Hof ’s-Hertogenbosch 1 augustus 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3131.
HR, 04-02-2025, nr. 22/02923
ECLI:NL:HR:2025:118
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-02-2025
- Zaaknummer
22/02923
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:118, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑02‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1198
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2022:3131
ECLI:NL:PHR:2024:1198, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑11‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:118
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑08‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0039
NJ 2025/105 met annotatie van P.C. Vegter
Uitspraak 04‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Bezit van kinderporno (meermalen gepleegd), art. 240b.1 (oud) Sr. Toelaatbaarheid bijzondere voorwaarden m.b.t. het meewerken aan controle van gegevensdragers naar gedragingen van verdachte die in verband staan met kinderpornografisch materiaal, art. 14c.2.14 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:807 m.b.t. uitleg van gedragsvoorwaarde en vereisten voor het stellen daarvan en uit HR:2021:1403, inhoudende dat regelingen van art. 14c.3.b Sr en art. 6:3:14 Sv er niet aan in de weg staan dat bijzondere voorwaarde a.b.i. art. 14c.2.14 Sr wordt gesteld die ertoe strekt toezicht op andere door rechter o.g.v. art. 14c.2 Sr gestelde bijzondere voorwaarde(n) mogelijk te maken of te bevorderen. Bij het stellen van zo’n gedragsvoorwaarde moet zijn gewaarborgd dat toezicht niet leidt tot meer dan beperkte inbreuk op persoonlijke levenssfeer van veroordeelde. Daarbij komt betekenis toe aan vraag met welke frequentie en hoe controles van gegevensdragers mogen worden uitgevoerd en welke (politie)functionarissen daarbij betrokken mogen zijn (vgl. HR:2021:248). V.zv. middel klaagt dat hof preciezer had moeten omschrijven tot “welke delen van gegevensdragers” de reclassering haar controles moet beperken, miskent het dat zo’n beperking t.a.v. alle mogelijke (op moment van het stellen van voorwaarde nog onbekende) gegevensdragers, in de weg zou staan aan adequate controle op naleving van gestelde gedragsvoorwaarde. Ook v.zv. middel klaagt dat hof preciezer had moeten omschrijven “welke personen/instanties” de reclassering bij controle mag betrekken, faalt het. Door hof gestelde voorwaarde houdt in dat reclassering voor technische ondersteuning van controle een politieambtenaar die deskundig is op digitaal gebied of (tot geheimhouding verplichte) “externe” deskundige op digitaal gebied kan meenemen. Deze voorwaarde is, ook in het licht van wat hiervoor is overwogen, voldoende duidelijk. Door hof gestelde bijzondere voorwaarde voldoet ook voor het overige aan eisen die voortvloeien uit hiervoor weergegeven kader v.zv. deze ertoe strekken te voorkomen dat bij controles een meer dan beperkte inbreuk wordt gemaakt op persoonlijke levenssfeer van verdachte. In dat verband verdient opmerking dat het hier gaat om een aan verdachte i.h.k.v. zijn veroordeling opgelegde verplichting, die is beperkt tot de aan voorwaardelijke veroordeling verbonden proeftijd en direct verband houdt met het tegengaan van met bewezenverklaarde vergelijkbare gedragingen gedurende die proeftijd. Daarbij heeft hof duidelijke beperkingen aangebracht in frequentie en duur van onaangekondigde controles. Daarnaast heeft hof bepaald dat controle er niet toe strekt min of meer volledig beeld te krijgen van persoonlijk leven van verdachte en dat daarbij persoonlijke levenssfeer van verdachte zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. Mede in verband hiermee heeft hof bepaald dat controle uitsluitend is gericht op vraag of verdachte (overeenkomstig gestelde gedragsvoorwaarden) kinderpornografisch materiaal vermijdt. In dat verband verdient opmerking dat aan het waarborgen dat bij controles niet meer dan beperkte inbreuk op persoonlijke levenssfeer van veroordeelde wordt gemaakt, kan bijdragen dat (wordt voorgeschreven dat) controles (v.zv. mogelijk) geautomatiseerd worden gedaan met behulp van technisch hulpmiddel en dat uit schriftelijke verslaglegging van uitkomst van controles ook inrichting en omvang daarvan kunnen blijken. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02923
Datum 4 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 augustus 2022, nummer 20-000913-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.W. Heemskerk, advocaat in Roermond, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de door het hof gestelde bijzondere voorwaarden betreffende het meewerken aan de controle van gegevensdragers naar gedragingen van de verdachte die in verband staan met kinderpornografisch materiaal.
2.2.1
Het hof heeft de verdachte voor het op 10 februari 2020 in bezit hebben van – kort gezegd – beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik (kinderporno), meermalen gepleegd, veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van drie jaren met onder meer als bijzondere voorwaarden:
“veroordeelde onthoudt zich, op welke wijze dan ook, van:
- het (op digitale wijze) met een seksuele intentie communiceren met minderjarigen;
- gedrag dat is gericht op het zich begeven in een digitale omgeving waarin kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen;
- gedrag dat is gericht op het zich begeven in een digitale omgeving waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd.
