Ongedateerd, blijkens het arrest door het hof ontvangen op 1 november 2019.
HR, 14-06-2022, nr. 20/01074 P
ECLI:NL:HR:2022:840
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-06-2022
- Zaaknummer
20/01074 P
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:840, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 14‑06‑2022; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:365
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2020:773
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:365
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2020:773
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:365
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2020:773
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2020:773
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:365
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:365
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:365
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2020:773
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2020:773
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2020:773
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:365
ECLI:NL:PHR:2022:365, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 19‑04‑2022
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:840
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑08‑2021
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2022-0121
NJ 2022/280 met annotatie van J.M. Reijntjes
UDH:TvSO/17557 met annotatie van mr. dr. M.T. van der Wulp en mr. F. van den Brink
Uitspraak 14‑06‑2022
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit passieve omkoping en valsheid in geschrift. 1. Voordeel uit bewezenverklaarde feiten ontvangen op rekening B.V. Vereenzelviging voordeel van B.V. en van betrokken natuurlijk persoon. Kunnen de op bankrekening van B.V. overgeboekte geldbedragen het door betrokkene w.v.v. betreffen? 2. Werking fiscaal mechanisme. Dient bij schatting van het door betrokkene w.v.v. de belastingheffing bij B.V. in aanmerking te worden genomen? Ad 1. Bij bepaling van w.v.v. moet, mede gelet op reparatoir karakter van maatregel a.b.i. art. 36e Sr, worden uitgegaan van voordeel dat betrokkene in concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald (vgl. HR:2015:3364). In het geheel van ’s hofs vaststellingen ligt als oordeel besloten dat met voltooiing van in strafzaak bewezenverklaarde feiten betrokkene zelf daadwerkelijk voordeel heeft verkregen tot bedrag van de door hem aangenomen en ontvangen giften, omdat betrokkene volledig over het bedrag van voor hem bestemde giften heeft kunnen beschikken. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Betrokkene heeft er immers voor gekozen een deel van die giften niet op privérekening te doen uitkeren, maar op rekening van B.V., waarbij die wijze van betaling (waarvoor betrokkene heeft gebruikgemaakt van valse facturen die hij op naam van B.V. had gesteld) door betrokkene is gekozen om te verhullen dat sprake was van het door betrokkene als ambtenaar ontvangen van giften. Hof heeft met “het door B.V. verkregen voordeel” kennelijk ook niets anders op het oog gehad dan giften die via bankrekening van B.V., daartoe gebruikmakend van valse facturen, aan betrokkene zelf zijn gedaan en waarover betrokkene volledig kon beschikken. Ad 2. Uit bij beoordeling eerste klacht genoemde omstandigheden volgt dat betrokkene met voltooiing van in strafzaak bewezenverklaarde feiten zelf daadwerkelijk voordeel heeft verkregen tot bedrag van door hem aangenomen en ontvangen giften. In het licht hiervan is (anders dan in het geval dat ten grondslag lag aan HR:2021:1) vraag naar toepasbaarheid van fiscaal mechanisme i.c. niet aan de orde, omdat mogelijkheid dat B.V. winstbelasting verschuldigd zou worden en uitkering aan betrokkene tot heffing van vennootschapsbelasting of inkomstenbelasting zou kunnen leiden, irrelevant is voor omvang van het door betrokkene met voltooiing van bewezenverklaarde feiten w.v.v. V.zv. die belastingschulden (zijn) ontstaan, is dat gevolg van keuze van betrokkene om de aan hem gedane giften te laten uitbetalen via bankrekening van B.V. Volgt verwerping. CAG: anders t.a.v. werking fiscaal mechanisme. Samenhang met 20/01076 (niet gepubliceerd; strafzaak betrokkene; geen middelen ingediend, verdachte n-o ).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/01074 P
Datum 14 juni 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 11 maart 2020, nummer 23-003202-16, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene ] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft J.S. Nan, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
2.2.1
In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak is de betrokkene veroordeeld voor onder meer het als ambtenaar een gift aannemen, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen, meermalen gepleegd, en het als ambtenaar een gift aannemen, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan wordt ten gevolge van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening is gedaan, meermalen gepleegd (feiten 4 en 5), alsmede voor valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (feit 6). Het arrest van het hof in de strafzaak houdt onder meer het volgende in:
“De verdachte is met ingang van 1 december 2006 als ambtenaar aangesteld in de functie van [H] van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: de gemeente), met een dienstverband van 36 uur per week. (...)
De verdachte was uit hoofde van zijn functie ook de ambtelijke opdrachtgever voor [I] . [I] is een zelfstandige vennootschap die het feitelijke beheer en onderhoud van de buitenruimte van de gemeente Haarlemmermeer verzorgde. Op 19 augustus 2008 hebben B&W van de gemeente besloten - met terugwerkende kracht - vanaf 1 januari 2008 een 100 procent belang te verwerven in [I] . Nadat de gemeente enig aandeelhouder is geworden, is de omzet van [I] verdubbeld tot circa € 12 miljoen in 2009. Die stijging vloeide nagenoeg geheel voort uit opdrachten vanuit het [H] . [betrokkene 1] was vanaf 1 oktober 2006 statutair directeur van [I] .
In de functie van [H] heeft de verdachte in de tenlastegelegde periode verschillende opdrachten gegeven aan [D] en aan [F] . De medeverdachte was destijds enig aandeelhouder, bestuurder en werknemer van [F] , een onderneming die de directie voert over de dochtermaatschappijen van [G] . [D] is een dochter van [G] . (...)
De verdachte heeft ten tijde van zijn dienstverband als ambtenaar in de tenlastegelegde periode namens de onderneming [A] BV (hierna: [A] ) en de eenmanszaak [B] facturen verzonden voor beweerdelijk geleverde diensten en adviezen aan bedrijven van de medeverdachte. Van deze bedrijven was de verdachte directeur/enig aandeelhouder respectievelijk eigenaar, en enig werknemer.
[A] en [B] factureerden in deze periode ook aan een onderneming waaraan [I] werk uitbesteedde: de [E] . [betrokkene 2] was middellijk enig bestuurder van [E] .
[E] en [F] hebben op hun beurt in de tenlastegelegde periode facturen verstuurd en betaald gekregen voor beweerdelijk geleverde diensten en adviezen aan [I] .
(...)
Feit 5
(...)
[betrokkene 2] , de (middellijk) directeur van [E] , heeft bij de Rijksrecherche verklaard dat hij [betrokkene 1] , directeur van [I] , heeft gevraagd hoe hij de verdachte kon benaderen. Hij wist dat de verdachte voor de gemeente werkte en dat hij een eigen ‘bedrijfje’ had. Op 11 juni 2009 hebben [betrokkene 2] , de verdachte en [betrokkene 1] gezamenlijk een ‘uitsmijtertje gegeten’. [betrokkene 2] heeft in het najaar van 2009 drie betalingen gedaan aan [A] , voor een totaalbedrag van € 106.381,24.
Het hof stelt vast dat er geen reële opdrachten of andersoortige overeenkomsten ten grondslag hebben gelegen aan deze drie betalingen.
(...)
Het hof stelt (...) vast dat de betalingen door [E] aan [A] geen nakomingen betreffen van verplichtingen die uit een zakelijke overeenkomst voortvloeiden. Zonder aannemelijk geworden verklaring die tot een ander oordeel moet of zou kunnen leiden, kan het niet anders dan dat deze betalingen feitelijk giften waren van [E] aan de verdachte. Dat deze betalingen via de bankrekening liepen van [A] maakt geen verschil voor de waardering van dit bewijs. De verdachte heeft als natuurlijke persoon en tevens ambtenaar betalingen aangenomen van [E] .
(...)
Het hof is (...) van oordeel dat de giften van [E] aan [A] , en daarmee aan de verdachte, geen ander doel hadden dan te bewerkstelligen dat [E] opdrachten, die de gemeente Haarlemmermeer aan [I] verstrekte, geheel of gedeeltelijk mocht uitvoeren.
(...)
Door van [E] betalingen te aanvaarden en als [H] zijn invloed op [I] aan te wenden in relatie tot aan [E] te verstrekken opdrachten, heeft de verdachte [E] een voorkeursbehandeling gegeven. Mede gezien het hiervoor beschreven toetsingskader heeft hij daarmee evident gehandeld in strijd met zijn plicht als ambtenaar. Het hof is daarom van oordeel dat het onder 5 tenlastegelegde kan worden bewezen.
