (een van) deze doelen in voorraad hebben van het geschrift of de afbeelding maar daarnaast zal hij de opruiende inhoud daarvan moeten kennen of ernstige reden moeten hebben die inhoud ervan te vermoeden.15.
2.8
Door de verdediging is onder meer aangevoerd dat verdachte niet het voorwaardelijk opzet heeft gehad op te ruien en dat verdachte de kans daarop ook niet bewust heeft aanvaard. In het arrest heeft het hof onder meer vastgesteld dat verdachte de uitlatingen heeft geplaatst op twitter maar ook dat verdachte (verkort zakelijk weergegeven) juist niet wist of enig zich heeft gehad op de personen bij wie de tweets uiteindelijk terecht zouden komen. Dat is in strijd met het oordeel van het hof, dat verdachte bewust de kans heeft aanvaard dat (het niet anders kan zijn dan dat) lezers van die berichten verdachtes uitlatingen zouden opvatten als een aanmoediging tot het plegen van een strafbaar feit zodat de verwerping van het verweer/bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed. Hetgeen het hof heeft vastgesteld duidt eerder op (bewuste) schuld maar niet op opzet.
2.9
Ook het oordeel van het hof, dat uitlatingen van verdachte door anderen zijn opgevat als een aanmoediging tot het plegen van een strafbaar feit schiet te kort in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, te weten dat verdachte door onvrede en boosheid de berichten heeft geplaatst maar daarbij juist de boodschap heeft verspreid:
‘ik snap het onrecht, maar vertrouw op Allah’
zodat ook de mensen die wellicht zelf iets slechts willen doen met de geplaatste berichten daarvan worden afgehouden en ook uit reacties van lezers direct volgt dat deze de uitlatingen hebben opgevat in de zin die verdachte daaraan heeft willen geven, te weten een aan een hogere macht gerichte smeekbede, getuige de reacties:
- —
[mede-Twitteraar 1]:
‘Uiteindelijk staan we allemaal voor het laatste oordeel! En dan is het aan God en aan Jezus om zijn volgelingen vrij te pleiten!’
- —
[mede-Twitteraar 2]:
‘Dag meneer [verdachte], u doet een smeekbede zie ik. Mijn vraag zou zijn: waarom doet Allah niets? Waarom grijpt hij niet in? Allah gaat geen zionisten vernietigen. (…)’
- —
[mede-Twitteraar 3]:
‘Zo blij dat dit soort mafkezen hopen dat God het voor hen zal oplossen. Een beetje als blijven bellen naar een niet bestaand telefoonnummer met een dringend verzoek.’
- —
[mede-Twitteraar 4]:
‘Een geruststelling. Allah doet niets want hij bestaat niet. Als hij wel zou bestaan zou het niet zo'n zooitje zijn in de wereld.’
- —
[mede-Twitteraar 5]:
‘Laat die domme Palestijnen het dan ook alleen aan Allah overlaten. Als dat (verzonnen) figuur machtig was, hoefje zelf niet te vechten. (…)’
- —
[mede-Twitteraar 6]:
‘Die maagden in het paradijs krijgen het nog druk. Moge Allah als hij ook op Twitter zit de hufters van Hamas straffen voor wat ze hun volk aandoen. De Zionisten hadden een mooi feest in Jeruzalem vandaag.’
De omstandigheid dat (kennelijk slechts) één persoon verdachte heeft bericht dat verdachte anderen zou aanzetten tot het plegen van terreurdaden en dat verdachte (nadien, na het plaatsen van de tweede tweet) daarop die persoon succes heeft gewenst met het doen van aangifte doet daar niet aan af nu hieruit bezwaarlijk anders kan volgen dat verdachte in de volle overtuiging verkeerde zich niet schuldig te hebben gemaakt aan enig strafbar feit. Daar komt nog bij dat uit de datum van de reactie van verdachte ook niet volgt dat verdachte van de tweet van de reageerder op de hoogte was voor het plaatsen van de 2e tweet.
