Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/12.4.2
12.4.2 Verlengde zekerheid op de vordering uit doorverkoop
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90856:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Sagaert 2003, nr. 151 e.v.; Dirix & De Corte 2006, nr. 604; Dirix 2011, p. 37; Sagaert & Del Corral 2015, nr. 195; Sagaert 2017, nr. 22.
Naar Nederlands recht zouden we zeggen: rechthebbende van de vordering.
Sagaert 2017, nr. 22, 25.
Storme 2017, nr. 127.
Sagaert 2017, nr. 27.
Sagaert & Del Corral 2015, nr. 207-209; Sagaert 2017, nr. 25; Storme 2017, nr. 128-129.
Dirix & De Corte 2006, nr. 606.
Dirix, RW 1997-98, nr. 40 ; Dirix 2011,p. 38; Sagaert 2003, nr. 702, 771 en 775 ; Sagaert & Del Corral 2015, nr. 207. Zie voor een verklaring van de inningsbevoegdheid van de koper, Sagaert 2003, nr. 771-772; Dirix, RW 1997-98, nr. 39.
Sagaert 2003, nr. 774; Dirix 2011, nr. 42; Sagaert & Del Corral 2015, nr. 201.
Sagaert 2003, nr. 544, 596, 631 en 646-647; Dirix & De Corte 2006, nr. 221; Sagaert 2006, nr. 17; De Baere, TBH 2007, nr. 23-26; Jansen, TPR 2008/1, nr. 34; Jansen & Sagaert, TPR 2012/3, nr. 141; François & Cuypers 2013, Commentaar bij art. 20, 5° Hyp.W., nr. 36-38.
Hof van Beroep Antwerpen 3 februari 2005, RW 2005-06, 788; Dirix & De Corte 2006, nr. 280; De Baere, TBH 2007, nr.27-29; Jansen & Sagaert TPR 2012/3, nr. 141; François & Cuypers 2013, Commentaar bij art. 20, 5° Hyp.W., nr. 37. Zie ook hoofdstuk 2, paragraaf 2.3.5.
Byttebier 2005, nr. 403-404; Dirix & De Corte 2006, nr. 221; De Baere, TBH 2007, nr. 23-26; François & Cuypers 2013, Commentaar bijv art.20, 5° Hyp.W., nr. 36-38.
François & Cuypers 2013, Commentaar bij art. 20, 5° Hyp.W., nr. 38.
Ondanks het verlies van de voorrangspositie op de oorspronkelijke zaken door een bevoegde doorverkoop of een geslaagd beroep op derdenbescherming door een derdekoper, staat de leverancier niet met lege handen in het Belgische recht. Zijn voorrangspositie wordt van rechtswege voortgezet op de vordering uit doorverkoop. Deze vordering treedt in de plaats van de zaken waarvoor de leverancier een eigendomsvoorbehoud heeft bedongen.1 De leverancier wordt zekerheidseigenaar van deze vordering op grond van art. 9 (jo. art. 70) Pandwet door substitutie.2
Sagaert merkt op dat de vordering het economische surrogaat is van de zaken en zaaksvervanging derhalve leidt tot ‘economische stabiliteit’ voor de eigendomsvoorbehoudleverancier.3 De rechtvaardiging voor deze zaaksvervanging is de nauwe band tussen de vordering uit doorverkoop en de gesecureerde koopprijsvordering. De vordering uit doorverkoop vormt immers de vervanging voor de geleverde zaak, die het onderpand vormde voor de bijbehorende koopprijsvordering.
De vordering uit doorverkoop ontstaat door substutie direct in het vermogen van de leverancier.4 Wel is zijn recht gemaximeerd tot het bedrag van zijn gesecureerde vordering en tot de waarde van de onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaak.5 Over de vordering kan de koper niet beschikken. De koper blijft echter wel inningsbevoegd tot het moment dat de leverancier zijn recht mededeelt aan de debiteur van de vordering.6 De leverancier kan te allen tijde mededeling doen (art. 67 Pandwet).7 De afnemer kan tot de mededeling bevrijdend betalen aan de koper, tenzij hij wetenschap heeft van het eigendomsvoorbehoud (art. 1240 BW).8 Tijdens het faillissement kan de curator de vordering innen. Dit doet geen afbreuk aan de aanspraak van de leverancier op de opbrengst. Aangenomen wordt dat dit geld zich niet vermengt met ander chartaal of giraal geld in handen van de curator.9
Ook als de leverancier géén eigendomsvoorbehoud heeft bedongen, verkrijgt hij een aanspraak op de vordering uit doorverkoop. De leverancier heeft namelijk van rechtswege het voorrecht van de onbetaalde verkoper (art 20, 5° Hyp.W.). Voor dit voorrechtgeldt eveneens een regel van substitutie op grond van een analoge toepassing van art. 10 Hyp.W.10 De rechtvaardiging voor substitutie is opnieuw de nauwe band tussen de prestatie van de leverancier en zijn vordering op de koper. De vordering uit doorverkoop vormt het economische surrogaat van de geleverde zaak.11
De leverancier verkrijgt op grond van een analoge toepassing van art. 10 Hyp.W. een bevoorrechte aanspraak op de opbrengst van de vordering uit doorverkoop. De inningsbevoegdheid blijft bij de koper rusten, waardoor het voorrecht alleen tijdens het faillissement van waarde is voor de leverancier. Betaalt de afnemer de koopprijs namelijk buiten faillissement aan de koper, dan verliest de leverancier zijn voorrecht, omdat de opbrengst niet meer identificeerbaar is in diens vermogen.12 Anders dan bij het eigendomsvoorbehoud, kan de leverancier deze inningsbevoegdheid niet verkrijgen door mededeling van zijn voorrecht te doen aan de afnemer. Tijdens het faillissement van de koper heeft de curator de inningsbevoegdheid. In dat geval geldt, evenals bij het eigendomsvoorbehoud, dat de leverancier wel zijn aanspraak op het geïnde behoudt. In handen van de curator kan het geld namelijk niet vermengen.13