NJB 2024/2392:Opruiing op Twitter door gemeenteraadslid, art. 131 Sr: bij de beoordeling of sprake is van opruiing komt betekenis toe aan de inhoud en de strekking van de gedane uitingen in hun onderlinge samenhang bezien, alsmede de context waarin deze uitingen aan het publiek zijn geopenbaard. Niet is uitgesloten dat ook een indirecte aansporing tot enig strafbaar feit kan worden aangemerkt als opruiing. In casu kon het hof tweets in de vorm van een aan Allah gerichte smeekbede om zionisten te vernietigen als opruiing aanmerken in de zin van art. 131 lid 1 Sr. Daaraan doet niet af dat de in de tweets opgenomen wens niet rechtstreeks aanspoort tot enig strafbaar feit. In het begrip ‘opruiing’ als bedoeld in art. 131 lid 1 Sr ligt opzet besloten. Voor een bewezenverklaring daarvan is ten minste voorwaardelijk opzet vereist. Het hof kon oordelen dat de verdachte met het doen van zijn uitlatingen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn uitingen derden aansporen tot strafbaar gedrag, mede gezien het grote bereik van een openbaar sociaal medium zoals Twitter (thans X) en de kenbaarheid van dit bereik voor verdachte, terwijl de verdachte werd gewaarschuwd dat met de tweet mensen worden aangezet tot het plegen van terreurdaden maar de verdachte zijn uitlatingen daarop niet heeft genuanceerd maar exact dezelfde uiting heeft herhaald.