De veroordeelde bespreekt tijdens de gesprekken met de reclassering hoe hij denkt dit gedrag te voorkomen. Om het toezicht op deze gedragsvoorwaarden mogelijk te maken, werkt de veroordeelde mee aan – onaangekondigde – controles van geautomatiseerde werken en/of gegevensdragers. De veroordeelde werkt mee aan deze controle tijdens huisbezoeken. Deze medewerking bestaat mede uit het op verzoek van de reclasseringsmedewerker ter beschikking stellen of overhandigen van al zijn gegevensdragers en/of geautomatiseerde werken (computers, smartphones en andere digitale gegevensdragers waarover de veroordeelde in zijn woning beschikt en waarop afbeeldingen kunnen worden opgeslagen of waarmee het internet kan worden benaderd) voor een periode van maximaal 3 achtereenvolgende werkdagen en het toegang verlenen tot die gegevensdragers en/of geautomatiseerde werken (bijvoorbeeld door het geven van de benodigde wachtwoorden) aan de reclassering of aan de hierna te noemen, door de reclassering uit te nodigen, deskundige op digitaal gebied. Deze controles mogen gedurende de proeftijd van 3 jaren maximaal 2 keer per jaar worden uitgevoerd, waarbij de persoonlijke levenssfeer van de veroordeelde zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De controle is gericht op de vraag of de veroordeelde kinderpornografisch materiaal vermijdt en strekt niet verder dan dat. De controle strekt er in het bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de veroordeelde. De reclassering kan voor de technische ondersteuning van de controle een deskundige op digitaal gebied meenemen, ook als dit een politieambtenaar is die deskundig is op digitaal gebied. Indien de door de reclassering meegenomen deskundige geen politieambtenaar betreft maar een externe partij is deze persoon tot geheimhouding verplicht. Bij de controle kan gebruik worden gemaakt van een hulpmiddel dat een indicatie geeft of kinderpornografisch materiaal aanwezig is.”
2.2.2
Het hof heeft over de strafoplegging onder meer overwogen:
“Bijzondere voorwaarden
Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zullen voorts bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.
De reclassering heeft bij reclasseringsadvies van 10 maart 2021 een aantal bijzondere voorwaarden geadviseerd, te weten een meldplicht, een ambulante behandeling en het vermijden van kinderporno. Het hof neemt deze adviezen integraal over, omdat het hof gezien de proceshouding van de verdachte in het licht van het bewezenverklaarde de vrees voor herhaling geenszins kan negeren.
Met het verbinden van bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke gevangenisstraf – naast de algemene – beoogt het hof dan ook verdachte in de toekomst ervan te weerhouden opnieuw tot het plegen van strafbare feiten over te gaan. Voor wat betreft het vermijden van kinderporno heeft de reclassering gespecificeerd dat de verdachte zich voortaan dient te onthouden van seksueel getint communiceren met minderjarigen, van gedrag dat is gericht op een digitale omgeving waarin kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen alsmede van gedrag dat is gericht op een digitale omgeving waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd. De reclassering adviseert de verdachte ertoe te verplichten tijdens de gesprekken met de reclassering te bespreken hoe hij denkt dit gedrag te voorkomen. De reclassering stelt dat het toezicht op deze gedragsvoorwaarden kan bestaan uit onder andere controles van computers en andere apparatuur, waaraan de verdachte dient mee te werken tijdens een huisbezoek.
Het toekomstig verplichten van de verdachte tot meewerken aan controles van diens computers, smartphones en andere digitale gegevensdragers waarover hij alsdan in zijn woning beschikt en waarop afbeeldingen kunnen worden opgeslagen of waarmee het internet kan worden benaderd zou in potentie een grote inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte als gebruiker van geautomatiseerde werken en digitale gegevensdragers meebrengen. Daarom moet bij dergelijke controles van gegevensdragers worden gewaarborgd dat de persoonlijke levenssfeer van een gebruiker niet verdergaand wordt beperkt dan nodig is voor het beoogde toezicht. Bij arrest van 31 mei 2022 (ECLI:NL:HR:2022:807) heeft de Hoge Raad herhaald dat de rechter zich daarvan rekenschap moet geven.
Teneinde de persoonlijke levenssfeer niet verdergaand te beperken dan nodig is voor het toezicht op zijn – kort gezegd – toekomstig computergebruik zal het hof een maximale hoeveelheid van controles van geautomatiseerde werken en digitale gegevensdragers bepalen, evenals de duur van het aantal dagen dat verdachte zijn gegevensdragers voor de controle ter beschikking moet stellen. Met de hierna in het dictum vermelde modaliteit wordt getracht te bereiken dat maximale vrijheid wordt gegeven aan de reclassering om onaangekondigde controles van geautomatiseerde werken en digitale gegevensdragers uit te voeren en daarmee te voorkomen dat de verdachte zijn gedrag kan aanpassen aan het aantal en de frequentie van deze controles. De verdachte dient mee te werken aan deze controles van zijn digitale gegevensdragers tijdens huisbezoeken van de reclassering. Hij verschaft bij die controles de toegang tot computers, smartphones en andere digitale gegevensdragers waarover hij in zijn woning beschikt en waarop afbeeldingen kunnen worden opgeslagen of waarmee het internet kan worden benaderd. Ook verstrekt hij bij de controle wachtwoorden die voor die controles nodig zijn. Voorts is van belang daarbij dat de controles louter kunnen en zullen zijn gericht op de vraag of de verdachte kinderpornografisch materiaal vermijdt. De controles zullen er in het bijzonder niet toe mogen strekken een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de verdachte.
Ten slotte zal het hof bepalen dat de reclassering zich ten behoeve van deze controles kan voorzien van technische ondersteuning door een deskundige op digitaal gebied mee te nemen, ook als dit een politieambtenaar is die deskundig is op digitaal gebied. Daarbij moet door die deskundige worden voldaan aan de in het dictum vermelde voorwaarden.
Het hof overweegt tot slot nog het volgende.
