Dit geldt ook indien het gaat om een verklaring af te leggen door een daartoe door de raadsman van de verdachte schriftelijk gevolmachtigde griffiemedewerker (zie HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:856, rov. 2.3. en HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3471, rov. 2.1.).
HR, 19-11-2024, nr. 22/02079
ECLI:NL:HR:2024:1644
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-11-2024
- Zaaknummer
22/02079
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1644, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑11‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:951
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2022:2893
ECLI:NL:PHR:2024:1252, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑09‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:951, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑09‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1644
- Vindplaatsen
NTS 2024/67
Uitspraak 19‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Voorhanden hebben vuurwapen en munitie (art. 26.1 WWM), weigering bloedonderzoek (art. 163.6 WVW 1994) en rijden tijdens ontzegging rijbevoegdheid (art. 9.1 WVW 1994). Aanhoudingsverzoek door gemachtigde raadsvrouw ttz. in hoger beroep gedaan i.v.m. onverwacht afwezige verdachte, door hof afgewezen op grond dat verdachte afstandsverklaring heeft getekend. Op door hof ontvangen afstandsverklaring is aangetekend “geeft aan, advo heeft uitstel gevraagd”. Afwijzing toereikend gemotiveerd? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2020:1896 m.b.t. beoordelingskader aanhoudingsverzoeken in specifiek geval dat verdachte door ziekte verhinderd is ttz. te verschijnen. Hof heeft niet geoordeeld dat aan verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid (daarop neerkomend dat gedetineerde verdachte i.v.m. rugletsel niet in staat was om gebruik te maken van transport, te verblijven in cellencomplex en te verschijnen op tz., en dat hij ervan is uitgegaan dat zaak zou worden aangehouden) niet aannemelijk is, terwijl hof evenmin blijk heeft gegeven van belangenafweging. Nu hof dit heeft nagelaten, heeft het zijn beslissing niet toereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG gaat in op ontvankelijkheid van cassatieberoep (eisen aan schriftelijke bijzondere volmacht tot instellen van cassatieberoep van advocaat aan griffiemedewerker).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02079
Datum 19 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 juni 2022, nummer 20-000998-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat in Den Haag, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
2.2.1
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in dat de verdachte daar niet is verschenen. Het houdt verder in:
“Als raadsvrouw van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. M.W.F. van Wijk, advocate te Helmond.
De voorzitter deelt mede dat de deurwaarder heeft aangegeven dat de verdachte niet is aangevoerd vanuit het Huis van Bewaring alwaar hij op dit moment gedetineerd is. De verdachte zou afstand hebben gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Het hof en de advocaat–generaal hebben echter geen afstandsverklaring ontvangen.
De advocaat-generaal deelt mede dat er vanuit de Dienst Vervoer en Ondersteuning wel vervoer naar het gerechtshof was geregeld voor de verdachte.
De voorzitter deelt mede dat het hof een e-mailbericht van de raadsvrouw heeft ontvangen inhoudende dat zij de zaak niet heeft kunnen voorbereiden en niet gemachtigd is om voor de verdachte op te treden ter terechtzitting. De raadsvrouw zou niet beschikken over alle relevante stukken.
De raadsvrouw merkt op:
De partner van mijn cliënt heeft mij eind vorige week op de hoogte gesteld van de omstandigheid dat mijn cliënt in [penitentiaire inrichting] gedetineerd zit. Ik heb daarna kort contact met mijn cliënt gehad. Hij heeft mij gezegd naar de zitting te willen komen. Hij heeft afgelopen januari bij een ongeval met de auto zijn rug gebroken. Hij heeft daar veel last van. Ik krijg het idee dat hij het transport en het wachten in het cellencomplex een te zware last vond en daarom afstand heeft gedaan. Ik ben gisteren pas op de hoogte geraakt van de omstandigheid dat er transport is geregeld. Ik heb hem daarna niet meer kunnen spreken. Hij weet van de zitting af. Mijn cliënt blijft een ontkennende verdachte. Ik voel me nu beperkt in de verdediging. Hij zou het liefst zelf zijn verhaal vertellen aan het hof. Ik verzoek u om aanhouding van de zaak zodat mijn cliënt bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak aanwezig kan zijn. Ik acht mij wel gemachtigd de verdediging te voeren.
De advocaat-generaal voert aan:
De verdachte wilde kennelijk komen, maar heeft daarna een afstandsverklaring getekend. Hij heeft er kennelijk geen behoefte meer aan om aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn zaak.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting in afwachting van de afstandsverklaring die zou zijn getekend door de verdachte.
Na hervatting van het onderzoek merkt de raadsvrouw op dat de verdachte niet meer woont in [plaats] , maar bij zijn moeder. (...) Zij zal voorts per e-mail aan het hof doen toekomen de stukken met betrekking tot het auto-ongeval en het letsel van de verdachte.
De advocaat-generaal deelt mede dat hij een door de verdachte ondertekende afstandsverklaring heeft ontvangen en persisteert bij zijn standpunt dat het onderzoek kan worden voortgezet.
De voorzitter deelt mede dat het hof de stukken omtrent het rugletsel van de verdachte heeft ontvangen van de raadsvrouw. Voorts deelt zij mede dat zij de afstandsverklaring van de verdachte heeft gezien en dat de verdachte daarop heeft aangetekend dat zijn raadsvrouw een aanhoudingsverzoek zou doen. (...)
De raadsvrouw voert daarop aan:
Mijn cliënt is er vanuit gegaan dat de zaak zal worden aangehouden. Ik heb maar beperkt contact gehad met mijn cliënt voorafgaand aan de zitting. Ik moest een belverzoek achterlaten. Ik kon hem ook niet meer bezoeken in [penitentiaire inrichting] op zo een korte termijn.