Feit 4
De medeverdachte heeft op 21 november 2011 een ordner overhandigd aan de Rijksrecherche met daarin kopiefacturen van [B] en [A] , gericht aan [D] of [F] met daarachter, voor zover beschikbaar, de onderliggende door de verdachte geproduceerde stukken. (...)
In een periode van 19 maanden heeft de medeverdachte op basis van 13 van de aangetroffen facturen een totaalbedrag van ruim € 250.000 (incl. BTW) betaald aan de verdachte. Het standpunt van zowel de verdachte als de medeverdachte is, dat de op de facturen van (de ondernemingen van) de verdachte omschreven werkzaamheden en uren daadwerkelijk zijn verricht en gemaakt en dat sprake was van overdracht van – in bedrijfseconomische zin – waardevol advies, ‘kennis en kunde’.
(...)
Uit de voorgaande feiten, omstandigheden en conclusies, ook in onderling verband en samenhang bezien, blijkt, kort samengevat, dat de beschreven betalingen in feite giften waren van de medeverdachte aan de verdachte, gemeenteambtenaar. De beide verdachten waren op de hoogte van deze omstandigheden. Nu de verdachte desondanks zijn facturen heeft verstuurd en de medeverdachte deze vrijwel steeds binnen enkele dagen heeft doen betalen, is het hof van oordeel dat door middel van fictieve facturen werd verhuld dat deze betalingen giften waren en dat de beide verdachten dat wisten.
Omkoping
Het hof is, gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat de medeverdachte als ondernemer bewust giften heeft gedaan aan de verdachte, een gemeenteambtenaar in een bepaalde positie, met het doel en - gezien die bewustheid - het oogmerk het onderhouden van de relatie, dan wel het verkrijgen van een voorkeurspositie of tegenprestatie. De verdachte heeft dat, nu het ging om grote bedragen en hij betalingen heeft verhuld met valse facturen, geweten. Gelet op het vooropgestelde toetsingskader is daarmee de omkoping, zowel in actieve en passieve zin, bewezen.
(...)
Het hof trekt uit het voorgaande de conclusie dat ook het tweede gedeelte van het onder feit 4 tenlastegelegde, het direct of indirect door de verdachte gunnen van (inhuur) opdrachten aan de bedrijven van de medeverdachte, bewezen kan worden. Daarmee is bewezen dat de verdachte de medeverdachte, in ruil voor gedane giften, ook daadwerkelijk heeft bevoordeeld.
(...)
Feit 6
Uit de overwegingen ten aanzien van de feiten 4 en 5 volgt dat de verdachte facturen heeft opgemaakt voor werkzaamheden, adviezen en bemiddeling en dergelijke, die hij feitelijk niet heeft uitgevoerd. Die facturen zijn dus valselijk opgemaakt en zijn door de verdachte gebruikt om zich giften door de medeverdachte te kunnen laten betalen. Het hof is daarom van oordeel dat ook feit 6 kan worden bewezen.”
2.2.2
Het hof heeft geoordeeld dat de betrokkene uit de in de strafzaak onder 4, 5 en 6 bewezenverklaarde feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De uitspraak van het hof houdt onder meer het volgende in:
“In de strafzaak is de betrokkene in hoger beroep veroordeeld voor, kort en zakelijk weergegeven, het vervalsen van facturen afkomstig van zijn besloten vennootschap [A] en zijn eenmanszaak [B] , om zodoende te verhullen dat sprake was van het als ambtenaar ontvangen van giften. Bewezenverklaard is dat de geldbedragen – zogenaamd betaald naar aanleiding van deze facturen – door twee verschillende ondernemers zijn betaald op de bankrekening van [A] , respectievelijk de privérekening van de betrokkene (en zijn vrouw).
(...)
Ten aanzien van de toerekening aan de betrokkene als natuurlijk persoon van de geldbedragen die zijn betaald op de bankrekening van de onderneming [A] BV (hierna: [A] ) waarvan hij directeur/grootaandeelhouder was, heeft de raadsvrouw het volgende aangevoerd. Primair heeft de rechtbank de betrokkene ten onrechte vereenzelvigd met deze rechtspersoon, subsidiair geldt bij ontneming dat de betrokkene via [A] na belastingheffing en aftrek van bedrijfskosten hooguit een bedrag van € 7.680,00 in 2008 en € 14.784,00 in 2009 aan voordeel heeft genoten, meer subsidiair is dat een geldbedrag van € 102.565,59 (€ 66.122,55 ( [A] ) + € 36.443,04 ( [B] )).
(...)
Fiscale aspecten
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de strafrechter bij de bepaling van het bedrag dat aan wederrechtelijk voordeel is verkregen, geen rekening dient te houden met de reeds geheven of nog te heffen belasting. De stelling van de raadsvrouw dat op het verkregen wederrechtelijk voordeel de reeds betaalde of nog te betalen belasting in mindering moet worden gebracht, vindt geen steun in het recht.
(...)
Voordeel betrokkene als natuurlijk persoon
[A]
De betrokkene was via [C] B.V. enig aandeelhouder en bestuurder van [A] . Als uitgangspunt heeft te gelden dat uit die omstandigheid niet zonder meer volgt dat het met deze onderneming genoten voordeel aan betrokkene kan worden toegerekend. Dat in de onderliggende zaak gronden aanwezig zijn om van dit uitgangspunt af te wijken, blijkt uit de volgende omstandigheden.
Bewezenverklaard is dat de betrokkene als natuurlijk persoon, door middel van zijn ondernemingen, de bewezenverklaarde strafbare feiten heeft gepleegd. Hij ontving, als ambtenaar, omkopingsgeld, maar liet zich dat onder andere op de rekening van [A] uitbetalen. Vast staat verder dat de betrokkene in de bewezenverklaarde periode bij [A] als enige volledig beslissingsbevoegd was en dat hij als enige daadwerkelijk over die rekening kon beschikken.
Het voorgaande betekent dat de vermogenspositie van [A] is verbeterd en dat het door [A] verkregen voordeel heeft kunnen leiden tot direct of indirect voordeel voor de betrokkene als directeur en enig aandeelhouder. Gelet op de structuur van de onderneming was dat voordeel ook daadwerkelijk voor hem beschikbaar. Dat voordeel kan naar het oordeel van het hof voorts aan betrokkene worden toegerekend, aangezien hij alle relevante beslissingen heeft genomen die tot het verkrijgen van het wederrechtelijk voordeel en tot verbetering van de vermogenspositie van de onderneming hebben geleid.
[B]
Nu de betalingen aan de eenmanszaak [B] zijn overgemaakt op de privébankrekening van de betrokkene en hij deze bedragen steeds vrijwel onmiddellijk contant heeft opgenomen, hebben deze betalingen te gelden als voordeel dat direct en daadwerkelijk door betrokkene is verkregen.
(...)
Conclusie
Het hof acht aannemelijk dat de betrokkene uit de onder 4, 5 en 6 bewezen verklaarde strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. (...)
Het hof is van oordeel dat het totaal aan geldbedragen dat staat vermeld op de 16 door betrokkene vervalste facturen – en welke bedragen daadwerkelijk zijn betaald op zijn privérekening dan wel op de bankrekening van [A] – heeft te gelden als door betrokkene verkregen wederrechtelijk voordeel.”
2.3
De betrokkene is in de strafzaak als pleger veroordeeld voor de onder 2.2.1 genoemde strafbare feiten. Het hof heeft in de strafzaak en de ontnemingszaak vastgesteld dat door verschillende bedrijven facturen zijn voldaan van [A] B.V. en de eenmanszaak [B] door het overmaken van gelden op de bankrekening van [A] B.V. en de privérekening van de betrokkene (en zijn vrouw) en dat de betrokkene directeur/enig aandeelhouder is van [A] B.V. en eigenaar en enig werknemer van [B] . Het hof heeft verder geoordeeld dat er geen reële opdrachten of andersoortige overeenkomsten ten grondslag hebben gelegen aan die betalingen, maar dat feitelijk sprake was van giften die de betrokkene als natuurlijke persoon en tevens als gemeenteambtenaar heeft aangenomen. Daarbij heeft de betrokkene, om te verhullen dat deze betalingen aan hem werden gedaan, gebruikgemaakt van valse facturen op naam van [A] B.V. en [B] . Het hof heeft verder vastgesteld dat de betrokkene bij [A] B.V. als enige volledig beslissingsbevoegd was, dat de betrokkene als enige over de rekening van [A] B.V. en de volledige daarop beschikbaar gekomen geldbedragen kon beschikken, en dat gelet op de structuur van [A] B.V. de door die vennootschap ontvangen gelden daadwerkelijk voor de betrokkene beschikbaar waren.