Indien bij toekomstige controles volgens de deskundige sprake is van kinderpornografisch materiaal op een of meer gegevensdragers, kan dit betekenen dat de verdachte zich én niet heeft gehouden aan het gedragsvoorschrift én het vermoeden van een strafbaar feit ontstaat. Daarop dient alsdan door de reclassering/politieambtenaar te worden gehandeld door in overleg te treden met de advocaat-generaal over verdere stappen in het kader van het toezicht en de opsporing.”
2.3.1
De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.
“1. Toepassing van artikel 14a geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
2. Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:
(...)
14°. andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende.
3. Indien bij de toepassing van artikel 14a een bijzondere voorwaarde is gesteld, zijn daaraan van rechtswege de voorwaarden verbonden dat de veroordeelde:
(...)
b. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in het zesde lid, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
(...)
6. De rechter kan opdracht geven dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan begeleidt.”
“1. Het openbaar ministerie is belast met het toezicht op de naleving van:
a. voorwaarden die zijn gesteld bij:
(...)
4°. een veroordeling waarin de rechter heeft bepaald dat de straf of maatregel of een gedeelte daarvan niet zal worden tenuitvoergelegd (...).
3. De onder toezicht gestelde is verplicht medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht. Bij het houden van toezicht stelt de gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert of de reclasseringsinstelling de identiteit van de veroordeelde vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid.”
2.3.2
Een bijzondere voorwaarde als bedoeld in artikel 14c lid 2, aanhef en onder 14°, Sr moet het gedrag van de veroordeelde betreffen (hierna ook: gedragsvoorwaarde). Het gaat daarbij om voorwaarden die strekken ter bevordering van goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht. Onder ‘voorwaarden die strekken ter bevordering van goed levensgedrag van de veroordeelde’ moeten daarbij worden verstaan voorwaarden die strekken tot het voorkomen van strafbaar gedrag van de veroordeelde. Bij ‘voorwaarden die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht’ gaat het om voorwaarden die een gedraging van de veroordeelde betreffen waartoe hij naar aanleiding van het bewezenverklaarde feit uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden is, bijvoorbeeld jegens slachtoffers van het bewezenverklaarde feit. De gedragsvoorwaarde moet voldoende precies het daarin vervatte gedragsvoorschrift formuleren. Zij mag echter niet gedrag van de veroordeelde omvatten dat in feite overeenkomt met het meewerken aan door de politie uit te oefenen veelomvattende en ingrijpende dwangmiddelen. (Vgl. HR 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:807.)
2.3.3
Op grond van artikel 14c lid 3, aanhef en onder b, Sr is aan het stellen van een bijzondere voorwaarde van rechtswege onder meer de voorwaarde verbonden dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c lid 6 Sr. Daarnaast voorziet artikel 6:3:14 Sv in voorschriften en bevoegdheden in verband met het toezicht op de naleving van aan een voorwaardelijke veroordeling verbonden voorwaarden. Deze regelingen staan er niet aan in de weg dat – voor zover dat, gelet op de mogelijkheden die de zojuist genoemde wettelijke bepalingen al bieden, aangewezen is – een gedragsvoorwaarde wordt gesteld die een gedraging van de veroordeelde betreft en die ertoe strekt het toezicht op (een) andere door de rechter op grond van artikel 14c lid 2 Sr gestelde bijzondere voorwaarde(n) mogelijk te maken of te bevorderen. Ook hierbij geldt dat het moet gaan om een voldoende precies geformuleerd gedragsvoorschrift. Dat gedragsvoorschrift mag niet verder strekken dan voor het toezicht op de naleving van de andere bijzondere voorwaarde(n) noodzakelijk is. (Vgl. HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1403). Bij het stellen van zo’n gedragsvoorwaarde moet zijn gewaarborgd dat het toezicht niet leidt tot een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de veroordeelde. Daarbij komt betekenis toe aan de vraag met welke frequentie en hoe de controles van de gegevensdragers mogen worden uitgevoerd en welke (politie)functionarissen daarbij betrokken mogen zijn. (Vgl. HR 9 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:248).
2.4.1
Het hof heeft gedragsvoorwaarden gesteld die inhouden dat de verdachte zich onthoudt van het, op welke wijze dan ook, met een seksuele intentie communiceren met minderjarigen en van gedrag dat is gericht op het zich begeven in een digitale omgeving waarin kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen of waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd. Daarnaast heeft het hof de onder 2.2.1 weergegeven bijzondere voorwaarde gesteld die ertoe strekt het toezicht op deze gedragsvoorwaarden mogelijk te maken door de verdachte te verplichten mee te werken aan onaangekondigde controles op zijn gegevensdragers.