De voorzitter deelt het volgende mede.
Het hof heeft tijdens de onderbreking van het onderzoek ter terechtzitting beraadslaagd over het aanhoudingsverzoek. Hetgeen de raadsvrouw thans aanvoert geeft het hof geen aanleiding om wederom te beraadslagen (opmerking griffier: de oudste en jongste raadsheren knikken bevestigend). Immers, afgelopen maandag heeft de raadsvrouw gesproken met de verdachte. Hij zat toen al gedetineerd en had al enige tijd rugproblemen. Hij heeft zijn raadsvrouw op dat moment medegedeeld dat hij ter terechtzitting aanwezig wilde zijn. Het transport naar het gerechtshof werd toen kennelijk niet gezien als een belemmering. Daarna heeft de verdachte een afstandsverklaring getekend. Er lag op dat moment nog geen aanhoudingsverzoek van de raadsvrouw en het hof had ook nog niet beslist over aanhouding van de zaak. Het hof zal daarom het heden ter zitting gedane aanhoudingsverzoek van de raadsvrouw afwijzen. De raadsvrouw heeft reeds aangegeven uitdrukkelijk door de verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren en het hof stemt daarmee in.”
2.2.2
Bij de stukken bevinden zich:
- een e-mail van de raadsvrouw van 17 mei 2022, gericht aan het hof, die onder meer inhoudt:
“Ik heb begrepen dat er morgen te 09.45 uur een zitting gepland staat in de zaak met bovengenoemd parketnummer. Ik heb inmiddels vernomen dat cliënt gedetineerd zit in de PI te [penitentiaire inrichting] .
Ik heb de zaak met cliënt niet kunnen voorbereiden. Het is mij thans ook niet duidelijk wanneer zijn hechtenis eindigt. Ik heb begrepen dat de hechtenis wordt ondergaan o.a. voor openstaande geldboetes. Ik zal morgen ter zitting verschijnen maar ik acht mijzelf niet in staat om namens cliënt het woord te voeren. Ik heb kort een telefonisch contact met cliënt kunnen hebben waarin hij te kennen heeft gegeven dat hij wel graag op zitting aanwezig wenst te zijn.
Ik heb mij reeds op 27 oktober 2021 gesteld echter ik beschik overigens niet (meer) over de relevante stukken in het strafportaal.”
- een door de verdachte ondertekende afstandsverklaring voor de terechtzitting van het gerechtshof van 18 mei 2022, waarop is aangetekend:
“Geeft aan, advo heeft uitstel gevraagd.”
2.3
Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting (hierna: aanhoudingsverzoek) kan op de terechtzitting worden gedaan door de verdachte of door zijn raadsman die daartoe door de verdachte op grond van artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is gemachtigd. Ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de verdachte die op de terechtzitting niet is verschenen, kan daar een aanhoudingsverzoek doen voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op het effectueren van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of om de in artikel 279 lid 1 Sv bedoelde machtiging alsnog te verkrijgen. Op grond van artikel 329 en 330 Sv wordt beslist op het verzoek nadat het openbaar ministerie daarover is gehoord.
De verdachte of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag ligt. Als zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen.
In de regel mag van de verdachte of zijn raadsman worden gevergd dat hij (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Als de rechter de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende met bewijsstukken is onderbouwd en/of niet (voldoende) aan de door hem gevraagde aanvulling is voldaan.
Voor het oordeel dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is, volstaat echter niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden – in het bijzonder of het gaat om een omstandigheid die zich onverwacht aandient, bijvoorbeeld in verband met ziekte van de verdachte – of, voordat wordt beslist op het verzoek, gelegenheid moet worden geboden het verzoek nader toe te lichten en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. De rechter kan echter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing over de aannemelijkheid van de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, achterwege laten op grond van zijn oordeel dat wat is aangevoerd – als dat juist zou zijn – in de hierna weer te geven belangenafweging niet tot toewijzing van het verzoek leidt.
Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek al – dat wil zeggen: zonder tot die belangenafweging over te gaan – afwijzen op de grond dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is.
Wanneer zich niet het geval voordoet dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is geoordeeld, moet de rechter een afweging maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in artikel 6 lid 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid op de terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheden moeten worden betrokken, moet de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk geven in de motivering van zijn beslissing.
In het specifieke geval dat de verdachte wegens ziekte is verhinderd op de terechtzitting te verschijnen en in verband daarmee schorsing van het onderzoek heeft verzocht of heeft doen verzoeken, voldoet de rechter aan dit verzoek zodat de verdachte alsnog de gelegenheid krijgt aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting. Bijzondere omstandigheden kunnen echter meebrengen dat de rechter tot het oordeel komt dat het belang van een behoorlijke strafvordering – dat de afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn omvat – ernstig in het gedrang zou komen als het onderzoek op de terechtzitting zou worden geschorst en dat dit belang onder de gegeven omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn. Buiten deze situatie van verhindering wegens ziekte van de verdachte geldt in het algemeen dat niet op voorhand kan worden aangegeven hoe de genoemde belangenafweging zal moeten uitvallen. De rechter moet deze afweging maken in de concrete omstandigheden van het geval en, bij afwijzing van het aanhoudingsverzoek, die beslissing motiveren. In cassatie kan die motivering alleen op begrijpelijkheid worden getoetst. (Vgl. HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1896.)
2.4
Het hof heeft niet geoordeeld dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid – daarop neerkomend dat de gedetineerde verdachte in verband met rugletsel niet in staat was om gebruik te maken van transport, te verblijven in een cellencomplex en te verschijnen op de terechtzitting, en dat hij ervan is uitgegaan dat de zaak zou worden aangehouden – niet aannemelijk is, terwijl het hof evenmin blijk heeft gegeven van de belangenafweging als onder 2.3 vermeld. Nu het hof dit heeft nagelaten, heeft het zijn beslissing niet toereikend gemotiveerd.