2.4.1
Het cassatiemiddel klaagt in de eerste plaats over het oordeel van het hof dat de op de bankrekening van [A] B.V. overgeboekte geldbedragen het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel betreffen.
2.4.2
Bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald (vgl. HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3364).
2.4.3
In het geheel van de onder 2.3 aangeduide vaststellingen van het hof ligt als oordeel besloten dat met de voltooiing van de in de strafzaak bewezenverklaarde feiten de betrokkene zelf daadwerkelijk voordeel heeft verkregen tot het bedrag van de door hem aangenomen en ontvangen giften, omdat de betrokkene volledig over het bedrag van de voor hem bestemde giften heeft kunnen beschikken. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De betrokkene heeft er immers voor gekozen een deel van die giften niet op zijn privérekening te doen uitkeren, maar op de rekening van [A] B.V., waarbij die wijze van betaling – waarvoor de betrokkene heeft gebruikgemaakt van valse facturen die hij op naam van [A] B.V. had gesteld – door de betrokkene is gekozen om te verhullen dat sprake was van het door de betrokkene als ambtenaar ontvangen van giften. Het hof heeft met “het door [A] verkregen voordeel” kennelijk ook niets anders op het oog gehad dan de giften die via de bankrekening van [A] B.V., daartoe gebruikmakend van valse facturen, aan de betrokkene zelf zijn gedaan en waarover de betrokkene volledig kon beschikken. Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.
2.4.4
Het cassatiemiddel kan ook niet slagen voor zover het zich, met een beroep op rechtspraak over beperkingen van het zogenoemde fiscale mechanisme, richt tegen het oordeel van het hof dat bij de schatting van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel de belastingheffing bij [A] B.V. niet in aanmerking behoeft te worden genomen. Uit de onder 2.4.3 genoemde omstandigheden, waarop het hof dat oordeel heeft gebaseerd, volgt immers dat de betrokkene met de voltooiing van de in de strafzaak bewezenverklaarde feiten zelf daadwerkelijk voordeel heeft verkregen tot het bedrag van de door hem aangenomen en ontvangen giften. In het licht hiervan is – anders dan in het geval dat ten grondslag lag aan het in de toelichting op het cassatiemiddel genoemde arrest van de Hoge Raad van 12 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:1 – de vraag naar de toepasbaarheid van het fiscale mechanisme in deze zaak niet aan de orde, omdat de mogelijkheid dat [A] B.V. winstbelasting verschuldigd zou worden en een uitkering aan de betrokkene tot heffing van vennootschapsbelasting of inkomstenbelasting zou kunnen leiden, irrelevant is voor de omvang van het door de betrokkene wederrechtelijk met de voltooiing van de bewezenverklaarde feiten verkregen voordeel. Voor zover die belastingschulden (zijn) ontstaan, is dat in dit geval het gevolg van de keuze van de betrokkene om de aan hem gedane giften te laten uitbetalen via de bankrekening van [A] B.V.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 357.231,86.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 352.231 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, A.L.J. van Strien, M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juni 2022.
Conclusie 19‑04‑2022
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Ontneming w.v.v. (art. 36e Sr) uit valsheid in geschrift (art. 225 Sr) en ambtelijke omkoping (art. 363 Sr). Middel 1: falende deelklacht over toerekening w.v.v. BV aan bestuurder en enig aandeelhouder, slagende deelklacht over oordeel dat met fiscale consequenties geen rekening hoeft te worden gehouden (vgl. HR 12 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:1). Middel 2: inzendtermijn. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/01074 P
Zitting 19 april 2022
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de betrokkene.
1. Het cassatieberoep
1.1.
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 11 maart 2020 het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 357.231,86 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat.
1.2.
Er bestaat samenhang met zaak 20/01076. Dat is de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak. In die zaak concludeer ik vandaag ook.
1.3.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mr. J.S. Nan, advocaat te Den Haag, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. In het eerste middel wordt opgekomen tegen de wijze waarop het wederrechtelijk voordeel van de betrokkene is berekend. Het tweede middel bevat een klacht over de overschrijding van de inzendtermijn in cassatie.
2. De procedure
2.1.
Op grond van de gedingstukken kan in deze ontnemingszaak van het volgende worden uitgegaan.
2.2.
De betrokkene is in de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak bij arrest van 11 maart 2020 door het hof Amsterdam veroordeeld voor valsheid in geschrift (art. 225 Sr) en (passieve) ambtelijke omkoping (art. 363 Sr). De betrokkene heeft zich als gemeenteambtenaar schuldig gemaakt aan het aannemen van giften in ruil voor tegenprestaties. Om te verhullen dat sprake was van ambtelijke corruptie heeft hij zestien valse facturen opgemaakt die afkomstig waren van zijn BV [A] en zijn eensmanszaak [B] . Medeverdachten hebben deze facturen betaald in dezelfde periode waarin de gemeente hun ondernemingen verschillende opdrachten heeft gegund. Het geld werd gestort op de bankrekening van [A] BV en de privé-rekening van de betrokkene (en zijn vrouw).
2.3.
Bij arrest van diezelfde datum heeft het hof het door de betrokkene verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 357.231,86 en de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot dat bedrag toegewezen. Dit bedrag is de som van de geldbedragen die zijn betaald naar aanleiding van voornoemde zestien valse facturen.
2.4.
Aan de behandeling van de ontnemingsvordering is een schriftelijke voorbereiding als bedoeld in art. 511g lid 2 onder b Sv voorafgegaan.
2.5.
In dat kader heeft de advocaat-generaal op 8 oktober 2019 schriftelijk geconcludeerd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van een geldbedrag van € 353.231,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De advocaat-generaal vond dat het totale geldbedrag dat de betrokkene naar aanleiding van de zestien valse facturen en/of de omkoping heeft ontvangen, per factuur diende te worden verminderd met een bedrag van € 250,00 wegens gemaakte kosten. In totaal bracht de advocaat-generaal (16 x € 250,00 =) € 4.000,00 als kosten in mindering.
2.6.
De raadsvrouw heeft op het standpunt van de advocaat-generaal schriftelijk1.gereageerd. In deze schriftelijke reactie is onder meer het volgende te lezen:2.
“III. Toerekening van het voordeel van de B.V.('s) aan [betrokkene]
15. Gecompliceerder ligt het ten aanzien van de twaalf (12) van de door de Advocaat-Generaal genoemde facturen (incl. BTW) die zijn betaald op een rekening van de besloten vennootschap [A] B.V. De hoogte van de betaalde facturen in dit verband bedraagt € 281.308,86 (incl. BTW). De besloten vennootschap [A] B.V. valt als een zelfstandig rechtssubject aan te merken dat een eigen vermogen heeft, welk vermogen is afgescheiden van de vermogens van de bestuurder(s) en de aandeelhouder(s).
16. [betrokkene] was directeur grootaandeelhouder van [C] B.V., [C] B.V. was 100% aandeelhouder van [A] B.V. [betrokkene] was (dus ook) directeur grootaandeelhouder van [A] B.V. De Advocaat-Generaal lijkt – in navolging van de rechtbank – van de misvatting uit te gaan van het gegeven dat de omzet van een B.V. in zijn geheel kunnen worden toegerekend aan de natuurlijke persoon die als bestuurder en/of aandeelhouder zeggenschap over die B.V. heeft gehad.
17. Als uitgangspunt heeft te gelden dat het vermogen van een rechtspersoon niet zonder meer kan worden toegerekend aan de directeur, tevens enig aandeelhouder. Voordelen die door de rechtspersoon zijn verkregen, betreffen dus niet per definitie óók voordelen die de directeur, tevens enig aandeelhouder zijn verkregen.3.Het Openbaar Ministerie zal aannemelijk moeten maken dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dat door de rechtspersoon is verkregen direct of indirect voor rekening van de betrokkene komt.4.Hier komt het reparatoire karakter tot uiting. Het gaat om daadwerkelijk behaald voordeel waarbij het uitgangspunt is dat de veroordeelde in eenzelfde situatie wordt gebracht als waarin deze verkeerde vóórdat het strafbare feit (dat tot voordeel heeft geleid) heeft plaatsgevonden.