2.4.2
Voor zover het cassatiemiddel klaagt dat het hof preciezer had moeten omschrijven tot “welke delen van de gegevensdragers” de reclassering haar controles moet beperken, miskent het dat zo’n beperking ten aanzien van alle mogelijke – op het moment van het stellen van de voorwaarde nog onbekende – gegevensdragers, in de weg zou staan aan een adequate controle op de naleving van de gestelde gedragsvoorwaarde.Ook voor zover het cassatiemiddel klaagt dat het hof preciezer had moeten omschrijven “welke personen/instanties” de reclassering bij de controle mag betrekken, faalt het. De door het hof gestelde voorwaarde houdt in dat de reclassering voor de technische ondersteuning van de controle een politieambtenaar die deskundig is op digitaal gebied of een – tot geheimhouding verplichte – ‘externe’ deskundige op digitaal gebied kan meenemen. Deze voorwaarde is, ook in het licht van wat hiervoor onder 2.3.2 en 2.3.3 is overwogen, voldoende duidelijk.De door het hof gestelde bijzondere voorwaarde voldoet ook voor het overige aan de eisen die voortvloeien uit het onder 2.3.2 en 2.3.3 weergegeven kader voor zover deze ertoe strekken te voorkomen dat bij de controles een meer dan beperkte inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. In dat verband verdient opmerking dat het hier gaat om een aan de verdachte in het kader van zijn veroordeling opgelegde verplichting, die is beperkt tot de aan de voorwaardelijke veroordeling verbonden proeftijd en direct verband houdt met het tegengaan van met het bewezenverklaarde vergelijkbare gedragingen gedurende die proeftijd. Daarbij heeft het hof duidelijke beperkingen aangebracht in de frequentie en de duur van de onaangekondigde controles. Daarnaast heeft het bepaald dat de controle er niet toe strekt een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de verdachte en dat daarbij de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. Mede in verband hiermee heeft het hof bepaald dat de controle uitsluitend is gericht op de vraag of de verdachte – overeenkomstig de gestelde gedragsvoorwaarden – kinderpornografisch materiaal vermijdt.In dat verband verdient opmerking dat aan het waarborgen dat bij de controles niet een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de veroordeelde wordt gemaakt, kan bijdragen dat (wordt voorgeschreven dat) de controles – voor zover mogelijk – geautomatiseerd worden gedaan met behulp van een technisch hulpmiddel en dat uit een schriftelijke verslaglegging van de uitkomst van de controles ook de inrichting en de omvang daarvan kunnen blijken.
2.5
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 228 uren beloopt, subsidiair 114 dagen hechtenis;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2025.
Conclusie 12‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Art. 240b Sr (oud). Middel over (vormgeving toezicht op) bijzondere voorwaarden. Plv. AG is van mening dat middel faalt. Middel over schending inzendtermijn slaagt, ambtshalve opm. plv. AG over rt. Conclusie strekt tot strafvermindering en verwerping voor het overige.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02923
Zitting 12 november 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 1 augustus 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens "een gegevensdrager bevattende afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken in bezit hebben, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van drie jaar en deels hieronder te bespreken bijzondere voorwaarden, en een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van drie voorwerpen. Een en ander als nader in het arrest bepaald.1.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J.W. Heemskerk, advocaat in Roermond, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het tweede middel
2.
2.1
Het middel heeft betrekking op een van de bijzondere voorwaarden die aan de voorwaardelijke gevangenisstraf is verbonden.2.Het bevat de klacht dat deze voorwaarde onvoldoende precies is geformuleerd. Meer in het bijzonder wordt geklaagd dat
(i) preciezer omschreven had moeten worden welke delen van de gegevensdragers door de reclassering mogen worden onderzocht; en
(ii) welke personen/instanties door de reclassering (voor de technische ondersteuning) als externe deskundigen op digitaal gebied kunnen worden aangemerkt.
De bijzondere voorwaarde(n)
2.2
Het hof heeft in het dictum een drietal gedragsvoorwaarden opgenomen (genummerd als A, B en C). De klachten in cassatie hebben betrekking op de derde gedragsvoorwaarde (C). Deze luidt als volgt:
“veroordeelde onthoudt zich, op welke wijze dan ook, van:
het (op digitale wijze) met een seksuele intentie communiceren met minderjarigen;
gedrag dat is gericht op het zich begeven in een digitale omgeving waarin kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen;
gedrag dat is gericht op het zich begeven in een digitale omgeving waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd”
2.3
De cassatieklachten hebben niet zozeer betrekking op deze voorwaarde als zodanig, maar op de wijze waarop het toezicht hierop wordt vormgegeven. Het hof heeft daaromtrent aanvullende gedragsvoorwaarden gesteld:
“De veroordeelde bespreekt tijdens de gesprekken met de reclassering hoe hij denkt dit gedrag te voorkomen. Om het toezicht op deze gedragsvoorwaarden mogelijk te maken, werkt de veroordeelde mee aan - onaangekondigde - controles van geautomatiseerde werken en/of gegevensdragers. De veroordeelde werkt mee aan deze controle tijdens huisbezoeken. Deze medewerking bestaat mede uit het op verzoek van de reclasseringsmedewerker ter beschikking stellen of overhandigen van al zijn gegevensdragers en/of geautomatiseerde werken (computers, smartphones en andere digitale gegevensdragers waarover de veroordeelde in zijn woning beschikt en waarop afbeeldingen kunnen worden opgeslagen of waarmee het internet kan worden benaderd) voor een periode van maximaal 3 achtereenvolgende werkdagen en het toegang verlenen tot die gegevensdragers en/of geautomatiseerde werken (bijvoorbeeld door het geven van de benodigde wachtwoorden) aan de reclassering of aan de hierna te noemen, door de reclassering uit te nodigen, deskundige op digitaal gebied. Deze controles mogen gedurende de proeftijd van 3 jaren maximaal 2 keer per jaar worden uitgevoerd, waarbij de persoonlijke levenssfeer van de veroordeelde zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De controle is gericht op de vraag of de veroordeelde kinderpornografisch materiaal vermijdt en strekt niet verder dan dat. De controle strekt er in het bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de veroordeelde. De reclassering kan voor de technische ondersteuning van de controle een deskundige op digitaal gebied meenemen, ook als dit een politieambtenaar is die deskundig is op digitaal gebied. Indien de door de reclassering meegenomen deskundige geen politieambtenaar betreft maar een externe partij is deze persoon tot geheimhouding verplicht. Bij de controle kan gebruik worden gemaakt van een hulpmiddel dat een indicatie geeft of kinderpornografisch materiaal aanwezig is.”