2.5
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het eerste, het derde en het vierde cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2024.
Conclusie 17‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Ambtshalve opmerkingen over ontvankelijkheid. Onvolkomen volmacht en toezending naar verkeerde gerecht. M1: klacht over ontbreken uitspraakproces-verbaal hoeft niet tot cassatie te leiden, omdat HR arrest in openbaar kan uitspreken. M2: slagende klacht over afwijzing aanhoudingsverzoek. Kennelijke oordeel hof dat verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht is niet begrijpelijk, gelet op onder meer aantekening op afstandsverklaring. M3 en M4 kunnen buiten bespreking blijven. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02079
Zitting 17 september 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 1 juni 2022 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd”, 2. “Overtreding van artikel 163, zesde lid van de Wegenverkeerswet 1994” en 3. “Overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen weken, met aftrek van voorarrest en, voor feit 2, tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van negen maanden.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en Th.J. Kelder, advocaat in Rotterdam, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1
Voordat ik aan een bespreking van de middelen toekom, vraagt de ontvankelijkheid van het cassatieberoep de aandacht.
2.2
Tot de aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding behoort een door de griffier van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch en de comparant ondertekende cassatieakte, inhoudende:
“Parketnummer: 20-000998-21
Akte cassatie
Heden, 8 juni 2022, verscheen ter griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch:
[betrokkene 1] ,
administratief ambtenaar bij dit gerechtshof, blijkens de aan deze akte gehechte bijzondere volmacht ontvangen d.d. 8 juni 2022, schriftelijk gemachtigde van:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1977,
wonende te [plaats] , [a-straat 1] ,
die verklaarde beroep in cassatie in te stellen tegen het arrest van 1 juni 2022, alsmede tegen alle ter terechtzitting genomen beslissingen, door dit hof gewezen in de zaak met parketnummer 20000998-21 tegen [verdachte] voornoemd.”
2.3
Aan deze cassatieakte is een e-mailbericht gehecht, dat op 8 juni 2022 is verzonden aan “CIB (Rechtbank Oost-Brabant)” en het volgende inhoudt:
“Geachte heer, mevrouw,
Bijgaand treft u aan een machtiging om namens mr. Van Wijk cassatie in te stellen tegen het arrest van het Hof van 1 juni jl., bekend onder zaaknummer 20-000998-21, in het dossier van [verdachte] .
Mag ik van u een bevestiging ontvangen?
Met vriendelijke groet,
[betrokkene 2] , secretaresse
namens mr. M.W.F. van Wijk”
2.4
Aan de cassatieakte is verder een machtiging gehecht. Deze houdt het volgende in:
“MACHTIGING
Advocaat : mevrouw mr. M.W.F. van Wijk
adres : Caroluslaan 5
te : 5707 BL HELMOND
telefoon : 0492-387 294
Machtigt namens cliënt, [verdachte] , een medewerker van de rechtbank OostBrabant, om cassatie in te stellen tegen het arrest van het Gerechtshof ‘sHertogenbosch d.d. 1 juni 2022, bekend onder parketnummer 20-000998-21
Graag ontvang ik een bevestiging van de instelling van cassatie.
Helmond, 8 juni 2022
[handtekening]
Mw. mr. M.W.F. van Wijk”
2.5
Daarnaast is op 14 februari 2023 een door mr. Th.J. Kelder ondertekende cassatieschriftuur aan de Hoge Raad toegezonden, voor zover hier relevant inhoudende:
“[verdachte],
verzoeker tot cassatie van een door het gerechtshof te 's Hertogenbosch op 1 juni 2022, onder nummer 20-000998-21 gewezen arrest.
(…)
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. Th.J. Kelder, advocaat te Den Haag, die verklaart dat verzoeker hem daartoe bepaaldelijk heeft gevolmachtigd.”
2.6
De navolgende wettelijke bepalingen zijn van belang:
- Art. 449 lid 1 Sv:
“Voor zover de wet niet anders bepaalt, wordt hoger beroep of beroep in cassatie ingesteld door een verklaring, af te leggen door degene die het rechtsmiddel aanwendt, op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven.”1.
“1. Het aanwenden van de rechtsmiddelen, bedoeld in artikel 449, kan ook geschieden door tussenkomst van:
a. een advocaat, indien deze verklaart daartoe door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd;
b. een vertegenwoordiger die daartoe persoonlijk, door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd.
(…)
3. Aan een schriftelijke bijzondere volmacht, verleend aan een medewerker ter griffie, tot het voor de verdachte aanwenden van het rechtsmiddel wordt slechts gevolg gegeven indien de verdachte daarbij instemt met het door deze medewerker ter griffie van het gerecht waar het rechtsmiddel wordt ingesteld voor de verdachte aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping. De verdachte geeft een adres op voor de ontvangst van een afschrift van de dagvaarding.”
2.7
Een door de verdachte bepaaldelijk gevolmachtigde advocaat kan op de wijze van artikel 450 lid 3 Sv beroep in cassatie instellen tegen een arrest van het hof door middel van het verlenen van een daartoe strekkende schriftelijke bijzondere volmacht aan een griffiemedewerker van het hof. Een schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om beroep in cassatie in te stellen moet inhouden de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van cassatieberoep tegen het arrest van het hof.2.
2.8
De hiervoor onder 2.4 weergegeven aan de rechtbank toegezonden machtiging van de advocaat Van Wijk houdt in dat zij “namens” de verdachte “een medewerker van de rechtbank OostBrabant” machtigt om tegen het arrest van het hof cassatie in te stellen. In aanmerking genomen dat deze machtiging niet inhoudt dat Van Wijk door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd om beroep in cassatie in te stellen en dat zij deze volmacht niet verleent aan een medewerker van de griffie van het hof, is aan de onder 2.6 en 2.7 genoemde voorwaarden niet voldaan.