18. Indien acht wordt geslagen op het ontnemingsvonnis, dan stelt de rechtbank vast dat "het overgrote deel van de hiervoor genoemde geldbedragen die de rechtbank heeft aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel zijn gevloeid in aan veroordeelde gelieerde vennootschappen".5.De rechtbank gaat verder: "Naar het oordeel van de rechtbank kan het wederrechtelijk verkregen voordeel desalniettemin aan veroordeelde in persoon worden ontnomen”. In de overwegingen worden twee (2) redenen hiervoor gegeven: (1) bewezen is verklaard dat veroordeelde de strafbare feiten in persoon heeft gepleegd waarbij de B.V.'s zijn gebruikt als middel om de strafbare gedragingen te kunnen plegen én (2) veroordeelde was feitelijk leidinggevende dan wel (middellijk) aandeelhouder van de desbetreffende vennootschappen en had in die hoedanigheid gehele zeggenschap over de vennootschappen en kon over het vermogen van die vennootschappen beschikken.
19. Deze redenen zijn volstrekt onvoldoende om de omzet van de B.V. als wederrechtelijk verkregen voordeel aan [betrokkene] in privé toe te rekenen. Het functioneel (in persoon) plegen van een strafbaar feit via een B.V. waarbij [betrokkene] volgens de overwegingen van de rechtbank 'de gehele zeggenschap' had, betekent niet zonder meer dat hij daadwerkelijk direct of indirect wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten, dan wel heeft kunnen genieten. Daar komt bij dat de rechtbank ten onrechte er vanuit gaat dat [betrokkene] één op één over de omzet van de B.V.'s kon beschikken en dat (gehele) bedrag als natuurlijk persoon in theorie (in zijn geheel) vrijelijk kon aanwenden.
20. Primair stelt de verdediging dat de rechtbank ten onrechte [betrokkene] vereenzelvigt met de rechtspersonen [A] B.V. en [C] B.V. Van vereenzelviging is slechts in bijzondere gevallen sprake. Het betreft een beperking van de vereenzelviging van (of met) de rechtspersoon tot situaties waarin er evident sprake is van misbruik van de rechtspersoonlijkheid.6.Van misbruik van een of meerdere rechtspersonen is in casu geen sprake. Daarnaast geldt dat de vennootschappen al actief waren ruim vóór 2008 en ook nog na de jaren 2008 en 2009.
21. Subsidiair, indien wordt overwogen dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wel van [betrokkene] kan worden ontnomen, geldt het volgende. Maar welk voordeel kan dan wél hoogstens worden toegerekend aan [betrokkene] ? Uw Hof heeft bij arrest van 10 juli 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BA9422 bij dit punt stilgestaan. Het punt over toerekening van voordeel van een B.V. aan een natuurlijk persoon, in die zaak een directeur grootaandeelhouder (DGA).
22. Allereerst heeft Uw Hof overwogen dat het voordeel van de B.V. becijferd dient te worden. Voorts heeft uw Hof (terecht) overwogen dat de veroordeelde (de DGA) van het door de desbetreffende B.V. verkregen voordeel niet méér heeft kunnen genieten dan hem in de vorm van een hoger salaris of een andersoortige onttrekking zou zijn toegevallen, aldus uw Hof.
23. Uw Hof ging er in die zaak "van uit dat (wanneer) hij (de veroordeelde) het tot een onttrekking zou hebben laten komen "rekening gehouden diende te worden met (a) vennootschapsbelasting en (b) dividendbelasting die in dat geval aan de orde zou zijn geweest". Als de DGA ervoor kiest om het voordeel via een onttrekking naar zich toe te halen, dan is dat in beginsel enkel mogelijk wanneer de B.V. daarover éérst vennootschapsbelasting afdraagt en de DGA daarover vervolgens dividendbelasting afdraagt. Uw Hof hanteerde een formule om het aan de DGA toe te rekenen voordeel (het voordeel dat hij zelf, door het persoonlijk te verzilveren zou hebben kunnen genieten of alsnog kan genieten):
Voordeel - (voordeel x percentage vennootschapsbelasting) x percentage dividendbelasting 24. Terug naar de onderliggende zaak. [betrokkene] heeft niet zelf genoten of zelf kunnen genieten van die gehele € 281.308,86 (incl. BTW). Dat staat gelet op bovenstaande genoegzaam vast.
25. Opmerking verdient voorts dat de twaalf (12) inkomende facturen omzet inclusief BTW behelst. Daar moeten nog de gemaakte kosten vanaf. In het ontnemingsrapport is opgenomen dat in 2008 80% van de behaalde (totaal) omzet afkomstig was van [D] B.V. De kosten die door [A] B.V. in totaliteit in 2008 zijn gemaakt, zien niet enkel op de 20% (totaal) omzet die niet afkomstig is van [D] B.V. In 2009 is blijkens het ontnemingsrapport 88%van de (totaal) omzet afkomstig van [D] B.V., dan wel de [E] B.V. Uiteraard zien de kosten die door [A] B.V. in totaliteit in 2009 zijn gemaakt niet enkel op de 12% (totaal) omzet die geen verband houdt met [D] B.V., dan wel de [E] B.V.
26. Anders dan de rechtbank, meent de verdediging dan ook dat wel degelijk acht geslagen moet worden op de gemaakte bedrijfskosten. Gelet op het reparatoire karakter meent de verdediging dat het het meest zuiver is om te kijken wat uiteindelijk het bedrijfsresultaat was voor de [A] B.V. dat (in theorie) aangewend kon worden ten behoeve van (mogelijke) dividenduitkering en het uitkeren van een managementvergoeding. Dat is dan het resultaat na de vennootschapsbelasting. In 2008 betreft dit een negatief resultaat van € 428 en in 2009 betreft dit een positief resultaat van € 68.484,00.7.
27. De B.V. zou dus enkel in 2009 tot dividend uitkering hebben kunnen overgaan. Op basis van het ontnemingsdossier en met inachtneming van de eerder genoemde formule van Uw Hof waarbij óók acht geslagen dient te worden op de dividendbelasting “die hij zelf door het persoonlijk te verzilveren zou hebben kunnen genieten of alsnog kan genieten" (van 15%) blijft alsdan een bedrag ad € 58.211,40 over dat [betrokkene] (uiteindelijk) zou hebben kunnen genieten. Over dit bedrag moet [betrokkene] vervolgens 25% inkomstenbelasting betalen. Dan resteert € 43.658,55.
28. Daarbovenop dient de managementvergoeding betrokken te worden die [betrokkene] is toegekomen, althans het percentage daarvan dat zien op de door de rechtbank bewezen verklaarde feiten. (…)
29. Vervolgens dient over deze bedragen inkomstenbelasting door [betrokkene] te worden betaald. Immers: enkel die bedragen kunnen daadwerkelijk worden uitgegeven door [betrokkene] als valt alsdan als zijn (mogelijke) voordeel aan te merken. Gelet op de werkzaamheden van [betrokkene] bij de gemeente Haarlemmermeer en zijn salaris in dat verband, zullen de extra inkomsten via [A] B.V. in 2008 (te weten: €: 16.000,00) én in 2009 (te weten: 30.800,00) vallen in de hoogste schijf van 52%.
30. Derhalve betreft het uiteindelijke bedrag dat door [betrokkene] daadwerkelijk kon worden uitgegeven in 2008: € 7.680,00 én in 2009: € 14.784,00.
31. In de meer subsidiaire lezing heeft [betrokkene] aldus als natuurlijk persoon in totaal een bedrag ad € 66.122,55 (€ 7.680,008.+ € 14.784,009.+ € 43.658, 5510.) aan voordeel genoten, dan wel kunnen genieten, ter zake van de facturen die aan de besloten vennootschap [A] B.V. zijn betaald.
32. Ten aanzien van de betalingen aan de eenmanszaak [B] heeft [betrokkene] zelf, zoals eerder betoogd, hoogstens een voordeel genoten ad € 36.443,04.
33. Aldus bedraagt in de subsidiaire lezing het totaal te ontnemen bedrag hoogstens € 102.565,59 (€ 66.122,55 + € 36.443,04).
Het hof heeft de ontnemingsvordering ter terechtzitting in hoger beroep behandeld en – als gezegd – bij arrest van 11 maart 2020 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 357.231,86 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat. Het hof heeft in dat verband het volgende overwogen:11.
“In de strafzaak is de betrokkene in hoger beroep veroordeeld voor, kort en zakelijk weergegeven, het vervalsen van facturen afkomstig van zijn besloten vennootschap [A] en zijn eenmanszaak [B] , om zodoende te verhullen dat sprake was van het als ambtenaar ontvangen van giften. Bewezenverklaard is dat de geldbedragen – zogenaamd betaald naar aanleiding van deze facturen – door twee verschillende ondernemers zijn betaald op de bankrekening van [A] , respectievelijk de privérekening van de betrokkene (en zijn vrouw).