Juridisch kader
2.4
Het gaat in deze zaak om problematiek die in de afgelopen jaren meermaals in cassatie aan de orde is geweest, namelijk de vraag aan welke eisen een door de rechter te formuleren gedragsvoorwaarde moet voldoen die een veroordeelde verplicht tot medewerking aan een onderzoek van de door hem gebruikte gegevensdragers en dergelijke. Meestal gaat het dan om controle op activiteiten die verband houden met kinderporno of online seksuele handelingen met kinderen. Deze rechtspraak van de Hoge Raad is ook uitgebreid in verschillende conclusies besproken.3.Voor het volledige algemene juridisch kader en achtergronden verwijs ik naar die conclusies en de relevante arresten, met name HR 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:807, en HR 29 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1763.
2.5
Deze rechtspraak zou ik als volgt willen samenvatten. Art. 14c lid 2, aanhef en onder 14°, Sr maakt het mogelijk om aan een voorwaardelijk opgelegde straf een voorwaarde te verbinden die het gedrag van de veroordeelde betreft en die ertoe strekt het toezicht op een (andere) door de rechter op grond van art. 14c lid 2 Sr gestelde bijzondere voorwaarde mogelijk te maken of te bevorderen (toezichtsvoorwaarde).4.Een dergelijke voorwaarde dient echter aan een aantal eisen te voldoen.
(i) Er moet sprake zijn van een doelbinding. Het moet dus duidelijk zijn op welke andere bijzondere voorwaarde wordt beoogd toezicht te houden5.en dat, in het geval van controle van gegevensdragers, het verschaffen van toegang tot de woning en de gegevensdragers beperkt dient te blijven tot het toezicht op die bijzondere voorwaarde.6.
(ii) Voldaan dient te zijn aan de eis van subsidiariteit. Het voorschrift mag niet verder strekken dan noodzakelijk is voor het toezicht7.en in dat verband dient ook duidelijk te zijn hoe de toezichtsvoorwaarde zich verhoudt tot de andere al beschikbare mogelijkheden om toezicht te houden op de naleving van die voorwaarden.8.
(iii) De voorwaarde dient voldoende precies te zijn geformuleerd.9.Dit geldt ook voor de wijze van onderzoek10., voor de functionarissen die het onderzoek mogen uitvoeren11.en voor de frequentie en eventueel maximaal aantal uit te voeren onderzoeken.12.
(iv) Daarbij dient te worden gewaarborgd dat de persoonlijke levenssfeer van de verdachte niet verdergaand wordt beperkt dan nodig is voor het beoogde toezicht.13.Die inbreuk dient ook niet meer dan beperkt te zijn.14.Ik begrijp de rechtspraak zo dat de drie hiervoor genoemde eisen (mede) tot doel hebben een dergelijk beperkte inbreuk te bewerkstelligen.
2.6
Tegelijkertijd erkent de Hoge Raad dat controles ook effectief moeten zijn. Zo mocht het hof volgens HR 29 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1763 rov. 2.5.2, met de gestelde voorwaarde bereiken dat “maximale vrijheid wordt gegeven aan de reclassering om te voorkomen dat de verdachte zijn gedrag kan aanpassen aan het aantal en de frequentie van deze controles”.
De bespreking van het middel
2.7
Hoewel het cassatiemiddel slechts ziet op twee aspecten van het door mij geschetste kader namelijk de wijze van uitvoeren van de controles en de functionarissen die dit mogen doen, ga ik toch eerst in op de hele gestelde voorwaarde. Naar het mij voorkomt dient een toezichtsvoorwaarde in zijn geheel te worden bezien. Met name als het gaat om de beperking van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer kunnen verschillende onderdelen van de voorwaarden elkaar aanvullen.
2.8
Het hof heeft zich rekenschap gegeven van de eisen die aan een toezichtsvoorwaarde moeten worden gesteld. Dit blijkt uit de strafmotivering, die onder andere inhoudt:
““Bijzondere voorwaarden
Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zullen voorts bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.
De reclassering heeft bij reclasseringsadvies van 10 maart 2021 een aantal bijzondere voorwaarden geadviseerd, te weten een meldplicht, een ambulante behandeling en het vermijden Van kinderporno. Het hof neemt deze adviezen integraal over, omdat het hof gezien de proceshouding van de verdachte in het licht van het bewezenverklaarde de vrees voor herhaling geenszins kan negeren.
Met het verbinden van bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke gevangenisstraf - naast de algemene - beoogt het hof dan ook verdachte in de toekomst ervan te weerhouden opnieuw tot het plegen van strafbare feiten over te gaan. Voor wat betreft het vermijden van kinderporno heeft de reclassering gespecificeerd dat de verdachte zich voortaan dient te onthouden van seksueel getint communiceren met minderjarigen, van gedrag dat is gericht op een digitale omgeving waarin kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen alsmede van gedrag dat is gericht op een digitale omgeving waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd. De reclassering adviseert de verdachte ertoe te verplichten tijdens de gesprekken met de reclassering te bespreken hoe hij denkt dit gedrag te voorkomen. De reclassering stelt dat het toezicht op deze gedragsvoorwaarden kan bestaan uit onder andere controles van computers en andere apparatuur, waaraan de verdachte dient mee te werken tijdens een huisbezoek.