2.9
Nu i) uit de omstandigheid dat namens de verdachte een cassatieschriftuur is ingediend door een advocaat die heeft verklaard daartoe door de verdachte bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd moet worden afgeleid dat aan de onvolkomen volmacht de wens van de verdachte ten grondslag heeft gelegen om (op rechtsgeldige wijze) beroep in cassatie te doen instellen en ii) blijkens de onder 2.2 weergegeven akte door een medewerker van de griffie van het hof binnen de cassatietermijn cassatie is ingesteld tegen het arrest van het hof,3.hoeft die onvolkomen volmacht (echter) niet te leiden tot nietontvankelijkverklaring in het cassatieberoep.4.
Het eerste middel
3.1
Het middel klaagt onder meer over het ontbreken van het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 juni 2022 waarop het bestreden arrest is uitgesproken.5.
3.2
De steller van het middel heeft – conform art. 4.3.6.3 van het Procesreglement van de Hoge Raad – alvorens dit middel te formuleren een verzoek om aanvulling ingediend bij de rolraadsheer. Daarop is door het hof te kennen gegeven dat het betreffende proces-verbaal kennelijk in het ongerede is geraakt.
3.3
Als gevolg van het bovenstaande kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat aan het in art. 362 lid 1 Sv op straffe van nietigheid voorgeschreven vereiste van openbaarheid is voldaan,6.zodat het ervoor moet worden gehouden dat dit niet het geval is. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.
3.4
Tot cassatie hoeft dat echter niet te leiden, nu de Hoge Raad het (veronderstelde) verzuim kan herstellen door het arrest alsnog in het openbaar uit te spreken.7.
Het tweede middel
4.1
Het middel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
4.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 mei 2022 houdt in dat de verdachte daar niet is verschenen. Het houdt verder het volgende in:
“Als raadsvrouw van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. M.W.F. van Wijk, advocate te Helmond.
De voorzitter deelt mede dat de deurwaarder heeft aangegeven dat de verdachte niet is aangevoerd vanuit het Huis van Bewaring alwaar hij op dit moment gedetineerd is. De verdachte zou afstand hebben gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Het hof en de advocaatgeneraal hebben echter geen afstandsverklaring ontvangen.
De advocaat-generaal deelt mede dat er vanuit de Dienst Vervoer en Ondersteuning wel vervoer naar het gerechtshof was geregeld voor de verdachte.
De voorzitter deelt mede dat het hof een emailbericht van de raadsvrouw heeft ontvangen inhoudende dat zij de zaak niet heeft kunnen voorbereiden en niet gemachtigd is om voor de verdachte op te treden ter terechtzitting. De raadsvrouw zou niet beschikken over alle relevante stukken.
De raadsvrouw merkt op:
De partner van mijn cliënt heeft mij eind vorige week op de hoogte gesteld van de omstandigheid dat mijn cliënt in [penitentiaire inrichting] gedetineerd zit. Ik heb daarna kort contact met mijn cliënt gehad. Hij heeft mij gezegd naar de zitting te willen komen. Hij heeft afgelopen januari bij een ongeval met de auto zijn rug gebroken. Hij heeft daar veel last van. Ik krijg het idee dat hij het transport en het wachten in het cellencomplex een te zware last vond en daarom afstand heeft gedaan. Ik ben gisteren pas op de hoogte geraakt van de omstandigheid dat er transport is geregeld. Ik heb hem daarna niet meer kunnen spreken. Hij weet van de zitting af. Mijn cliënt blijft een ontkennende verdachte. Ik voel me nu beperkt in de verdediging. Hij zou het liefst zelf zijn verhaal vertellen aan het hof. Ik verzoek u om aanhouding van de zaak zodat mijn cliënt bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak aanwezig kan zijn. Ik acht mij wel gemachtigd de verdediging te voeren.
De advocaat-generaal voert aan:
De verdachte wilde kennelijk komen, maar heeft daarna een afstandsverklaring getekend. Hij heeft er kennelijk geen behoefte meer aan om aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn zaak.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting in afwachting van de afstandsverklaring die zou zijn getekend door de verdachte.
Na hervatting van het onderzoek merkt de raadsvrouw op dat de verdachte niet meer woont in Liessel, maar bij zijn moeder. Daar kan hij ook post ontvangen. Het postadres van de verdachte is [b-straat 1] , [plaats] . Zij zal voorts per e-mail aan het hof doen toekomen de stukken met betrekking tot het auto-ongeval en het letsel van de verdachte.
De advocaat-generaal deelt mede dat hij een door de verdachte ondertekende afstandsverklaring heeft ontvangen en persisteert bij zijn standpunt dat het onderzoek kan worden voortgezet.
De voorzitter deelt mede dat het hof de stukken omtrent het rugletsel van de verdachte heeft ontvangen van de raadsvrouw. Voorts deelt zij mede dat zij de afstandsverklaring van de verdachte heeft gezien en dat de verdachte daarop heeft aangetekend dat zijn raadsvrouw een aanhoudingsverzoek zou doen. (Voornoemde stukken zijn aan dit proces-verbaal gehecht)
De raadsvrouw voert daarop aan:
Mijn cliënt is er vanuit gegaan dat de zaak zal worden aangehouden. Ik heb maar beperkt contact gehad met mijn cliënt voorafgaand aan de zitting. Ik moest een belverzoek achterlaten. Ik kon hem ook niet meer bezoeken in [penitentiaire inrichting] op zo een korte termijn.
De voorzitter deelt het volgende mede.