Schatting van het aantal gewerkte uren Het verweer dat aan de inhoud van het dossier geen deugdelijke schatting kan worden ontleend van het aantal uren dat de betrokkene heeft besteed aan de nevenactiviteiten waarvoor hij factureerde, gaat niet op. In de strafzaak is bewezenverklaard dat de door betrokkene verstuurde facturen (geheel) vals zijn, omdat zij enkel dienden om te verhullen dat hij van zijn medeverdachten giften (ter hoogte van die in die valse facturen genoemde bedragen) ontving.
Fiscale aspecten Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt, dat de strafrechter bij de bepaling van het bedrag dat aan wederrechtelijk voordeel is verkregen, geen rekening dient te houden met de reeds geheven of nog te heffen belasting.12.De stelling van de raadsvrouw dat op het verkregen wederrechtelijk voordeel de reeds betaalde of nog te betalen belasting in mindering moet worden gebracht, vindt geen steun in het recht.
Voordeel voor betrokkene als natuurlijk persoon [A] De betrokkene was via [C] B.V. enig aandeelhouder en bestuurder van [A] . Als uitgangspunt heeft te gelden dat uit die omstandigheid niet zonder meer volgt dat het met deze onderneming genoten voordeel aan betrokkene kan worden toegerekend.13.Dat in de onderliggende zaak gronden aanwezig zijn om van dit uitgangspunt af te wijken, blijkt uit de volgende omstandigheden. Bewezenverklaard is dat de betrokkene als natuurlijk persoon, door middel van zijn ondernemingen, de bewezenverklaarde strafbare feiten heeft gepleegd. Hij ontving, als ambtenaar, omkopingsgeld, maar liet zich dat onder andere op de rekening van [A] uitbetalen. Vast staat verder dat de betrokkene in de bewezenverklaarde periode bij [A] als enige volledig beslissingsbevoegd was en dat hij als enige daadwerkelijk over die rekening kon beschikken.Het voorgaande betekent dat de vermogenspositie van [A] is verbeterd en dat het door [A] verkregen voordeel heeft kunnen leiden tot direct of indirect voordeel voor de betrokkene als directeur en enig aandeelhouder. Gelet op de structuur van de onderneming was dat voordeel ook daadwerkelijk voor hem beschikbaar. Dat voordeel kan naar het oordeel van het hof voorts aan betrokkene worden toegerekend, aangezien hij alle relevante beslissingen heeft genomen die tot het verkrijgen van het wederrechtelijk voordeel en tot verbetering van de vermogenspositie van de onderneming hebben geleid.14.
[B]Nu de betalingen aan de eenmanszaak [B] zijn overgemaakt op de privébankrekening van de betrokkene en hij deze bedragen steeds vrijwel onmiddellijk contant heeft opgenomen, hebben deze betalingen te gelden als voordeel dat direct en daadwerkelijk door betrokkene is verkregen.
Kosten Bij de bepaling van de hoogte van het voordeel kunnen alleen die kosten in mindering worden gebracht die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict en die redelijkerwijs voor aftrek in aanmerking komen. Nu de bedrijfskosten die door de betrokkene wellicht zijn gemaakt in het kader van het drijven van zijn onderneming [A] geen kosten zijn die uitsluitend in relatie staan tot de voltooiing van de strafbare feiten die door middel van de onderneming zijn gepleegd, zal het hof die kosten niet in mindering brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Voor zover het gaat om uren die besteed zouden zijn aan het opmaken van facturen en rapporten, is van belang dat het gaat om de uren die de betrokkene heeft besteed aan het camoufleren van de giften door het opmaken van de valse facturen. De betrokkene zou dan kosten in rekening brengen voor de uren die hij heeft besteed aan het plegen van de bewezen verklaarde strafbare feiten. Dergelijke bedragen komen redelijkerwijs niet voor aftrek in aanmerking.
Conclusie Het hof acht aannemelijk dat de betrokkene uit de onder 4, 5 en 6 bewezen verklaarde strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De schatting daarvan wordt ontleend aan het arrest in de strafzaak en aan de inhoud van de schriftelijke ‘Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht’ van 22 januari 2015 van de officier van justitie (…). Het hof is van oordeel dat het totaal aan geldbedragen dat staat vermeld op de 16 door betrokkene vervalste facturen – en welke bedragen daadwerkelijk zijn betaald op zijn privérekening dan wel op de bankrekening van [A] – heeft te gelden als door betrokkene verkregen wederrechtelijk voordeel. (…)”
3. Het eerste middel
3.1.
Het eerste middel valt uiteen in twee deelklachten.
Eerste deelklacht
3.2.
In de eerste plaats wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat de aan [A] B.V. betaalde bedragen aan de betrokkene als wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen worden toegerekend. Volgens de steller van het middel getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting en/of is dit oordeel niet begrijpelijk “nu het hof niet heeft aangehouden als maatstaf en/of niet heeft vastgesteld dat (de betrokkene) zonder meer en volledig heeft kunnen beschikken” over de in rekening gebrachte en ontvangen bedragen die voortvloeien uit de bewezenverklaarde feiten (het opmaken van valse facturen en ambtelijke omkoping).
3.3.
Vooropgesteld moet worden dat bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel als bedoeld in art. 36e Sr, uitgegaan dient te worden van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald.15.De enkele omstandigheid dat de rechtspersoon wederrechtelijk voordeel heeft verkregen kan niet zonder meer worden doorgetrokken naar andere betrokkenen als de bestuurder en enig aandeelhouder van de rechtspersoon. De rechtspersoon heeft immers een eigen, afgescheiden vermogen dat niet zonder meer kan worden vereenzelvigd met het vermogen van die bestuurder en enig aandeelhouder.16.Dat kan bijvoorbeeld wel het geval zijn wanneer is komen vast te staan dat die betrokkene zonder meer en volledig heeft kunnen beschikken over het vermogen van zijn bedrijf17.of wanneer hij feitelijk degene is die is bevoordeeld doordat hij de aan zijn rechtspersoon overgeboekte bedragen ten eigen bate heeft kunnen aanwenden.18.Dat kan ook het geval zijn wanneer die betrokkene als enig aandeelhouder en directeur van een rechtspersoon gelden van de rechtspersoon kon lenen zonder daartegenover de gebruikelijke zekerheden te hoeven stellen.19.
De ontnemingsrechter zal steeds aan de hand van de bijzondere omstandigheden van het geval moeten onderzoeken of de betrokkene daadwerkelijk direct of indirect voordeel20.heeft genoten uit het vermogen van de rechtspersoon.21.
3.4.
In de onderhavige zaak heeft het hof vastgesteld dat de betrokkene via [C] BV enig aandeelhouder en bestuurder was van [A] BV. Het hof heeft vervolgens – in overeenstemming met het zojuist geschetste toetsingskader – overwogen dat als uitgangspunt heeft te gelden dat uit die omstandigheid niet zonder meer volgt dat het met de onderneming genoten voordeel aan de betrokkene kan worden toegerekend. Het hof ziet echter gronden om het ontnemingsvoordeel van de rechtspersoon in dit geval wel toe te rekenen aan de betrokkene en het motiveert dit als volgt:
(i) In de onderliggende strafzaak is bewezen verklaard dat de betrokkene als natuurlijk persoon, door middel van zijn ondernemingen, de bewezenverklaarde strafbare feiten heeft gepleegd; hij ontving, als ambtenaar, omkopingsgeld, maar liet zich dat onder andere op de rekening van [A] BV uitbetalen.
(ii) Vast staat verder dat de betrokkene in de bewezenverklaarde periode bij [A] als enige volledig beslissingsbevoegd was en dat hij als enige daadwerkelijk over die rekening kon beschikken.
Het voorgaande betekent volgens het hof dat de vermogenspositie van [A] is verbeterd en dat het door [A] verkregen voordeel heeft kunnen leiden tot direct of indirect voordeel voor de betrokkene als directeur en enig aandeelhouder. Gelet op de structuur van de onderneming was dat voordeel ook daadwerkelijk voor hem beschikbaar. Dat voordeel kan naar het oordeel van het hof voorts aan betrokkene worden toegerekend, aangezien hij alle relevante beslissingen heeft genomen die tot het verkrijgen van het wederrechtelijk voordeel en tot verbetering van de vermogenspositie van de onderneming hebben geleid.
3.5.