2.10
Voorts heeft het hof ten onrechte niet gerespondeerd op het verweer/uitdrukkelijk door argumenten onderbouwde standpunt dat het dossier een contra-indicatie bevat van het voorwaardelijk opzet, te weten de reactie van verdachte op het bericht van 6 januari van [mede-Twitteraar 7] inhoudende dat dat niemand het recht heeft om anderen pijn te doen op basis van religie: nobody is claiming that.
2.11
Op grond van het bovenstaande is de verwerping van het verweer/bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 3 november 2023
Advocaten
R.J. Baumgardt
M.J. van Berlo
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 03‑11‑2023
Zie onder andere Kamerstukken II 1975/76, 13872, nr. 3, p. 29.
ARRvS 7 april 1983, AB 1983/430; EHRM 2 oktober 2001, appl.nr. 49853/99 (Pichon & Sajous/Frankrijk); EHRM 3 december 2009, appl.nr. 10358/83 (Tamara Skugar e.a./Rusland).
EHRM 13 januari 2013, EHRC 2013/67 (Eweida).
Rb. Den Haag 6 oktober 1998, AB 1999, 150, kwam weliswaar tot een veroordeling; dit vonnis werd in hoger beroep echter vernietigd (Hof Den Haag 9 juni 1999, AB 1999, 328). Zie ook HR 9 januari 2001, NJ 2001/203; Hof Den Haag 18 november 2002, NJ 2003/261 (El Moumni); HR 14 januari 2003, NJ 2003/261. Zie hierover S.C. van Bijsterveld, Overheid en godsdienst. Herijking van een onderlinge relatie, Den Haag: Boom juridisch 2018, hoofdstuk 8. Voorts: G.A. den Hartogh, ‘Een martelaarskroontje voor Van Dijke’, NJB 1998, p. 2017–2020. Zie ten slotte Rb. Den Haag 26 oktober 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:12789, partiële vrijspraak wat betreft de groepsbelediging van homoseksuelen.
Vgl. T&C Strafrecht, art. 131, aant. 9.
HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2020, NJ 2021/23.
O.m. ECLI:NL:PHR:2019:1235.
Randnummer 47. Van de in noot 3 genoemde conclusie.
Randnummer 55 waarin verwezen wordt naar HR 15 juni 1903, W 7940; HR 5 april 1909, W 8859; HR 11 mei 1914, ECLI:NL:HR:1914:157, NJ 1914, p. 889 e.v.; en HR 17 december 1928, ECLI:NL:HR:1928:184, NJ 1929, p. 638 e.v.
Randnummer 58 van de in noot 3 genoemde conclusie.
https ://frontpage.fok.nl/nieuws/556636/1/1/50/christenunie-kijk-uit-voor-de-islam-homo-s-mogen-branden-in-de-hel.html. Zie ook ‘Zeg ChristenUnie, gaan homo's nou wel of niet naar de hel?, Bas Paternotte, HP De Tijd, 9 augustus 2012.
https://www.geloofstoerusting.nl/artikelen/mogen-we-god-bidden-vijanden-wil-straffen/ Een voorbeeld hiervan is Psalm 69: ‘Laat hun tafel voor hen tot een strik worden en voor hun gasten tot een val. Laat hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien; doe hun heupen voortdurend wankelen. Stort over hen Uw gramschap uit, laat Uw brandende toorn hen treffen’
Aernout Nieuwenhuis, ‘Vrijheid van godsdienst en de grens tussen radicale en strafbare uitlatingen’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid, 2015 (6) 3, p. 13.
O.m. (reeds) HR 9 maart 1903, W 7898 en HR 28 november 1967, ECLI:NL:HR:1967:AB6269, NJ 1968/132.
Zie randnummer 20 CAG Hofstee 19 december 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1235.