Het hof heeft tijdens de onderbreking van het onderzoek ter terechtzitting beraadslaagd over het aanhoudingsverzoek. Hetgeen de raadsvrouw thans aanvoert geeft het hof geen aanleiding om wederom te beraadslagen (opmerking griffier: de oudste en jongste raadsheren knikken bevestigend). Immers, afgelopen maandag heeft de raadsvrouw gesproken met de verdachte. Hij zat toen al gedetineerd en had al enige tijd rugproblemen. Hij heeft zijn raadsvrouw op dat moment medegedeeld dat hij ter terechtzitting aanwezig wilde zijn. Het transport naar het gerechtshof werd toen kennelijk niet gezien als een belemmering. Daarna heeft de verdachte een afstandsverklaring getekend. Er lag op dat moment nog geen aanhoudingsverzoek van de raadsvrouw en het hof had ook nog niet beslist over aanhouding van de zaak. Het hof zal daarom het heden ter zitting gedane aanhoudingsverzoek van de raadsvrouw afwijzen. De raadsvrouw heeft reeds aangegeven uitdrukkelijk door de verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren en het hof stemt daarmee in.”
4.3
Verder bevindt zich tussen de aan de Hoge Raad toegezonden stukken een door de verdachte ondertekende afstandsverklaring voor de terechtzitting van het gerechtshof van 18 mei 2022, waarop het volgende is aangetekend:
“Geeft aan, advo heeft uitstel gevraagd”
4.4
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte een afstandsverklaring heeft getekend en dat op dat moment door de raadsvrouw nog geen aanhoudingsverzoek was gedaan en door het hof nog niet was beslist over aanhouding van de zaak. Het daarop gebaseerde kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht en het belang van het onderzoek niet de aanhouding van de behandeling van de zaak vordert, is niet begrijpelijk, gelet op hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd over de mogelijke reden van ondertekening van die afstandsverklaring en tegen de achtergrond van de onder 4.3 weergegeven aantekening daarop, waaruit blijkt dat de verdachte “uitstel” van zijn zaak wenste. Daarbij neem ik in aanmerking dat voor zover het hof niet aannemelijk heeft geacht dat de afstandsverklaring is getekend omdat het transport en het verblijf in het cellencomplex door de verdachte in verband met zijn rugklachten als een te zware last werd ervaren, ‘s hofs overweging dat “afgelopen maandag (…) toen [hij] al gedetineerd [zat] en al enige tijd rugproblemen [had] (…) het transport naar het gerechtshof (…) kennelijk niet als een belemmering [werd] gezien”, dat oordeel niet kan dragen. De intensiteit van dergelijke medische klachten en de wijze waarop dit door de verdachte wordt ervaren is immers geen statisch gegeven.
4.5
Het middel slaagt.
Het derde middel en vierde middel
5. Nu het tweede middel naar ik meen doel treft, behoeven het derde en vierde middel geen bespreking. Indien de Hoge Raad hierover anders oordeelt, ben ik uiteraard bereid aanvullend te concluderen.
Afronding
6.1
Het eerste middel kan niet tot cassatie leiden na herstel door de Hoge Raad en kan dan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt. Het derde en vierde middel kunnen daarom buiten bespreking blijven.
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.8.
6.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 17‑09‑2024
Vgl. HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1212, rov. 2.3.1, onder verwijzing naar HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810.
Dat was bijvoorbeeld niet het geval in de zaken die leidden tot HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:856 en HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3471. In die zaken had de raadsman van de verdachte de volmacht – evenals in de onderhavige zaak – naar de griffie van het verkeerde gerecht toegezonden, waarna het rechtsmiddel te laat was ingesteld. De Hoge Raad verklaarde de verdachte in beide zaken nietontvankelijk in het cassatieberoep.
Vgl. HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3924, HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1212, HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1463 (zie de conclusie van AG Harteveld, ECLI:NL:PHR:2023:747), HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:92 en HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:89. Ik merk op dat de cassatieschriftuur in de onderhavige zaak – anders dan in voornoemde ECLI:NL:HR:2013:BZ3924, ECLI:NL:HR:2023:1212, ECLI:NL:HR:2024:92 en ECLI:NL:HR:2024:89 – niet is ingediend door dezelfde advocaat als van wie de onvolkomen volmacht afkomstig is. Uit HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1463, waarin dat eveneens het geval was en waarin de Hoge Raad zonder meer overging op de bespreking van de middelen, kan mijns inziens echter worden afgeleid dat die enkele omstandigheid aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep niet in de weg staat.
Het middel klaagt verder over het ontbreken van een tweetal andere stukken. Deze stukken zijn inmiddels aan de Hoge Raad toegezonden, zodat het middel ten aanzien daarvan feitelijke grondslag mist.
Weliswaar houdt het bestreden arrest in dat dit “op 1 juni 2022 ter openbare terechtzitting” is uitgesproken, maar, zoals ook AG Harteveld in zijn conclusie van 5 september 2023 (ECLI:NL:PHR:2023:712, randnr. 3.3) en AG Spronken in haar conclusie van 5 juni 2018 (ECLI:NL:PHR:2018:550, randnr. 5.5) tot uitdrukking brengen, wordt daarmee niet de vereiste zekerheid verschaft, omdat een arrest volgens de gebruikelijke gang van zaken wordt opgemaakt voordat het wordt uitgesproken.
Vgl. HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7799. Zie ook HR 5 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1422.
Ik merk op dat het cassatieberoep is ingesteld op 8 juni 2022. Indien de Hoge Raad met mij meent dat de bestreden uitspraak dient te worden vernietigd en de zaak moet worden teruggewezen, blijft een ambtshalve onderzoek naar een eventuele overschrijding van de redelijke termijn echter achterwege (vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.5.3.).