Het toekomstig verplichten van de verdachte tot meewerken aan controles van diens computers, smartphones en andere digitale gegevensdragers waarover hij alsdan in zijn woning beschikt en waarop afbeeldingen kunnen worden opgeslagen of waarmee het internet kan worden benaderd zou in potentie een grote inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte als gebruiker van geautomatiseerde werken en digitale gegevensdragers meebrengen. Daarom moet bij dergelijke controles van gegevensdragers worden gewaarborgd dat de persoonlijke levenssfeer van een gebruiker niet verdergaand wordt beperkt dan nodig is voor het beoogde toezicht. Bij arrest van 31 mei 2022 (ECLI:NL:HR:2022:807) heeft de Hoge Raad herhaald dat de rechter zich daarvan rekenschap moet geven.
Teneinde de persoonlijke levenssfeer niet verdergaand te beperken dan nodig is voor het toezicht op zijn - kort gezegd- toekomstig computergebruik zal het hof een maximale hoeveelheid van controles van geautomatiseerde werken en digitale gegevensdragers bepalen, evenals de duur van het aantal dagen dat verdachte zijn gegevensdragers voor de controle ter beschikking moet stellen. Met de hierna in het dictum vermelde modaliteit wordt getracht te bereiken dat maximale vrijheid wordt gegeven aan de reclassering om onaangekondigde controles van geautomatiseerde werken en digitale gegevensdragers uit te voeren en daarmee te voorkomen dat de verdachte zijn gedrag kan aanpassen aan het aantal en de frequentie van deze controles. De verdachte dient mee te werken aan deze controles van zijn digitale gegevensdragers tijdens huisbezoeken van de reclassering. Hij verschaft bij die controles de toegang tot computers, smartphones en andere digitale gegevensdragers waarover hij in zijn woning beschikt en waarop afbeeldingen kunnen worden opgeslagen of waarmee het internet kan worden benaderd. Ook verstrekt hij bij de controle wachtwoorden die voor die controles nodig zijn. Voorts is van belang daarbij dat de controles louter kunnen en zullen zijn gericht op de vraag of de verdachte kinderpornografisch materiaal vermijdt. De controles zullen er in het bijzonder niet toe mogen strekken een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de verdachte.
Ten slotte zal het hof bepalen dat de reclassering zich ten behoeve van deze controles kan voorzien van technische ondersteuning door een deskundige op digitaal gebied mee te nemen, ook als dit een politieambtenaar is die deskundig is op digitaal gebied. Daarbij moet door die deskundige worden voldaan aan de in het dictum vermelde voorwaarden.
Het hof overweegt tot slot nog het volgende.
Indien bij toekomstige controles volgens de deskundige (sprake is van kinderpornografisch materiaal op een of meer gegevensdragers, kan dit betekenen dat de verdachte zich en niet heeft gehouden aan het gedragsvoorschrift en het vermoeden van een strafbaar feit ontstaat. Daarop dient alsdan door de reclassering/politieambtenaar te worden gehandeld door in overleg te treden met de advocaat-generaal over verdere stappen in het kader van het toezicht en de opsporing.”
2.9
Dit heeft geleid tot de hiervoor onder 2.3 aangehaalde voorwaarde, die als volgt kan worden ontleed en waarin de vier door mij samengevatte eisen tot uitdrukking komen:
- het toezicht heeft enkel betrekking op de onder 2.2 genoemde gedragsvoorwaarde, waarbij dit nader is beperkt doordat de controle moet zijn gericht op de vraag of de verdachte kinderpornografisch materiaal vermijdt en niet verder mag gaan dan dat;
- de controles zien op in de woning aanwezige gegevensdragers en andere geautomatiseerde werken waarmee afbeeldingen kunnen worden opgeslagen of waarmee het internet kan worden benaderd;
- de verdachte dient deze apparaten af te geven voor een termijn van maximaal drie werkdagen;
- controle vindt plaats tijdens een huisbezoek, waarbij de reclassering voor de technische ondersteuning een deskundige op digitaal gebied, ook een politieambtenaar die deskundig is, kan uitnodigen. Het initiatief ligt dus bij de reclassering. Deze personen hebben een geheimhoudingsplicht;
- het onderzoek vindt plaats door de reclassering en/of ondersteuning toegang tot de apparaten te verlenen, waarbij deze personen gebruik kunnen maken van een hulpmiddel dat een indicatie geeft of kinderpornografisch materiaal aanwezig is;
- controles mogen niet vaker plaatsvinden dan twee keer per jaar, drie jaar lang;
- ten slotte dient de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zoveel mogelijk te worden geëerbiedigd en mogen de controles er niet toe strekken een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de verdachte.
2.10
Ik bespreek nu als eerste de tweede deelklacht. Het hof heeft voor zover hier relevant de nadere bepaling aangebracht dat de reclassering bij het onderzoek een “deskundige op digitaal gebied” mag uitnodigen. Dat is volgens de steller van het middel onvoldoende precies.15.Het hof had volgens hem nader moeten bepalen “welke personen/instanties door de reclassering (voor de technische ondersteuning) als externe deskundigen op digitaal gebied kunnen worden aangemerkt.”
2.11
Ik kan de steller van het middel hierin niet volgen. Het is welhaast onvermijdelijk dat de reclassering bij het uitoefenen van het toezicht geregeld gebruik maakt van (externe) deskundigen, bijvoorbeeld omdat de reclassering zelf de capaciteit en/of deskundigheid mist.16.Daarbij heeft het hof bepaald dat het alleen mag gaan gaan om personen die over de deskundigheid beschikken om het beschreven onderzoek uit te voeren, waarbij de reclassering en niet een andere instantie de regie heeft over wie wordt meegenomen. Verder heeft het hof bepaald dat deze personen een geheimhoudingsplicht dienen te hebben. Ik zie niet in waarom het hof nader had moeten aanduiden welke “personen/instanties” als deskundigen aangemerkt kunnen worden en/of welk, met de persoonlijke levenssfeer van de verdachte verband houdend, belang hiermee gediend zou zijn. De steller van het middel licht dit ook niet toe.
