Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.5.3.2
5.3.2 De niet-dwingende werking van de insluitingsclausule
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948225:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II 2014/15, 33 987, nr. 6, p. 16 en Kamerstukken II 2014/15, 33 987, nr. 8, p. 44. Zie ook Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/288c; C.A. Kraan, Handboek huwelijksvermogensrecht 2022, p. 88-89; Van Mourik & Schols, Relatievermogensrecht (Mon. Pr. nr. 12) 2021/46.8; Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 244 en De Bruijn/Huijgen & Reinhartz, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht 2019, p. 232.
Zie Kamerstukken II 2014/15, 33 987, nr. 6, p. 16.
Zie Kamerstukken II 2014/15, 33 987, nr. 8, p. 44. Zie tevens Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/288c; Van Mourik & Schols, Huwelijksvermogensrecht (Mon. Pr. nr. 12) 2021/46.8; De Bruijn/Huijgen & Reinhartz, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht 2019, p. 232; C.A. Kraan, Handboek huwelijksvermogensrecht 2022, p. 89 en L.A.G.M. van der Geld, ‘De in- en uitsluitingsclausule in het nieuwe huwelijksvermogensrecht’, Tijdschrift Erfrecht 2017/4, par. 4.
Vgl. in dit verband de conclusie van A-G Rank-Berenschot vóór de uitspraak HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3256 (door de Hoge Raad afgedaan met artikel 81 Ro), waarin zij voor de vraag of een overeenkomst als een akte van huwelijkse voorwaarden kwalificeert belangrijke waarde hecht aan het antwoord op de vraag of er sprake is van een regimewijziging of niet.
372. In de vorige paragraaf is duidelijk geworden dat de insluitingsclausule op veel onderdelen het spiegelbeeld vormt van de uitsluitingsclausule. Het enige waarin de werking van de insluitingsclausule zich écht onderscheidt van de werking van de uitsluitingsclausule, is dat een insluitingsclausule géén dwingende werking heeft.1 Dat is een bewuste keuze van de wetgever geweest. De initiatiefnemers van de Wet beperking gemeenschap van goederen merkten daar het volgende over op:2
“Het staat (aanstaande) echtgenoten vrij om via huwelijkse voorwaarden af te wijken van een insluitingsclausule. Dit in tegenstelling tot een uitsluitingsclausule waarbij de wil van de erflater of schenker voorgaat op de contractsvrijheid van de (aanstaande) echtgenoten. Het verschil schuilt erin dat het bij de uitsluitingsclausule gaat om het belang van de erflater of de schenker die alleen aan een specifieke persoon iets wil nalaten of geven, en dus wil voorkomen dat dit via de gemeenschap van goederen ook bij diens partner terecht komt. Bij de insluitingsclausule gaat het om het belang van de echtgenoten om geen erfenis of schenking gezamenlijk opgedrongen te krijgen indien men dat om welke reden dan ook niet wil. In dat geval dient de wil van de erflater of schenker niet voor te gaan op de contractsvrijheid van de echtgenoten. Daarom moet de uitsluitingsclausule wel dwingen, maar de insluitingsclausule niet. Aan de erflater of schenker staat een ander middel open om te bereiken dat de erfrechtelijke verkrijging of gift toekomt aan beide echtgenoten: hij kan aan beide echtgenoten afzonderlijk nalaten of schenken. De geërfde of geschonken goederen vallen dan weliswaar niet in de huwelijksgemeenschap, maar komen wel aan beide echtgenoten toe (in privé).”
Bij een insluitingsclausule gaat het belang van de echtgenoten om geen erfenis of schenking gezamenlijk opgedrongen te krijgen dus voor op de wens van de erflater of schenker. Als de echtgenoten niet willen dat een eventuele erfenis of schenking alsnog via een insluitingsclausule in de huwelijksgemeenschap valt, zullen zij dit volgens de initiatiefnemers van de Wet beperking gemeenschap van goederen via een akte van huwelijkse voorwaarden moeten regelen. In de parlementaire geschiedenis wordt daarover opgemerkt:3
“[…] In het geval dat de (aanstaande) echtgenoten niet willen dat een eventuele erfenis of gift in de gemeenschap valt, kunnen zij dat in hun huwelijkse voorwaarden regelen. Hiervoor is een gang naar de notaris noodzakelijk. De contractsvrijheid van de echtgenoten heeft dan voorrang op de wil van de erflater. […]”.
Betwijfeld kan worden of een gang naar de notaris altijd noodzakelijk is. Indien de echtgenoten willen overeenkomen dat alle verkrijgingen uit nalatenschap of gift waaraan een insluitingsclausule is verbonden alsnog zijn uitgezonderd van de huwelijksgemeenschap, dan moeten zij dit inderdaad in een akte van huwelijkse voorwaarden vastleggen. In dat geval wijken zij immers af van de regels van de wettelijke gemeenschap van goederen, zodat sprake is van een overeenkomst in de zin van artikel 1:121 lid 1 BW. Een dergelijke overeenkomst moet op grond van artikel 1:115 lid 1 BW op straffe van nietigheid worden aangegaan bij notariële akte. Willen de echtgenoten echter slechts ten aanzien van één bepaalde verkrijging een uitzondering maken op de regel van artikel 1:94 lid 3 aanhef en onder a BW, dan lijkt mij dat dit niet op straffe van nietigheid bij notariële akte hoeft te geschieden. In een dergelijk geval wijken de echtgenoten niet af van het wettelijk systeem van de gemeenschap van goederen – zij willen nog steeds dat dit wettelijk systeem tussen hen geldt en dat onder de insluitingsclausule verkregen goederen in beginsel in de huwelijksgemeenschap vallen – maar beogen zij slechts ten aanzien van één specifieke verkrijging de werking van de insluitingsclausule te blokkeren.4 Volgens mij hoeft een dergelijke afwijking niet op straffe van nietigheid bij notariële akte te geschieden, maar brengt het niet-dwingende karakter van de insluitingsclausule met zich mee dat de echtgenoten een dergelijke afwijking vormvrij met elkaar kunnen overeenkomen.