Conclusie 17‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Ambtshalve opmerkingen over ontvankelijkheid. Onvolkomen volmacht en toezending naar verkeerde gerecht. M1: klacht over ontbreken uitspraakproces-verbaal hoeft niet tot cassatie te leiden, omdat HR arrest in openbaar kan uitspreken. M2: slagende klacht over afwijzing aanhoudingsverzoek. Kennelijke oordeel hof dat verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht is niet begrijpelijk, gelet op onder meer aantekening op afstandsverklaring. M3 en M4 kunnen buiten bespreking blijven. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02079
Zitting 17 september 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 1 juni 2022 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd”, 2. “Overtreding van artikel 163, zesde lid van de Wegenverkeerswet 1994” en 3. “Overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen weken, met aftrek van voorarrest en, voor feit 2, tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van negen maanden.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en Th.J. Kelder, advocaat in Rotterdam, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1
Voordat ik aan een bespreking van de middelen toekom, vraagt de ontvankelijkheid van het cassatieberoep de aandacht.
2.2
Tot de aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding behoort een door de griffier van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch en de comparant ondertekende cassatieakte, inhoudende:
“Parketnummer: 20-000998-21
Akte cassatie
Heden, 8 juni 2022, verscheen ter griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch:
[betrokkene 1] ,
administratief ambtenaar bij dit gerechtshof, blijkens de aan deze akte gehechte bijzondere volmacht ontvangen d.d. 8 juni 2022, schriftelijk gemachtigde van:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1977,
wonende te [plaats] , [a-straat 1] ,
die verklaarde beroep in cassatie in te stellen tegen het arrest van 1 juni 2022, alsmede tegen alle ter terechtzitting genomen beslissingen, door dit hof gewezen in de zaak met parketnummer 20000998-21 tegen [verdachte] voornoemd.”
2.3
Aan deze cassatieakte is een e-mailbericht gehecht, dat op 8 juni 2022 is verzonden aan “CIB (Rechtbank Oost-Brabant)” en het volgende inhoudt:
“Geachte heer, mevrouw,
Bijgaand treft u aan een machtiging om namens mr. Van Wijk cassatie in te stellen tegen het arrest van het Hof van 1 juni jl., bekend onder zaaknummer 20-000998-21, in het dossier van [verdachte] .
Mag ik van u een bevestiging ontvangen?
Met vriendelijke groet,
[betrokkene 2] , secretaresse
namens mr. M.W.F. van Wijk”
2.4
Aan de cassatieakte is verder een machtiging gehecht. Deze houdt het volgende in:
“MACHTIGING
Advocaat : mevrouw mr. M.W.F. van Wijk
adres : Caroluslaan 5
te : 5707 BL HELMOND
telefoon : 0492-387 294
Machtigt namens cliënt, [verdachte] , een medewerker van de rechtbank OostBrabant, om cassatie in te stellen tegen het arrest van het Gerechtshof ‘sHertogenbosch d.d. 1 juni 2022, bekend onder parketnummer 20-000998-21
Graag ontvang ik een bevestiging van de instelling van cassatie.
Helmond , 8 juni 2022
[handtekening]
Mw. mr. M.W.F. van Wijk”
2.5
Daarnaast is op 14 februari 2023 een door mr. Th.J. Kelder ondertekende cassatieschriftuur aan de Hoge Raad toegezonden, voor zover hier relevant inhoudende:
“[verdachte],
verzoeker tot cassatie van een door het gerechtshof te 's Hertogenbosch op 1 juni 2022, onder nummer 20-000998-21 gewezen arrest.
(…)
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. Th.J. Kelder, advocaat te Den Haag, die verklaart dat verzoeker hem daartoe bepaaldelijk heeft gevolmachtigd.”
2.6
De navolgende wettelijke bepalingen zijn van belang:
- Art. 449 lid 1 Sv:
“Voor zover de wet niet anders bepaalt, wordt hoger beroep of beroep in cassatie ingesteld door een verklaring, af te leggen door degene die het rechtsmiddel aanwendt, op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven.”1.
“1. Het aanwenden van de rechtsmiddelen, bedoeld in artikel 449, kan ook geschieden door tussenkomst van:
a. een advocaat, indien deze verklaart daartoe door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd;
b. een vertegenwoordiger die daartoe persoonlijk, door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd.
(…)
3. Aan een schriftelijke bijzondere volmacht, verleend aan een medewerker ter griffie, tot het voor de verdachte aanwenden van het rechtsmiddel wordt slechts gevolg gegeven indien de verdachte daarbij instemt met het door deze medewerker ter griffie van het gerecht waar het rechtsmiddel wordt ingesteld voor de verdachte aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping. De verdachte geeft een adres op voor de ontvangst van een afschrift van de dagvaarding.”
2.7
Een door de verdachte bepaaldelijk gevolmachtigde advocaat kan op de wijze van artikel 450 lid 3 Sv beroep in cassatie instellen tegen een arrest van het hof door middel van het verlenen van een daartoe strekkende schriftelijke bijzondere volmacht aan een griffiemedewerker van het hof. Een schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om beroep in cassatie in te stellen moet inhouden de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van cassatieberoep tegen het arrest van het hof.2.
2.8
De hiervoor onder 2.4 weergegeven aan de rechtbank toegezonden machtiging van de advocaat Van Wijk houdt in dat zij “namens” de verdachte “een medewerker van de rechtbank OostBrabant” machtigt om tegen het arrest van het hof cassatie in te stellen. In aanmerking genomen dat deze machtiging niet inhoudt dat Van Wijk door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd om beroep in cassatie in te stellen en dat zij deze volmacht niet verleent aan een medewerker van de griffie van het hof, is aan de onder 2.6 en 2.7 genoemde voorwaarden niet voldaan.