2.12
De tweede deelklacht faalt.
2.13
Dan de eerste deelklacht. Het hof heeft over het soort onderzoek dat bij controles mag worden verricht een aantal beperkingen aangebracht. Ten eerste ten aanzien van het soort gegevensdragers dat mag worden onderzocht, ten tweede ten aanzien van de aard van het onderzoek. Over dit laatste heeft het hof bepaald dat de controle “is gericht op de vraag of de veroordeelde kinderpornografisch materiaal vermijdt en (…) niet verder [strekt] dan dat”. De steller van het middel meent opnieuw dat dit onvoldoende precies is omdat het hof volgens hem nader had moeten bepalen “welke delen van de gegevensdragers door de reclassering mogen worden onderzocht.”
2.14
De steller van het middel vindt mij ook hier niet aan zijn zijde. Welke delen van de gegevensdrager dienen te worden onderzocht is al bepaald door de aangehaalde doelstelling. Die delen die geen antwoord kunnen geven op de vraag of de verdachte kinderpornografisch materiaal vermijdt, mogen niet worden onderzocht. De impliciete opvatting dat de rechter ertoe gehouden zou zijn voor nog andere delen te bepalen dat zij niet zouden mogen worden onderzocht, vindt geen steun in de hiervoor genoemde arresten van de Hoge Raad. Die opvatting is hier ook niet mee in lijn, al was het maar omdat het op die manier wel erg eenvoudig zou worden voor de veroordeelde om zijn gedrag aan te passen aan deze controles, terwijl het hof dit kennelijk heeft willen voorkomen, gelet op de bepaling dat controles ook onaangekondigd mogen plaatsvinden.
2.15
Ook de eerste deelklacht faalt en daarmee faalt het gehele middel.
Het eerste middel
3.
3.1
Het middel bevat de klacht dat de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden. Het cassatieberoep is ingesteld op 4 augustus 2022. De stukken van het geding zijn op 11 mei 2023 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dit brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden met meer dan een maand is overschreden.
3.2
Het middel is terecht voorgesteld.
Afronding
4.
4.1
Het eerste middel slaagt, het tweede middel faalt.
4.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep zijn verstreken. Dat brengt mee dat ook in zoverre de redelijke termijn is overschreden.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑11‑2024
Hoewel in de cassatieschriftuur wordt geklaagd over de oplegging van een bijzondere voorwaarde (enkelvoud), is het de steller van het middel om een samenstel van bijzondere voorwaarden te doen. Specifiek gaat het om de figuur - die in cassatie al meermaals aan de orde is geweest, vgl. HR 13 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1196, rov. 2.3.3) - waarin ten eerste een gedragsvoorwaarde wordt opgelegd en vervolgens een aantal bijzondere voorwaarden dat “een gedraging van de veroordeelde betreft en die ertoe strekt het toezicht op [de] andere door de rechter op grond van artikel 14c lid 2 Sr gestelde bijzondere voorwaarde(…) mogelijk te maken of te bevorderen.”
Zie onder meer de conclusie van toenmalig AG Vegter van 11 oktober 2022, ECLI:NL:PHR:2022:915 en de conclusie van PG Bleichrodt van 22 februari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:170.
HR 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:807, rov. 2.5. Het is voor de rechter ook mogelijk in de aan de reclassering te geven toezichtsopdracht nader te bepalen hoe een onderzoek aan gegevensdragers dient plaats te vinden (HR 29 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1763, rov. 2.4), maar dat is in de onderhavige zaak niet gebeurd.
Vgl. HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1215, rov. 3.4, en HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:338, rov. 4.3.
Vgl. HR 7 juli 2022, ECLI:NL:HR:2020:1215, rov. 3.4,
Vgl. HR 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:807, rov. 2.5.
Vgl. HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1403, rov. 3.4.
Vgl. HR 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:807, rov. 2.5.
Vgl. HR 7 juli 2022, ECLI:NL:HR:2020:1215, rov. 3.4; HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:338, rov. 4.3, en HR 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:807, rov. 2.5.
Vgl. HR 7 juli 2022, ECLI:NL:HR:2020:1215, rov. 3.4; HR 9 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:248, rov. 2.4, en HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:338, rov. 4.3.
Vgl. HR 9 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:248, rov. 2.4; HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:338, rov. 4.3, en HR 29 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1763, rov. 2.5.2.
Vgl. HR 9 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:248, rov. 2.4; HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:338, rov. 4.3, en HR 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:807, rov. 2.6.
HR 29 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1763, rov. 2.4.
Geklaagd wordt niet over het feit dat deze deskundige van het hof ook een “politieambtenaar” mag zijn. Uit HR 29 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1763, rov. 2.4, valt naar het mij voorkomt overigens op te maken dat dit niet ontoelaatbaar is.
Vgl. de conclusie van toenmalig AG Vegter van 11 oktober 2022, ECLI:NL:PHR:2022:915, onder 25.
Beroepschrift 15‑08‑2023
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CASSATIESCHRIFTUUR
[verdachte]
Geboren op [geboortedatum] 1971
advocaat: J.W. Heemskerk
Edelhoogachtbaar College,
Geeft eerbiedig te kennen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, requirant van cassatie, te dezer zake woonplaats kiezende te (6041 JD) Roermond aan de Kapellerlaan 38 ten kantore van zijn raadsman, mr. J.W. Heemskerk, advocaat te Roermond, die door requirant bepaaldelijk is gevolmachtigd dit cassatieschriftuur op te stellen, te ondertekenen en in te — doen — dienen;
Omvang cassatie
Het beroep in cassatie is ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch, uitgesproken op 1 augustus 2022, in de strafzaak met het parketnummer 20-000913-21.