Uit het oordeel van het hof volgt dat de betrokkene is bevoordeeld door de overboekingen naar [A] BV, dat hij die gelden ten eigen bate kon aanwenden en dat hij op die manier daadwerkelijk voordeel heeft genoten uit het vermogen van de rechtspersoon. Het hof heeft daarbij concrete omstandigheden genoemd die steun vinden in het onderliggende strafvonnis en de daarin gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft daarmee het onder 3.3 uiteengezette toetsingskader in acht genomen. Mede in het licht van hetgeen met betrekking tot de toerekening van het voordeel van de BV’s aan de betrokkene primair door de verdediging is aangevoerd – feitelijk niet meer inhoudende dan dat de betrokkene niet kan worden vereenzelvigd met [A] BV22.– was het hof niet gehouden zijn oordeel nader te motiveren.
3.6.
De eerste deelklacht faalt.
Tweede deelklacht
3.7.
De raadsvrouw heeft in hoger beroep subsidiair aangevoerd dat wanneer het hof van oordeel is dat het voordeel van de [A] vennootschappen ( [C] B.V. en [A] B.V.) wel aan de betrokkene kan worden toegerekend, het hof bij het vaststellen van de hoogte van dat voordeel rekening moet houden met de reeds te heffen en nog te heffen belasting. Betoogd is dat moet worden gekeken naar de vennootschapsbelasting die de BV’s verschuldigd zijn over de winst die zij hebben geboekt en vervolgens naar de eventuele dividenduitkering en managementvergoeding aan de betrokkene die ook weer worden belast in de vorm van respectievelijk dividendbelasting en inkomensbelasting.
3.8.
Het hof heeft dit verweer verworpen met de overweging dat uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de strafrechter bij de bepaling van het wederrechtelijk voordeel geen rekening dient te houden met de reeds geheven of nog te heffen belasting en verwijst in een voetnoot naar het arrest van de Hoge Raad van 17 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0947, NJ 1998/499. In dit arrest heeft de Hoge Raad met een beroep op de wetsgeschiedenis overwogen dat de strafrechter geen rekening hoeft te houden met fiscale consequenties bij het vaststellen van het ontnemingsbedrag omdat het ‘fiscale mechanisme’ in beginsel in staat is een eventuele disbalans zonder tussenkomst van de ontnemingsrechter te herstellen.
3.9.
Volgens de steller van het middel is dit oordeel niet begrijpelijk in het licht van hetgeen namens de betrokkene is aangevoerd over de nog te betalen vennootschapsbelasting en hij wijst in dit verband op HR 12 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:1, NJ 2021/89, m.nt. J.M. Reijntjes waarin – evenals in onderhavige zaak – in een ontnemingszaak namens de betrokkene is betoogd dat niet betrokkene maar de BV vennootschapsbelasting verschuldigd was geworden. Het hof had in die zaak – onder verwijzing naar de hoofdregel van NJ 1998/499 – geoordeeld dat die bij de B.V. ontstane belastingschuld niet in aanmerking behoefde te worden genomen bij de schatting van het door de betrokkene verkregen wederrechtelijk voordeel. De Hoge Raad achtte dit oordeel zonder nadere motivering niet begrijpelijk omdat het in NJ 1998/499 genoemde fiscale mechanisme berust op de veronderstelling dat het bedrag dat de betrokkene als wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen ook bij die betrokkene in de belastingheffing is of kan worden betrokken.23.
3.10.
De steller van het middel heeft een punt. Het fiscale mechanisme waar de Hoge Raad naar verwijst in NJ 1998/499 heeft alleen betrekking op belastingheffing bij de betrokkene en niet op belastingenheffing (met een andere heffingsgrondslag) bij anderen dan de betrokkene.24.Nu namens de betrokkene niet alleen is aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met inkomstenbelasting (hetgeen wel binnen ‘diens’ fiscale mechanisme zou vallen), maar tevens verweer is gevoerd met betrekking tot de door de BV te betalen vennootschapsbelasting (hetgeen niet binnen het fiscale mechanisme van betrokkene zou vallen), is het oordeel van het hof dat de strafrechter geen rekening hoeft te houden met fiscale consequenties omdat het ‘fiscale mechanisme’ in beginsel in staat is een eventuele disbalans zonder tussenkomst van de ontnemingsrechter te herstellen, onvoldoende gemotiveerd en niet zonder meer begrijpelijk.25.
3.11.
Dat betekent dat de tweede deelklacht slaagt.
4. Het tweede middel
4.1.
In het tweede middel wordt geklaagd over schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn in de cassatiefase doordat het hof de gedingstukken niet binnen acht maanden aan de Hoge Raad heeft ingezonden.
4.2.
Namens de betrokkene is op 19 maart 202026.beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 4 mei 2021 op de griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden met ruim vijf maanden is overschreden. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden. Het middel klaagt daarover terecht. Ambtshalve merk ik op dat inmiddels twee jaar is verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. De overschrijding van de redelijke termijn dient te leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting.27.
5. Conclusie
5.1.
De middelen slagen.
5.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑04‑2022
Met overneming van vetgedrukte tekst en cursivering en – doorgenummerde – voetnoten.
Vgl. HR 8 mei 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB1522, NJ 2001/507. Vgl. tevens HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5645, NJ 2012/348.
Vonnis rechtbank Noord-Holland d.d. 25 augustus 2016, p. 11.
Vgl. Vereenzelviging is volgens advocaat-generaal Wortel alleen toelaatbaar in gevallen waarin van een rechtspersoon gebruik is gemaakt met geen ander doel dan het ontgaan van de beperkingen waarmee degene die de rechtspersoon kon beheersen zelf werd geconfronteerd. Zie conclusie A-G Wortel bij HR 8 mei 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB1522, NJ 2001,507.
Vgl. de winst- en verliesrekening over 2009 van [A] B.V p. 5.
Managementvergoeding minus inkomstenbelastinging 2008.
Managementvergoeding minus inkomstenbelastinging 2009.
Totaal mogelijke dividenduitkering over de jaren 2008 en 2009.
Met overneming van vetgedrukte tekst en cursivering en – doorgenummerde – voetnoten.
Hoge Raad 17 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0947 en Hoge Raad 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:429.
Hoge Raad 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1522.
Vgl. Hoge Raad 21 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP8074 en Hoge Raad 21 december 2004,ECLI:NL:HR:2004:AR3658.
Vgl. onder meer HR 1 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AB7714, NJ 1998/242, m.nt. J.M. Reijntjes (rov. 4.3 en 4.4) en HR 25 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:763 (rov. 2.3).
Zie HR 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1522, NJ 2001/507, m.nt. Y. Buruma en HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5645, NJ 2012/348. Zie voor een stichting en haar bestuurders HR 25 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:763 (rov. 2.4.1).
HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5645, (r.o. 2.5); dit is ‘de maatstaf’ waar de steller van het middel naar verwijst. Vgl. ook HR 4 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7294 (rov. 3.3) waarin de HR in een zaak waar de betrokkene had verklaard dat hij te allen tijde over het gehele vermogen van al zijn bedrijven kon beschikken, het oordeel van het hof dat aannemelijk was geworden dat het de betrokkene was geweest die het totale wederrechtelijk genoten voordeel had genoten niet onbegrijpelijk achtte.
Hoge Raad 21 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3658 (rov. 5.3).
Zie conclusie AG Wortel (randnr. 4) voor HR 21 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP8074, NJ 2005/17.
Zo kan ontnemingsvoordeel van de rechtspersoon zich vertalen in andere voordelen dan directe vermogensaanwas in de privé-sfeer (van de directeur/groot aandeelhouder), zoals bijvoorbeeld een hogere waarde van de aandelen. Zie hierover de conclusie van AG Wortel, ECLI:NL:PHR:2001:AB1522 (randnr. 18) voorafgaand aan HR 8 mei 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB1522, NJ 2001/507, m.nt. Y. Buruma.
Vgl. Conclusie AG Wortel ECLI:NL:PHR:2007:AZ6695 (ov 15) JOW 2007/19 voorafgaand aan HR 13 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6695; HR 21 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP8074, NJ 2005/17, rov. 3.4; HR 4 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7294, JOW 2006/24, rov. 3.3, Zo ook conclusie AG Bleichrodt (ECLI:NL:PHR:2018:528, onder 29-30) voorafgaand aan HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1160 (vierde middel, dat door de HR is afgedaan met art. 81 RO).
Zie onder 2.6; ov. 15-20 uit het pleidooi.
HR 12 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:1, NJ 2021/89, m.nt. J.M. Reijntjes (rov. 2.5).
Vgl. HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3264; in die zaak ging het om de betaling van loon- en kansspelbelasting.
Zie voor een nadere uiteenzetting van het fiscale mechanisme de conclusie van AG Aben (randnr. 27) voorafgaand aan HR 12 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:1, NJ 2021/89, m.nt. J.M. Reijntjes.