2.9
Nu i) uit de omstandigheid dat namens de verdachte een cassatieschriftuur is ingediend door een advocaat die heeft verklaard daartoe door de verdachte bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd moet worden afgeleid dat aan de onvolkomen volmacht de wens van de verdachte ten grondslag heeft gelegen om (op rechtsgeldige wijze) beroep in cassatie te doen instellen en ii) blijkens de onder 2.2 weergegeven akte door een medewerker van de griffie van het hof binnen de cassatietermijn cassatie is ingesteld tegen het arrest van het hof,3.hoeft die onvolkomen volmacht (echter) niet te leiden tot nietontvankelijkverklaring in het cassatieberoep.4.
Het eerste middel
3.1
Het middel klaagt onder meer over het ontbreken van het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 juni 2022 waarop het bestreden arrest is uitgesproken.5.
3.2
De steller van het middel heeft – conform art. 4.3.6.3 van het Procesreglement van de Hoge Raad – alvorens dit middel te formuleren een verzoek om aanvulling ingediend bij de rolraadsheer. Daarop is door het hof te kennen gegeven dat het betreffende proces-verbaal kennelijk in het ongerede is geraakt.
3.3
Als gevolg van het bovenstaande kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat aan het in art. 362 lid 1 Sv op straffe van nietigheid voorgeschreven vereiste van openbaarheid is voldaan,6.zodat het ervoor moet worden gehouden dat dit niet het geval is. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.
3.4
Tot cassatie hoeft dat echter niet te leiden, nu de Hoge Raad het (veronderstelde) verzuim kan herstellen door het arrest alsnog in het openbaar uit te spreken.7.
Het tweede middel
4.1
Het middel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
4.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 mei 2022 houdt in dat de verdachte daar niet is verschenen. Het houdt verder het volgende in:
“Als raadsvrouw van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. M.W.F. van Wijk, advocate te Helmond.
De voorzitter deelt mede dat de deurwaarder heeft aangegeven dat de verdachte niet is aangevoerd vanuit het Huis van Bewaring alwaar hij op dit moment gedetineerd is. De verdachte zou afstand hebben gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Het hof en de advocaatgeneraal hebben echter geen afstandsverklaring ontvangen.
De advocaat-generaal deelt mede dat er vanuit de Dienst Vervoer en Ondersteuning wel vervoer naar het gerechtshof was geregeld voor de verdachte.
De voorzitter deelt mede dat het hof een emailbericht van de raadsvrouw heeft ontvangen inhoudende dat zij de zaak niet heeft kunnen voorbereiden en niet gemachtigd is om voor de verdachte op te treden ter terechtzitting. De raadsvrouw zou niet beschikken over alle relevante stukken.
De raadsvrouw merkt op:
De partner van mijn cliënt heeft mij eind vorige week op de hoogte gesteld van de omstandigheid dat mijn cliënt in [plaats] gedetineerd zit. Ik heb daarna kort contact met mijn cliënt gehad. Hij heeft mij gezegd naar de zitting te willen komen. Hij heeft afgelopen januari bij een ongeval met de auto zijn rug gebroken. Hij heeft daar veel last van. Ik krijg het idee dat hij het transport en het wachten in het cellencomplex een te zware last vond en daarom afstand heeft gedaan. Ik ben gisteren pas op de hoogte geraakt van de omstandigheid dat er transport is geregeld. Ik heb hem daarna niet meer kunnen spreken. Hij weet van de zitting af. Mijn cliënt blijft een ontkennende verdachte. Ik voel me nu beperkt in de verdediging. Hij zou het liefst zelf zijn verhaal vertellen aan het hof. Ik verzoek u om aanhouding van de zaak zodat mijn cliënt bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak aanwezig kan zijn. Ik acht mij wel gemachtigd de verdediging te voeren.
De advocaat-generaal voert aan:
De verdachte wilde kennelijk komen, maar heeft daarna een afstandsverklaring getekend. Hij heeft er kennelijk geen behoefte meer aan om aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn zaak.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting in afwachting van de afstandsverklaring die zou zijn getekend door de verdachte.
Na hervatting van het onderzoek merkt de raadsvrouw op dat de verdachte niet meer woont in [plaats] , maar bij zijn moeder. Daar kan hij ook post ontvangen. Het postadres van de verdachte is [b-straat 1] , [plaats] . Zij zal voorts per e-mail aan het hof doen toekomen de stukken met betrekking tot het auto-ongeval en het letsel van de verdachte.
De advocaat-generaal deelt mede dat hij een door de verdachte ondertekende afstandsverklaring heeft ontvangen en persisteert bij zijn standpunt dat het onderzoek kan worden voortgezet.
De voorzitter deelt mede dat het hof de stukken omtrent het rugletsel van de verdachte heeft ontvangen van de raadsvrouw. Voorts deelt zij mede dat zij de afstandsverklaring van de verdachte heeft gezien en dat de verdachte daarop heeft aangetekend dat zijn raadsvrouw een aanhoudingsverzoek zou doen. (Voornoemde stukken zijn aan dit proces-verbaal gehecht)
De raadsvrouw voert daarop aan:
Mijn cliënt is er vanuit gegaan dat de zaak zal worden aangehouden. Ik heb maar beperkt contact gehad met mijn cliënt voorafgaand aan de zitting. Ik moest een belverzoek achterlaten. Ik kon hem ook niet meer bezoeken in [plaats] op zo een korte termijn.
De voorzitter deelt het volgende mede.