Middel I
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder heeft het hof artikel 6, eerste lid, EVRM geschonden aangezien de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden.
Toelichting:
Op 4 augustus 2022 is namens requirant (tijdig) cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof d.d. 1 augustus 2022.
De stukken zijn op 11 mei 2023 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen, derhalve meer dan 8 maanden nadat cassatie werd ingesteld. Nu naar het oordeel van requirant niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die dit tijdsverloop zouden kunnen rechtvaardigen, heeft de behandeling van de zaak niet plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. Deze overschrijding dient dan ook te leiden tot strafvermindering.
Middel II
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder heeft het hof artikel 14c, lid 2 onder 14o van het Wetboek van Strafrecht (Sr) geschonden, doordat de onder C opgelegde bijzondere voorwaarde onvoldoende precies geformuleerd is.
Toelichting:
Het hof heeft requirant veroordeeld tot een taakstraffer hoogte 240 uur alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf ter hoogte van 6 maanden, vanwege —kort gezegd— bezit van kinderporno.
Aan de voorwaardelijk opgelegde straf zijn bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder:
- ‘C.
veroordeelde onthoudt zich, op welke wijze dan ook, van:
- —
het (op digitale wijze) met een seksuele intentie communiceren met minderjarigen;
- —
gedrag dat is gericht op het zich begeven in een digitale omgeving waarin kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen;
- —
gedrag dat is gericht op het zich begeven in een digitale omgeving waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd.
De veroordeelde bespreekt tijdens de gesprekken met de reclassering hoe hij denkt dit gedrag te voorkomen. Om het toezicht op deze gedragsvoorwaarden mogelijk te maken, werkt de veroordeelde mee aan —onaangekondigde— controles van geautomatiseerde werken en/of gegevensdragers. De veroordeelde werkt mee aan deze controle tijdens huisbezoeken. Deze medewerking bestaat mede uit het op verzoek van de reclasseringsmedewerker ter beschikking stellen of overhandigen van al zijn gegevensdragers en/of geautomatiseerde werken (computers, smartphones en andere digitale gegevensdragers waarover de veroordeelde in zijn woning beschikt en waarop afbeeldingen kunnen worden opgeslagen of waarmee het internet kan worden benaderd) voor een periode van maximaal 3 achtereenvolgende werkdagen en het toegang verlenen tot die gegevensdragers en/of geautomatiseerde werken (bijvoorbeeld door het geven van de benodigde wachtwoorden) aan de reclassering of aan de hierna te noemen, door de reclassering uit te nodigen, deskundige op digitaal gebied. Deze controles mogen gedurende de proeftijd van 3 jaren maximaal 2 keer per jaar worden uitgevoerd, waarbij de persoonlijke levenssfeer van de veroordeelde zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De controle is gericht op de vraag of de veroordeelde kinderpornografisch materiaal vermijdt en strekt niet verder dan dat. De controle strekt er in het bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de veroordeelde. De reclassering kan voor de technische ondersteuning van de controle een deskundige op digitaal gebied meenemen, ook als dit een politieambtenaar is die deskundig is op digitaal gebied. Indien de door de reclassering meegenomen deskundige geen politieambtenaar betreft maar een externe partij is deze persoon tot geheimhouding verplicht. Bij de controle kan gebruik worden gemaakt van een hulpmiddel dat een indicatie geeft of kinderpornografisch materiaal aanwezig is.’
Een bijzondere voorwaarde als bedoeld in art. 14c, lid 2 onder 14o, Sr dient het gedrag van de veroordeelde te betreffen (vgl. NJ 1970/123, m.nt. Enschedé). Als zodanig kunnen worden aangemerkt voorwaarden die strekken ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht (vgl. HR 7 juli 2020, ECLI:L:HR:2020:1215, NJ 2020/410).
De regelingen van art. 14c lid 3 onder b, 14c lid 6 Sr , en art. 6:3:14 Sv (voorschriften en bevoegdheden over toezicht op de naleving van de voorwaarden) staan er niet aan in de weg dat een bijzondere voorwaarde als bedoeld in artikel 14c lid 2, onder 14o, Sr wordt gesteld die een gedraging van de veroordeelde betreft en die ertoe strekt het toezicht op (een) andere door de rechter op grond van artikel 14c lid 2 Sr gestelde bijzondere voorwaarde(n) mogelijk te maken of te bevorderen. Ook hierbij geldt dat het moet gaan om een voldoende precies geformuleerd gedragsvoorschrift. Dat gedragsvoorschrift mag niet verder strekken dan voor het toezicht op de naleving van de andere bijzondere voorwaarde(n) noodzakelijk is. (vgl. HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1403).
De door het hof gestelde bijzondere voorwaarde aangaande het verplicht meewerken aan de controles van de gegevensdragers voldoet naar het oordeel van requirant niet aan deze eis en is daarmee in strijd met art. 14c lid 2 onder 14o Sr.
Naar het oordeel van requirant had preciezer omschreven moeten worden welke delen van de gegevensdragers door de reclassering mogen worden onderzocht. Voorts had het hof nader moeten omschrijven welke personen/instanties door de reclassering (voor de technische ondersteuning) als externe deskundigen op digitaal gebied kunnen worden aangemerkt.
Gelet op het vorenstaande dient het arrest van het hof op dit vernietigd worden.
Roermond, 15 augustus 2023
J.W. Heemskerk