Op 20 maart 2020 is een herstelakte rechtsmiddel opgemaakt vanwege een onjuist adresvermelding op de eerder opgemaakte akte van 19 maart 2020.
Nu ik in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak (20/01076) heb geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep kan geen compensatie worden toegepast in de hoofdzaak en kan in de onderhavige ontnemingszaak niet worden volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Beroepschrift 13‑08‑2021
Cassatieschriftuur ex artikel 437 juncto art. 511h Sv
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
GEEFT EERBIEDIG TE KENNEN DAT
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1961 en wonende aan de [adres] te ([postcode]) [woonplaats], verzoeker van cassatie van een hem betreffend arrest van het gerechtshof te Amsterdam met rolnummer 23/003202-16 (ontneming) en uitgesproken op 23 januari 2020, de volgende middelen voordraagt.
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen die met nietigheid worden bedreigd. In het bijzonder zijn art. 36e Sr en/of art. 511d t/m 511h Sv en/of art. 359 Sv, doordat de schatting en/of vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting inzake de toerekening en/of ontoereikend is gemotiveerd. Het oordeel dat de aan [A] B.V. betaalde bedragen aan verzoeker kunnen worden toegerekend getuigt in dat verband van een onjuiste rechtsopvatting en/of is dat oordeel niet begrijpelijk, nu het hof niet heeft aangehouden als maatstaf en/of niet heeft vastgesteld dat hij zonder meer en volledig heeft kunnen beschikken over dat (wederrechtelijk verkregen) voordeel. Voorts is het oordeel van het hof dat het fiscale mechanisme c.q. de belastingheffing bij de [A] vennootschappen ([C] B.V. en [A] B.V.). niet in aanmerking behoeft te worden genomen bij de schatting van het door verzoeker verkregen wederrechtelijk voordeel, niet begrijpelijk.
Toelichting
Ten aanzien van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het hof overwogen (arrest, p. 2–4):
‘Het hof overweegt als volgt.
In de strafzaak is de betrokkene in hoger beroep veroordeeld voor, kort en zakelijk weergegeven, het vervalsen van facturen afkomstig van zijn besloten vennootschap [A] en zijn eenmanszaak [B], om zodoende te verhullen dat sprake was van het als ambtenaar ontvangen van giften. Bewezenverklaard is dat de geldbedragen — zogenaamd betaald naar aanleiding van deze facturen — door twee verschillende ondernemers zijn betaald op de bankrekening van [A], respectievelijk de privérekening van de betrokkene (en zijn vrouw).
Schatting van het aantal gewerkte uren
Het verweer dat aan de inhoud van het dossier geen deugdelijke schatting kan worden ontleend van het aantal uren dat de betrokkene heeft besteed aan de nevenactiviteiten waarvoor hij factureerde, gaat niet op. In de strafzaak is bewezenverklaard dat de door betrokkene verstuurde facturen (geheel) vals zijn, omdat zij enkel dienden om te verhullen dat hij van zijn medeverdachten giften (ter hoogte van die in die valse facturen genoemde bedragen) ontving.
Fiscale aspecten
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt, dat de strafrechter bij de bepaling van het bedrag dat aan wederrechtelijk voordeel is verkregen, geen rekening dient te houden met de reeds geheven of nog te heffen belasting. De stelling van de raadsvrouw dat op het verkregen wederrechtelijk voordeel de reeds betaalde of nog te betalen belasting in mindering moet worden gebracht, vindt geen steun in het recht.
Voordeel voor betrokkene als natuurlijk persoon
Liberté
De betrokkene was via [C] B. V. enig aandeelhouder en bestuurder van [A]. Als uitgangspunt heeft te gelden dat uit die omstandigheid niet zonder meer volgt dat het met deze onderneming genoten voordeel aan betrokkene kan worden toegerekend. Dat in de onderliggende zaak gronden aanwezig zijn om van dit uitgangspunt af te wijken, blijkt uit de volgende omstandigheden. Bewezenverklaard is dat de betrokkene als natuurlijk persoon, door middel van zijn ondernemingen, de bewezenverklaarde strafbare feiten heeft gepleegd. Hij ontving, als ambtenaar, omkopingsgeld, maar liet zich dat onder andere op de rekening van [A] uitbetalen. Vast staat verder dat de betrokkene in de bewezenverklaarde periode bij [A] als enige volledig beslissingsbevoegd was en dat hij als enige daadwerkelijk over die rekening kon beschikken.
Het voorgaande betekent dat de vermogenspositie van [A] is verbeterd en dat het door [A] verkregen voordeel heeft kunnen leiden tot direct of indirect voordeel voor de betrokkéne als directeur en enig aandeelhouder. Gelet op de structuur van de onderneming was dat voordeel ook daadwerkelijk voor hem beschikbaar. Dat voordeel kan naar het oordeel van het hof voorts aan betrokkene worden toegerekend, aangezien hij alle relevante beslissingen heeft genomen die tot het verkrijgen van het wederrechtelijk voordeel en tot verbetering van de vermogenspositie van de onderneming hebben geleid.
[B]
Nu de betalingen aan de eenmanszaak [B] zijn overgemaakt op de privébankrekening van de betrokkene en hij deze bedragen steeds vrijwel onmiddellijk contant heeft opgenomen, hebben deze betalingen te gelden als voordeel dat direct en daadwerkelijk door betrokkene is verkregen.
Kosten
Bij de bepaling van de hoogte van het voordeel kunnen alleen die kosten in mindering worden gebracht die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict en die redelijkerwijs voor aftrek in aanmerking komen. Nu de bedrijfskosten die door de betrokkene wellicht zijn gemaakt in het kader van het drijven van zijn onderneming [A] geen kosten zijn die uitsluitend in relatie staan tot de voltooiing van de strafbare feiten die door middel van de onderneming zijn gepleegd, zal het hof die kosten niet in mindering brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Voor zover het gaat om uren die besteed zouden zijn aan het opmaken van facturen en rapporten, is van belang dat het gaat om de uren die de betrokkene heeft besteed aan het camoufleren van de giften door het opmaken van de valse facturen. De betrokkene zou dan kosten in rekening brengen voor de uren die hij heeft besteed aan het plegen van de bewezen verklaarde strafbare feiten. Dergelijke bedragen komen redelijkerwijs niet voor aftrek in aanmerking.
Conclusie
Het hof acht aannemelijk dat de betrokkene uit de onder 4, 5 en 6 bewezen verklaarde strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De schatting daarvan wordt ontleend aan het arrest in de strafzaak en aan de inhoud van de schriftelijke ‘Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht’ van 22 januari 2015 van de officier van justitie (hierna: het rapport). Het hof is van oordeel dat het totaal aan geldbedragen dat staat vermeld op de 16 door betrokkene vervalste facturen — en welke bedragen daadwerkelijk zijn betaald op zijn privérekening dan wel op de bankrekening van [A] — heeft te gelden als door betrokkene verkregen wederrechtelijk voordeel. Dit totaalbedrag is, zoals weergegeven in de berekening op pagina 8 van het rapport:
Datum | van | bedrag | Vindplaats corr. Factuur vindplaats |
|---|---|---|---|
28-apr-08 | [D] BV | € 17.825,00, | [001] |
8-jul-08 | [D] BV | € 5.911,92 | [002] |
15-sep-08 | [D] BV | € 7.486,29 | [003] |
17-nov-08 | [D] BV | € 28.870,59 | [004] |
22-dec-08 | [F] | BV € 19.596,00 | [005] |
11-mrt-09 | [D] | BV € 17.992,80 | [006] |
6-apr-09 | [D] | BV € 14.161,00 | [007] |
1-jun-09 | [D] | BV € 10.710,00 | [008] |
14-sep-09 | [D] | BV € 23.631,02 | [009] |
19-okt-09 | [D] | BV € 24,811,50 | [010] |
9-nov-09 | [D] | BV € 20.424,00 | [011] |
9-nov-09 | [E] | BV € 23.841,65 | [012] |
16-nov-09 | [D] | BV € 18.078,00 | [013] |
2-dec-09 | [E] | BV € 28.675,43 | [014] |
14-dec-09 | [D] | BV € 41.352,50 | [015] |
17-dec-09 | [E] | BV € 53.864,16 | [016] |
totaal | € 357.231,86 |
’
In de hoofdzaak is onder 4, 5 en 6 ten laste van verzoeker — kort gezegd — bewezen: ambtelijke omkoping en valsheid in geschrift, steeds meermalen gepleegd (zie het arrest in de hoofzaak p. 33–38).