Het hof heeft tijdens de onderbreking van het onderzoek ter terechtzitting beraadslaagd over het aanhoudingsverzoek. Hetgeen de raadsvrouw thans aanvoert geeft het hof geen aanleiding om wederom te beraadslagen (opmerking griffier: de oudste en jongste raadsheren knikken bevestigend). Immers, afgelopen maandag heeft de raadsvrouw gesproken met de verdachte. Hij zat toen al gedetineerd en had al enige tijd rugproblemen. Hij heeft zijn raadsvrouw op dat moment medegedeeld dat hij ter terechtzitting aanwezig wilde zijn. Het transport naar het gerechtshof werd toen kennelijk niet gezien als een belemmering. Daarna heeft de verdachte een afstandsverklaring getekend. Er lag op dat moment nog geen aanhoudingsverzoek van de raadsvrouw en het hof had ook nog niet beslist over aanhouding van de zaak. Het hof zal daarom het heden ter zitting gedane aanhoudingsverzoek van de raadsvrouw afwijzen. De raadsvrouw heeft reeds aangegeven uitdrukkelijk door de verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren en het hof stemt daarmee in.”
4.3
Verder bevindt zich tussen de aan de Hoge Raad toegezonden stukken een door de verdachte ondertekende afstandsverklaring voor de terechtzitting van het gerechtshof van 18 mei 2022, waarop het volgende is aangetekend:
“Geeft aan, advo heeft uitstel gevraagd”
4.4
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte een afstandsverklaring heeft getekend en dat op dat moment door de raadsvrouw nog geen aanhoudingsverzoek was gedaan en door het hof nog niet was beslist over aanhouding van de zaak. Het daarop gebaseerde kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht en het belang van het onderzoek niet de aanhouding van de behandeling van de zaak vordert, is niet begrijpelijk, gelet op hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd over de mogelijke reden van ondertekening van die afstandsverklaring en tegen de achtergrond van de onder 4.3 weergegeven aantekening daarop, waaruit blijkt dat de verdachte “uitstel” van zijn zaak wenste. Daarbij neem ik in aanmerking dat voor zover het hof niet aannemelijk heeft geacht dat de afstandsverklaring is getekend omdat het transport en het verblijf in het cellencomplex door de verdachte in verband met zijn rugklachten als een te zware last werd ervaren, ‘s hofs overweging dat “afgelopen maandag (…) toen [hij] al gedetineerd [zat] en al enige tijd rugproblemen [had] (…) het transport naar het gerechtshof (…) kennelijk niet als een belemmering [werd] gezien”, dat oordeel niet kan dragen. De intensiteit van dergelijke medische klachten en de wijze waarop dit door de verdachte wordt ervaren is immers geen statisch gegeven.
4.5
Het middel slaagt.
Het derde middel en vierde middel
5. Nu het tweede middel naar ik meen doel treft, behoeven het derde en vierde middel geen bespreking. Indien de Hoge Raad hierover anders oordeelt, ben ik uiteraard bereid aanvullend te concluderen.
Afronding
6.1
Het eerste middel kan niet tot cassatie leiden na herstel door de Hoge Raad en kan dan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt. Het derde en vierde middel kunnen daarom buiten bespreking blijven.
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.8.
6.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 17‑09‑2024
Dit geldt ook indien het gaat om een verklaring af te leggen door een daartoe door de raadsman van de verdachte schriftelijk gevolmachtigde griffiemedewerker (zie HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:856, rov. 2.3. en HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3471, rov. 2.1.).
Vgl. HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1212, rov. 2.3.1, onder verwijzing naar HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810.
Dat was bijvoorbeeld niet het geval in de zaken die leidden tot HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:856 en HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3471. In die zaken had de raadsman van de verdachte de volmacht – evenals in de onderhavige zaak – naar de griffie van het verkeerde gerecht toegezonden, waarna het rechtsmiddel te laat was ingesteld. De Hoge Raad verklaarde de verdachte in beide zaken nietontvankelijk in het cassatieberoep.
Vgl. HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3924, HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1212, HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1463 (zie de conclusie van AG Harteveld, ECLI:NL:PHR:2023:747), HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:92 en HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:89. Ik merk op dat de cassatieschriftuur in de onderhavige zaak – anders dan in voornoemde ECLI:NL:HR:2013:BZ3924, ECLI:NL:HR:2023:1212, ECLI:NL:HR:2024:92 en ECLI:NL:HR:2024:89 – niet is ingediend door dezelfde advocaat als van wie de onvolkomen volmacht afkomstig is. Uit HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1463, waarin dat eveneens het geval was en waarin de Hoge Raad zonder meer overging op de bespreking van de middelen, kan mijns inziens echter worden afgeleid dat die enkele omstandigheid aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep niet in de weg staat.
Het middel klaagt verder over het ontbreken van een tweetal andere stukken. Deze stukken zijn inmiddels aan de Hoge Raad toegezonden, zodat het middel ten aanzien daarvan feitelijke grondslag mist.
Weliswaar houdt het bestreden arrest in dat dit “op 1 juni 2022 ter openbare terechtzitting” is uitgesproken, maar, zoals ook AG Harteveld in zijn conclusie van 5 september 2023 (ECLI:NL:PHR:2023:712, randnr. 3.3) en AG Spronken in haar conclusie van 5 juni 2018 (ECLI:NL:PHR:2018:550, randnr. 5.5) tot uitdrukking brengen, wordt daarmee niet de vereiste zekerheid verschaft, omdat een arrest volgens de gebruikelijke gang van zaken wordt opgemaakt voordat het wordt uitgesproken.
Vgl. HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7799. Zie ook HR 5 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1422.
Ik merk op dat het cassatieberoep is ingesteld op 8 juni 2022. Indien de Hoge Raad met mij meent dat de bestreden uitspraak dient te worden vernietigd en de zaak moet worden teruggewezen, blijft een ambtshalve onderzoek naar een eventuele overschrijding van de redelijke termijn echter achterwege (vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.5.3.).