Vereenzelviging en toerekening
Via de pleitnota voor de zitting van 9–10 januari 2020 (randnummer 379) en de conclusie van de verdediging in hoger beroep (door het hof ontvangen op 1 november 2019) is namens verzoeker naar voren gebracht dat — kort gezegd — verzoeker niet vereenzelvigd kan worden met ‘zijn’ vennootschappen [C] B.V. en [A] B.V. De beweerdelijk wegens omkoping verkregen omzet die in [A] vloeide, kon niet in z'n geheel worden toegerekend aan verzoeker (zie in het bijzonder de conclusie, randnummer 15 t/m 33). Het voormelde oordeel van het hof dat de gehele omzet die uit de bewezenverklaarde feiten door [A] is ontvangen aan verzoeker kan worden toegerekend, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of is niet zonder meer begrijpelijk.
Op zich heeft het hof onderkend dat vereenzelviging van verzoeker en de vennootschappen is uitgesloten. Sprake is immers van rechtspersonen met een afgescheiden vermogen. Maar voor zover het hof heeft gemeend dat verbetering van en zeggenschap over het vermogen van de vennootschap voldoende is voor toerekening van het voordeel aan de (achterliggende) natuurlijke persoon, getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. De maatstaf is immers of de veroordeelde zonder meer en volledig heeft kunnen beschikken over de in rekening gebrachte en ontvangen bedragen die voortvloeien uit de feiten 4, 5 en 6. Mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel, dient bij de bepaling van het voordeel te worden uitgegaan van het voordeel dat de veroordeelde in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald (NJ 1998/242). Zie over dat karakter laatstelijk W. de Zanger, De ontnemingsmaatregel toegepast (diss. Utrecht), 2018, hfdstk 3 (die natuurlijk onder meer de proefschriften van Borgers en Kooijmans aanhaalt). De ontnemingsmaatregel is louter rechtsherstellend en niet punitief van aard. Verzoeker wijst er op dat dus alleen het in strijd met het recht verkregen voordeel behoort te worden ontnomen, niet(s) meer.
Daarbij zij voor de toerekening in het bijzonder verwezen naar NJ 2012/348, r.o. 2.5:
‘Voor zover het Hof heeft onderkend dat de rechtspersoon een eigen, afgescheiden vermogen heeft doch aannemelijk heeft geacht dat de veroordeelde desalniettemin zonder meer en tot het volledig bedrag kan beschikken over het geld dat als resultaat van de bedrijfsvoering in het vermogen van de rechtspersoon is gevloeid, is dat oordeel zonder nadere motivering niet begrijpelijk.’
Zie eerder al NJ 2001/507, alsmede advocaat-generaal Wortel in dienst conclusie voor JOW 2007/19, punt 15:
‘Ingeval een wederrechtelijk verkregen voordeel terechtkomt in het vermogen van een onderneming, gedreven in een rechtsvorm waaraan de wet een zelfstandige rechtspersoonlijkheid toekent, zal de rechter aan de hand van de bijzondere omstandigheden van het geval moeten bepalen of het vermogen van die rechtspersoon zozeer kan worden vereenzelvigd met het vermogen van de veroordeelde, dat het voordeel kan worden geacht door de laatste te zijn genoten.
Er kan niet worden gezegd dat een wederrechtelijk voordeel nimmer aan een natuurlijke persoon is toe te rekenen indien dat voordeel tot de activa van een rechtspersoon is gaan behoren.’
Dat het hof heeft vastgesteld dat de vermogenspositie van [A] is verbeterd en dat verzoeker het als directeur en als enig aandeelhouder voor het zeggen had, maakt nog niet dat hij als natuurlijk persoon ook daadwerkelijk over het voordeel heeft beschikt c.q. dat voordeel onverkort heeft genoten. Aldus heeft het hof de verkeerde maatstaf aangehouden.
Voorts dan wel in ieder geval is de volledige toerekening niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij zij nogmaals expliciet gewezen op hetgeen namens verzoeker naar voren is gebracht. Dit komt er kort gezegd op neer dat die omzet gewoon door de BV('s) is gelopen. Het hof heeft ten onrechte niet vastgesteld welk deel van de verkregen omzet uiteindelijk bij verzoeker terecht is gekomen als resultaat. De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is derhalve in ieder geval ontoereikend gemotiveerd en de uiteindelijke vaststelling deelt dat lot. Daarbij zij ook gewezen op het volgende.
Fiscaal mechanisme
Het hof heeft overwogen dat de fiscale aspecten niet hoefden te worden meegenomen bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel (zie de overwegingen voormeld). Ook dat oordeel is in het onderhavige geval niet zonder meer begrijpelijk. Weliswaar heeft het hof met juistheid overwogen dat u al geruime tijd geleden heeft bepaald dat in de regel het zogeheten fiscale mechanisme niet behoeft te worden meegenomen bij de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel (zie NJ 1998/499). Maar recent heeft u met betrekking tot de verhouding van een natuurlijk persoon en een andere belastingplichtige (vennootschap), wat dat betreft overwogen (NJ 2021/89):
‘Het in deze overweging bedoelde fiscale mechanisme — dat meebrengt dat de rechter bij de bepaling van het als wederrechtelijk verkregen voordeel in aanmerking te nemen bedrag geen rekening houdt met de belastingheffing — berust op de veronderstelling dat het bedrag dat de betrokkene als wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen ook bij die betrokkene in de belastingheffing is, of kan worden, betrokken. Zoals hiervoor onder 2.2 is weergegeven, is namens de betrokkene echter aangevoerd dat niet de betrokkene maar [B] B.V. vennootschapsbelasting verschuldigd is geworden. Het op voornoemd fiscaal mechanisme gebaseerde oordeel van het hof dat die bij [B] B.V. ontstane belastingschuld niet in aanmerking behoeft te worden genomen bij de schatting van het door de betrokkene verkregen wederrechtelijk voordeel is daarom zonder nadere motivering niet begrijpelijk.’
In casu is iets soortgelijks aan de hand. Namens verzoeker is immers door de raadsvrouw betoogd dat niet alleen verzoeker maar vooral ook de vennootschap(pen) belasting verschuldigd is/zijn geweest. Aldus is niet alleen aangevoerd dat verzoeker belastingen heeft moeten afdragen over zijn inkomen, maar ook de [A] vennootschappen over de beweerdelijk ten onrechte gedeclareerde omzet alvorens aldus (netto) bedragen verzoeker zouden bereiken. Gewezen is op de btw en de vennootschapsbelasting. Het oordeel van het hof dat geen rekening behoeft te worden gehouden met de reeds geheven of nog te heffen belasting, is in casu niet te volgen. Ook hier geldt immers dat het daadwerkelijke voordeel dat verzoeker zou hebben genoten, niet gelijk gesteld kan worden aan de door [A] in rekening gebrachte en ontvangen omzet.
Slotsom
Het oordeel dat de aan [A] (Select B.V.) betaalde bedragen een op een aan verzoeker kunnen worden toegerekend als wederrechtelijk verkregen voordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting over die toerekening en/of is dat oordeel niet begrijpelijk, nu het hof niet heeft vastgesteld dat hij zonder meer en volledig heeft kunnen beschikken over dat (wederrechtelijk verkregen) voordeel. Voorts is het oordeel van het hof dat het fiscale mechanisme c.q. de belastingheffing bij de [A] vennootschappen ([C] B.V. en [A] B.V.). niet in aanmerking behoeft te worden genomen bij de schatting van het door verzoeker verkregen wederrechtelijk voordeel, in de gegeven omstandigheden niet begrijpelijk. Deze punten maken ieder voor zich, althans in onderling verband bezien, dat het arrest niet in stand kan blijven.
Middel II
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd die met nietigheid worden bedreigd. In het bijzonder is art. 6 EVRM geschonden nu in cassatie de redelijke (inzendings)termijn niet is gehaald. Er is op 20 maart 2020 cassatie ingesteld, terwijl de stukken van het geding pas bij de strafgriffie van de Hoge Raad zijn binnengekomen op 4 mei 2021.
Toelichting
Er is op 20 maart 2020 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn pas bij de strafgriffie van de Hoge Raad binnengekomen op 4 mei 2021. Aldus is de inzendingstermijn van — in casu — acht maanden ruimschoots niet gehaald. Sprake is van een overschrijding van die (redelijke) termijn met 5,5 maanden. Dit moet leiden tot de gebruikelijke strafvermindering, mocht het voormelde middel niet tot cassatie leiden.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. J.S. Nan, advocaat te Den Haag, die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker.
Den Haag, 13 augustus 2021
J.S. Nan